Re-integratieverordening 2010 WijdemerenDe raad van de gemeente Wijdemeren; Gelet op artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 7, eerste lid, onder a van de Wet werk en bijstand; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders de dato 13 april 2010; Gelet op het advies van de Cliëntenraad de dato 15 januari 2010; Gehoord de commissie maatschappelijke zaken de dato 10 mei 2010; BESLUIT vast te stellen de volgende verordening: re-integratieverordening 2010 Wijdemeren Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel1Doel Deze verordening heeft betrekking op de arbeidsmarkt(re-)integratie van uitkeringsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. De ingezette middelen hebben tot doel: het bevorderen van economische zelfstandigheid en maatschappelijke participatie; het bevorderen van integratie en emancipatie; het tegengaan van uitkeringsafhankelijkheid. Artikel2Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand; belanghebbende: de persoon ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van Wijdemeren, die ingevolge het bepaalde in artikel 10 van de wet en de wet Participatiebudget, aanspraak op een voorziening maakt of een voorziening heeft; uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand, de IOAW of de IOAZ; Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet als bedoeld in artikel 7 lid 1; Niet-uitkeringsgerechtigden: personen die geen uitkeringsgerechtigden zijn, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de wet; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren; de raad: de gemeenteraad van de gemeente Wijdemeren; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; voorziening: specifiek re-integratiemiddel gericht op arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de wet; 1. inkomen: Onder inkomen wordt verstaan het inkomen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de wet trajectplan: een stapsgewijze en planmatige beschrijving van de wederzijdse verplichtingen, afspraken en in te zetten voorzieningen tussen de belanghebbende en de gemeente; algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid die naar vermogen kan worden verricht; succesvolle (duurzame) uitstroom: het beëindigen van uitkeringsafhankelijkheid door middel van het aanvaarden van reguliere arbeid in loondienst dan wel door middel van inkomsten uitzelfstandige arbeid gedurende minstens 6 maanden; samenwerkende regiogemeenten: Bussum, Naarden, Muiden, Huizen, Eemnes, Blaricum, Laren, Wijdemeren, Hilversum, Weesp Awb: de Algemene wet bestuursrecht. Paragraaf2Opdracht aan het college Artikel3Algemene opdracht 1.Het college biedt de belanghebbende ondersteuning aan bij arbeidsinschakeling en indien het college dit noodzakelijk acht, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling en op het behoud van deze arbeid 2.Het college kan de belanghebbende een voorziening aanbieden gericht op (maatschappelijke) participatie, als het doel van algemeen geaccepteerde arbeid (nog) niet bereikbaar is 3.Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan voorzieningen. 4.Het college neemt voor elke belanghebbende een besluit, waarin bepaald wordt of het aanbieden van een voorziening noodzakelijk is. 5.Bij de keuze van mogelijkheden voor het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in arbeid. 6.In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel4Sluitende aanpak 1.Met elke uitkeringsgerechtigde wordt binnen 3 maanden na toekenning van de uitkering beoordeeld of er een trajectplan opgesteld kan worden en wordt een aanbod gedaan voor een voorziening gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft bepaald dat voor de uitkeringsgerechtigde een volledige ontheffing van de arbeidsverplichting geldt. Artikel5Uitvoeringsregels 1.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening uitvoeringsregels vast. 2.Deze uitvoeringsregels omvatten in elk geval: een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die groepen; de criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien van de arbeidsverplichting, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de combinatie van arbeid en zorg; het flankerend beleid ten aanzien van zorg, kinderopvang en hulpverlening; de wijze waarop de aanbesteding wordt vormgegeven; 3.Bij de uitvoeringsregels wordt het oordeel van de cliëntenraad gevoegd. 4.Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid als bedoeld in het eerste lid. 5.Bij het verslag als bedoeld in het vierde lid wordt het oordeel van de cliëntenraad gevoegd. Artikel6Aanspraak op ondersteuning 1Belanghebbenden hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling; 2Het college kan aan degene die algemene bijstand ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is voorzieningen aanbieden in de vorm van: (a)tijdelijk werk gericht op arbeidsinschakeling; 3Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening en in de in artikel 5 genoemde uitvoeringsregels. Paragraaf3Financiën Artikel7Verdeling Het college stelt jaarlijks een verdeling op van de beschikbare middelen zoals bedoeld in artikel 69, eerste lid onder a van de wet, over de verschillende voorzieningen. Artikel8Wijze van ter beschikking stellen middelen 1.Indien het trajectplan is vastgesteld draagt het college zorg voor inkoop, aanmelding en betaling. 2.In geval van een persoongebonden re-integratiebudget draagt het college zorg voor de beoordeling, begeleiding en de betaling van de voorziening. 3.Er worden geen geldelijke middelen rechtstreeks aan de belanghebbende ter beschikking gesteld, behalve de in artikel 14 van deze verordening bedoelde overige vergoedingen Paragraaf4Voorwaarden en verplichtingen Artikel9Verplichtingen van de cliënt 1.Een uitkeringsgerechtigde die door het college een voorziening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken. 2.De belanghebbende die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 3.De belanghebbende heeft met de ondertekening van het trajectplan de verplichting op zich genomen de hierin gemaakte afspraken na te komen en zich in te zetten het traject succesvol af te ronden. Artikel10Inkomsten 1.Het college beoordeelt op grond van het gezinsinkomen of de ANW´er of niet-uitkeringsgerechtigde in aanmerking komt voor een voorziening, en zo ja in welke mate, gemeten over een periode van 3 maanden voorafgaande aan de datum van aanvraag 2.Teneinde het college in staat te stellen de hoogte van het inkomen te kunnen bepalen overlegt de belanghebbende bij het doen van de aanvraag alle relevante inkomensgegevens met betrekking tot de in het eerste lid genoemde periode. Artikel11Vermogen 1.De ANW’er, Niet-uitkeringsgerechtigde, als ook de IOAW´er en IOAZ´er hebben recht op een voorziening zoals gedefinieerd in deze verordening indien het vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet, en het gestelde in artikel 10 lid 1 van toepassing is. 2.Indien het vermogen meer bedraagt dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, wordt 100% van het meerdere als draagkracht in aanmerking genomen. 3.Bij de bepaling van de draagkracht uit vermogen wordt uitgegaan van de stand van het vermogen ten tijde van het doen van de aanvraag. 4.Voorzover dit vermogen bestaat uit waarde van een door de aanvrager bewoonde eigen woning telt deze niet mee voor de vermogensberekening. Artikel12Inkomstenvrijlating De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of heeft aanvaard, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, heeft recht op vrijlating van inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder o van de wet. Artikel13Premies 1.Het college kan aan de belanghebbende een premie toekennen met in achtneming van het gestelde in artikel 31, tweede lid onder j en k van de wet. 2.Het college stelt regels ten aanzien van de hoogte en verplichtingen die aan de premie worden verbonden. Paragraaf5Vergoedingen Artikel14Vergoedingen Het college kan een vergoeding verstrekken voor extra kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. Artikel15Subsidie in loonkosten 1.Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een uitkeringsgerechtigde uit Wijdemeren een arbeidsovereenkomst met loon afsluiten. 2.Het college stelt nadere regels over de duur, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. 3.De loonkostensubsidie wordt verstrekt conform de voorwaarden genoemd in de “Beleidsaanbeveling inzake werkgelegenheidssteun” zoals opgenomen in de bijlage bij deze verordening. 4.De subsidie wordt alleen verstrekt indien hiervoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. Paragraaf6Beëindiging, terugvordering en afstemming. Artikel16Beëindigingsgronden Een traject wordt door het college voortijdig beëindigd indien: de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 niet nakomt; de belanghebbende verhuist naar een andere gemeente buiten de samenwerkende regiogemeenten; de belanghebbende zich onvoldoende inspanningen getroost om tot een succesvolle afronding van (een deel) van het trajectplan te komen; de belanghebbende arbeid in loondienst aanvaardt dan wel als zelfstandige gaat werken en daarmee een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde inkomensnorm; als de belanghebbende niet meer tot de doelgroep behoort als bedoeld in artikel 2 sub b. er zich naar de mening van het college omstandigheden voordoen die noodzakelijkerwijs tot beëindiging dienen te leiden. Artikel17Weigeringsgronden Deelname aan een voorziening kan worden geweigerd indien: de belanghebbende één of meer van zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet niet of onvoldoende nakomt. Voor de gevraagde voorziening een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening Een gevraagde voorziening niet overeenkomt met het gestelde in artikel 3 van deze verordening. Artikel18Terugvordering Indien de belanghebbende die deelneemt aan een voorziening niet of in onvoldoende mate voldoet aan de verplichtingen gesteld in artikel 9 van deze verordening, kan het college de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen Paragraaf7Slotbepalingen Artikel19Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van zwaarwegende aard leidt. Artikel20Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als “Re-integratieverordening 2010 gemeente Wijdemeren” Artikel21Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na te zijn bekendgemaakt. Bij de inwerkingtreding van deze verordening komt de verordening “Reïntegratieverordening 2004 Wijdemeren” te vervallen. Artikel22Overgangsrecht De belanghebbende die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening werk in loondienst heeft aanvaard en op grond van de “Reïntegratieverordening 2004 Wijdemeren” recht had op een premie, behoudt dit recht en ontvangt een premie ter hoogte van het gestelde in de uitvoeringsregels behorende bij de “Re-integratieverordening 2010”. De belanghebbende die 6 maanden voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening werk in deeltijd heeft aanvaard, ontvangt een premie ter hoogte van het gestelde in de uitvoeringsregels behorende bij de “Re-integratieverordening 2010” Aldus besloten in de openbare vergadering van 3 juni 2010 De raad voornoemd, de griffier, Dhr. J. van Ditmarsch de voorzitter, drs. M.E. Smit BijlageSubsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van reïntegratie werkzoekendenDoelstelling van deze beleidsaanbevelingDeze beleidsaanbeveling kan gemeenten ontlasten van de administratieve verplichting – welke voortvloeit uit de regelgeving van de Europese Gemeenschap – om een samenvatting van de (loonkosten-) subsidieregeling (zoals vastgelegd in haar reïntegratieverordening) op te sturen naar de Europese Commissie en jaarlijks de Europese Commissie een verslag te verstrekken. De gemeente dient daartoe in haar reïntegratieverordening deze beleidsaanbeveling te incorporeren en een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling op te nemen. Algemeen: de kwalificatie van gesubsidieerde arbeid als staatssteunVan verboden staatssteun in de zin van artikel 87 lid 1 EG is sprake, indien is voldaan aan de volgende omschrijving: een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen waardoor de mededinging wordt vervalst en het interstatelijk handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Voorbeelden van steunmaatregelen zijn het verlenen van financiële voordelen door middel van bijvoorbeeld subsidies aan bepaalde sectoren (sectorale steunmaatregel) of aan ondernemingen in bepaalde regio’s (regionale steunmaatregel). Zodra aan bepaalde ondernemingen met staatsmiddelen een voordeel wordt verschaft, is het ter beoordeling van de Commissie of ten gevolge van de vervalsing van de mededinging, het handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Daartoe strekt de aanmelding van voorgenomen steunmaatregelen (artikel 88 lid 3 EG); alleen indien een vrijstellingsverordening toepasselijk is, is aanmelding niet noodzakelijk. Gesubsidieerde arbeid (meer in het algemeen: loonkostensubsidie) kan, indien er sprake is van een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen, aangemerkt worden als een aanmeldingsplichtige steunmaatregel. Hiervan is echter in ieder geval geen sprake indien: er sprake is van een generieke subsidieregeling die in zijn uitwerking non-discriminatoir is voor alle ondernemingen, in alle sectoren van de economie in heel Nederland; of de subsidieontvanger geen economische activiteit uitvoert. De Europese regels inzake staatssteun in relatie tot. de gemeentelijke reïntegratieverordeningGemeenten kunnen met tal van subsidieregelingen de reïntegratie van werkzoekenden bevorderen: voor de beoordeling in hoeverre er daarbij sprake kan zijn van staatssteun is het volgende onderscheid van belang: A: subsidieregelingen die direct de werknemer subsidiëren Te denken valt daarbij ondermeer aan stimuleringspremies aan werkzoekenden bij het aanvaarden van een betrekking. De premie dient direct te worden betaald aan de werknemer. In dat geval is er geen staatssteun volgens het Verdrag; gemeenten hoeven niet aan te melden en hoeven geen goedkeuring te vragen aan de Europese Commissie. B: generieke regelingen (maatregelen die voor alle bedrijven gelden in alle sectoren). Een lokale subsidieregeling kan een generieke regeling zijn wanneer ieder bedrijf of onderneming, ongeacht de vestigingsplaats van de onderneming of de plaats van tewerkstelling van de werknemer, een beroep kan doen op subsidie wanneer deze onderneming een uitkeringsgerechtigdevan de betreffende gemeente in dienst neemt. Dit is ook geen staatssteun, want hier profiteren geen specifieke bedrijven of sectoren van. NB: Wanneer bijvoorbeeld andere dan lokale ondernemers van de subsidiëring zijn uitgesloten, of wanneer de subsidiemogelijkheid is voorbehouden aan een bepaalde onderneming of sector dan geldt de subsidieregeling per definitie als specifieke steunmaatregel en is er dus sprake van staatssteun. C: subsidieregelingen die organisaties subsidiëren die geen economische activiteiten verrichten Voorzover gemeenten (loonkosten-) subsidies verstrekken aan organisaties die geen economische activiteiten verrichten, worden deze niet aangemerkt als staatssteun. D: overige werkgelegenheidsmaatregelen: Gemeenten doen er verstandig aan er op te letten dat (loonkosten-) subsidies die wel als staatssteun zouden kunnen worden aangemerkt voldoen aan de bepalingen van de (EG) vrijstellingsverordeningen – in het bijzonder de Verordening werkgelegenheidssteun. Het is bovendien van belang dat de gemeente in haar reïntegratieverordening een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling opneemt. Dit voorkomt dat de gemeente een samenvatting van de subsidieregeling (zoals vastgelegd in haar reïntegratieverordening) dient op te sturen naar de Europese Commissie en de Commissie jaarlijks dient te informeren over de toepassing van de Verordening werkgelegenheidssteun. Indien de gemeentelijke reïntegratieverordening niet voldoet aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteun, kan worden nagegaan of de Verordening de minimissteun van toepassing is. Als deze evenmin van toepassing is, dient – afhankelijk van de situatie – de subsidieregeling dan wel de individuele (loonkosten-) subsidie door de gemeente te worden aangemeld bij de Europese Commissie. De belangrijkste voorwaarden waar de gemeentelijke subsidieregeling vanuit de Verordening werkgelegenheidssteun aan dient te voldoen zijn: a. doelgroepen en steunintensiteitVoorzover de subsidieverlening betrekking heeft op loonkosten in verband met de indienstneming van benadeelde of gehandicapte werknemers gelden de volgende plafonds (bruto steunintensiteiten): 50 procent (voor benadeelde werknemers) en 60 procent van de loonkosten (voor gehandicapte werknemers). Voor beide genoemde groepen (benadeelde en gehandicapte werknemers) is het overigens eveneens toegestaan om niet een forfaitair percentage van de loonkosten te hanteren maar de optelsom van de kosten van compensatie van de eventueel lagere productiviteit en de kosten van begeleiding, werkplekaanpassingen en apparatuur (dit laatste geldt specifiek alleen voor gehandicapte werknemers). Voorwaarde is daarbij wel dat er een individueel dossier wordt bijgehouden waarin alle informatie wordt opgenomen die het voor de Europese Commissie desgewenst mogelijk maakt om te beoordelen of aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteunis voldaan. b. duur van het arbeidscontract:Behalve in het geval van gewettigd ontslag, moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.