.1- Indeling in categorieën Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a en c, IOAW/IOAZ, en artikel 38 IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1) Eerste categorie: Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. 2)Tweede categorie:
, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden Artikel3.1- Door eigen toedoen verliezen
1.Onverminderd artikel 1.4, eerste lid, legt het college, met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:
1.Onverminderd artikel 1.4, eerste lid, legt het college voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW/IOAZ en hij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt, of weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. 2.De hoogte van de maatregel is gelijk aan het gestelde in artikel 2.2 onderdeel c. 3.Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt. Hoofdstuk4- Overige gedragingen die leiden tot een maatregel Artikel4.1- Zeer ernstige misdragingen Onverminderd artikel 1.4, eerste lid, legt het college een maatregel op van honderd procent van de uitkeringsnorm, indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ. Hoofdstuk5- Regels bestrijding misbruik Artikel5.1– Handhavingsbeleid 1.Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de IOAW en de IOAZ, waaronder de bestrijding van fraude en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de IOAW en de IOAZ. 2.Het college stelt ter nadere uitvoering van het eerste lid een beleidsplan vast, waarin aandacht wordt besteed aan hoogwaardige handhaving. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van uitkering zijn verbonden, en over de consequenties van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik. Daarnaast beschrijft het college in het beleidsplan ten minste de wijze van controle bij de aanvraag, de handelwijze bij inconsistenties in de aanvraag, en het gebruik van signaal- en risicosturing bij de beoordeling van de aanvraag. 3.Het college voert onderzoeken en bestandsvergelijkingen uit waarbij actuele gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kan de uitkering na verificatie aan veranderde omstandigheden worden aangepast. Hoofdstuk6- Slotbepalingen Artikel6.1- Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van bekendmaking. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14-4-2014 G.A.A. van Luijn M.J.D. Donders-de Leest griffie voorzitter Toelichting Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Geldrop-Mierlo 2013 Op 1 januari 2010 is van kracht geworden de Wet BUIG (Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten). Door deze Wet BUIG wordt o.m. de verplichte verlaging of weigering (maatregel) bij verwijtbare gedragingen in het kader van de IOAW en de IOAZ per 1 juli 2010 omgezet in een bevoegdheid van het college. Op 1 juli 2010 is daarnaast de wijziging van de artikelen m.b.t. weigering of verlaging van de IOAW en de IOAZ ingegaan. Door de Wet BUIG is het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor dient de gemeente op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen. In verband hiermee moet de gemeenteraad een maatregelenverordening vaststellen voor de IOAW en de IOAZ. Deze verordening voorziet in het afstemmingsbeleid voor de IOAW en IOAZ. In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid. Daarbij zij opgemerkt dat in afwijking van de WWB, de IOAW en IOAZ in een aantal situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) voor onbepaalde duur te weigeren. Het college heeft daarbij wel de bevoegdheid om de maatregel te herzien, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. De Wet Aanscherping WWBOp 1 januari 2012 is inwerking getreden de “Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand (WWB) en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren (WIJ) gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden” (kortweg: Wet Aanscherping WWB). Deze Wet Aanscherping WWB heeft ook geleid tot wijziging van enkele artikelen in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en werkt daardoor op onderdelen ook door in het Maatregelenbeleid IOAW en IOAZ. Er zijn enkele nieuwe verplichtingen opgenomen in de IOAW en in de IOAZ. Schending van deze verplichtingen kunnen aanleiding geven tot het opleggen van een maatregel. • Verplichting tot verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden Het college krijgt de bevoegdheid om van mensen met een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ naar vermogen een tegenprestatie te verlangen voor het verlenen van uitkering (artikel 37, eerste lid, onderdeel f, IOAW/IOAZ). Die tegenprestatie dient te bestaan uit onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Het college dient zich daarbij te houden aan een aantal randvoorwaarden. De tegenprestatie: • Is niet gericht op arbeidsinschakeling; • Mag niet in de weg staan aan acceptatie van arbeid of re-integratie; • Bestaat daarom uit werkzaamheden waarvan omvang en duur beperkt zijn; • Bestaat uit werkzaamheden die de uitkeringsgerechtigde naar vermogen kan verrichten; • Wordt onbeloond verricht naast of in aanvulling op de reguliere arbeidsmarkt (additioneel); • Kan niet worden ondersteund door het college met voorzieningen als scholing, kinderopvang en premies. De regering is van oordeel dat de verplichting om een tegenprestatie te leveren geen schending oplevert van het verbod van dwang- c.q. verplichte arbeid, bedoeld in artikel 4 EVRM. Dit zou anders zijn indien fysieke dwang dan wel psychische dwang wordt uitgeoefend (EHRM 23-11-1983, nr. 8919/80). Van verplichte arbeid is sprake zodra niet (meer) verlangd kan worden dat de opgedragen activiteiten of werkzaamheden worden verricht vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling (CRvB 08-02-2010, LJN: BL1093). Omdat dit laatste aan de orde zou kunnen zijn, is de tegenprestatie in beginsel niet gericht op arbeidsinschakeling, is nog van belang dat de tegenprestatie als een ‘normale burgerplicht’ aangemerkt zou kunnen worden. In dat geval is er geen sprake van dwang- of verplichte arbeid. Burgerplichten zijn normale vormen van participatie van burgers in de behartiging van het algemeen belang door de overheid. De werkzaamheden die als tegenprestatie worden verlangd moeten derhalve onder het ‘algemeen belang’ kunnen worden geschaard. De overheid mag bij het scheppen van burgerplichten bovendien de rechtspositie van de individuele burger niet nodeloos en onevenredig aantasten. Er zal dus wel evenwicht moeten bestaan tussen het doel en de noodzaak van de plicht en de belangen en mogelijkheden van de burger. Het is aan het college om binnen deze kaders invulling te geven aan de beleidsvrijheid om een tegenprestatie te verlangen voor het verlenen van een uitkering. Wanneer hiervan gebruik gemaakt wordt, dan moet in de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ een wettelijke grondslag gecreëerd worden die het mogelijk maakt om het niet nakomen van de verplichting om daaraan mee te werken, te sanctioneren. Omdat de tegenprestatie niet zondermeer samenhangt met de arbeidsinschakeling kan schending van deze verplichting niet worden ondergebracht bij de categorieën gedragingen m.b.t. de arbeidsinschakeling, die reeds zijn benoemd in de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ. Daarom is daarvoor nu een nieuwe grondslag gelegd in de verordening. • Ingetrokken ontheffing arbeidsplicht alleenstaande ouders Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar kunnen op grond van artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ worden ontheven van de plicht algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. De re-integratieplicht blijft voor hen echter onverkort gelden. Komen zij deze niet of onvoldoende na, dan kan dit leiden tot het intrekken van de verleende ontheffing. Als het college besluit tot intrekking van de ontheffing, moet het tevens de uitkering van de alleenstaande ouder verlagen op grond van artikel 38, twaalfde lid, IOAW/IOAZ. De Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgevingOp 1 januari 2013 is inwerking getreden de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving". Voor de IOAW en de IOAZ introduceert deze wet de bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid om een maatregel in deze situatie op te leggen is niet meer mogelijk. Dit houdt in dat de bepalingen in de Maatregelenverordening die betrekking hebben op het opleggen van een maatregel op de uitkering in verband met de schending van de inlichtingenplicht van artikel 13, eerste lid, IOAW/IOAZ komen te vervallen. Het college heeft nu op grond van artikel 20a IOAW/IOAZ de plicht om een boete op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De hoogte van de boete is daarbij in beginsel gelijk aan het bedrag dat belanghebbende te veel aan bijstand heeft ontvangen. Is sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht (recidive) dan wordt deze boete in beginsel verhoogd tot 150% van het te veel ontvangen bedrag. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTINGHoofdstuk 1 – Algemene bepalingenArtikel 1.1 - BegripsomschrijvingTweede lid: Dit tweede lid bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal omschrijvingen verdient enige extra aandacht. Onder c. de IOAW/IOAZ: Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet verwezen moet worden. Onder e. uitkeringsnorm: De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in de IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat verwijst naar een netto norm. Onder f. maatregel: In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit vlak. Onder g. inkomen: Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en IOAZ. Dit wijkt af van het in de WWB gehanteerde inkomensbegrip. Onder h. belanghebbende: Daar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het opleggen van een maatregel, blijkens dat artikel, daar enkel gelden voor de persoon die is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in die zin ingeperkt. Onder j. hoogwaardige handhaving: Met het begrip “handhaving” wordt gedoeld op alle activiteiten van de overheid gericht op het doen naleven van wet- en regelgeving ter bevordering van het juist benutten en toepassen van wetten en regelingen in overeenstemming met hun doel en strekking. “Hoogwaardige handhaving” als basisconcept van het handhavingsbeleid is erop gericht de bereidheid tot naleving van de IOAW en de IOAZ door de klanten te verhogen door maatregelen op het gebied van voorlichting, controle, dienstverlening en afdoening. Het hoogwaardige karakter van het handhavingsbeleid stoelt op de gedachte dat het gelijktijdig doorvoeren van zowel preventieve als repressieve aanpassingen in de uitvoering leidt tot verbeterde handhaving. Het leidt tot een toename van het aantal klanten dat bereid is de regelgeving min of meer spontaan na te leven. Met het begrip “preventieve maatregelen” wordt gedoeld op maatregelen ter voorkoming en ontmoediging van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkering en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. In het kader van hoogwaardige handhaving wordt ervoor gekozen de preventieve maatregelen mede te richten op het vroegtijdig informeren van (toekomstige) klanten en het optimaliseren van de dienstverlening. Met het begrip “repressieve maatregelen” wordt gedoeld op maatregelen ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkering en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. In het kader van hoogwaardige handhaving wordt ervoor gekozen repressieve maatregelen mede te richten op het vroegtijdig constateren en afhandelen van fraude alsmede op het daadwerkelijk sanctioneren van geconstateerde fraude. Het sanctioneren van de geconstateerde fraude wordt nader uitgewerkt in de gemeentelijke Maatregelenverordening alsmede in de beleidsregels inzake terugvordering. Hierbij wordt opgemerkt dat de raad directe invloed heeft op het beleid van het college waar het gaat om de Maatregelenverordening. De Maatregelenverordening vormt één van de repressieve middelen op niet-nakoming van verplichtingen door een belanghebbende. Echter, de wetgever heeft het handhavingsbeleid in de IOAW en de IOAZ, vanuit oogpunt van de dualistische verhouding tussen de raad en het college binnen de Gemeentewet, niet consequent uitgewerkt. Immers, de bepalingen over terugvordering van uitkering in de IOAW en de IOAZ zijn geformuleerd als bevoegdheden van het college. De raad heeft hier geen directe invloed op middels het stellen van regels; het college kan het gebruik van deze bevoegdheden zelf nader bepalen in de Beleidsregels terugvordering IOAW en IOAZ. Bepalingen in een Maatregelenverordening die de raad op deze onderdelen wel een sturende invloed gaven, zijn door de Centrale Raad van Beroep onverbindend verklaard, zie CRvB d.d. 30 januari 2007 LJN-nr. AZ
.1 - Indeling in categorieën Ten opzichte van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Geldrop-Mierlo zijn in deze bepaling geen gedragingen opgenomen die verband houden met het niet verkrijgen of aanvaarden dan wel het door eigen toedoen verliezen
. Dit houdt verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart hoofdstuk opgenomen. In dit artikel worden twee categorieën onderscheiden. De eerste categorie gaat over het niet nakomen van de verplichting om onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten als tegenprestatie en het niet houden aan re-integratieverplichtingen door alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar wat heeft geleid tot intrekking van de ontheffing van de arbeidsverplichting. De tweede categorie betreffen verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling. Artikel 2.2 - De hoogte en duur van de maatregelIn dit artikel is de hoogte van de maatregel in procenten van de grondslag van de twee categorieën van artikel 2.1 opgenomen. Hoofdstuk 3 – Het door eigen toedoen verliezen
, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaardenArtikel 3.1 - Door eigen toedoen verliezen
.2 - Niet verkrijgen of aanvaarden
In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig uitgewerkt. Hoofdstuk 4 – Overige gedragingen die leiden tot een maatregelArtikel 4.1 - Zeer ernstige misdragingenOnder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ. In artikel 20, tweede lid, IOAW/IOAZ wordt gesproken over 'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’ betekent dat geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders, zoals het UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over uitgelaten. Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een belanghebbende zich ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: verbaal geweld (schelden); discriminatie; intimidatie (uitoefenen van psychische druk); zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); mensgericht fysiek geweld; combinatie van agressievormen. Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Hoofdstuk 5 - Regels bestrijding misbruikArtikel 5.1 - HandhavingsbeleidMet deze bepaling wordt invulling gegeven aan de in artikel 35, eerste lid, onderdeel c, IOAW/IOAZ gegeven opdracht om regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wet. Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om daarin eigen beleidskeuzes te maken. De gemeenteraad stelt op hoofdlijnen het beleid rondom handhaving vast door middel van deze bepaling en geeft daarmee de gelegenheid om er nadere invulling aan te geven in de vorm van beleidsregels. De gemeente moet eigen onderzoeksregels stellen. De verplichting van het systeem van verplichte heronderzoeken is vervallen. De gemeente heeft een eigen beleidsvrijheid op dit punt en kan invulling geven aan deze beleidsvrijheid die vooral juridisch-technisch van aard is. Een nadere uitwerking van deze beleidsvrijheid vindt plaats in het Beleidsplan hoogwaardige handhaving. In dit plan wordt omschreven op welke wijze het college omgaat met controle aan de poort van de bijstand (zoals welke gegevens noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag om uitkering of een aanvraag voor een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; afstemming met het UWV WERKbedrijf is op dit punt noodzakelijk), de controle van de verplichtingen van de klant in verband met de beoordeling van de noodzaak tot voortzetting van de uitkering en de gegevenscontrole. Doel is het vaststellen van de rechtmatigheid van de bijstand en de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Uit het Beleidsplan volgt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van uitkering en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling er gegevenscontrole dient plaats te vinden. De wijze waarop deze gegevens gecontroleerd worden op hun geldigheid en juistheid wordt nader uitgewerkt in het Beleidsplan. De keuze om verificatie en validatie van overgelegde gegevens door een klant in een plan vast te leggen volgt uit het concept Hoogwaardige Handhaving. Op grond hiervan wordt belang gehecht aan een systematische en planmatige benadering van gegevenscontrole. In verband hiermee is de Wet eenmalige gegevensuitvraag en het daarop gebaseerde digitaal klantdossier (het DKD) van groot belang. Eerste lidDoel van het handhavingsbeleid is te streven dat alleen diegenen die daadwerkelijk recht op uitkering hebben, deze ontvangen in overeenstemming met de wet en regelgeving. Tweede lidHet college streeft naar het zo vroeg mogelijk ontdekken van fraude (door onder andere signaalsturing, risicosturing en themacontroles). Het bestrijden van fraude verlegt zich meer en meer naar het moment waarop de potentiële klant een beroep doet op uitkering. Een goede controle op de aanvraag voorkomt dat mensen ten onrechte aanspraak maken op de IOAW en de IOAZ. De controle wordt voorafgegaan door voorlichting en heldere communicatie over het fraudebeleid van de gemeente. In het genoemde beleidsplan wordt nadere invulling gegeven aan het concept hoogwaardige handhaving, zoals de te hanteren controlesystematiek (signaal- en/of risicosturing) en de controlemiddelen om de rechtmatigheid van uitkering te controleren. Deze systematiek kan worden toegepast bij de aanvraag, tijdens en na beëindiging van de uitkering. Het handhavingsbeleid wordt niet uitputtend in deze bepaling vastgelegd. Er wordt ook gebruik gemaakt van beleidsplannen (of -nota’s). Derde lidAan controle op de rechtmatigheid van de verstrekking van uitkering wordt onder andere vorm gegeven door huisbezoeken en het gebruik van het Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI)-net en het Inlichtingenbureau, waarin actuele gegevens staan van (potentiële) belanghebbenden met betrekking tot inkomen uit loon of uitkering. Hoofdstuk 6 - SlotbepalingenArtikel 6.1 – InwerkingtredingDit artikel behoeft geen toelichting.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.