Uitvoeringsregeling Met Betrekking Tot De Heffing En De Invordering Van Gemeentelijke Belastigen Het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom; gelet op de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990 in verbinding met de artikelen 231, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, en 237 van de Gemeentewet, op artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede op het betreffende artikel van de in de gemeente Bergen op Zoom geldende belastingverordeningen, waarin aan het college de bevoegdheid is toegekend nadere regels te geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onderscheiden gemeentelijke belastingen; B E S L U I T : vast te stellen de volgende regeling: Uitvoeringsregeling Met Betrekking Tot De Heffing En De Invordering Van Gemeentelijke Belastigen Artikel 1. ALGEMENE BEPALING 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990, artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen in de belastingverordeningen van de gemeente Bergen op Zoom op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders nadere regels kan geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onderscheiden gemeentelijke belastingen. 2. Voor de toepassing van deze regeling worden rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen. 3. De op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen bedoeld in artikel 233 van de Gemeentewet, worden voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder de aanslag of de voorlopige aanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde bedrag. Artikel 2 blijft bij de op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen buiten toepassing. Artikel 2 Aangifte 1. De belastingplichtige voor: de toeristenbelasting; de watertoeristenbelasting; de hondenbelasting; aan wie niet binnen zes maanden na afloop van het belastingjaar of kalenderjaar een aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen een maand na het verstrijken van die zes maanden bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar een schriftelijk verzoek in te dienen om uitreiking van een aangiftebiljet. 2. Indien de belastingplicht voor de hondenbelasting in de loop van het belastingjaar ontstaat dan wel het aantal honden dat door de belastingplichtige wordt gehouden wijziging ondergaat, moet de belastingplichtige binnen twee weken na het tijdstip waarop de belastingplicht is ontstaan of de wijziging van het aantal honden heeft plaatsgevonden, bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar schriftelijk verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet. 3. Als formulier van het aangiftebiljet toeristenbelasting voor het overnachten in een hotel, pension (waaronder begrepen bed&breakfast) dan wel in een vakantiebungalow, -woning en/of –apartementen (welke al dan niet zijn verbonden aan een vakantiepark) wordt vastgesteld het formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage TB1 opgenomen model. 4. Als formulier van het aangiftebiljet toeristenbelasting voor het overnachten in andere onderkomens dan genoemd in het derde lid, als campingplaatsen, chalets en (sta)caravans (al dan niet verbonden aan een camping) en overige (groeps)accommodaties (waaronder begrepen jeugdherbergen en niet-beroepsmatig verhuurde ruimten) wordt vastgesteld het formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage TB2 opgenomen model. 5. Als formulier van het aangiftebiljet watertoeristenbelasting wordt vastgesteld het formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage WTB1 opgenomen model. 6. Als formulier van het aangiftebiljet hondenbelasting wordt vastgesteld het formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage HB1 opgenomen model. 7. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen de in het aangiftebiljet gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden ingevuld. Het aangiftebiljet wordt ondertekend en met de daarbij gevraagde bescheiden binnen 4 weken na ontvangst ingeleverd of toegezonden. Artikel 3 toeristen- EN watertoeristenbelasting 1. Voor de toepassing van de verordening toeristenbelasting en onderhavige uitvoeringsregeling wordt onder ‘nachtverblijfregister’ verstaan een gegevensverzameling, waarin met betrekking tot een ieder aan wie gelegenheid tot verblijf wordt geboden, wordt bijgehouden: naam en woonplaats; aantal personen dat verblijf houdt; datum van aankomst en datum van vertrek; het aantal overnachtingen ter zake waarvan belasting verschuldigd is; indien van toepassing naam, woonplaats en geboortedata van personen waarvoor geen belasting is verschuldigd. Het nachtverblijfregister dient te worden bijgehouden conform de bijlagen bij deze uitvoeringsregeling. Van de verplichting bedoeld onder b kan door het college van burgemeester en wethouders ontheffing worden verleend. Aan het verlenen van de ontheffing bedoeld onder c kunnen voorwaarden worden gesteld door het college van burgemeester en wethouders. Voor het verlenen van een ontheffing als bedoeld onder c geldt in ieder geval als voorwaarde, dat een eigen nachtverblijfregister wordt bijgehouden, aan de hand waarvan over dezelfde gegevens kan worden beschikt als bedoeld in het eerste lid. Een bonnensysteem wordt niet aanvaard als eigen nachtverblijfregister als bedoeld onder a en e. In het geval het nachtregister wordt bijgehouden voor mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste jaarplaatsen, vaste seizoenplaatsen en seizoenplaatsen, dient het nachtverblijfregister te worden bijgehouden per standplaats. Indien belastingplichtige gebruik maakt van de mogelijkheid als bedoeld in het tweede lid, hoeft hij uitsluitend een nachtverblijfregister bij te houden voor de soort standplaatsen waarvoor de maatstaf van heffing wordt vastgesteld op het werkelijk aantal overnachtingen. Het nachtregister dient op verzoek van de heffingsambtenaar onmiddellijk te worden overgelegd. Het nachtverblijfregister wordt niet met de aangifte meegezonden. Het nachtverblijfregister wordt door belastingplichtige zelf bewaard. Voorzover op grond van andere wet- of regelgeving geen langere bewaartermijn geldt, geldt voor het nachtverblijfregister een bewaartermijn van 5 jaar. 2. De belastingplichtige kan per soort standplaats (vaste jaarplaats, vaste seizoensplaats en seizoensplaats) opteren voor de niet-forfaitaire maatstaf van heffing van toeristenbelasting. Indien de belastingplichtige gebruik maakt van de mogelijkheid als bedoeld onder a, dient de belastingplichtige dit per soort standplaats gespecificeerd en voldoende duidelijk aan te geven op het aangiftebiljet. De belastingplichtige kan opteren voor de niet-forfaitaire maatstaf van heffing bij de heffing van watertoeristenbelasting over vaste ligplaatsen. Indien de belastingplichtige gebruik maakt van de mogelijkheid als bedoeld onder c, dient de belastingplichtige dit gespecificeerd en voldoende duidelijk aan te geven op het aangiftebiljet. 3. In afwijking van de verordening toeristenbelasting heeft belastingplichtige aan de aanmeldingsplicht voldaan, indien belastingplichtige reeds als belastingplichtige voor de toeristenbelasting bekend is bij de gemeente en hiervan voor het betreffende belastingjaar een bevestiging heeft ontvangen. Door de gemeente wordt kosteloos een aanmeldingsformulier ter beschikking gesteld om te voldoen aan de aanmeldingsplicht. Artikel 4 Voorlopige aanslag 1. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt. 2. De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan: voor de rioolheffing geschieden op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over, dan wel met betrekking tot het meest recente tijdvak of kalenderjaar, met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de gemeentelijke belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld lager is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag; voor de toeristenbelasting en watertoeristenbelasting geschieden op grond van het gemiddelde dat voortvloeit uit de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over elk van de twee voorafgaande jaren, met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de gemeentelijke belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld lager is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag. Artikel 5 Rente 1. Het percentage van de invorderingsrente is het percentage dat ingevolge artikel 29 van de Invorderingswet 1990 voor het betreffende kalenderkwartaal voor de rijksbelastingen is vastgesteld. 2. Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen vindt de ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet 1990 overeenkomstige toepassing. 3. In afwijking van de in het tweede lid bedoelde regeling wordt geen invorderingsrente in rekening gebracht indien deze in totaal een bedrag van € 23,-- niet te boven gaat. Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De ‘Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Bergen op Zoom 2008', inclusief de daarbij behorende modellen voor het formulier van aangiftebiljetten, zoals deze is vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom van 10 juni 2008, nummer 24-03, wordt ingetrokken op het moment dat deze regeling in werking treedt. 2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. 3. Deze regeling wordt aangehaald als 'Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Bergen op Zoom 2010'. Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom van 9 februari 2010, nummer 06-26. Secretaris Mevr. Mr. A.C. Spindler burgemeester Drs. J.M.M. Polman Bijlage TB1 behorende bij de 'Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Bergen op Zoom 2010' Aangiftebiljet Toeristenbelasting Belastingjaar 201.. Indienen bij: Gemeente Bergen op Zoom, Team Belastingen Antwoordnummer 434 4600 VB BERGEN OP ZOOM Uitgereikt op: Aan de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom 1 Naam en adres Naam Straat en huisnummer Postcode en woonplaats ……………………………………………………………… ……………………………………………. ……………. ……… ….. ……………………………………………… 2 Belastingplicht Heeft u in het belastingjaar (201…) tegen vergoeding, in welke vorm dan ook, gelegenheid tot overnachten gegeven? Ja / neen*Doorhalen wat niet van toepassing
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.