Beleidsregels Terugvordering 2015Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk Gezien: de bepalingen in de Participatiewet, en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 en de Algemene wet bestuursrecht per 1 juli 2009, waaruit voortvloeit de noodzaak om een aantal taken met betrekking tot: herziening of intrekking van toekenningsbesluiten, het terugvorderen en invorderen van onverschuldigd betaalde bijstand en de ten uitvoerlegging van terugvorderingbesluiten, in deze beleidsregels nader in te vullen en vorm te geven; Gelet: op door de aan het college daartoe opgelegde verplichting en verkregen bevoegdheid, als is vastgelegd in de voornoemde wetten en regelingen; Gelezen: het desbetreffende voorstel van het Afdelingshoofd van de afdeling Sociale Zaken; Besluit: vast te stellen de navolgende Beleidsregels Terugvordering 2015, welke in werking treden per 1 januari 2015 en in de plaats treden van de voordien geldende Beleidsregels Terugvordering HOOFDSTUK1:ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1:1– Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader wordenomschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wetbestuursrecht of de overige in deze beleidsregels aangehaalde wetten en regelingen. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: het college : het college van burgemeester en wethouders van de gemeenteRijswijk; Artikel1:2– Bevoegdheid college Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot: het opschorten van het recht op bijstand ingevolge artikel 40, derde lid en artikel 54, eerste lidvan de Participatiewet, artikel 17 eerste lid en 17a eerste lid ingevolge de Wetinkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers(IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezenzelfstandige (IOAZ); het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge artikel 54, derde en vierde lidParticipatiewet, artikel 17 derde en vierde lid en 17a vierde lid IOAW / IOAZ; het terugvorderen en invorderen van onverschuldigd betaalde bijstand zoals neergelegd in deartikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet, 25 tot en met 30 IOAW/IOAZ, 44 tot en met47 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004); het opleggen van een schriftelijke waarschuwing ingevolge artikel 18a vierde lidParticipatiewet. HOOFDSTUK2:OPSCHORTING, HERZIENING EN INTREKKING Artikel2:1– Opschorting van het recht op bijstand 1.Opschorting van het recht op bijstand vindt plaats indien belanghebbende: geen of onvoldoende bewijsstukken overlegt; bewijsstukken niet of niet tijdig verstrekt en hem dit te verwijten valt; anderszins onvoldoende medewerking verleent; op een ander adres woont dan waaronder belanghebbende en/of het gezin staatingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). 2.Geen opschorting vindt plaats indien: het verzuim of de afwijking belanghebbende redelijkerwijs niet te verwijten valt; de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de bijstand; het college op grond van artikel 40, vierde lid Participatiewet daarvoor een dringendereden aanwezig acht. Artikel2:2– Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit 1.Een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken indien: het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het tenonrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand; anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; 2.Indien de belanghebbende het verzuim niet of niet volledig herstelt binnen de daarvoor gesteldetermijn, kan na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand wordenherzien of ingetrokken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand isopgeschort; 3.Van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit kan het college alleen op grond vandringende redenen afzien. HOOFDSTUK3:TERUGVORDERING Artikel3:1– Terugvordering onverschuldigd verleende bijstand Het college vordert bijstand terug van de belanghebbende op basis van artikel 25 lid 1 en 2 van de IOAW en IOAZ en op basis van artikel 58 lid 1 en 2 Participatiewet voor zover deze bijstand: ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijknakomen van de inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid Participatiewetof artikel 30c tweede en derde lid van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie werk eninkomen (Wet SUWI); in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiendeverplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; voortvloeit uit gestelde borgtocht; bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat; anderszins onverschuldigd is betaald en de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnenbegrijpen; is verleend als Bbz-lening en het bedrijf of zelfstandig beroep is beëindigd en er is nietvoldaan aan de verplichtingen; anderszins onverschuldigd is betaald omdat: de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand isverleend, over in aanmerking te nemen middelen is komen te beschikken of kan beschikken; de bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door debelanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op diebestemming; Artikel3:2– Loonheffing (brutering) De netto bijstandsvordering op grond van de Participatiewet wordt in principe achterafverhoogd met de door college afgedragen loonheffing (brutering), voor zover de vordering nietof niet volledig is voldaan voor 1 januari van het volgende jaar na datum van hetterugvorderingsbesluit; In geval van loonheffing (brutering) achteraf, wordt aan belanghebbende een apartterugvorderingsbesluit toegezonden; Een vordering wordt direct gebruteerd teruggevorderd indien de vordering betrekking heeft opeen periode voorafgaand aan het lopende jaar; Van brutering kan worden afgezien indien belanghebbende geen verwijt treft met betrekkingtot het ontstaan van de vordering; Wanneer algemene bijstand is verleend op grond van het Bbz 2004, is brutering niet vantoepassing, omdat deze bijstand verstrekt wordt als (renteloze) lening. Artikel3:3– Terugvordering van (verzwegen) gezinsleden en medevennoten (mede hoofdelijkaansprakelijk) Ten aanzien van verleende bijstand aan gehuwden of daarmee gelijkgestelden wordt bijstandals gezinsbijstand toegekend. Daarbij wordt rekening gehouden met de middelen van alle tothet gezin behorende personen. Deze bijstand is ondeelbaar en wordt als één geheelvastgesteld, ongeacht aan wie de bijstand wordt betaald. De betreffende personen zijndaarom hoofdelijk aansprakelijk. Dit geldt ook voor verzwegen gezinsleden. Terugvorderingzal daarom steeds zijn gericht op de in de gezinsbijstand begrepen personen (inclusief eenverzwegen gezinslid). Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulksachterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, ofartikelen 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk eninkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede wordenteruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4,bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Indien de kredietvrager niet meer aan zijn verplichtingen voldoet stelt het college de eventuelemedevennoot mede hoofdelijk aansprakelijk. Artikel3:4– Afzien terugvorderingsbesluit of verdere invordering Het college ziet af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien: hiertoe een dringende reden aanwezig is; het bijstand betreft die is betaald na zes maanden na de datum van ontvangst van eensignaal waaruit afgeleid had moeten worden, dat vanaf de datum van bedoeld signaal de4bijstand ten onrechte of teveel is betaald, tenzij het gaat om terugvordering op grond vanartikel 58, lid 1, Participatiewet; hier om reden van doelmatigheid en/of efficiëntie aanleiding toe is, tenzij het gaat omterugvordering op grond van artikel 58, lid 1, Participatiewet. HOOFDSTUK4:KWIJTSCHELDING Artikel4:1– Uitgangspunten kwijtschelding Het college verleent geen kwijtschelding van een restantvordering tenzij naar het oordeel van het college verdere invordering tot onaanvaardbare financiële gevolgen zou leiden bij belanghebbende of diens gezin, tenzij het gaat om invordering op grond van artikel 58, lid 1, Participatiewet. Artikel4:2– Kwijtschelding bij geldleningen 1.Het college stelt de hoogte van de aflossing op leenbijstand tijdens de bijstandsverlening vast op: 6% van de geldende bijstandsnorm voor gehuwden en alleenstaande ouders 8% van de geldende bijstandsnorm voor alleenstaanden 2.Voor niet verwijtbare leenbijstand, die bovendien niet is teruggevorderd, geldt dat het restantwordt kwijtgescholden, wanneer minimaal 36 aaneengesloten volledigeflossingstermijnen zijn voldaan. Belanghebbende dient hiervoor zelf een schriftelijk verzoek tedoen. Belanghebbende dient van de kwijtschelding een beschikking te ontvangen waarinvermeld het bedrag van de kwijtschelding; 3.Wanneer belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid kan worden verwetenmet betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van(verwijtbare) leenbijstand leidt, dient de geldlening volledig te worden terugbetaald, ook al zou deperiode van aflossing langer voortduren dan 36 maanden. In deze situatie dient hetaflossingsbedrag voor diegenen die een Participatiewet-uitkering ontvangen in beginsel te wordenbepaald op 10% van de toepasselijke bijstandsnorm plus toeslag; 4.Wanneer de cliënt niet meer aangewezen is op een bijstandsuitkering en bijvoorbeeld inkomstenheeft uit arbeid, vindt heroverweging plaats over de hoogte van de aflossing. De hoogte van hetaflossingsbedrag wordt individueel bepaald door het maken van een draagkrachtberekening. 5.In gevallen van terugbetaling van een Bbz-lening (alleen bedrijfskrediet) is lid 1 niet vantoepassing. Wel geldt dat na een periode van 5 jaar na beëindiging van het bedrijf of zelfstandigberoep, waarbij volledig aan de betalingsverplichting is voldaan, het bedrag dat nog niet isterugbetaald wordt kwijtgescholden. Artikel4:3– Kwijtschelding bij overlijden Een restantvordering of geldlening (ook Bbz) zal worden kwijtgescholden bij overlijden, tenzij er een zekerheid is gesteld of als de nalatenschap gehele of gedeeltelijke aflossing toelaat. Artikel4:4– Kwijtschelding bij onbekende verblijfplaats en/of inkomstenbron, of anderszins Een (restant)vordering kan na verloop van 10 jaar buiten invordering worden gesteld indiendeze verblijfplaats en/of inkomstenbron van onbekend blijft en niet te verwachten is dat dit openig moment wel achterhaald zal worden. Een (restant)vordering kan ook buiten invordering worden gesteld indien invordering omandere redenen niet mogelijk is gebleken en niet te verwachten is dat dit op enig moment welmogelijk zal zijn. HOOFDSTUK5:INVORDERING VAN TERUGGEVORDERDE BIJSTAND Artikel5:1– Invorderingsbesluit / aflossingsverplichting 1.In het invorderingsbesluit deelt het college aan de belanghebbende mede: tot welk bedrag en over welke periode de onverschuldigd verleende bijstand isteruggevorderd; de wettelijke betalingsverplichting; het maandelijkse aflossingsbedrag en de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden: in debeschikking wordt de uiterste betalingsdatum vermeld of de termijn waarbinnen de vorderingdient te zijn voldaan; in geval van uitstel van betaling de hoogte van het per termijn terug te betalen bedrag; op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd; dat in geval van tenuitvoerlegging van het besluit er incassomaatregelen getroffen zullen worden, waarbij de (nog resterende) vordering verhoogd zal worden met incassokostenvolgens de staffel zoals die gehanteerd wordt door de kantonrechters en gepubliceerd is opwww.rechtspraak.nl; de volgorde van de betalingen zoals vastgelegd in de Awb, 4e tranche; op welke wijze verrekening zal plaatsvinden. 2.Indien na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep een deel van de Bbz-lening (alleenbedrijfskrediet) resteert, dient gedurende 5 jaar na beëindiging van het bedrijf of zelfstandigberoep 50% van het netto inkomen boven de bijstandsnorm te worden besteed voor aflossing vande (resterende) lening. Artikel5:2– Bevoegdheid tot verrekening en beslaglegging 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om op grond van artikel 60 lid 3 en 4 en artikel60a Participatiewet en artikel 28 lid 2 en 3 IOAW/IOAZ over te gaan tot verrekening enbeslaglegging door middel van vereenvoudigd derdenbeslag op grond van artikel 60 lid 5Participatiewet en artikel 28 lid 5 IOAW/IOAZ. 2.Voorschotten en inkomsten uit de voorafgaande zes maanden van de algemene bijstandworden niet als terugvordering beschouwd, maar kunnen direct aansluitend verrekend wordenmet een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW, IOAZ, of Bbz
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.