Het college van de gemeente Pijnacker-Nootdorp; gelet op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Pijnacker-Nootdorp 2015; besluit: I. de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Pijnacker-Nootdorp 2015 vast te stellen: HOOFDSTUK
(2007)is er een andere omschrijving ontstaan, die in de verordening onder de Wmo 2015 weer wordt gehanteerd. Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Daarbij wordt eerst bezien of (loop-)hulpmiddelen die via de Zorgverzekeringswet kunnen worden verstrekt, zoals krukken of een trippelstoel, in het concrete geval tot het bereiken van het resultaat kunnen leiden. Dat sluit de rolstoel voor incidenteel gebruik bijna altijd uit. 3.4.1 Afwegingskader Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning, om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen in beginsel niet onder dit resultaat. Waar dit noodzakelijk is verwijst het college naar de thuiszorgwinkel voor een rolstoel voor incidenteel gebruik. Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal, zo nodig via een medisch of ergonomisch advies, een programma van eisen worden opgesteld voor de rolstoel en de daarvoor noodzakelijke aanpassingen en accessoires. Deze uitgangspunten bij de selectie van een rolstoel zijn ook van toepassing op kinderrolstoelen. Daarbij geldt in nog hogere mate dan voor rolstoelen voor volwassenen dat de selectie zorgvuldig moet gebeuren. Omdat kinderen groeien is het aan te bevelen de rolstoelen zodanig te selecteren dat deze niet jaarlijks vervangen hoeft te worden. Onder rolstoelvoorzieningen voor kinderen vallen buggy’s en wandelwagens (aangepast), zitondersteuningselementen, speelvoertuigen en sta-zitrolstoelen. Mantelzorgers Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Als de mantelzorger bijvoorbeeld niet in staat is de rolstoel te duwen, zal gekeken worden naar alternatieven om het hier bedoelde resultaat te bereiken. AWBZ/Wlz-rolstoel Voor AWBZ-bewoners die een dubbele indicatie behandeling en verblijf in een voor die beide functies erkende instelling intramuraal verzilveren valt de rolstoel onder artikel 15 Besluit zorgaanspraken AWBZ. Als de AWBZ wordt opgevolgd door de Wlz zal het college rekening houden met de dan bestaande mogelijkheden van rolstoelverstrekking via de Wlz. 3.5 Ondersteuning bij het lokaal verplaatsen per vervoermiddel Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Bij lokaal verplaatsen moet worden gedacht n aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning, dit is over 5 OV-zones. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS aanbiedt. De gemeente hoeft in het kader van de Wmo niet te voorzien in bovenregionaal vervoer. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft bijvoorbeeld al 40 jaar een auto en is gewend daar alles mee te doen) zal er in de regel geen noodzaak zijn een maatwerkvoorziening te verstrekken. Er is immers geen probleem of men kan het zelf oplossen. Dat kan anders zijn indien door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt. 3.5.1 Afwegingskader Alternatieve vervoersmogelijkheden Om voor een maatwerkvoorziening voor lokaal verplaatsen in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het onderzoek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Dat kunnen ook fietsen in bijzondere uitvoering zijn, zoals fietsen met trapondersteuning en dergelijke. Het gewone OV of de buurtbus kunnen ook voorliggend zijn, voor alle of voor bepaalde verplaatsingen op langere afstanden. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheden om mee te rijden met huisgenoten, mantelzorgers of vrijwilligers. Omvang en vorm van de vervoersbehoefte Als het college een maatwerkvoorziening dient te verstrekken zal allereerst gekeken worden waaruit de vervoersbehoefte van de cliënt bestaat. Daarbij wordt gekeken naar de persoonskenmerken en (vervoers-)behoefte op de korte en lange afstanden, de frequentie en het motief van de verplaatsingen en eventuele bijzondere eisen, zoals het meenemen van kinderen, van spullen en de rolstoel bij het lokaal verplaatsen per vervoermiddel Ook bewoners van een AWBZ/Wlz instelling kunnen een vervoersbehoefte hebben die onder de Wmo valt. Vaak hebben zij een beperkte vervoersbehoefte, soms door hun beperkingen, maar ook door het feit dat zij geen boodschappen hoeven te doen en de huisarts aan huis komt. Bij het bepalen van de vervoersbehoefte gaat het niet om de vraag hoe vaak de cliënt een bepaalde bestemming wil kunnen bereiken, maar hoe vaak hij bestemmingen moet kunnen bereiken om deel te nemen aan het leven van alle dag en om de wezenlijke contacten die daarvan deel uit maken te kunnen onderhouden. Daarnaast is het van belang hoe de cliënt zich tot nu toe heeft gered, al dan niet met behulp van anderen en wat hij daarbij als belemmeringen heeft ondervonden. Leeftijd en vervoersbehoefte Er bestaat een duidelijke relatie tussen de leeftijd van een cliënt en diens verplaatsingsgedrag. Kinderen jonger dan 5 jaar hebben geen zelfstandige verplaatsingsbehoefte. De vervoersbehoefte zal in de regel niet dusdanig afwijkend zijn van de vervoersproblemen van niet-beperkte leeftijdsgenoten dat er aanleiding is voor ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening of pgb. Uitzonderingen worden in verband met de maatwerkeis individueel beoordeeld. Kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben geen zelfstandig verplaatsingsgedrag maar wel in toenemende mate een individuele vervoersbehoefte voor deelname aan het maatschappelijk verkeer (dit is verplaatsingsgedrag naast het reguliere woon-schoolverkeer). Kinderen van 12 jaar en ouder hebben over het algemeen een beperkt zelfstandig verplaatsingsgedrag. De verplaatsingen spelen zich veelal af binnen de mogelijkheden van de fietsafstand of openbaar vervoer. Vanaf de volwassen leeftijd van 18 jaar kan sprake zijn van een individueel vervoersprobleem. In elke situatie geldt echter een maatwerkbeoordeling. Loopafstand Aan de hand van de vastgestelde vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een cliënt met een maximale loopafstand van 800 meter opgelost kan worden door gebruik van de regiotaxi. Hierbij houdt het college rekening met de individuele situatie en persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Doel van het vervoer Relevant is voor de Wmo het zogenaamde sociaal vervoer, oftewel vervoer in het kader van het leven van alledag in de eigen woon- of leefomgeving. Vervoer in verband met werk en het volgen van onderwijs hoort daar niet bij, vervoer in verband met bezoek aan (para-)medische behandelaars in de eigen regio wel, volgens vaste jurisprudentie. Zie o.a. LJN BC5491 en LJN BL
- Voor noodzakelijk vervoer in verband met dagbesteding gelden afwijkende regels, zie het Besluit nader regels. Reikwijdte ondersteuningsplicht Lokaal vervoer is wettelijk uitgangspunt, in bijzondere gevallen van (dreigende)vereenzaming kan ondersteuningsverplichting van de gemeente op dit terrein verder gaan. Of er sprake is van dreigende vereenzaming wordt beoordeeld aan de hand van de criteria uit de Wvg-jurisprudentie, die onder de Wmo-jurisprudentie impliciet is voortgezet, zie LJN BN0775: er is sprake is van dusdanig wezenlijke – uitsluitend door persoonlijk bezoek te onderhouden – contacten, dat zonder die contacten een sociaal isolement ontstaat; er zijn bijzondere omstandigheden waardoor bijvoorbeeld ouders hun volwassen kind niet kunnen bezoeken, zoals een slechte gezondheid waardoor men moeilijk of niet kan reizen. Bepalend voor het beoordelen van de aanvraag is de psychosociale betekenis van het weekendbezoek aan ouders en familie. Voor wat betreft de frequentie van bezoek aan ouders wordt in beginsel uitgegaan van 12-18 keer per jaar. Ernstig beperkte mobiliteit Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter en een relevantie vervoerbehoefte op korte afstanden zal het college beoordelen of naast een voorziening als de regiotaxi ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. In veel gevallen zal men overigens kunnen volstaan met een het verstrekken van een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Primaat collectief vervoer Indien de regiotaxi een passende oplossing kan bieden, heeft die oplossing voorrang, het zogenaamde primaat van het collectief vervoer, dat in de Wmo-jurisprudentie in zijn algemeenheid is geaccepteerd, zie bijvoorbeeld LJN BK
- Regiotaxi is een luxe vorm van openbaar vervoer die vervoert van deur tot deur. Ook mensen zonder beperkingen kunnen hier tegen kostprijs gebruik van maken. Mensen die vanwege hun beperkingen veelal zijn aangewezen op de regiotaxi kunnen voor korting in aanmerking komen. Met een Wmo pas kunnen zij tegen OV tarief reizen met de regiotaxi over 5 OV zones. Ook mensen met beperkingen kunnen sommige ritten met het gewone OV maken. Het gewone OV is in toenemende mate toegankelijk voor mensen met beperkingen. Indien zij echt zijn aangewezen op de regiotaxi, is dat hun openbaar vervoer en dus betalen zij daarvoor het OV tarief. Iedereen maakt immers kosten voor vervoer. Indien collectief vervoer geen passende ondersteuning biedt of niet beschikbaar is, kan het college een andere maatwerkvoorziening of een pgb voor een vervoersvoorziening verstrekken. Welke voorziening dat is, hangt helemaal af van de vervoersbehoefte op korte en langere afstanden, en de fysieke en geestelijke mogelijkheden van de cliënt. Het kan bijvoorbeeld – in uitzonderlijke situaties- gaan om een aangepaste auto, maar ook om een scootermobiel, een aangepaste fiets of een andere maatwerkvoorziening voor lokaal verplaatsen. Met de regiotaxi of met een andere maatwerkvoorziening of combinatie van maatwerkvoorzieningen dient in beginsel tenminste een afstand van 1500 - 2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Voor Pijnacker-Nootdorp betekent dit vervoer met de regiotaxi over maximaal 600 OV zones per jaar. Dit criterium is ontleend aan vaste Wvg- en Wmo-jurisprudentie, zie bijvoorbeeld LJN BU
- Als inwoners kunnen aantonen dat ze meer zones reizen voor hun maatschappelijke participatie, kan het college afwijken van deze regel. Bij het aantal kilometers dat gereisd wordt met de regiotaxi kan het gebruik van een andere verstrekte voorziening zoals een scootmobiel meegenomen worden, hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers dat met de regiotaxi mag worden gereisd. Maatwerkvoorziening voor gebruik eigen vervoer Steeds duidelijker wordt dat gebruik van de eigen auto als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. Het autobezit is de laatste decennia enorm gegroeid, en ook voor mensen die zelf geen auto bezitten zijn er steeds meer mogelijkheden om toch zo nu en dan over een auto te kunnen beschikken, bijvoorbeeld gebruik van een deelauto of gezamenlijk bekostigen van een auto met kennissen. Uitgangspunt is dat een auto algemeen gebruikelijk is en dat men ook verondersteld wordt de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten te kunnen dragen. Alleen in bijzondere gevallen kunnen er via de Wmo nog maatwerkvoorzieningen voor autogebruik getroffen worden. Mantelzorg en begeleiding bij vervoer Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening. Zo kan het noodzakelijk zijn dat de mantelzorger mee wordt vervoerd – vanwege de (medische) noodzaak tijdens het vervoer in te kunnen grijpen- zodat het vervoer van de mantelzorger als noodzakelijke begeleider gratis plaats vindt. Begeleiding bij participatie, waaronder begeleiding bij vervoer, is sinds 1-1-2009 totaal ondergebracht in de Wmo. Het is op zich gebruikelijk dat ouders kosten hebben voor vervoer naar hun kinderen. De NS geeft een OV-begeleiderskaart uit op naam van degene die begeleiding nodig heeft. Of er extra vervoerskosten voor begeleiding worden gemaakt hangt af van de begeleider. Maakt een begeleider twee keer dezelfde reis met retour om een cliënt te brengen en later weer op te halen, dan is er wel sprake van meerkosten. De helft van deze reizen kan immers geen gebruik worden gemaakt van de begeleiderspas. Daarnaast kan het vervoersprobleem ook bestaan uit (gebrek aan) fysieke begeleiding bij gebruik van het openbaar vervoer. Dit wordt bij voorkeur opgelost door gebruik te maken van familie, mantelzorg of door een vrijwilliger in te zetten. Mogelijk kan in deze gevallen wel zelfstandig gebruik worden gemaakt van de regiotaxi, iets wat bij de afweging een rol kan spelen. HOOFDSTUK
- VERSTREKKINGSVORMEN MAATWERKVOORZIENING EN BIJBEHORENDE VOORWAARDEN. 4.1 Inleiding Artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 bepaalt in lid 1 het volgende: "
- Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een pgb dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken." Door deze bepaling zijn er in de Wmo 2015 twee vormen van verstrekking mogelijk om het gewenste resultaat te bereiken. De eerste mogelijkheid is de maatwerkvoorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de cliënt een voorziening verstrekt, die hij of zij kant en klaar krijgt. De tweede mogelijkheid is de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb). Gemeenten kunnen ook andere systemen opzetten, mits die niet in plaats van maar naast het pgb komen. Dat geldt bijvoorbeeld voor vouchers of cheques, als wie iets dergelijks niet wil maar gewoon een pgb kan krijgen. De gemeente Pijnacker-Nootdorp kent alleen in natura en pgb, geen andere verstrekkingsvormen. 4.2 Maatwerkvoorziening in natura. Bij een maatwerkvoorziening in natura verstrekt het college deze voorziening , in de regel via een leverancier (bijvoorbeeld een thuiszorgorganisatie of een hulpmiddelenleverancier). Wordt een voorziening in natura verstrekt, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Afhankelijk van de aard van de verstrekking kan het bijvoorbeeld gaan om het tekenen van een bruikleenovereenkomst of een zorgovereenkomst of om andere voorwaarden, zoals het laten inspecteren van een woningaanpassing. Ook andere voorwaarden zijn mogelijk, uiteraard in het licht van het doel van de verstrekking, namelijk het op de goedkoopst passende wijze bereiken van het beoogde resultaat. De kwaliteit waaraan maatwerkvoorzieningen in natura moeten voldoen wordt bepaald aan de hand van landelijk te ontwikkelen protocollen voor Wmo ondersteuning, zoals die bestonden voor de AWBZ in 2014 (toen de inspectie voor de gezondheidszorg de taak had om de kwaliteit te controleren). In de contracten voor hulp in natura worden algemene kwaliteitseisen geformuleerd. Verder wordt bij het bepalen van de hoogte van de tarieven rekening gehouden met zaken die de kwaliteit verhogen zoals deskundigheid van personeel. Tenslotte is voor alle zorgverleners die ingehuurd worden, al dan niet via een aanbieder een verklaring omtrent het gedrag (VOG) een vereiste. 4.3 Maatwerkvoorziening in pgb 4.3.1 Inleiding Een pgb is een geldbedrag bedoeld om zelf ondersteuning of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Voor het invullen van de ondersteuning naar eigen wensen en behoeften kan het pgb een geschikt instrument zijn. Een pgb kenmerkt zich doordat cliënt of vertegenwoordiger eigen regie kunnen uitoefenen in de levering van de ondersteuning. Dit uit zich onder andere in het zelf bepalen wie de hulp levert en het moment waarop de hulp wordt geleverd. Verder is het met een pgb makkelijker een vaste hulpverlener te regelen. De gemeente Pijnacker-Nootdorp vind het pgb dan ook een volwaardig alternatief voor hulp in natura voor cliënt of vertegenwoordiger die in staat is tot eigen regie. Het is belangrijk dat cliënt of vertegenwoordiger vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij daarbij hebben. Tijdens het gesprek en later tijdens de aanvraagprocedure wordt de cliënt of vertegenwoordiger geïnformeerd. Ook verzorgt het servicecentrum pgb van de sociale verzekeringsbank (SVB) voorlichting over het pgb trekkingsrecht en over de arbeidsrechtelijke voorwaarden van een pgb, en helpt met de uitvoering bijvoorbeeld door voorbeelden van zorgovereenkomsten op te stellen. 4.3.2 Afwegingskader pgb In deze paragraaf worden de voorwaarden uitgewerkt om voor een pgb in aanmerking te komen, evenals de uitsluitingsgronden. Artikel 2.3.6, lid 2 Wmo 2015 bepaalt dat er een aantal voorwaarden is waaraan voldaan dient te worden om voor een pgb in aanmerking te komen: "
- Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerk-voorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. " Op basis van een bestedingsplan vormt het college zich een oordeel of de cliënt of diens vertegenwoordiger voldoet aan de wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb. In een plan voor de besteding van het pgb concretiseert de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger welke ondersteuning hij/zij wil inkopen met welk budget, en op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan het beoogde resultaat, en hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd. Bij het beoordelen van het plan voor de besteding van het pgb gelden drie voorwaarden. Dit zijn: Bekwaamheid Motivering De ondersteuning is veilig, doeltreffend en cliëntgericht Bekwaamheid De cliënt of vertegenwoordiger moet inzicht in de hulpvraag hebben en welke ondersteuning hier het beste bij past. Volgens artikel 2.3.
- van de wet moet er sprake zijn van een cliënt die op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke behartiging van zijn belangen dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger. Kan de cliënt of diens vertegenwoordiger duidelijk maken om welke problemen het gaat, hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning hij/zij gebaat is? Ook vormt het college zich een oordeel over de mate waarin de cliënt of diens vertegenwoordiger in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dat wil zeggen dat de cliënt, na te zijn geïnformeerd, door het college, zelf begrijpt wat een pgb inhoudt, wat de financiële maar ook niet-financiële consequenties zijn (bijvoorbeeld werkgeverschap), rekening houdend met het verplichte pgb-beheer door de Sociale verzekeringsbank. Als de cliënt het niet zelf kan begrijpen en er is een andere persoon die dit voor de cliënt kan en wil doen, zal wel de vraag gesteld worden van het waarom. Het pgb heeft vooral een rol in het in eigen handen geven van de regie over het leven. Van regie moet dan wel sprake van zijn. Motivering Dit beoordelingspunt betreft de motivering van de cliënt of diens vertegenwoordiger, waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen en dat het bestaande aanbod in natura niet passend is. In de argumentatie dient duidelijk te worden dat de cliënt of diens vertegenwoordiger zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. Het moet gaan om redelijke argumenten. De belangrijkste motieven om te kiezen voor een pgb in plaats van de voorziening in natura zijn: -regie op de levering van de ondersteuning -uit noodzaak: er is geen geschikte voorziening in natura uit wens om (vertrouwde) mensen uit het eigen gezin of sociaal netwerk in te zetten. De ondersteuning in natura kan niet passend zijn bijvoorbeeld om dat de benodigde ondersteuning niet goed vooraf is in te plannen, op ongebruikelijke tijden moet worden gegeven, op veel korte momenten per dag, op verschillende locaties of op afroep. Daarnaast kan het vanwege de aard van de beperking noodzakelijk zijn dat de ondersteuning door een vaste hulpverlener wordt geboden, bijvoorbeeld bij autisme; dit is beter te organiseren wanneer de ondersteuning via pgb wordt ingekocht. De ondersteuning is veilig, doeltreffend en cliëntgericht Het derde afwegingspunt dat de wet geeft is dat naar het oordeel van het college gewaarborgd is dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Het college dient de kwaliteit van het pgb te toetsen in verhouding tot de indicatie voor de maatwerkvoorziening die is gesteld. Dit wordt ondersteund door een programma van eisen aan te leveren, waar het ingekochte hulpmiddel of de woningaanpassing aan moet voldoen. De doeltreffendheid of cliëntgerichtheid van de met het pgb ingekochte ondersteuning kan getoetst worden in vergelijking met de beschikbare ondersteuning in natura. Weigeren van een pgb Op grond van artikel 2.3.6 lid 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning kan een pgb worden geweigerd als de kosten hoger zijn dan van een maatwerkvoorziening in natura. Wat betreft de voorzieningen maakt het college per toekenning een berekening. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn om de voorziening in te kopen. Als de cliënt toch duurdere hulp wil inkopen mag dat, wanneer hij voor eigen rekening het resterende bedrag bijlegt. De gemeente hanteert geen maximale tarieven voor uurlonen/dagdeelprijzen, dat is de verantwoordelijkheid van de cliënt. De voorwaarde is wel dat er verantwoorde ondersteuning wordt ingekocht. Andere weigeringsgronden voor een pgb : de cliënt heeft eerder onjuiste gegevens verstrekt de cliënt heeft eerder niet aan de voorwaarden voor een verstrekking voldaan of de cliënt heeft een voorziening of pgb voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die verstrekt was. Bestedingsplan De cliënt of diens vertegenwoordiger stellen ten behoeve van de aanvraag voor een pgb een plan voor de besteding op, aan de hand waarvan het college kan bepalen of het pgb wordt toegekend. Het college maakt hiervoor een format plan, dat zoveel mogelijk zal worden afgestemd met de eisen die vanuit de Zvw en Wlz worden gesteld aan het pgb. Waar mogelijk wordt voorkomen dat cliënten die te maken hebben met een pgb op grond van verschillende wetten, met verschillende eisen rondom het pgb te maken krijgen. Pgb voor mensen uit de huiselijke kring De pgb-houder kan de wens hebben om met het pgb ondersteuning in te huren uit de huiselijke kring. Het college maakt bij de indicatiestelling gebruik van de bepalingen rondom gebruikelijke hulp zoals die zijn vastgelegd in de beleidsregels gebruikelijke zorg AWBZ 2014 (www.zor