Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2015Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven maakt bekend, dat raad in zijn vergadering van 4 november 2014 heeft vastgesteld de volgende Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2015 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.Inleidende bepaling. Krachtens deze verordening worden geheven: een afvalstoffenheffing; reinigingsrechten. Artikel2.Begripsomschrijvingen. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: bedrijfspand: een eigendom - of een zelfstandig gebruikt gedeelte ervan - geen perceel zijnde in de zin van de Wet milieubeheer; grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en in stellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet in aanmerking komen voor het periodiek inzamelen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onder a; een collo: elk exemplaar stukgoed, ongeacht de verpakking, dat door één man te dragen is. HoofdstukIIAfvalstoffenheffing Artikel3.Aard van de heffing/belastbaar feit. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (Stb. 1994, 80). Artikel4.Belastbaar feit en belastingplicht. 1.De belasting wordt geheven van degene die gebruik maakt van een perceel in de gemeente ten aanzien waarvan, ingevolge artikel 10.21, 10.22 van de Wet milieubeheer, een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht van het perceel gebruikmaakt; ingeval een perceel door de leden van één huishouden wordt gebruikt: degene die door de in artikel 231 lid 2 onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden. ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte ten gebruike heeft afgestaan. Artikel5.Maatstaf van heffing en tarief. De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel6.Belastingjaar. Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel7.Wijze van heffing. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven doormiddel van een gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel8.Aanslaggrens. Voor belastingbedragen tot € 10,-- vindt geen heffing plaats. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het totaal van op éénaanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen periodiek reinigingsrecht of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel9.Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, is de belastingbedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar bij de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt bestaat aanspraakop ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Het tweede en derde lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel is verschuldigd bij deaanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen. Artikel10.Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op éénaanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan €78,-, doch minder is dan € 9.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in elf termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van deInvorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande ledengestelde termijnen. HoofdstukIIIReinigingsrechten. Artikel11.Aard van de heffing/belastbaar feit. 1.Onder de naam "reinigingsrechten" worden rechten geheven voor zowel het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen, die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, of door de gemeente in beheer of in onderhoud zijn gegeven. 2.Het in het eerste lid bedoelde genot van diensten en het gebruik van bezittingen, werken en inrichtingen bestaat uit: het periodiek verwijderen van bedrijfsafval van beperkte omvang of hoeveelheid; het op aanvraag incidenteel verwijderen van colli; het achterlaten van met huishoudelijk afval gelijk te stellen bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkel- en dienstenafval) op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats. Artikel12.Belastingplicht. De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, bedoeld in artikel 11, gebruik maakt. Artikel13.Maatstaven van heffing en tarieven. De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel14.Belastingjaar. 1.Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven over een belastingjaar. 2.Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel15.Wijze van heffing. 1.Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven bij wege van aanslag. 2.De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waarop het verschuldigde bedrag is vermeld. Artikel16.Aanslaggrens. 1.Voor belastingbedragen tot € 10,-- vindt geen heffing plaats. 2.Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen periodiek reinigingsrecht of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel17.Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang. Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, is verschuldigd bij deaanvang van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht. De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden verschuldigd bij deaanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen. Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, debelastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, debelastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel18.Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten deaanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op éénaanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan €78,-, doch minder is dan € 9.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in elf termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van deInvorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden Artikel19.Kwijtschelding Bij de invordering van de rechten als bedoeld in artikel 11 lid 1 wordt geen kwijtschelding verleend. HoofdstukIVAanvullende bepalingen. Artikel20.Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing en de reinigingsrechten. Artikel21.Inwerkingtreding en citeertitel. De Verordening reinigingsheffingen, vastgesteld bij raadsbesluit van 5 november2013, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015. Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening reinigingsheffingen 2015’. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 4 november 2014. Eindhoven, 4 november 2014. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven, , burgemeester. , secretaris. Uitgegeven, 16 december 2014 Mij bekend, de gemeentesecretaris van Eindhoven, mw. drs. P.M. Pistor Tarieventabel behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2015 Hoofdstuk1Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing. Hoofdstuk 1.1 Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing. 1.1.1 De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon: € 168,-- 1.1.2 De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee personen: € 204,-- 1.1.3 De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door drie personen: € 241,-- 1.1.4 De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door vier of meer personen: € 295,-- Hoofdstuk 1.2 Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing. 1.2.1 Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting voor het verwijderen van colli: a.per big bag van1 m3 b.per big bag van 1,5 m3 c.voorwerpen die niet in een inzamelmiddel passen, per voorwerp: € 40,- € 60,-- € 10,- Hoofdstuk2Maatstaven en tarieven reinigingsrechten. Hoofdstuk 2.1 Maatstaf en jaarlijks tarief reinigingsrechten. 2.1.1 Het recht bedraagt per belastingjaar voor: het verwijderen van bedrijfsafval als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onder deel a, per bedrijfspand voor elke per ophaalbeurt te verwijderen hoeveelheid van max. 240 liter of max. 6 zakken € 262,-- Hoofdstuk 2.2 Maatstaven en overige tarieven reinigingsrechten. 2.2.1 Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2.1 bedraagt het recht voor het achterlaten van met huishoudelijk afval gelijk te stellen bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkel- en dienstenafval) op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel c: (poorttarief) € 15,- 2.2.2 Het poorttarief als bedoeld onder 2.2.1 wordt –afhankelijk van het soort afval- verhoogd met de navolgende bedragen: Per ton: 2.2.2.1 gescheiden afvalstromen anders dan klein chemisch afval € 70,- 2.2.2.2 klein chemisch afval € 280,- 2.2.2.3 gemengd afval € 144,65 De bedragen genoemd in hoofdstuk 2 zijn exclusief omzetbelasting. Behoort bij raadsbesluit van 4 november 2014 tot vaststelling van de Tarieventabel 2015, behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2015.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.