Beleidsregels KrediethypotheekHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk Gezien: de bepalingen in de Participatiewet, en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 ende Algemene wet bestuursrecht per 1 juli 2009, waaruit voortvloeit de noodzaak ombeleidsregels op te stellen ten aanzien van de wijze waarop en de periode waarbinnen eengeldlening op grond van artikel 50 Participatiewet dient te worden terugbetaald. Gelet: op door de aan het college daartoe opgelegde verplichting en verkregen bevoegdheid, als isvastgelegd in de voornoemde wetten en regelingen; Gelezen: het desbetreffende voorstel van het Afdelingshoofd van de afdeling Sociale Zaken; Besluit: vast te stellen de navolgende Beleidsregels Krediethypotheek, welke in werking treden per 1januari 2015 en in de plaats treden van de voordien geldende Beleidsregels Krediethypotheek HOOFDSTUK1:ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1:1– Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader wordenomschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wetbestuursrecht of de overige in deze beleidsregels aangehaalde wetten en regelingen. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders van degemeente Rijswijk; krediethypotheek: krediethypotheek: een zekerheidsrecht in de vorm vanhypotheek indien een inkomensvoorziening in de vorm vaneen geldlening wordt verleend op grond van artikel 50 enartikel 48, lid 3 van de Participatiewet; inkomensvoorziening: een voorziening in levensonderhoud op grond van deParticipatiewet; HOOFDSTUK2:VESTIGING KREDIETHYPOTHEEK Artikel2:1– Vorm van de lening 1.Indien bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 50 tweedelid van de participatiewet, is de vorm hiervan de vestiging van een hypotheekrecht op eeneigen woning of een woonschip zijnde een registergoed, en van de vestiging van eenpandrecht op een woonwagen of een woonschip zijnde een niet-registergoed. 2.Indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waaroverbijstand wordt verleend, naar verwachting minder bedraagt dan het netto minimumloon permaand, bedoeld in artikel 37 eerste lid van de Participatiewet, wordt niet tot de vestiging vaneen hypotheek- of pandrecht overgegaan. De eventueel te verlenen algemene bijstand wordls geldlening of om niet verstrekt worden, afhankelijk van het bepaalde in artikel 50 van deParticipatiewet, samen met artikel 48 eerste en tweede lid van de Participatiewet. 3.Het college verbindt aan de verlening van bijstand onder verband van krediethypotheek of -pand als bedoeld in het eerste lid de verplichting dat de belanghebbende zich schriftelijkbereid verklaart hieraan mee te werken. Bij weigering de verklaring te ondertekenen, kan geenbijstand of voorschot worden verstrekt. Artikel2:2– Vaststelling waarde woning 1.De geldlening als bedoeld in artikel 2:1, is ten hoogste de waarde van de woning in heteconomisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met hypotheekschuld en het vrij te latenvermogen als bedoeld in artikel 34 tweede lid onder d van de Participatiewet. 2.De waarde van de woning of de woonwagen wordt vastgesteld overeenkomstig de waarde inhet economische verkeer bij vrije oplevering zoals opgenomen in artikel 34, lid 1, van deParticipatiewet., De woning, c.q. de woonwagen dient getaxeerd te worden door een inoverleg met belanghebbende aan te wijzen erkende makelaar/taxateur, tenzij al eentaxatierapport van niet ouder dan twaalf maanden aanwezig is. Dit taxatierapport moet uitgaanvan de waarde van de woning indien onbewoond en vrij van huur; 3.In geval van een woonschip wordt de waarde vastgesteld op basis van een taxatie door een inoverleg met belanghebbende aan te wijzen erkende makelaar in Rijswijk, tenzijbelanghebbende een taxatierapport toont, dat niet ouder is dan twaalf maanden, van hetbetreffende woonschip. Dit taxatierapport moet uitgaan van de waarde van het woonschipindien onbewoond en vrij van huur; 4.De kosten van taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en de bijkomendekosten komen ten laste van de eigenaar. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt alsbijzondere bijstand. Indien niet wordt overgegaan tot het vestigen van een krediethypotheekbuiten de schuld van belanghebbende, kunnen de kosten van taxatie als bijzondere bijstandom niet aan belanghebbende worden verleend; 5.Indien van toepassing moet in plaats van het begrip hypotheek het begrip pand wordengelezen. Artikel2:3– Voorwaarden en bedingen 1.Aan de geldlening worden in ieder geval verbonden de voorwaarden genoemd in de artikelen3:1 lid 2a en f en 3:2 t/m 3:4; 2.De in het eerste lid genoemde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingenopgenomen in de hypotheek- of pandakte. 3.Wanneer het in artikel 2.2, lid 1 van deze beleidsregels genoemde bedrag € 2500 of minderbedraagt wordt geen krediethypotheek gevestigd. De te verstrekken bijstand wordt wel alslening verstrekt. 4.Wanneer het college besluit tot het vestigen van een krediethypotheek wordt in debeschikking opgenomen dat belanghebbende en diens partner verplicht zijn mee te werkenaan het tot stand brengen van de krediethypotheek. 5.Bij het niet nakomen van de verplichting genoemd in het vierde lid van dit artikel, wordt debijstand afgewezen of wordt het recht op bijstand herzien. Artikel2:4– Hypotheekakte 1.Een notaris stelt de akte voor de te vestigen krediethypotheek op. In deze akte worden inieder geval de volgende zaken vermeld: Personalia van de belanghebbenden Vertegenwoordiging gemeente Adres woning en kadastrale aanduiding Hoogte van de te vestigen hypotheek Hoogte van bijkomende kosten zoals bedoeld in artikel 2.2, lid 4 van deze beleidsregels De aflossingsperiode van de hypotheek Rentepercentage bij terugvordering van de hypotheek 2.De voorwaarden zoals genoemd in artikel 2:3, lid 1 van deze beleidsregels worden tevens inde hypotheekakte opgenomen 3.De notaris stelt een concept-akte op, deze akte wordt ter goedkeuring voorgelegd aan degemeente. 4.Na fiattering worden belanghebbenden en de vertegenwoordiger van de gemeenteuitgenodigd voor het ondertekenen van de akte. Artikel2:5– Herleving recht op bijstand Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband vankrediethypotheek of -pand wederom het recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend mettoepassing van het laatst gevestigde hypotheek- of pandrecht. HOOFDSTUK3:TERUGVORDERING EN AFLOSSING VAN BIJSTAND ONDER VERBAND VAN KREDIETHYPOTHEEK Artikel3:1– Terugvordering 1.Het college zal inzake terugvordering en aflossing van de lening krediethypotheek en betalingvan de rente, alsmede inzake uitstel van aflossing, steeds de betreffende hypotheekakte en/of daarbij behorende Algemene voorwaarden raadplegen, omdat de akten afwijkend vaninhoud en opzet kunnen zijn. 2.De (restant) krediethypotheek wordt op grond van de in de hypotheekakte vermelde artikelenen/of daarbij behorende Algemene bepalingen, ineens opeisbaar indien: de bijstandsverlening is beëindigd (raadpleeg hypotheekakte); de woning wordt verkocht; de woning overgaat door vererving of vervreemding; niet wordt voldaan aan verplichtingen; de bewoning is beëindigd; sprake is van echtscheiding, faillissement, surséance van betaling, beslag op vermogen ofverbeurd verklaring, ontbinding of liquidatie of een terugvordering anderszins van toepassing is m.b.t. eigenbedrijf waarvoor lening o.g.v. het Bbz 2004 is verleend onder verband vankrediethypotheek(artikel 43 Bbz 2004); 3.Terugvordering op grond van artikel 58 lid 2 sub b Participatiewet vindt plaats indien geen ofonvoldoende medewerking door belanghebbende wordt verleend aan de vestiging van eenhypotheek of indien niet wordt voldaan aan de aflossingsverplichting of overige aan deleenbijstand verbonden verplichtingen 4.Vanaf moment van terugvordering of wanneer een terugbetalingsverplichting geldt, is renteverschuldigd op basis van het percentage als in de hypotheekakte is overeengekomen. Artikel3:2– Aflossing 1.Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste 10 jaar, mits in deze periodeis voldaan aan de aflossingsverplichting. 2.De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindtmaandelijks plaats. 3.Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van 1 jaar vastgesteld. 4.Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college zo nodig tussentijds, hetmaandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. 5.Indien gedurende de periode van aflossing verwijtbaar geen betalingen worden verricht, wordtde lening teruggevorderd en de eventuele aflossingstermijn verlengd met de periode van dewanbetaling. 6.Wanneer uitstel van betaling is verleend wegens het ontbreken van draagkracht, wordt deperiode van aflossing niet verlengd. Artikel3:3– Hoogte aflossing 1.Bij een inkomen gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm, wordt geen aflossing geëist. 2.Bij een inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm wordt de hoogte van hetaflossingsbedrag individueel bepaald door het maken van een draagkrachtberekening. 3.Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld,maar kan wegens gewijzigde financiële omstandigheden altijd tussentijds worden herzien. 4.Bij verkoop van de woning dient de vordering ineens te worden voldaan met de opbrengst vande verkoop. Het eventuele restant van de vordering wordt dan buiten invordering gesteld. 5.Eventueel uitstel van betaling zal bij voorrang plaatsvinden op de aflossing en pas in tweedeinstantie op de te betalen rente. Artikel3:4– Verkoop van de woning 1.Bij verkoop of vererving van de woning, en indien het gehuwden betreft bij vererving naoverlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van degeldlening, alsmede de op grond van artikel 3:4 derde en vierde lid, bijgeschreven rente,terstond afgelost. 2.Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medischeof sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders doorbelanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwegeldlening eveneens onder verband van een krediethypotheek voor de aankoop van eenandere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgelostegeldlening, onder voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogenmet inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van deandere woning. 3.Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economischverkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, aanbelanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34 tweede lid onder dvan de participatiewet, bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning inmindering is gebracht. 4.Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrijeoplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag vande geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. Artikel3:5– Bbz-lening onder hypothecair verband Ingeval de Bbz-lening opeisbaar is, worden gestelde zekerheden volledig uitgewonnen. In afwijkingdaarvan blijft, op verzoek van betrokkene en voor zover mogelijk, een lening onder hypothecairverband, verbonden aan de eigen woning met bijbehorend erf, gehandhaafd of wordt deze tot de onbelaste waarde van deze woning gevestigd. HOOFDSTUK4:OVERIGE BEPALINGEN Artikel4:1– Slotbepaling Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.