Beleidsregel inzake de verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en leenbijstand 2015Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede; Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 15, 35, 48, 49, 50 en 51 van de Participatiewet; Overwegende dat het noodzakelijk is regels vast te stellen voor verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en leenbijstand 2015; Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: Beleidsregel inzake de verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en leenbijstand 2015 HoofdstukIAlgemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregel wordt verstaan onder: inkomen: het inkomen zoals omschreven in artikel 31, 32 en 33 Participatiewet; vermogen: het vermogen zoals omschreven in artikel 34 Participatiewet; draagkrachtruimte: het inkomen voor zover dit uitstijgt boven 110% van de geldende bijstandsnorm; bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5 sub c Participatiewet verminderd met de van toepassing zijnde verlaging conform de beleidsregel 'Beleid verlagen uitkering in verband met de woonsituatie en inkomsten uit commerciële verhuur Participatiewet gemeente Ede 2015'. In afwijking van de Participatiewet is de kostendelersnorm (artikel 22a van de Participatiewet) niet van toepassing. 2.De inhoud van de overige in deze beleidsregel gebruikte begrippen is gelijkluidend aan die in de Participatiewet, tenzij daarvan expliciet wordt afgeweken. 3.Als de inhoud van een begrip bij de toepassing van deze beleidsregel niet eenduidig blijkt te zijn, bepalen burgemeester en wethouders de nadere invulling c.q. interpretatie van dit begrip. Artikel2Individualiseren 1.Van de bepalingen en criteria in deze beleidsregel kan gemotiveerd worden afgeweken als de individuele situatie van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft in het nadeel van de belanghebbende als er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. 2.Het toe te kennen bedrag aan bijzondere bijstand kan, al dan niet gedurende een bepaalde periode, worden verlaagd indien de belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont of heeft betoond. 3.Van de vermogensvrijlating conform het bepaalde in artikel 3 lid 1 van deze beleidsregel kan worden afgeweken indien de belanghebbende op het moment van de aanvraag dan wel de beoordeling van de aanvraag beschikt of beschikte over dusdanige liquide, of eenvoudig liquide te maken, middelen dat de belanghebbende daarmee ruimschoots zelf in de kosten kan voorzien. Artikel3Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. HoofdstukIIBijzondere bijstand algemeen en draagkrachtcriteria Artikel4Draagkracht 1.Voor de vaststelling van de draagkracht in het vermogen, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet, wordt al het vermogen dat uitstijgt boven het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet in aanmerking genomen. 2.Voor de vaststelling van de draagkracht in het inkomen, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet, wordt de draagkrachtruimte van de draagkrachtperiode volledig in aanmerking genomen. 3.Het inkomen en het vermogen van alle op het zelfde adres woonachtige meerderjarigen die familie of aangetrouwde familie zijn in de eerste en/of tweede graad tellen overeenkomstig het eerste en tweede lid mee voor het bepalen van de draagkracht voor bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en, indien zij daarvan mede profijt hebben of kunnen hebben, andere vormen van bijzondere bijstand. Artikel 3, derde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel5Draagkrachtperiode 1.De draagkracht in het inkomen wordt vastgesteld voor een periode van één kalenderjaar. 2.Als de aanvraag om bijzondere bijstand betrekking heeft op een voorafgaand kalenderjaar, wordt de draagkracht van dat kalenderjaar in aanmerking genomen. 3.Als er periodieke bijzondere bijstand wordt verstrekt, wordt de draagkrachtperiode afgestemd op de duur van die bijstand en wordt de hoogte van de draagkracht in het inkomen naar evenredigheid vastgesteld. Artikel6Draagkracht en eigen huis 1.Als de belanghebbende eigenaar is van een door hemzelf en eventueel zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft belanghebbende recht op bijzondere bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Artikel 11, eerste lid van deze beleidsregel is van toepassing. 2.De artikelen 4 en 5 van deze beleidsregel zijn van toepassing, met dien verstande dat mede van toepassing is de vrijlating van artikel 34 lid 2 onder d Participatiewet. Artikel7De aanvraag 1.Bijzondere bijstand dient, als de kosten zich voordoen, zo spoedig mogelijk te worden aangevraagd. 2.Bijzondere bijstand voor relatief geringe, periodiek voorkomende kosten kan worden aangevraagd in het lopende kalenderjaar. HoofdstukIIISpecifieke vorm van bijzondere bijstand Artikel8Bijzondere bijstand bij inkomensafhankelijke regelingen 1.Geen bijstand wordt verleend voor kosten die voortvloeien uit inkomensafhankelijke regelingen, als deze regelingen ook bij een inkomen op of onder bijstandsniveau een eigen bijdrage opleggen. 2.In afwijking van lid 1 kan er voor deze kosten wel bijstand worden verleend indien en voor zover deze kosten een bedrag van € 150,00 per kalenderjaar overschrijden. 3.In afwijking van lid 2 kan in principe geen bijzondere bijstand verstrekt worden voor de inkomensafhankelijke eigen bijdragen die opgelegd worden door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). 4.Op de te verstrekken bijzondere bijstand wordt de draagkracht in mindering gebracht. In afwijking van artikel 4 lid 2 van deze beleidsregel wordt het inkomen van belanghebbende boven de voor hem geldende bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen. Artikel9Bijzondere bijstand voor een kindpakket voor kinderen op het basis- en voortgezet onderwijs 1.Aan een belanghebbende die een inkomen heeft van ten hoogste 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm kan als tegemoetkoming in kosten bijzondere bijstand (‘kindpakket’) worden verstrekt aan ten laste komend kinderen die basis- of voortgezet onderwijs volgt; 2.Een kindpakket is een pakket dat kinderen in armoede voorziet van tenminste de meeste noodzakelijke behoeften, aangevuld met zaken om mee te kunnen doen aan de samenleving. 3.Als in lid 2 bedoelde noodzakelijke behoeften kunnen in ieder geval aangemerkt worden: zomer- en winterkleding; een fiets voor een kind dat van het basis- naar het voortgezet onderwijs gaat; tegemoetkoming in de kosten van een computer/laptop; extra schoolkosten zoals sportkleding, schoolreisje of studiereis. 4.De hoogte van de tegemoetkoming is vastgesteld op: € 125,00 per kalenderjaar voor een ten laste komend kind dat basisonderwijs volgt; en op € 150,00 per kalenderjaar voor een ten laste komend kind dat het voortgezet onderwijs volgt. 5.Voor een ten laste komend kind kan slechts één maal per kalenderjaar een aanvraag voor de tegemoetkoming worden aangevraagd. 6.Deze tegemoetkoming wordt niet verstrekt als de belanghebbende beschikt of kan beschikken over een vermogen boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Participatiewet. HoofdstukIVLeenbijstand en aflossingscriteria Artikel10Duurzame gebruiksgoederen 1.Als bijzondere omstandigheden in het individuele geval daartoe aanleiding geven, kan bijstand worden verstrekt voor de kosten van aanschaf, vervanging of reparatie van noodzakelijke, duurzame gebruiksgoederen. 2.In de aanschaf of vervanging bedoeld in het eerste lid dient op de goedkoopst mogelijke wijze te worden voorzien, indien mogelijk en redelijk (ook) in de vorm van gebruikte goederen. 3.Bijstand als bedoeld in dit artikel wordt in beginsel verstrekt in de vorm van leenbijstand, met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, vierde lid en artikel 12 van deze beleidsregel. Artikel11Leenbijstand 1.De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op termijn over voldoende middelen zal beschikken om de desbetreffende noodzakelijke bijzondere kosten te voldoen, of indien de belanghebbende wel over in aanmerking te nemen vermogen beschikt, maar dit binnen een redelijke termijn niet of bezwaarlijk liquide kan maken. 2.De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. 3.De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening indien de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom of een vooruit te betalen huur betreft. 4.Leenbijstand wordt niet verstrekt indien en voor zover de belanghebbende zelf over liquide, of eenvoudig liquide te maken middelen beschikt; de vrijlatingen van artikel 34 Participatiewet zijn daarbij niet van toepassing. Artikel12Aflossing leenbijstand 1.Als leenbijstand wordt verstrekt is hierover geen rentevergoeding verschuldigd, tenzij individuele omstandigheden het vaststellen van een rentepercentage rechtvaardigen. 2.De maandelijkse aflossing van verleende leenbijstand wordt bij een inkomen op bijstandsniveau vastgesteld op. 5% van de algemene bijstand per maand inclusief vakantietoeslag, respectievelijk 10% van de algemene bijstand per maand inclusief vakantietoeslag voor personen die in een inrichting verblijven. 3.Als leenbijstand is toegekend aan een belanghebbende die een inkomen per maand ontvangt, of nadien gaat ontvangen, dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm, dan kan de in het vorige lid aangegeven aflossingsverplichting per maand worden verhoogd met de helft van het verschil. 4.Als een belanghebbende op een leenbijstand ten minste 36 maanden naar draagkracht heeft afgelost, kan op diens verzoek kwijtschelding worden verleend voor het restant van de lening. Artikel13Gewijzigde omstandigheden Het overeenkomstig artikel 12 van deze beleidsregel vastgestelde aflossingsbedrag bij leenbijstand kan worden herzien als een wijziging in de omstandigheden van de belanghebbende hiertoe aanleiding geeft. HoofdstukVBijzondere bijstand voor woonkosten Artikel14Woonkostentoeslag bij koopwoning 1.Als een eigen woning wordt bewoond waarvan de woonkosten niet hoger zijn dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, dan kan een toeslag worden verstrekt. De toeslag is gelijk aan de huurtoeslag die volgens de Wet op de huurtoeslag zou worden ontvangen bij het bewonen van een huurwoning met een rekenhuur gelijk aan de woonkosten. De toeslag wordt alleen verstrekt, indien van belanghebbende in redelijkheid niet verlangd kan worden dat hij de woning verkoopt en een huurwoning betrekt. Als van belanghebbende in redelijkheid wel verlangd kan worden dat hij de woning verkoopt en een huurwoning betrekt, kan tijdelijk een toeslag worden verstrekt. 2.Onder woonkosten genoemd in het eerste lid wordt verstaan de tot een bedrag per maand herleide kosten die de eigenaar verschuldigd is voor: hypotheekrente; eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting; waterschapslasten; rioolrecht; brand- en opstalverzekering; een forfaitair bedrag per jaar voor de normale periodieke onderhoudskosten die bij een huurwoning voor rekening van de verhuurder komen; erfpachtcanon; eventuele servicekosten; te verminderen met alle tegemoetkomingen voor deze kosten uit enige andere bron. 3.Op de te verstrekken toeslag wordt de draagkracht in mindering gebracht. In afwijking van artikel 4 lid 2 van deze beleidsregel wordt bij de vaststelling van de woonkostentoeslag het inkomen van belanghebbende boven de voor hem geldende bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen. 4.Geen woonkostentoeslag wordt verstrekt indien de belanghebbende bij het aangaan van de woonlasten een dusdanig inkomen had, of te verwachten had, dat hij wist of kon weten dat hij de woonlasten niet volledig zou kunnen gaan opbrengen. Artikel15Kosten van verhuizing en inrichting 1.Als een verhuizing noodzakelijk is omdat de woonkosten niet langer kunnen worden voldaan kan voor aantoonbare, noodzakelijke kosten van verhuizing en herinrichting bijzondere bijstand worden verstrekt. 2.De bijstand op grond van het eerste lid wordt slechts verstrekt als de hoogte van de woonkosten na verhuizing niet meer bedraagt dan het huurbedrag dat is gekoppeld aan de maximale huurtoeslag. 3.De bijstand bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de kosten van verhuizing en herinrichting in totaal maximaal € 2.750,00 per huishouden. 4.Lid 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing indien een verhuizing dringend noodzakelijk is om redenen van sociale aard. 5.Bij verhuizing naar een woning in eigendom wordt geen tegemoetkoming verstrekt. HoofdstukVIPeriodieke bijzondere bijstand als aanvulling op algemene bijstand Artikel16Verblijf in een inrichting jongeren beneden de 21 jaar 1.Bij verblijf in een inrichting van een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar die geen beroep kan doen op zijn ouders om redenen zoals genoemd in artikel 12 van de Participatiewet, kan bijzondere bijstand worden verstrekt overeenkomstig de bijstandsnormen genoemd in artikel 20, eerste lid onder a Participatiewet. 2.Op de te verstrekken bijzondere bijstand wordt de draagkracht in mindering gebracht. In afwijking van artikel 4 lid 2 van deze beleidsregel wordt het inkomen van belanghebbende boven de voor hem geldende bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen. Artikel17Levensonderhoud jongeren beneden de 21 jaar 1.Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij geen beroep kan doen op zijn ouders om redenen zoals genoemd in artikel 12 van de Participatiewet. De algemene bijstand wordt aangevuld tot de bijstandsnorm van een 21-jarige in dezelfde situatie; de beleidsregel 'Beleid verlagen uitkering in verband met de woonsituatie en inkomsten uit commerciële verhuur Participatiewet gemeente Ede 2015' is daarbij van toepassing. 2.Op de te verstrekken bijzondere bijstand wordt de draagkracht in mindering gebracht. In afwijking van artikel 4 lid 2 van deze beleidsregel wordt het inkomen van belanghebbende boven de voor hem geldende bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen. Bij een alleenstaande ouder is bij het bepalen van de draagkracht artikel 1, lid 1 sub d van deze beleidsregel van toepassing. HoofdstukVIIBijzondere bijstand voor re-integratieactiviteiten Artikel18Kosten re-integratieactiviteiten 1.Voor aantoonbare, noodzakelijke kosten die een belanghebbende maakt om te kunnen deelnemen aan activiteiten die noodzakelijk zijn om zijn kansen op re-integratie in het arbeidsproces te vergroten en die niet op grond van een andere regeling kunnen worden vergoed, kan bijzondere bijstand worden verleend. 2.Of de in het eerste lid bedoelde activiteiten noodzakelijk worden geacht om de kansen van de belanghebbende op re-integratie in het arbeidsproces te vergroten, wordt bepaald door burgemeester en wethouders. HoofdstukIXBijzondere bijstand kosten zwemles Artikel19Tegemoetkoming kosten zwemles 1.Aan een belanghebbende die een inkomen heeft van ten hoogste 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm kan bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van zwemlessen van zijn ten laste komende kinderen in de leeftijd van 7 en 8 jaar. 2.De tegemoetkoming bedraagt eenmalig € 450,00 per kind als bedoeld in het eerste lid. 3.De zwemlessen moeten gericht zijn op het behalen van het zwemdiploma A. 4.Deze bijstand wordt niet verstrekt als de belanghebbende beschikt of kan beschikken over een vermogen boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Participatiewet. HoofdstukXTegemoetkoming kosten maatschappelijke participatie Artikel20Tegemoetkoming voor kinderen (regeling: Meer kinderen meedoen) 1.Aan een belanghebbende die een inkomen heeft van ten hoogste 120% van de voor hem geldende bijstandsnorm, of een schuldentraject volgt of gebruik maakt van de voedselbank, kan voor zijn kinderen een tegemoetkoming worden verstrekt in de kosten voor maatschappelijke participatie. 2.Kosten voor maatschappelijke participatie als bedoeld in het eerste lid zijn kosten voor sportieve, culturele en recreatieve activiteiten bedoeld om mee te doen aan de maatschappij. 3.De tegemoetkoming is bedoeld voor zijn ten laste komende kinderen in de leeftijd van 6 tot en met 17 jaar. 4.De tegemoetkoming bedraagt € 150,00 per kind per kalenderjaar. 5.De leeftijd van het kind op 1 januari van het kalenderjaar is bepalend voor de vraag of een kind tot de doelgroep behoort. 6.Deze tegemoetkoming wordt niet verstrekt als de belanghebbende beschikt of kan beschikken over een vermogen boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Participatiewet. 7.De tegemoetkoming bedoeld in het derde lid wordt overgemaakt aan de vereniging, organisatie of instelling die de activiteit levert. Artikel21Tegemoetkoming voor volwassen (regeling: Meer volwassenen meedoen) 1.Aan een belanghebbende die een inkomen heeft van ten hoogste 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm kan een tegemoetkoming worden verstrekt in de kosten voor maatschappelijke participatie. 2.Kosten voor maatschappelijke participatie als bedoeld in het eerste lid zijn kosten voor sportieve, culturele en recreatieve activiteiten bedoeld om mee te doen aan de maatschappij. 3.De tegemoetkoming is bedoeld voor belanghebbenden van 18 jaar en ouder. 4.De tegemoetkoming bedraagt € 150,00 per persoon per kalenderjaar. 5.De leeftijd van de belanghebbende op 1 januari van het kalenderjaar is bepalend voor de vraag of belanghebbende tot de doelgroep behoort. 6.Deze tegemoetkoming wordt niet verstrekt als de belanghebbende beschikt of kan beschikken over een vermogen boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Participatiewet. 7.De tegemoetkoming bedoeld in het derde lid wordt overgemaakt aan de vereniging, organisatie of instelling die de activiteit levert. HoofdstukXIBijzondere bijstand collectieve ziektekostenverzekering Artikel22Collectieve ziektekostenverzekering 1.De gemeente Ede zet ten behoeve van inwoners met een inkomen van ten hoogste 120% van de voor hem geldende bijstandsnorm in samenwerking met een ziektekostenverzekeraar een collectieve ziektekostenverzekering met een of meer aanvullende pakketten op; 2.De voorwaarden voor toetreding tot deze collectieve ziektekostenverzekering en de verstrekkingen die deze verzekering biedt worden nader uitgewerkt in uitvoeringsregels. 3.In afwijking van deze beleidsregel is bij vaststelling van de hoogte van de bijstandsnorm artikel 27 van de Participatiewet niet van toepassing. HoofdstukXIIBetaling, intrekking en terugvordering van de bijstand Artikel23Betaling van de bijzondere bijstand 1.De periodieke bijzondere bijstand die met toepassing van deze beleidsregel wordt verstrekt, wordt maandelijks uitbetaald overeenkomstig artikel 45 van de Participatiewet. 2.Eenmalige bijzondere bijstand die met toepassing van deze beleidsregel wordt verstrekt wordt betaald op het eerste betalingsmoment volgend op de datum van toekenning. 3.Bijzondere bijstand kan, als dat doelmatig wordt geacht, rechtstreeks worden uitbetaald aan een derde. Artikel24Intrekking en terugvordering 1.Burgemeester en wethouders kunnen een besluit op grond van deze beleidsregel geheel of gedeeltelijk intrekken als: het besluit is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens, feiten of omstandigheden; toegekende bijzondere bijstand niet is aangewend voor de bestemming waarvoor deze werd aangevraagd; of de bijstand is toegekend tot een te hoog bedrag. 2.Bijzondere bijstand, die als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte is uitbetaald, kan worden teruggevorderd, evenals bijzondere bijstand die is uitbetaald tot een te hoog bedrag. HoofdstukXIIIOvergangs- en slotbepalingen Artikel25Overgangsbepaling Aanvragen die worden gedaan op of na 1 januari 2015 worden beoordeeld conform het beleid dat gold voor 1 januari 2015, indien de bijzondere bijstand betrekking heeft op een periode gelegen vóór 1 januari 2015. Artikel26Slotbepalingen De Beleidsregel inzake de verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en leenbijstand 2015 vervangt de Beleidsregel inzake de verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en leenbijstand 2013. Deze Beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2015. Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders in de vergadering van 10 februari 2015, nummer 25565.Burgemeester en wethouders,de secretaris, w.g. WIELINGAde burgemeester, w.g. VAN DER KNAAPToelichting AlgemeenHet recht op bijzondere bijstand is vastgelegd in artikel 35 Participatiewet. Voor de verstrekking van bijzondere bijstand is het niet noodzakelijk dat de belanghebbende algemene bijstand ontvangt. Ook hij die beschikt over een ander inkomen, dat niet toereikend is om bepaalde uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te voldoen, kan een beroep doen op bijzondere bijstand. Zijn draagkracht is dan van belang. Draagkracht kan zitten in het inkomen, maar ook in het vermogen. De bijstandsnorm in combinatie met de eventuele gemeentelijke verlaging is in principe voldoende voor de algemene noodzakelijke bestaanskosten. Als een belanghebbende in bijzondere omstandigheden verkeert waardoor hij (incidenteel) hogere kosten heeft dan waarin de algemene bijstand voorziet, kunnen burgemeester en wethouders bijzondere bijstand verstrekken, rekening houdend met de draagkracht. Geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. De beleidsregel geeft een aantal algemene kaders aan, zoals de draagkrachtsystematiek en de aanvraagtermijn. Daarnaast worden enkele veel voorkomende vormen van bijzondere bijstand behandeld. Ook wordt (niet limitatief) aangegeven in welke gevallen bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt. De beleidsregel geeft middels artikel 2 de ruimte om te individualiseren. Daarnaast geeft artikel 16 Participatiewet zelfs de mogelijkheid om, als er sprake is van zeer dringende redenen, bijstand (daaronder begrepen bijzondere bijstand) te verlenen aan een belanghebbende, terwijl er eigenlijk sprake is van een uitsluitingsgrond. Hoofdstuk I Algemene bepalingenArtikel 1Er wordt voor wat betreft het begrippenkader en de achterliggende ideeën zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Participatiewet. Dit vereenvoudigt de uitvoering. Een uitzondering geldt voor het begrip bijstandsnorm. Bij dit begrip, zoals gebruikt in deze beleidsregel, is ervoor gekozen geen rekening te houden met de kostendelersnorm. De reden hiervoor is dat berekening van de draagkracht van niet-bijstandsgerechtigden hiermee makkelijker wordt. Daarbij kan een belanghebbende bijzondere kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, vaak niet delen. Het inkomensbegrip kan voor de uitvoering van de bijzondere bijstand als uitgangspunt gelijk zijn aan het inkomensbegrip voor de beoordeling van de algemene bijstand. In artikel 32 Participatiewet is omschreven wat inkomsten zijn. In artikel 31 Participatiewet wordt omschreven welke inkomsten voor de vaststelling van de algemene bijstand niet meetellen. Het gaat dan bijvoorbeeld om kinderbijslag, huurtoeslag, bepaalde belastingkortingen, gemeentelijke premies voor arbeidsinschakeling en inkomsten van minderjarige kinderen. Het is consequent om in het geval van bijzondere bijstand in het algemeen dezelfde lijn te volgen. Hierdoor wordt tevens voorkomen, dat de fiscale jonggehandicaptenkorting draagkrachtverhogend zou gaan werken. Een opmerking moet echter worden gemaakt bij de inkomstenvrijlating van maximaal € 196,00 (bedrag per 1 januari 2015; het bedrag wordt regelmatig aangepast) per maand gedurende maximaal zes aaneengesloten maanden bij deeltijdarbeid door een bijstandsgerechtigde (artikel 31 lid 2 onder n Participatiewet) en de inkomensvrijlating van maximaal € 124,00 (bedrag per 1 januari 2015, het bedrag wordt regelmatig aangepast) per maand bij deeltijdarbeid voor een bijstandsgerechtigde (artikel 31 lid 2 onder z). Deze vrijlatingen zijn nadrukkelijk gekoppeld aan het ontvangen van algemene bijstand en de veronderstelling dat deze premie bijdraagt aan uitstroom uit de algemene bijstand dan wel stimulering om arbeid in loondienst te verrichten. Bij het verlenen van bijzondere bijstand aan een persoon die algemene bijstand (met deze vrijlating) ontvangt, kan deze vrijlating wel buiten beschouwing blijven. Bij het verlenen van bijzondere bijstand aan een persoon die géén algemene bijstand ontvangt, is dit echter niet aan de orde. De inkomsten uit arbeid zijn dan volledig in aanmerking te nemen. In artikel 33 lid 5 Participatiewet is bepaald, dat bij de algemene bijstand aan personen die pensioengerechtigd zijn een gering bedrag aan particuliere pensioenuitkering buiten beschouwing wordt gelaten (per 1 januari 2015 is dat € 19,50 voor een alleenstaande). Bij de draagkrachtbepaling voor de bijzondere bijstand blijft dit bedrag eveneens buiten beschouwing. Het begrip vermogen kan worden afgeleid uit artikel 34 lid 1 onder a Participatiewet en artikel 34 lid 2 onder a. Zie hiervoor verder de toelichting op artikel 2, lid 3 en op artikel 3, lid 1. Het inkomen van een minderjarig gezinslid telt niet mee, tenzij het gaat om bijzondere bijstand ten behoeve van juist deze minderjarige en er aan de kant van de minderjarige een substantieel inkomen is waarmee hij geacht kan worden geheel of gedeeltelijk te voorzien in de onderhavige kosten. Artikel 2Het eerste lid voorziet in de mogelijkheid om te individualiseren. De toepassing van de algemene regels kan in een individueel geval tot een ongewenst resultaat leiden. Van deze algemene regels kan dan gemotiveerd worden afgeweken. Dit kan zowel in het voordeel van de belanghebbende zijn, als in diens nadeel. In artikel 3 Hardheidsclausule is het individualiseringsprincipe ten voordeel van de belanghebbende beschreven. Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om de bijzondere bijstand, die op zich wel volgens de bepalingen en criteria wordt toegekend, toch lager vast te stellen bij wijze van sanctie. Er is hier een koppeling met artikel 18 Participatiewet en de afstemmingsverordening bedoeld in artikel 8 lid 1 onder a Participatiewet. Als de belanghebbende bijvoorbeeld een aanzienlijke reserveringscapaciteit in zijn inkomen had, maar deze niet heeft benut en daardoor een beroep doet op bijzondere bijstand, moet dit gevolgen kunnen hebben voor de toekenning. Zie ook artikel 10, tweede lid. In het derde lid is geregeld dat op basis van een individuele afweging kan worden afgeweken van de vrijlating van het volledige bedrag aan vermogen dat bij de algemene bijstand geldt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als bij de beoordeling van de aanvraag wordt geconstateerd, dat de belanghebbende bijstand vraagt voor relatief geringe kosten, terwijl hij zelf over een dusdanig bedrag beschikt dat hij de kosten zonder enig probleem zelf kan dragen. Artikel 3 HardheidsclausuleBij het toepassen van de hardheidsclausule wordt op basis van de Edese visie invulling gegeven aan individueel maatwerk en billijkheid op individueel niveau. Dit geschiedt in de uitvoeringspraktijk via methodisch werken en onder andere op basis van casuïstiek het nader uitwerken en vastleggen in (uitvoerings)besluiten. De verplichting om zo nodig af te wijken van beleidsregels geldt op basis van artikel 4:84 van de Awb. Een en ander voor zover de wet en de verordening daartoe ruimte bieden. Hoofdstuk II Bijzondere bijstand algemeen en draagkrachtcriteriaArtikel 4 Bij het verstrekken van bijzondere bijstand moet rekening worden gehouden met de draagkracht van belanghebbende. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen welk deel van het vermogen en inkomen van de belanghebbende boven de bijstandsnorm bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen (artikel 35 lid 1 Participatiewet). Daarbij zijn de vrijlatingen zoals die gelden voor de algemene bijstand niet zonder meer van toepassing. Bij de toelichting op artikel 1 is al aangegeven, dat desalniettemin voor het inkomensbegrip zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de algemene bijstand. Voor wat betreft het vermogen geldt eveneens, dat veelal aangesloten wordt bij het vermogensbegrip in de Participatiewet zoals dat volgt uit de combinatie van artikel 34 lid 1 onder a en artikel 34 lid 2 onder a Participatiewet. Daarmee wordt voorkomen dat bij elke aanvraag bijzondere bijstand van iemand met een bijstandsuitkering telkens een tijdrovend onderzoek (drukkend op de uitvoeringslasten) moet worden gedaan naar de actuele vermogenspositie. Op zich is beschikbaar vermogen natuurlijk wel een onderdeel van de middelen waarover de belanghebbende beschikt. Daarom is onder artikel 2, lid 3 opgenomen dat aanwezig vermogen onder omstandigheden wel een reden kan zijn om de aanvraag af te wijzen. Bij inkomen boven de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm (bepaald met toepassing van het gemeentelijk beleid) wordt de draagkrachtruimte vastgesteld. De draagkrachtruimte is ingevolge de definitie in artikel 1 het verschil tussen het werkelijke inkomen van belanghebbende en 110% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Wat in deze beleidsregel met bijstandnorm wordt bedoeld, is opgenomen in artikel 1 lid 1 sub d. De draagkrachtruimte wordt aangemerkt als draagkracht. Het is in overeenstemming met de gedachte dat de belanghebbende in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van zijn bestaan, dat hij zijn inkomen boven 110% van de bijstandsnorm ook aanwendt voor zijn kosten. In de volgende situaties is het nodig bij de bepaling van de draagkracht af te wijken van de basisregels: bij de beoordeling van het recht op een woonkostentoeslag (artikel 14 van deze beleidsregel) wordt 100% van de draagkrachtruimte in het inkomen in aanmerking genomen. Het inkomen boven het voor belanghebbende geldende bijstandsniveau moet volledig voor de betaling van de woonkosten worden aangewend. Als de draagkrachtruimte niet volledig wordt ingezet zal er ongelijkheid ontstaan. De belanghebbende met een inkomen boven bijstandsniveau zou dan een hogere woonkostentoeslag ontvangen dan de geldende huurtoeslag bij dat inkomen. bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor personen jonger dan 21 jaar die in een inrichting verblijven (artikel 16 van deze beleidsregel). bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor personen jonger dan 21 jaar die extra bestaanskosten hebben doordat zij zelfstandig wonen (artikel 17 van deze beleidsregel). Als dit niet gebeurt, heeft deze groep uiteindelijk meer te besteden dan personen in een vergelijkbare omstandigheden die 21 jaar of ouder zijn en die algemene bijstand ontvangen. bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor inkomensafhankelijke eigen bijdragen (artikel8), omdat anders wordt voorbijgegaan aan het feit dat deze bijdragen juist aan een bepaald inkomen zijn gekoppeld. De berekening wordt gemaakt over de volgens artikel 5 van deze beleidsregel vastgestelde draagkrachtperiode. Met het derde lid wordt beoogd het inkomen en vermogen van alle inwonende meerderjarige familieleden tot in de tweede graad in sommige gevallen mee te laten tellen voor het bepalen van de draagkracht. Het is billijk dat voor de bijzondere bijstand mede naar deze draagkracht wordt gekeken in gevallen waarin het gaat om bijstand voor zaken waar de inwonenden van meeprofiteren. In het bijzonder zal het dan kunnen gaan om bijstand voor duurzame gebruiksgoederen. Van de aanschaf van (bijvoorbeeld) een wasmachine profiteert immers niet alleen de aanvrager, maar ook de inwonende familieleden. Als het gaat om een aanvraag voor duurzame gebruiksgoederen zou de Individuele inkomenstoeslag van het jaar van aanvraag tot de draagkracht gerekend kunnen worden. De Individuele inkomenstoeslag is van origine immers onder meer bedoeld om grotere uitgaven te doen op het gebied van huisraad. Omdat de bijstand voor duurzame gebruiksgoederen veelal in de vorm van een lening zal geschieden, en daarbij toch al wordt gekeken naar het aanwezige banksaldo, heeft het in aanmerking nemen van de Individuele inkomenstoeslag echter feitelijk geen toegevoegde waarde. De Individuele studietoeslag zou als draagkracht gerekend kunnen worden. Echter gezien het doel van deze toeslag is dit niet wenselijk. De individuele studietoeslag is namelijk bedoeld voor mensen met een arbeidshandicap van wie is komen vast te staan dat zij niet in staat zijn het minimumloon te verdienen met voltijds arbeid en wordt verstrekt als de belanghebbende 18 jaar of ouder is. De belanghebbende moet recht hebben op studiefinanciering (WSF2000) of een tegemoetkoming op grond van de WTOS. De individuele studietoeslag is bedoeld als stimulans om toch een stap te zetten om naar school te gaan of een studie te volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan. Artikel 5De draagkrachtperiode is de periode waarover de draagkracht wordt vastgesteld. Er wordt uitgegaan van een periode van een kalenderjaar (het jaar waarop de kosten betrekking hebben). Hebben de kosten zich in een eerder kalenderjaar voorgedaan dan de aanvraag is gedaan, dan is dus het moment waarop de kosten zich voordeden relevant voor het bepalen van het kalenderjaar. In lid 3 is bepaald dat bij periodieke bijzondere bijstand (bijvoorbeeld een woonkostentoeslag totdat een andere woning kan worden betrokken) de draagkrachtperiode naar evenredigheid wordt vastgesteld. Dat kan zowel langer als korter dan een kalenderjaar zijn. Artikel 6Met dit artikel is bedoeld te benadrukken dat belanghebbenden met een (aanzienlijk) eigen vermogen in de vorm van een eigen woning niet bij voorbaat zijn uitgesloten van het recht op bijzondere bijstand. De extra vrijlating van vermogen gebonden in de woning bedraagt (per 1 januari 2015) € 49.700 (artikel 34 lid 2 onder d Participatiewet). Naar deze extra vrijlating wordt in artikel 5 verwezen. Als het vermogen van de belanghebbende, gebonden in de woning, lager is dan het hierboven bedoelde bedrag, brengt dit zijn aanspraak op bijzondere bijstand dus niet in gevaar. Het kan voorkomen, dat de belanghebbende die voor bijzondere kosten komt te staan, wel over vermogen boven de vrijlating beschikt in zijn woning, maar dat dit niet liquide kan worden gemaakt (als bijvoorbeeld alles vastzit in de woning). In dat geval kan artikel 10 uitkomst bieden (leenbijstand). De waarde van de woning dient te worden bepaald op de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Veelal zal een globale waardebepaling voldoende zijn om te beoordelen of de belanghebbende onder de vermogensvrijlating blijft, of juist ver daar over heen gaat. Een aankoopprijs, recente taxatie, de laatst bepaalde WOZ-waarde e.d. kan hiervoor een ijkpunt zijn. Bij hogere en/of langdurige bijzondere bijstand kan het nodig zijn om tot taxatie over te gaan. De kosten daarvan komen voor rekening van de belanghebbende en worden opgeboekt bij de te verstrekken leenbijstand. Er kan zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het gemeentelijk beleid met betrekking tot de krediethypotheek voor algemene bijstand, zij het dat vestiging van een hypotheek in veel gevallen niet doelmatig zal zijn. Artikel 7Het college zal bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand zich steeds de volgende vier vragen moeten stellen, in onderstaande volgorde: Doen de kosten zich voor? Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? Voorts geldt ook voor de bijzondere bijstand in principe het verbod om bijstand te verlenen met terugwerkende kracht. Met het verbod op bijstandsverlening met terugwerkende kracht moet ten aanzien van de bijzondere bijstand echter niet te rigide worden omgegaan. In de aard van de bijzondere omstandigheden kan immers besloten liggen dat het niet goed mogelijk is een aanvraag in te dienen voordat de kosten opkomen. Vasthouden aan het verbod op bijstandsverlening met terugwerkende kracht zou in die gevallen betekenen dat de functie van de bijzondere bijstand danig wordt uitgehold. Bij bijzondere bijstand moet het dus om praktische redenen mogelijk zijn dat bijstand wordt verstrekt voor kosten die zich eerder hebben voorgedaan. Om te voorkomen dat kosten van langere tijd geleden nog worden aangevraagd (wat moeilijk te beoordelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.