Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting 2015VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN PARKEERBELASTING 2015 Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: Parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; Houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven; Parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; Centrale computer: computer van een bedrijf waarmee de gemeente Zoetermeer een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon. Vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een voertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuurplaatsen; Vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; Dag: een kalenderdag; Maand: een kalendermaand; Jaar: een kalenderjaar. Artikel2Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen, plaats, tijdstip en wijze; een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel3Belastingplicht De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd, wordt mede aangemerkt: degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat: 1e. indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd; 2e. indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die ingevolge het tweede lid, onderdeel b, van dit artikel is aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Artikel 4 Vrijstelling De belasting wordt niet geheven ter zake van: voertuigen voorzien van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, mits deze parkeerkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats direct achter de voorruit van het voertuig is geplaatst; gehandicaptenvoertuigen (voertuigen zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990); voertuigen van huisartsen en verloskundigen die visites maken, mits deze voertuigen als zodanig herkenbaar zijn; caravans en aanhangwagens voor een periode van maximaal drie dagen en ambulances, dierenambulances, voertuigen van politie en brandweer voor zover deze voertuigen voor het uitoefenen van de dienst worden gebruikt, mits deze voertuigen als zodanig herkenbaar zijn. Artikel 5 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de belasting verschuldigd onmiddellijk na afloop van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is bij de aanschaf van dagkaarten anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen de belasting verschuldigd op het moment van de aanschaf van de dagkaarten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de belasting verschuldigd na het einde van het parkeren indien er sprake is van parkeren anders dan op parkeerapparatuurplaatsen. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid wordt bij aanschaf van dagkaarten anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen de belasting geheven bij wege van een mondelinge kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling aan de belastingschuldige bekendgemaakt In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt bij het parkeren anders dan op parkeerapparatuurplaatsen, de belasting geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel bij wege van nota. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel 7a Termijn van betaling De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen 1 maand na afloop van het parkeren/na de dag waarop het belastbaar feit heeft plaats gevonden, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moet bij aanschaf van dagkaarten anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen de belasting worden betaald op het moment van het doen van de kennisgeving. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moet bij het parkeren anders dan op parkeerapparatuur- plaatsen de belasting worden betaald na afloop van het parkeren dan wel onmiddellijk na uitreiking van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Een naheffingsaanslag moet onmiddellijk worden betaald. Artikel8Ontheffing van parkeerbelasting 1.Ontheffing van parkeerbelasting wordt uitsluitend op aanvraag verleend. De aanvraag tot aanspraak op ontheffing wordt ingediend bij de heffingsambtenaar binnen een termijn van zes weken nadat de omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan. 2.Indien een vergunning wordt ingetrokken of vervalt, wordt op aanvraag ontheffing van parkeerbelasting verleend over de nog niet ingetreden volle maanden waarop de vergunning betrekking heeft. 3.Indien als gevolg van maatregelen getroffen door of met instemming van het gemeentebestuur de vergunninghouder over een gedeelte van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt geen gebruik kan maken van de vergunning, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over het aantal volle maanden gedurende welke het gebruik niet mogelijk is geweest. 4.Indien voor een voertuig parkeerbelasting als genoemd in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel naar een jaartarief is geheven en aannemelijk is dat niet of slechts gedurende een gedeelte van de desbetreffende periode van de parkeermogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, wordt op aanvraag ontheffing van parkeerbelasting verleend. Er bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle maanden overblijven. 5.Ontheffing van parkeerbelasting wordt niet verleend indien het bedrag daarvan minder zou bedragen dan € 19,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.