BELEIDSREGELS BIJ DE KEUR WATERSCHAP GROOT SALLANDHet dagelijks bestuur van Waterschap Groot Salland heeft op 24 maart 2015 de Beleidsregels bij de Keur Water Groot Salland vastgesteld. Het besluit treedt in werking op 1 april 2015. De tekst van de beleidsregels is hieronder te lezen. (het besluit van het dagelijks bestuur van 6 oktober 2015 tot vaststelling van de Beleidsregels waterkeringen Waterschap Groot Salland is gepubliceerd in het Waterschapsblad, jaargang 2015, nr. 8179). BELEIDSREGELS BIJ DE KEUR WATERSCHAP GROOT SALLAND A.ALGEMEEN A1.Kader Het wettelijk kader is de Keur Waterschap Groot Salland. A2.Verbodszones Uit de Keur en de legger voor oppervlaktewaterlichamen is de reikwijdte (in ruimtelijke zijn) van waterstaatswerken en verbodszones af te leiden. A3.Combinatie van algemene regels Het is noodzakelijk te kijken of voor een bepaalde handelingen niet verschillende algemene regels van toepassing zijn: op het gebied van grondwater, oppervlaktewater en/of waterkeringen, ecologie. De beleidsregels voor waterkeringen zijn eerder vastgesteld en gepubliceerd. A4.Zowel vergunningplichtig als meldingsplichtig Wanneer sprake is van een werk waarbij zowel vergunningplichtige als meldingsplichtige activiteiten, zoals bedoeld in de Algemene regels bij de Keur Waterschap Groot Salland, worden uitgevoerd, dient voor alle activiteiten gezamenlijk een vergunningaanvraag te worden ingediend. De aanvraag wordt dan getoetst aan de beleidsregels behorend bij de Keur. A5.Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op 1 april 2015. A6.Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bij de Keur Waterschap Groot Salland. B.GRONDWATER B1.Grondwateronttrekkingen en infiltraties Kader Keur Begripsbepalingen Bodemdaling Optelling van inklinking, krimp en oxidatie van de bovenste grondlagen en het samendrukken en deformeren van de diepere grondlagen. Bodemlozing Het definitief in de bodem brengen of doen brengen van vloeistoffen. Bodemenergiesystemen Warmtepompsystemen en systemen waarbij door middel van het onttrekken en infiltreren van grondwater, als bedoeld in de Waterwet, energie in de bodem wordt opgeslagen. Freatisch grondwater Het eerste grondwater dat men aantreft als men gaat graven. Dit grondwater staat rechtstreeks in verbinding met atmosferische luchtdruk. Hemelwater Verzamelnaam voor neerslag, zoals regen, sneeuw en hagel. InfiltratieIn de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater. Kwel Opwaarts gerichte grondwaterstroming. Onttrekken Indirect of direct mechanisch (met een pomp) water en of stoffen uit de bodem halen. Onttrekkingsinrichting Inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater. Inrichtingen en/of Infiltratiewerken die vanwege één opdrachtgever en/of één project plaatsvinden en die een samenhangend geheel vormen, gelden als één inrichting. In één of meer van de volgende gevallen is geen sprake van een samenhangend geheel, namelijk indien: a. de invloedsgebieden van onttrekkingen en/of infiltraties elkaar niet overlappen; b. bij onttrekkingen een periode van 30 dagen of langer ligt tussen de beëindiging van een onttrekking en het begin van de volgende onttrekking; c. is aangetoond dat voorafgaand aan een opvolgende onttrekking de grondwaterstand en de stijghoogte in de diepere watervoerende pakketten zich hebben hersteld tot het natuurlijk niveau. Ontwatering De afvoer van water uit percelen over en door de grond en eventueel door drainbuizen en greppels naar een stelsel van grotere waterlopen. De afvoer van water vindt plaats onder vrij verval. Opbarsten Bezwijken van de grond, door het ontbreken van vertikaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken Retourneren van onttrokken grondwater In hetzelfde watervoerende pakket weer terugbrengen van water in de bodem waaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Standstill beginsel Dit principe houdt in dat als gevolg van een ingreep in de ondergrond de kwantiteit en de kwaliteit van het grondwater niet mag verslechteren. Strategische voorraad zoet grondwater De strategische zoete grondwatervoorraad is zoet grondwater dat moet worden behouden om ook in de toekomst verschillende functies, zoals ten behoeve van de drinkwaterwinning, te kunnen vervullen. De zoete grondwaterlichamen uit het KRW proces worden als strategische zoete grondwatervoorraad beschouwd. Dit is het zoete grondwater dat zich in de Het volgende zoete grondwater is dus niet een strategische voorraad: - Het zoete grondwater in de deklaag, aangezien dit lokale, kleinschalige grondwatersystemen betreft en de zoetwatervoorraad hierin relatief klein is; - De lokale zoete grondwaterlenzen in de gebieden met overwegend brak/zout grondwater, aangezien deze relatief klein zijn.watervoerende pakketten onder de deklaag bevindt in de gebieden met overwegend zoet grondwater. Verdroging Een gebied wordt als verdroogd aangemerkt als een natuurfunctie is toegekend en de grondwaterstand in het gebied onvoldoende hoog is of als er water van onvoldoende kwaliteit moet worden aangevoerd om een te lage grondwaterstand te compenseren. Verzilting Toename van het zoutgehalte in het grondwater of het oppervlaktewater door natuurlijke of kunstmatige oorzaken. Watersysteem Samenhangend geheel van een of meer oppervlakte- en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken (definitie Waterwet) Watervoerend pakket Een bodemlaag die water doorvoert en die aan boven- en onderzijde begrensd wordt door een ondoorlatende laag of door oppervlaktewater. Zetting Daling van het grondoppervlak (maaiveldhoogte) veroorzaakt door een daling van de grondwaterstand. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle grondwateronttrekkingen, -retourneringen en infiltraties waarvoor het waterschap bevoegd gezag is binnen zijn beheergebied. Het waterschap is bevoegd gezag voor het onttrekken en infiltreren van grondwater. Uitzondering vormt een drietal categorieën waar de provincie bevoegd gezag voor is. Dit zijn onttrekkingen en infiltraties ten behoeve van: industriële toepassingen, indien de te onttrekken hoeveelheid water meer dan 150.000 m3/jaar bedraagt; openbare drinkwaterwinning of een bodemenergiesysteem. Raakvlakkenmet andere wet- en regelgeving RelatiemetWetgeving Waterwet: Voor vergunningen voor het onttrekken en infiltreren van water zijn voornamelijk procedurele bepalingen opgenomen. Waterbesluit: Geeft bepalingen over het melden en meten van grondwater, en algemene bepalingen omtrent de watervergunning. Waterregeling: Geeft indieningsvereisten voor meldingen en vergunningaanvragen. Deze activiteit kan m.e.r (beoordelings-)plichtig zijn op grond van Besluit m.e.r. Categorie C15.1 en D15.2. Er kan een relatie zijn met bijvoorbeeld Wet bodembescherming (bijv. bodemsanering), Wet milieubeheer/Wabo en daaronder hangende Amvb's (bijv. lozen van grondwater op riolering). Op deze activiteit kan de Crisis- en herstelwet van toepassing zijn. Op deze activiteit kan de Tracéwet van toepassing zijn. Veelal zal voor het onttrekken een provinciale grondwaterheffing (artikel 7.7 Waterwet) moeten worden betaald. Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2013: bevat onder meer bepalingen ter bescherming van de “reservering diepe pakket van Salland”. Relatiemetanderealgemeneregelsen/ofbeleidsregels Landelijk beleid, Grondwaterrichtlijn van de Europese Kaderrichtlijn Water. Provinciaal beleid, provinciale waterplannen en grondwaterplannen. Bovenliggend en aanvullend waterschapsbeleid, Keur. In de Algemene regels behorend bij de Keur is voor een aantal typen onttrekkingen een vrijstelling van de vergunningplicht op genomen. In de algemene regels zijn de criteria genoemd waaronder een onttrekking op basis van een melding kan worden uitgevoerd. Voor het uitvoeren van een meldingsplichtige onttrekking gelden voorschriften. Algemene regel onttrekken grondwater bij bouwputbemaling, proefbronnering, proefonttrekking of grondsanering Algemene regel onttrekken grondwater voor grondwatersanering Algemene regel onttrekken grondwater voor beregening en bevloeiing Algemene regel onttrekken grondwater voor een brandblusvoorziening Algemene regel onttrekken grondwater voor overige doeleinden Normenenrichtlijnen Om voor de adviseurs, opdrachtgever en uitvoerder uniformiteit in het toetsingskader aan te brengen, sluit het Waterschap aan bij de Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 Tijdelijke grondwaterbemaling, Besluitvorming uitvoeringsmethode Tijdelijke grondwaterbemalingen (BUM TM). Doelvan de beleidsregel Doelvanbeleid De beleidsregel geeft aan hoe het waterschap omgaat met zijn vergunningverlenende bevoegdheid. Dit heeft twee doeleinden: Preventieve werking: initiatiefnemers kunnen bij het ontwerp al rekening houden met de eisen van het waterschap. Uniforme en heldere afweging: om de afweging voor de vergunning transparant voor de initiatiefnemer en andere belanghebbenden te laten verlopen. Doelvangrondwaterbeleid Het doel van het grondwaterbeleid is om zo effectief en efficiënt mogelijk met grondwater om te gaan en het voorkomen van negatieve effecten door grondwateronttrekkingen en infiltraties. De pijlers zijn het borgen van duurzaam en doelmatige gebruik van grondwater, het in beeld (laten) brengen van effecten en het voorkomen van negatieve gevolgen. Daarbij zullen de onttrekking/infiltratie en de gevolgen daarvan worden beschouwd vanuit het integrale watersysteem inclusief de beleidsdoelen zoals de KRW3-doelstellingen,verdrogingbestrijding, beheer strategische zoetwaterreserves en tegengaan van bodemdaling. Motiveringvan de beleidsregel Algemeen Op grond van de keur is een verbod voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem, omdat dit in beginsel niet wenselijk is voor het in stand houden van het grondwatersysteem. Gezien de maatschappelijke wensen en belangen kan hier onder voorwaarden van worden afgeweken. Grondwater wordt voor veel doeleinden onttrokken en gebruikt,bijvoorbeeld voor de toepassing als productiewater, beregenen, veedrenking of als bluswatervoorzieningen. Tevens wordtgrondwater onttrokken om permanent of tijdelijk de grondwaterstand te verlagen, bijvoorbeeld bij werkzaamheden waar in den droge gewerkt moet worden of voor de ontwatering van percelen. Bijsaneringen wordt grondwater onttrokken om de verontreiniging te verwijderen. Naast het onttrekken speelt ook het in de bodem brengen van water een rol bij het grondwaterbeheer. Ook hier zijn verschillende redenen voor, zoals het aanvullen van het grondwater en/ of het tijdelijk bergen van hemelwater in de bodem of het beïnvloeden van de stijghoogte om schade te voorkomen. Deze beleidsregels gelden voor onttrekkingen waarbij mechanisch (met een pomp) direct of indirect (middels een pompput) grondwater wordt onttrokken en waarvoor volgens de Keur een vergunning van het waterschap nodig is. Deze beleidsregels gelden niet voor grondwateronttrekkingen zonder toepassing van een pomp en bemaling. Dit speelt bijvoorbeeld bij drainage waar bij het water onder vrij verval afstroomt naar oppervlaktewater. Gebiedspecifiek Het beleid en de bijbehorende algemene regels zijn gebiedsgericht. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met de gevoeligheid van het gebied ten aanzien van veranderingen in het grondwater en het risico van schade als gevolg hiervan. Enkele criteria zijn grondwater afhankelijke natuur, zoetwatervoorraden etc. Artikel 4.6.4 van de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2013 bevat bepalingen voor het het derde watervoerende pakket onder Salland. Hiervoor geldt al sinds 1991 een strategische reservering voor de openbare drinkwatervoorziening en hoogwaardige industriële toepassing waarop de Warenwet van toepassing is. Dit watervoerende pakket bevat grondwater van een zeer hoge kwaliteit en leeftijd maar is tegelijkertijd kwetsbaar voor uitputting (verzilting door te veel onttrekkingen) en verontreinigingen (doorboren van bovenliggende kleilagen). Zorgvuldig beheer is noodzakelijk mede gelet op de reeds aanwezige onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening en hoogwaardige industriële toepassingen. Op grond van het derde lid van genoemd artikel 4.6.4, kan voor het betreffende gebied - op een diepte van meer dan 50 m beneden het maaiveld - slechts vergunning worden verleend voor het onttrekken van grondwater als dit grondwater bedoeld is voor hoogwaardige industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is. Om negatieve effecten van grondwateronttrekkingen op de bodem- en het grondwatersysteem, op grondgebruikfuncties of op andere onttrekkingen en ingrepen in de ondergrond te voorkomen worden er voorwaarden gesteld aan grondwateronttrekkingen die vergunningplichtig zijn het kader van de keur. Deze toetsingscriteria worden hieronder aangegeven en toegelicht. Voorkomenvan negatieve effecten Als er negatieve effecten van een ingreep in de bodem of het grondwater te verwachten zijn, dienen deze effecten voorkomen te worden. Wanneer het voorkomen van negatieve effecten redelijkerwijs niet mogelijk is, moeten mitigerende maatregelen worden genomen. Wanneer voorkomen en mitigerende maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk zijn, moeten compenserende maatregelen worden genomen. Toelichting: Het beleid is er op gericht dat negatieve effecten worden voorkomen. Door het onttrekken ontstaat er altijd invloed op de omgeving. Wat precies onder negatieve effecten wordt verstaan is afhankelijk van de lokale situatie, de grondgebruikfunctie en de toepassing; het waterschap maakt hiervoor een afweging. Een effect van een ingreep hoeft niet altijd negatief te zijn: het zoeter worden van brak grondwater of oppervlaktewater door een grondwateronttrekking kan positieve effecten hebben op bijvoorbeeld natuurontwikkeling of de landbouw. Een voorbeeld van het voorkomen van effecten is het verminderen van de hoeveelheid onttrokken grondwater door toepassing van damwanden. Door mitigerende maatregelen te nemen in uitzonderingsgevallen waarbij het voorkomen van effecten aantoonbaar niet haalbaar of betaalbaar is, gaat het waterschap na of en hoe het compenseren van de negatieve effecten wordt toegestaan. Een voorbeeld van een mitigerende maatregel is het retourneren van grondwater. Compenserende maatregelen moeten worden getroffen voor negatieve effecten die niet voorkomen kunnen worden en waarvoor geen redelijke mitigerende maatregelen kunnen worden ingezet. Een voorbeeld van een compenserende maatregel is de herplant van door droogte afgestorven bomen. Cumulatieveeffecten van onttrekkingen De effecten van de onttrekking of infiltratie worden in samenhang met reeds aanwezige onttrekkingen en infiltraties beschouwd. Toelichting: Invloedsgebieden van verschillende grondwateronttrekkingen of infiltraties kunnen elkaar overlappen. Een nieuwe grondwateronttrekking of infiltratie kan in samenhang met bestaande grondwateronttrekkingen of infiltraties leiden tot ontoelaatbare cumulatieve effecten. Hiervoor geldt dat een nieuwe grondwateronttrekking of infiltratie zodanig wordt aangepast dat de cumulatieve effecten toelaatbaar zijn. Invloedsgebied De effecten van de onttrekking of infiltratie worden beschouwd tot aan de 5 cm verlagingslijn. Toelichting: Door het onttrekken en infiltreren van grondwater wijzigt de natuurlijke grondwaterstand en of stijghoogte in het watervoerende pakket en de grondwaterstroming zowel horizontaal als vertikaal. Door het onttrekken ontstaat een gebied waar binnen de onttrekkingen invloed heeft op de grondwaterstand en of stijghoogte. Uitgegaan wordt van een gebied dat wordt begrensd door de 5 cm verlagingslijn. In uitzonderingsgevallen kan hiervoor een andere waarde worden gehanteerd. Stopzettenof verminderen grondwateronttrekkingen Bij langdurige onttrekkingen moeten de gevolgen van het stopzetten of verminderen van de onttrekking of infiltratie worden beschouwd. Toelichting: Het stopzetten of verminderen van grote grondwateronttrekkingen kan (grote) gevolgen hebben voor de grondwaterstanden en hetgrondwaterstromingspatroon in de omgeving. Hierdoor kunnen negatieve effecten optreden als grondwateroverlast, zakkingen of rijzingen van maaiveld, zettingsschade, afname van de stabiliteit van waterkeringen en veranderingen in de oppervlaktewaterkwaliteit. Met name als de onttrekking al lange tijd aanwezig is kunnen derden zich hebben aangepast aan de gewijzigde grondwatersituatie, waardoor vermindering of stopzetting van de onttrekking ongewenste effecten kan hebben. Kwelof inzijging Een onttrekking en of infiltratie mag niet tot negatieve effecten leiden op de kwaliteit van het grondwater. Een onttrekking of infiltratie mag geen negatieve effecten hebben op de grond- en oppervlaktewaterhuishouding. Toelichting: Door een verandering in de grondwaterstroming verandert de mate van uitwisseling van het water uit het watervoerende pakket en het freatisch grondwater. Hierdoor kan de kwaliteit van het grondwater beïnvloed worden. Daarnaast kan de grondwaterstand en/of stijghoogte veranderen, waardoor de geschiktheid voor het gebruik kan verminderen en er gevolgen kunnen zijn voor de peilregulering van het oppervlaktewater. Verzilting Een onttrekking of infiltratie mag niet leiden tot het permanent verhogen van het chloride- gehalte van grondwater. Toelichting: Door verzilting neemt de hoeveelheid zoet grondwater af en kan onder andere de beschikbaarheid als grondstof in gevaar komen en kunnen negatieve effecten optreden op grondgebruikfuncties nu en in de toekomst. Strategischezoet grondwatervoorraad De onttrekking leidt niet tot uitputting van de beschikbare zoet grondwatervoorraad. Toelichting: De provincie heeft grondwaterbeleid opgesteld dat is gericht op het behouden van de strategische zoet grondwatervoorraad. Het beleid is gericht op het tegengaan van verzilting door menselijke ingrepen in het bodem- en grondwatersysteem. Doelmatigheid De onttrekking wordt zoveel mogelijk beperkt. Indien grondwater van goede kwaliteit gebruikt wordt voor laag- of middelwaardige toepassingen, wordt dit zoveel mogelijk teruggebracht in de bodem. Daarbij geldt dat de retourbemaling doelmatig moet zijn, dat wil zeggen dat de retourbemaling de negatieve effecten van de onttrekking tegen gaat en daarnaast geen andere negatieve effecten veroorzaakt. Toelichting: Het gebruik van grondwater en het onttrekken ervan moet beperkt worden. Voor laag- en middelwaardige toepassingen geldt dat nadat de onttrekking al zoveel mogelijk is beperkt het grondwater zo nodig geretourneerd wordt. Bij de beoordeling in hoeverre de onttrekking beperkt of retour gebracht moet worden zal het waterschap een integrale afweging maken. Opbarstenvan de bodem Een onttrekking of infiltratie mag niet leiden tot opbarsten van de bodem. Toelichting: Opbarsten van de bodem kan ongewenste waterstromen veroorzaken en tot een onbeheersbare situatie leiden zoals permanente toename van kwel en/of inzijging en kortsluiting tussen watervoerende pakketten. Zowel het maaiveld, de bodem van de bouwput en de wateren in de directe omgeving kunnen opbarsten. Het bepalen van het risico van opbarsten van de bodem gebeurt aan de hand van de NEN-6740. Archeologie Een onttrekking of infiltratie mag het archeologisch erfgoed niet verstoren. Toelichting: Een van de belangrijkste voorwaarden voor het behoud van archeologisch erfgoed is de afwezigheid van de zuurstof ofwel de aanwezigheid van grondwater. Verandering van grondwaterstand en – kwaliteit kan het behoud van archeologisch erfgoed beïnvloeden. Het belangrijkste uitgangspunt isom archeologische waarden in de ondergrond (ter plekke) te behouden, omdat de bodem nu eenmaal de beste conserveringsomgeving is. Dit wordt behoud in situ genoemd. Het uitgangspunt is dat ter plaatse van archeologische organische objecten de grondwaterstand niet mag dalen tot onder de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG). Indien de grondwaterstand verder wordt verlaagd dan de GLG is nadere informatie van een archeologische deskundige nodig. In de Wet op de archeologische monumentenzorg is een belangrijk principe opgenomen: ‘de verstoorder betaalt’. Dit betekent dat de initiatiefnemer van een project dat mogelijk schade toebrengt aan het bodemarchief (verstoort), verplicht is het archeologisch onderzoek te laten uitvoeren om behoud van het bodemarchief te kunnen waarborgen. Voor activiteiten die een beschermd archeologisch monument kunnen aantasten, moet een vergunning worden aangevraagd bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de watervergunning worden in dat geval geen nadere eisen opgenomen. Natuur,landbouw en openbaar groen Bij het beoordelen van de effecten op natuur, landbouw en openbaar groen wordt ook? getoetst op effecten die buiten het eigen terrein optreden. Toelichting: Indien schade aan derden mogelijk is, wordt aangeven welke maatregelen zullen worden genomen om schade te voorkomen. Schade op het eigen perceel is ter beoordeling van de initiatiefnemer. De watervergunning houdt rekening met natuurdoelen wanneer geen andere specifieke regelgeving van toepassing is. Toelichting: Grondwaterbeheer kan van invloed zijn op de natuur. De grootste bedreiging voor de grondwaterafhankelijke natuurgebieden is verdroging. Andere oorzaken voor problemen in grondwaterafhankelijke natuurgebieden zijn de afname van de grondwateraanvulling in het infiltratiegebied, aanvoer van systeemvreemd water en de vervuiling van het grondwater door overbemesting. Naast een watervergunning kan een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) vereist zijn. Hierbij is de gebiedsbescherming relevant. Grondwaterlichamen kunnen deel uitmaken van Natura 2000-gebieden of beschermde natuurmonumenten die zijn aangewezen op grond van de Nbw 1998. Wanneer een grondwaterlichaam geen deel uitmaakt van een beschermd gebied is het nog mogelijk dat een handeling in het grondwatersysteem invloed heeft op een aangewezen natuurgebied dat in de nabije omgeving ligt (externe werking). Ook dan is het beschermingsregime van de Nbw 1998 van toepassing. In deze gevallen is een vergunning op grond van de Nbw 1998 vereist. De Nbw vergunning is dan leidend ten opzichte van de Waterwet vergunning voor wat betreft de toelaatbaarheid voor de natuur en de maatregelen. Los van de aanwijzing van beschermde natuurgebieden, kan aan grondwaterlichamen de functie natuur worden gegeven in het regionale waterplan (vanuit de waterwetgeving). De toekenning van de functie natuur aan een grondwaterlichaam werkt dan door in de verlening van watervergunningen voor grondwateronttrekkingen. Afwegingen ten aanzien van natuur worden dan niet in specifiekere vergunningen geregeld en moeten daarom in de watervergunning worden opgenomen. Het uitgangspunt is dat de freatische grondwaterstand in natuurgebieden niet mag dalen. Toelichting: Zo lang geen verandering van de freatische grondwaterstand optreedt, mag er van uit worden gegaan dat geen schade optreedt aan de natuur. Wanneer wel een daling of stijging als gevolg van de onttrekking of infiltratie optreedt, moet een afweging worden gemaakt ten aanzien van degevoeligheid van de aanwezige soorten, de schade die daadwerkelijk optreedt, het beïnvloedde areaal ten opzichte van het totaal, de mate waarin herstel kan optreden en de gevoeligheid in het betreffende seizoen. Voor landbouw is het uitgangspunt dat geen opbrengstderving mag optreden. Toelichting: Opbrengstderving kan optreden door freatische grondwaterstandsveranderingen en veranderingen in de kwaliteit van het grondwater. Binnen het freatische beïnvloedingsgebied moet dit dus bepaald worden. Grondwaterstandsveranderingen kunnen zowel een negatief als een positief effect hebben. Zeer kleine effecten (in de orde grootte van enkele procenten opbrengstverlies) vallen binnen denatuurlijke variatie binnen de agrarische bedrijfsvoering en hoeven dus geen reden te zijn voor aanvullende maatregelen. Voor openbaar groen is het uitgangspunt dat grondwatergevoelige soorten niet negatief mogen worden beïnvloed. Toelichting: Een negatieve invloed is bijvoorbeeld droogteschade of het beperkt worden in de groei. Mitigerende maatregelen ter voorkoming van schade zijn relatief makkelijk in te zetten. Zo is beregening mogelijk als de grondwaterstand daalt tot onder GLG, of kan openbaar groen in geval van sterfte herplant worden. Openbaar groen kan als monumentaal groen zijn aangemerkt en daarom extra bescherming genieten. Herplanten is dan natuurlijk geen optie. Bebouwing,infrastructuur en objecten Zetting als gevolg van grondwateronttrekkingen mag geen schade veroorzaken Toelichting: Verlaging van de freatische grondwaterstand en de stijghoogten kan zetting van grondlagen tot gevolg hebben, waardoor mogelijk enige zakking van het maaiveld en zettingsgevoelige objecten optreedt. Dit is voornamelijk het geval indien de freatische grondwaterstand en stijghoogte gedurende langere tijd worden verlaagd beneden de in het verleden opgetreden laagste waarden. Schade aan bebouwing, leidingen en infrastructuur kan met name ontstaan als gevolg van zettingsverschillen. Bij het beoordelen wordt de schade aan objecten beoordeeld conform het principe van de NEN-6740, echter lokaal kan hiervan moeten worden afgeweken. Zettingsgevoelige objecten die al eerder aan zettingen onderhevig waren, kunnen bijvoorbeeld veel minder extra zetting ondergaan voordat schade optreedt, dan dat op grond van een berekening aan de NEN norm verwacht kan worden. Bij zettingsgevoelige bebouwing, infrastructuur en objecten kan bijvoorbeeld aan op staal gefundeerde gebouwen, kabels en leidingen of wegen en waterkeringen gedacht worden. Grondwaterpeilverlaging mag niet het droogvallen van houten palen veroorzaken. Toelichting: Oudere bebouwing kan op houten palen zijn gefundeerd. Deze palen mogen in principe niet aan zuurstof worden blootgesteld, omdat dan aantasting van het hout kan optreden. Blootstelling aan zuurstof treedt op wanneer de grondwaterstand lager wordt dan de paalkoppen. Wanneer de grondwaterstand ten gevolge van onttrekkingen lager wordt dan de paalkoppen moeten in de vergunning de aspecten duur van de droogstand (ook cumulatief met eerdere verlagingen), gevoeligheid van de fundering (houtsoort) en reeds eerder opgetreden schade aan de foundering overwogen worden. Negatieve kleef mag geen schade veroorzaken. Toelichting: Door stijghoogtewijzigingen kan ter plaatse van paalfunderingen een vermindering in kleef optreden. Wanneer de werking van de palen voornamelijk op kleef is gebaseerd kan dit schade veroorzaken. Het betreft dan vaak houten palen, trekpalen en betonnen paalfunderingen. Anderegrondwateronttrekkingen De grondwateronttrekking of infiltratie mag geen ontoelaatbare invloed hebben op andere grondwateronttrekkingen. Toelichting: Of de invloed van een nieuwe onttrekking ontoelaatbaar is hangt af van het belang van de beïnvloedde bestaande onttrekkingen. Gaat het om secundaire systemen, zoals ondergrondse gietwateropslag of bodemenergiesystemen, dan moet het rendementsverlies van de installaties bij de afweging worden betrokken. Bij compenserende maatregelen die in de vergunning kunnen worden opgenomen kan ook een financiële regeling tussen de nieuwe en de bestaande partij horen. In het geval dat de overige onttrekkingen een primaire functie voor de bestaande onttrekkers heeft, zoals industriële onttrekkingen of saneringen is de toelaatbaarheid eerder een probleem en zal een maatregel in de vergunning eerder een beperking van het effect van de nieuwe onttrekking inhouden. Uitgangspunt is dat bestaande onttrekkingen worden beschermd, en dat eventuele maatregelen door de nieuwe aanvrager worden genomen. Verontreinigingen Bij onttrekking en infiltratie moet rekening worden gehouden met het verplaatsen van bodemverontreinigingen. Toelichting: Door het onttrekken van grondwater of infiltreren van water kan de grondwaterstroming veranderen waardoor mobiele verontreinigingen kunnen verplaatsen. Het verplaatsen van verontreinigingen valt onder de definitie saneren in de Wet bodembescherming (Wbb). In de Wbb zijn voorwaardengesteld aan het saneren. Wanneer sprake is van een ernstige verontreiniging, is afhankelijk van de hoeveelheid verontreinigd grondwater die wordt verplaatst een melding op grond van de Wet bodembescherming (Wbb) noodzakelijk. Het waterschap informeert de aanvrager en het Wbb bevoegd gezag hierover. Bij een meldingplichtige verplaatsing van verontreinigd grondwater moet het Wbb bevoegd gezag beslissen over de ernst en spoed. Als het een geval van ernstige verontreiniging betreft, moet degene die grondwater gaat onttrekken een saneringsplan indienen. Dit saneringsplan zal zich met name richten op de wijze waarop verspreiding van de verontreiniging wordt voorkomen. De aanvrager zal voorafgaand aan de bemaling moeten uitzoeken hoe veel verontreinigd grondwater verplaatst wordt. Het waterschap is geen Wbb bevoegd gezag en beslist dus niet of maatregelen noodzakelijk zijn. Wanneer het Wbb bevoegd gezag dit noodzakelijk acht, kunnen er echter maatregelen nodig zijn die andere of grotere effecten hebben dan de bemaling zelf, bijvoorbeeld spiegelbronnen of retourinfiltratie. De watervergunning is in dit geval voor wat betreft welke maatregelen genomen moeten worden, volgend aan de Wbb beschikking. De toelaatbaarheid van de effecten van die maatregelen moeten echter wel overwogen worden. Wanneer de aanvrager aangeeft dat minder dan 1000 m3 verplaatst wordt, kan in de vergunning worden opgenomen dat er monitoring op de verplaatsing plaats moet vinden. Dit betreft dan monitoring op de kwaliteit van het grondwater. Als blijkt dat de verplaatsing meer is dan in de aanvraag aangegeven, kan dit aan het Wbb bevoegd gezag worden doorgegeven. Het al dan niet toepassen van een dergelijke monitoring is afhankelijk van het beleid van het waterschap op dit punt. Brandblusvoorzieningen Infiltraties Voor het infiltreren van water in de bodem zijn eisen gesteld in de Waterwet, Waterbesluit en de waterregeling ten aanzien van de normering en meting van de kwaliteit van het water. Permanentedrooglegging Permanente onttrekkingen van grondwater voor het droog houden van nieuwe civieltechnische en bouwkundige werken zijn niet toegestaan. Nieuwe onttrekkingen voor bestaande civieltechnische en bouwkundige werken worden in principe niet toegestaan. Toelichting: Dit betreffen permanente onttrekkingen voor het droog houden van verdiept aangelegde civieltechnische en bouwkundige werken waarvan de bodem niet waterdicht is gemaakt (gebouwd volgens het ‘polderprincipe’). Daardoor moet met een permanente bronbemaling grondwaterworden onttrokken om het grondwaterpeil continu lager te houden ten opzichte van het grondwaterpeil in de omgeving. De grondwaterstand- en stroming wordt door deze permanente onttrekkingen onnodig beïnvloed en bovendien wordt de riolering, rioolwaterzuiveringsinstallatie of het oppervlaktewater onnodig belast. Deze onttrekkingen zijn te voorkomen door aanpassingen in het ontwerp. Vergunningen voor dit doel worden in beginsel niet meer verleend voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat ondergrondse constructies volledig waterdicht moeten zijn. Een permanente bemaling ten behoeve van drooglegging wordt ongeacht de grootte van de onttrekking, niet toegestaan. Voor bestaande werken kan een permanente onttrekking worden overwogen als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: er zijn geen aanvaardbare alternatieven voorhanden; de aanvrager toont aan dat hiermee een maatschappelijk belang gemoeid is. Rapportageom de aanvraag te onderbouwen In artikel 6.19 van de Waterregeling is onder andere bepaald dat de aanvrager van een vergunning moet beschrijven wat de aard en de omvang van de gevolgen van de handeling (hier: grondwateronttrekking en/of infiltratie) zijn, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aard en het detailniveau van de gevolgen die in beeld moeten worden gebracht, zullen verschillen per onttrekking. De volgende aspecten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen: verlaging/verhoging grondwaterstanden en/of stijghoogten in het watervoerend pakket; invloed op gewenste grondwater- en oppervlaktewater regime (GGOR); invloedsfeer van de onttrekking waarbij de verlaging op de kaart in de regel door middel van contouren per 5 cm verlaging wordt aangegeven; verlaging van grondwaterstanden bij gevoelige objecten (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en kunstwerken, bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige gronden). Waar relevant en mogelijk ook de verlaging ten opzichte van historische fluctuaties in beeld brengen; berekening van zetting, klink of negatieve kleef alsmede, indien relevant, gevolgen voorfundering; gevolgen van zetting en grondwaterstandsverandering voor landbouw, natuur, bebouwing, waterkeringen, infrastructuur, kunstwerken en eventuele archeologische of aardkundige waarden; de invloed van de onttrekking/infiltratie op aanwezige bodemverontreinigingen; de gevolgen van een onttrekking op de diepteligging van het zoet-zoutgrensvlak (modelberekening); bij retourbemaling of bij infiltratie van hemelwater: de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit in het (grond)waterlichaam. Bij de modelberekeningen moet worden aangegeven welke uitgangspunten ten aanzien van de ondergrond zijn gebruikt (laagindeling, KD-waarden, c-waarden), welke uitgangspunten zijn gebruikt met betrekking tot de onttrekking zelf (afmetingen en diepte bouwput, filterdiepte etc.) en welke rekenmethode is gebruikt. Verder moet inzicht worden gegeven in de samenstelling van het te onttrekken respectievelijk te infiltreren grondwater. Het is van belang om de samenstelling hiervan te kennen in verband met de lozing op het oppervlaktewater of riolering en omdat te infiltreren water de kwaliteit van het grondwater niet mag verslechteren. Bij het onderzoek naar de kwaliteit van water kan het onder meer gaan om het gehalte aan chloride, sulfaat, ijzer, zwevende stof, CZV, BZV. Beschrijvingmaatregelenen/ofvoorzieningen In artikel 6.27 en 6.28 van de Waterregeling is, als indieningsvereiste voor vergunningsaanvragen voor grondwateronttrekkingen respectievelijk infiltraties, onder meer bepaald dat een beschrijving moet worden gegeven van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking of infiltratie te voorkomen of te beperken. Bij die maatregelen kan worden gedacht aan: beperken onttrekking door civieltechnische of geohydrologische maatregelen (werken binnen damwand, werken in den natte, onderwaterbeton, bodem injecteren, etc.); infiltratiemiddelen om (gevolgen van) grondwaterpeilverlaging te beperken; geoptimaliseerd onttrekkingsregime om effecten te minimaliseren (bijvoorbeeld laten opkomen grondwaterpeil tijdens onderbrekingen in het werk); funderingsvervangende of ondersteunende constructies; overige maatregelen zoals beregening natuur, isolatie bodemverontreiniging door schermen, etc.; schaderegeling: dit kan in een zeldzaam geval een mogelijkheid zijn; in principe is het voorkomen van schade echter het uitgangspunt; infiltratie van hemelwater met het doel dit water vervolgens weer te onttrekken. Monitoringsplan Zeker indien sprake is van kwetsbare objecten (civieltechnische werken zoals bebouwing, kunstwerken, waterkeringen en wegen) kan een meetplan met actiewaarden worden vereist. Dit plan kan onderdelen omvatten als: nulmeting (grondwaterstanden, opname maaiveld en bebouwing (door middel van fotografische vooropnamen), inmeten van hoogtebouten); meetplan grondwaterstanden (met actiewaarden); meetplan zakbakens (om maaiveldhoogten en -zakkingen te meten) en/of hoogtebouten (voor bebouwing); meetplan bodemvocht (met name voor monumentale natuur (meestal bomen) om te bepalen wanneer watergiften nodig zijn (watergiftenplan); meetplan waterkwaliteit. De eisen voor een monitoringsplan worden door middel van voorschriften in de vergunning opgenomen. Uitzonderingvoortijdelijkebemalingen Voor de onderbouwing van een vergunningaanvraag, bemalingsplan en monitoringsplan voor tijdelijke bemalingen wordt een rapportage opgesteld conform de “Beoordelingsrichtlijn Tijdelijkebemalingen BRL SIKB 12010 en BRL SIKB 12020” (het gaat hierbij om protocollen van de branche) of gelijkwaardig. Geenvergunning Er wordt geen vergunning verleend voor grondwateronttrekkingen en infiltraties indien het werk niet verenigbaar is met de doelstellingen van de Waterwet gesteld in artikel 2.1. Toelichting: Primair wordt getoetst aan het voorkomen van wateroverlast en waterschaarste. Als hier niet aan voldaan kan worden moet de vergunning geweigerd worden. De toetsing moet in samenhang worden beschouwd met en de bescherming en verbetering van de ecologische kwaliteit en de maatschappelijke functievervulling door het watersysteem. Deze laatste aspecten zijn in dit document beschreven en moeten in onderlinge samenhang worden afgewogen. Mogelijk is dat een maatregel die goed is voor het ene aspect tegelijkertijd slecht is voor een ander aspect. Bovendien moeten de aspecten ten aanzien van de bescherming en verbetering van de ecologische kwaliteit en de maatschappelijke functievervulling door het watersysteem worden afgewogen tegen factoren zoals kosten, sociaal-economische gevolgen, milieubelasting, volksgezondheid en natuur. Als het belang van de onttrekking of infiltratie kleiner is dan alle andere genoemde belangen wordt de vergunning geweigerd. C.OPPERVLAKTEWATER C1.Dempen en graven oppervlaktewaterlichamen Kader Keur Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de waterstaatkundige functie daarin, daarop, daarboven, daarover ofdaaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Onder dempen wordt in dit kader verstaan het verkleinen (geheel of gedeeltelijk dempen) van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam. Onder graven wordt in dit kader verstaan het wijzigen of vergroten van het profiel van een bestaand oppervlaktewaterlichaam en het nieuw graven van een oppervlaktewaterlichaam. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het dempen en graven van een oppervlaktewaterlichaam, ongeacht of die is of wordt opgenomen op de legger. Deze beleidsregels is niet van toepassing op Overijsselse Vecht. Raakvlakkenmet andere wet- en regelgeving Anderebeleidsregel: Nieuwe oppervlaktewaterlichamen worden meestal gegraven als compensatie voor de demping van oppervlaktewaterlichamen en/of voor de versnelde afvoer van hemelwater ten gevolge van de uitbreiding van verhard oppervlak of verruimen van bestaande oppervlaktewaterlichamen. Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met de beleidsregel Ophogingen en afgravingen in en nabij waterkeringen. Algemeneregels: Daarnaast gelden er algemene regels voor werkzaamheden die regelmatig worden uitgevoerd en die weinig invloed hebben op de waterhuishouding. Zie de algemene regel voor dempen en die voor graven van een oppervlaktewaterlichaam. De onderhavige beleidsregel is niet van toepassing van het indien dempen of graven binnen het kader van de betreffende algemene regel valt. Doelvan de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is de werking van het watersysteem en de functie van oppervlaktewaterlichamen te beschermen. Ook moet het mogelijk blijven om zonder belemmeringen doelmatig onderhoud en inspecties van oppervlaktewaterlichamen uit te kunnen voeren. Motiveringvan de beleidsregel Algemeen Het dempen of vergroten van oppervlaktewaterlichamen kan een negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem. Het uitgangspunt bij de beleidsregel is dat de waterhuishouding in beginsel niet negatief mag worden beïnvloed. De afvoercapaciteit van een oppervlaktewaterlichaam mag niet verminderen. Het onderhoud moet doelmatig kunnen worden uitgevoerd. (facultatief: Peilscheidingen mogen niet worden doorgraven) Hydrologischeeffecten van dempen van oppervlaktewaterlichamen Het dempen van oppervlaktewaterlichamen heeft een aantal hydrologische gevolgen: de freatische grondwaterstanden veranderen; de oppervlaktewaterberging neemt af; de sponswerking van de bodem neemt toe. Het dempen van oppervlaktewaterlichamen heeft veelal een positief effect op de hogere, droge gronden, omdat daarmee meer water wordt vastgehouden en de afvoerpiek wordt vertraagd. Op de lagere gronden is het dempen van oppervlaktewaterlichamen niet wenselijk, omdat hiermee vaak vernatting optreedt en de oppervlaktewaterberging afneemt. In de delen van veenweidegebieden waar de oppervlaktewaterlichamen in de zomer een sterk infiltrerende werking hebben kan het dempen van sloten leiden tot lagere grondwaterstanden en daarmee een versnelde maaivelddaling. Hydrologischeeffecten van graven van oppervlaktewaterlichamen Het graven van oppervlaktewaterlichamen heeft een aantal hydrologische gevolgen: de freatische grondwaterstanden veranderen; de oppervlaktewaterberging neemt toe; versnelde afvoer van water. Het graven van (diepe) oppervlaktewaterlichamen heeft een negatief effect op de hogere, droge gronden, omdat daarmee de grondwaterstanden worden verlaagd en de afvoerpiek wordt versneld. Op de lagere gronden is het graven van oppervlaktewaterlichamen niet altijd nadelig, omdat hiermee vernatting kan worden voorkomen en de oppervlaktewaterberging toeneemt. Onderhoud Onderhoud is noodzakelijk om een goed functioneren van het watersysteem te waarborgen. Bij het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaand oppervlaktewaterlichaam, moeten doelmatige onderhoudsmogelijkheden aanwezig blijven. Bij oppervlaktewaterlichamen die als hoofdwatergang of watergang op de legger zijn of worden opgenomen, wordt veelal een beschermingszone van 5 meter toegepast. Met betrekking tot de afmetingen van dergelijke nieuwe oppervlaktewaterlichamen moet dus niet alleen rekening gehouden worden met de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zelf, maar ook met beschermingszones. Stabiliteit Het is bij nieuwe en te vergraven oppervlaktewaterlichamen belangrijk dat de stabiliteit van oevers en het talud wordt gewaarborgd. Er worden daarom voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de oever/ taluds. Ook het opbarsten van de bodem moet worden voorkomen. Afhankelijk van de status van het water kunnen aanvullende eisen worden gesteld. Ecologie Ook kunnen (ongewenste) effecten optreden op een aan het oppervlaktewaterlichaam toegekende ecologische functie. Deleefomstandigheden voor planten en dieren kunnen zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of dieren wordt bedreigd. Toetsingscriteria Dempen 1.De aanvrager geeft bij de aanvraag om watervergunning aan op welke manier en op welke plek de vermindering van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam vooraf wordt gecompenseerd. 2.Compensatie kan worden gerealiseerd door: het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam; het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam. 3.De compensatie vindt plaats voorafgaande aan het dempen. 4.Compenserende waterberging wordt aangelegd binnen hetzelfde peilgebied als waarbinnen wordt gedempt. Het te graven oppervlak is, uitgedrukt in m², minimaal gelijk aan het te dempen oppervlak. In uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de regel dat moet worden gecompenseerd in hetzelfde peilgebied. Er geldt dan de volgende prioriteitsvolgorde voor gewenste compensatie: Compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil); Compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); Compenseren in hetzelfde bemalingsgebied. 5.Zo nodig wordt in de vergunning een voorschrift opgenomen over de te realiseren hoeveelheid berging, uitgedrukt in m³. 6.Er treden geen negatieve effecten op voor de omgeving. 7.Er treedt geen ongewenste maaivelddaling op. 8.De afwatering verslechtert niet. 9.Er worden geen waterlichamen gedempt die een ecologische doelstelling hebben (KRW-waterlichamen, waardevolle kleine wateren, wateren in Natura-2000 gebied) of die liggen in een EHS-gebied en waarbij het dempen een negatief effect heeft op de kenmerkende flora en fauna van dat gebied. Graven/vergroten 1.De afmetingen / het profiel worden vastgesteld door het waterschap 2.Door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen ontstaat geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden. 3.Er treden geen ongewenste effecten (verdroging) op voor derden. 4.Er treedt geen versnelde afvoer van water op. 5.Graven is nodig om de gewenste grondwaterstanden voor de toegekende functie te bereiken. 6.Er treedt geen ongewenste maaivelddaling op. 7.Bij oppervlaktewaterlichamen die als watergang of hoofdwatergang in de legger zijn of worden opgenomen is voldoende ruimte aanwezig om onderhoud uit te kunnen voeren. 8.Het graven heeft geen negatief effect op de kenmerkende flora en fauna van wateren met een hoge ecologische doelstelling (waardevolle kleine wateren en wateren in Natura-2000 gebied) en van gebieden met een hoge ecologische doelstelling (Natura-2000, EHS). C2.Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken Kader Keur Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de waterstaatkundige functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Onder een steiger of overhangend bouwwerk wordt verstaan een constructie aan of op het water die bedoeld is om mensen direct bij het water toe te laten, of om met een vaartuig aan te leggen. Onder vlonder wordt verstaan een vloerconstructie op het maaiveld grenzend aan hetoppervlaktewaterlichaam. Hieronder vallen mede houten vloeren en werken op palen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op oppervlaktewaterlichamen en bijbehorende beschermingszone, die in de legger zin opgenomen als hoofdwatergang of watergang. Raakvlakkenmet andere wet- en regelgeving Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met algemene en beleidsregels voor waterkeringen (regel noemen). Er is een algemene regel van toepassing voor het aanbrengen en hebben van vlonders. De onderhavige beleidsregel is niet van toepassing als het aanbrengen en behouden van een vlonder binnen het kader van de betreffende algemene regel valt. Motiveringvan de beleidsregel Algemeen Het maken van een steiger kan noodzakelijk zijn om aan te leggen met een (plezier)vaartuig, om zitplaatsen voor vissers te maken en om als in - en uitstappunt voor het zwemmen te fungeren. Doorstroming Indien een steiger ondersteund wordt door palen die in het water zijn geplaatst of indien de steiger tot op de waterlijn wordt aangebracht kan dit tot stremming en of opstuwing leiden. Ook spelen de inrichting en peilfluctuaties van het oppervlaktewaterlichaam een rol. De maximale opstuwing die de aanwezigheid van steigers in het oppervlaktewaterlichaam mag veroorzaken, hangt af van de maatgevende afvoer en van de aard van het gebied (hellend of vlak). Onderhoud Steigers mogen geen nadelige invloed hebben op het onderhoud. Uitgangspunt is dat het onderhoud machinaal wordt uitgevoerd. Dit kan met varend materieel worden uitgevoerd (maaiboot) of met rijdend materieel. Stabiliteit Een steiger werkt belemmerend op de groei van taludbeschermende beplanting (lichtafval). Een oeverbescherming is daarom noodzakelijk. Constructieeisen De steiger dient zodanige afmetingen te hebben dat de bovenstaande uitgangspunten van toepassing kunnen zijn. Toetsingscriteria Doorstroming 1.De maximale opstuwing die de aanwezigheid van steigers in het oppervlaktewaterlichaam mag veroorzaken, hangt af van de maatgevende afvoer en van de aard van het gebied (hellend of vlak). Onderhoud 2.Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken belemmeren het onderhoud niet. 3.Steigers kunnen door de eigenaar in het uiterste geval worden verwijderd in geval van buitengewoon onderhoud aan oever of het oppervlaktewaterlichaam. Hierover zal het bestuur de vergunninghouder tijdig berichten. Verwijdering geschiedt door en op kosten van vergunninghouder. Stabiliteit 4.De steiger, vlonder of overhangend bouwwerk heeft geen negatief effect op beschoeiingen of andere oeververdedigingswerken. C3.Oeverbeschermende voorzieningen Kader Keur Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterstaatkundige functie, daarin, daarop, daarboven,daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te plaatsen of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Een oeverbeschermende voorziening is een werk dat in/langs een oppervlaktewaterlichaam wordt aangebracht en dient om het talud of de oever te beschermen tegen afkalving of afschuiving. Als voorbeeld kunnen genoemd worden beschoeiing en damwand. Een hoofdwatergang is een oppervlaktewaterlichaam dat als zodanig is aangegeven in de legger. Een watergang is een oppervlaktewaterlichaam dat als zodanig is aangegeven in de legger. Oppervlaktewaterlichamen met een ecologische doelstelling zijn waardevolle kleine wateren, wateren in een Natura-2000 gebied en KRW-waterlichamen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het aanbrengen en behouden van oeverbeschermende voorzieningen ter plaatse vanoppervlaktewaterlichamen en bijbehorende beschermingszone, die opgenomen zijn in de legger als watergang of hoofdwatergang. Raakvlakkenmet andere wet- en regelgeving Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met beleidsregels voor waterkeringen (i.c. voor bouwwerken). Er zijn algemene regels van toepassing voor het aanbrengen van beschoeiing en (oeverbeschermende) damwand in hoofdwatergangen en watergangen in de bebouwde kom. De onderhavige beleidsregel is niet van toepassing als het aanbrengen en behouden van beschoeiing of damwand binnen het kader van de betreffende algemene regels valt. Motiveringvan de beleidsregel Algemeen Het waterschap is verantwoordelijk voor het functioneren van het watersysteem. In het algemeen geldt dat het aanleggen van werken in een oppervlaktewaterlichaam, dan wel de beschermingszone, negatieve gevolgen kan hebben voor het functioneren van het watersysteem. Het te gebruiken materiaal voor de oeverbescherming moet voldoen aan het (landelijk van toepassing zijnde) Besluit lozen buiten inrichtingen. Doorstroming De doorstroming van het water mag niet worden belemmerd door het plaatsen van palen in het doorstromingsprofiel van het oppervlaktewaterlichaam. Onderhoud Om de aan- en afvoer te kunnen waarborgen voert het waterschap onderhoudstaken uit en toetst het of bij de aanleg van werken in, op, boven of onder waterstaatwerken (met bijbehorende onderhoudsstroken) en in beschermingszones deze taken niet in het geding komen. Stabiliteit Werken in het oppervlaktewaterlichaam (in de beschermingszone) kunnen de constructie en stabiliteit van de taluds en eventuele reeds bestaande werken aantasten. Ecologie/Waterkwaliteit De werken kunnen een negatief effect hebben op het ecologisch functioneren van een oppervlaktewater doordat het een barrière vormt voor de ontwikkeling van oeverplanten en voor de migratie van bepaalde diersoorten. Toetsingscriteria Algemeen 1.De aan te leggen werken worden buiten het doorstromingsprofiel aangelegd. Doorstroming/Berging 2.Het aanbrengen van de oeverbeschermende voorzieningen leidt niet tot een verminderde waterberging van het oppervlaktewaterlichaam. Onderhoud 3.Oeverbeschermende voorzieningen leveren geen nadelige effecten op voor de toegankelijkheid van onderhoudsmaterieel langs de oppervlaktewaterlichamen en voor het uitvoeren van onderhoud aan het natte profiel van de oppervlaktewaterlichamen; 4.Ten behoeve van het onderhoud is een obstakelvrije beschermingszone zoals in de legger is bepaald, een voorwaarde voor doelmatig regulier of groot onderhoud. Voor het werk langs de oppervlaktewaterlichamen is een strook met een breedte van 5 meter noodzakelijk langs oppervlaktewaterlichamen die als hoofdwatergang in de legger zijn aangewezen en buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Ecologie/Waterkwaliteit 5.In hoofdwatergangen buiten de bebouwde kom en met een ecologische doelstelling wordt het aanbrengen van oeverbeschermende voorzieningen niet toegestaan, tenzij er goede redenen zijn om hiervan af te wijken en/of een negatief effect voldoende kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen. C4.Objecten en bouwwerken Kader Keur Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterstaatkundige functie, daarin, daarop, daarboven,daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Met bouwwerken worden alle werken van enige omvang die in de bodem zijn verankerd bedoeld. Voor de term objecten bestaat geen eenduidige omschrijving. Objecten zijn zeer verschillend vanaard en worden om zeer verschillende redenen geplaatst. Onder objecten kunnen bijvoorbeeld toestellen, hekwerken, schuttingen en beplantingen worden verstaan. Objecten waarvoor een andere beleidsregel is vastgesteld vallen niet onder deze beleidsregel. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op bouwwerken en objecten in of nabij oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende beschermingszone, die als hoofdwatergang of watergang in de legger zijn opgenomen. Er is ook een algemene regel voor dit onderwerp. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de Overijsselse Vecht. Raakvlakkenmet andere wet- en regelgeving Voor een aantal objecten is een specifieke beleidsregel of algemene regel van toepassing. Wanneer bij het plaatsen van deze objecten niet kan worden voldaan aan een specifieke beleidsregel of algemene regel worden deze beschouwd als objecten in de zin van deze beleidsregel. Motiveringvan de beleidsregel Doorstromingen waterberging Sommige objecten en bouwwerken bevinden zich vanuit hun functie in het natte profiel oppervlaktewaterlichamen. Voor deze objecten en bouwwerken (bruggen, oevervoorzieningen, etc.) zijn afzonderlijk algemene- of beleidsregels opgesteld. Onderhoud Objecten en bouwwerken die binnen de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen worden geplaatst kunnen het doelmatig onderhoud van die oppervlaktewaterlichamen belemmeren. Een van de functies van beschermingszones is het kunnen uitvoeren van machinaal onderhoud. Obstakels en bouwwerken in de beschermingszone zijn in principe dan ook niet gewenst. Stabiliteit Als een object of bouwwerk te dicht op de insteek wordt geplaatst kan dit van invloed zijn op de stabiliteit van een oppervlaktewaterlichaam. Het talud/oever zou daardoor kunnen verzakken waardoor de doorstroming van het water vermindert. Toetsingscriteria Oppervlaktewaterlichaam 1.Bouwwerken in oppervlaktewaterlichamen worden niet toegestaan. Beschermingszone 2.Aan te leggen bouwwerken worden zodanig gefundeerd dat deze geen invloed uitoefenen op de bodem en taluds van het oppervlaktewaterlichaam. 3.Bouwwerken worden zodanig aangelegd dat het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt gehinderd. C5.Bruggen Kader Keur Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de waterstaatkundige functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Een brug is een werk over een oppervlaktewaterlichaam, dat bedoeld is om een perceel te ontsluiten of om openbare wegen over oppervlaktewaterlichamen te verbinden. Oppervlaktewaterlichamen met een ecologische doelstelling zijn waardevolle kleine wateren, wateren in een Natura-2000 gebied en KRW-waterlichamen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het aanbrengen en behouden van een brug over een oppervlaktewaterlichaam dat in de legger van het waterschap is opgenomen als watergang of hoofdwatergang en de bijbehorende beschermingszone. Raakvlakkenmet andere wet- en regelgeving Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met algemene en beleidsregels voor waterkeringen. Wanneer het waterschap van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam ook het vaarwegbeheer heeft, dan moet ook rekening worden gehouden met regels die gesteld zijn in het kader van dit vaarwegbeheer. Voor het plaatsen van bruggen over oppervlaktewaterlichamen geldt geen algemene regel. Motiveringvan de beleidsregel Algemeen Een brug wordt meestal geplaatst om een perceel te ontsluiten of om openbare wegen over oppervlaktewaterlichamen te verbinden. Doorstromingen waterberging Als bruggen worden geplaatst zonder ondersteunende pijlers in het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam heeft de brug vrijwel geen effect op de doorstroming van hetoppervlaktewaterlichaam. Bij lange bruggen worden vaak wel pijlers gebruikt. Daardoor kan dedoorstroming enigszins worden beïnvloed, bijvoorbeeld door ophoping van vuil wanneer de ondersteuningspunten/pijlers te dicht op elkaar zijn geplaatst. Onderhoud Bij een brug over een oppervlaktewaterlichaam is het belangrijk dat de brug het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet belemmert. Er worden daarom eisengesteld aan de hoogte van de brug ten opzichte van het zomerpeil en de afstand tussen deeventuele pijlers. Daarnaast is het ook belangrijk hoever de brug verwijderd is van een ander (kunst)werk. Wanneer een brug bijvoorbeeld te dicht op een andere brug of een dam met duiker is geplaatst zou dat kunnen betekenen dat doelmatig onderhoud met behulp van machines moeilijk wordt of zelfs niet meer mogelijk is. Stabiliteit Bij het plaatsen van bruggen moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van de taluds/oevers. Bruggen kunnen een aanzienlijk gewicht hebben en als er geen sprake is van een goede ondersteuning, zou dat kunnen leiden tot het verzakken van de oevers of taluds. Er worden daarom eisen gesteld aan de positie van de brug ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam. Ecologie/ overige gebruiksfuncties Het materiaal waaruit de brug bestaat kan van invloed zijn op de waterkwaliteit. Er kunnen daarom eisen worden gesteld aan het gebruikte materiaal. Toetsingscriteria Algemeen 1.Een watervergunning wordt in beginsel slechts verleend als aangetoond wordt dat de brug nodig is om op een efficiënte manier van en naar een perceel te komen. Waar mogelijk moeten bestaande overgangen worden benut. 2.Bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor bruggen speelt de gevoeligheid van het bovenstroomse of aangrenzende gebied voor wateroverlast een grote rol. Van belang daarbij is het aantal reeds aanwezige bruggen, stuwen of andere obstakels. Doorstromingen waterberging 3.In beginsel zijn pijlers in het doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam niet toegestaan. Aan de brug, de landhoofden en eventuele pijlers kunnen technische voorwaarden worden verbonden ter waarborging van een goede staat van onderhoud van het opperwaterlichaam en ten aanzien van de toegestane verkeersklasse van de brug. 4.De hoogte van de brug ten opzichte van de bodem van het oppervlaktewaterlichaam is afhankelijk van de maatgevende afvoer van het oppervlaktewaterlichaam. Met behulp van de maatgevende afvoer en het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt de minimale hoogte bepaald. Onderhoud 5.Wordt het betreffende oppervlaktewaterlichaam met de maaiboot onderhouden, dan is de minimale doorvaarthoogte (ten opzichte van het zomerpeil) 1,25 meter. 6.De aanleg en aanwezigheid van de brug belemmert het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet. 7.De brug wordt minimaal 10 meter van een ander werk in het oppervlaktewaterlichaam geplaatst. 8.De brug belemmert het eventuele gebruik van het oppervlaktewaterlichaam als vaarweg niet. Een minimale doorvaarthoogte kan aan de watervergunning worden verbonden [met als referentie de afstand tussen de onderkant van de brug op het hoogste punt ten opzichte van de vaste bodem van het water zoals die in de legger is vastgelegd, rekeninghoudend met het gemiddeld waterpeil]. Tevens kunnen aanvullende voorschriften ten aanzien van de afwatering van het wegdek worden opgenomen. Stabiliteiten oeverbescherming 9.De brughoofden tasten de stabiliteit van de oevers niet aan. 10.De beschoeiing wordt niet beschadigd. Schade aan de bodem wordt voorkomen. 11.Indien hogere stroomsnelheden worden veroorzaakt door de aanleg van bruggen, worden voorzieningen aangelegd om schade, onder andere aan de taluds, te voorkomen. 12.De oevers (met name onder de brug waar nauwelijks plantengroei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.