Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Haaksbergen (4.33c)Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Haaksbergen Samenvatting Deze nadere regels geven een uitwerking van de artikelen 2, 5, 6 en 10 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Haaksbergen Burgemeester en wethouders van Haaksbergen; Wettelijke basis: bepalingen van Verordening maatschappelijke ondersteuning Haaksbergen (artikelen 2, 5, 6 en 10) en de Algemene wet bestuursrecht. Besluit: Vast te stellen de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Haaksbergen Hoofdstuk1Begripsbepalingen Artikel1.Begripsbepalingen In deze nadere regels wordt verstaan onder: gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning Haaksbergen; CIMOT: Centrale Intake Maatschappelijke Opvang Twente: het loket van centrale toegang tot opvang en beschermd wonen Twente waar cliënt gemeld kan worden voor maatschappelijke ondersteuning voor opvang en beschermd wonen en die deze melding verder in behandeling kan nemen; Hoofdstuk2Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning (uitwerking artikel 2 verordening) Artikel2.Melding hulpvraag 1.Een cliënt kan een hulpvraag bij het college melden. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel3.Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college wijst de cliënt voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van deWmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel4.Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel5.Gesprek 1.Voor zover noodzakelijk onderzoekt het college zo spoedig mogelijk na het vooronderzoek in een gesprek met deskundigen en de cliënt: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van deze nadere regels aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. 4.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel6.Verslag 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2.Binnen 14 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3.Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. Artikel7.Aanvraag 1.Een cliënt kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2.Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 3.Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven. Artikel8.Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Artikel9.Beschermd wonen en opvang Indien uit het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 blijkt dat de cliënt opvang of beschermd wonen nodig heeft, meldt het college deze situatie bij de CIMOT. Vanuit het CIMOT wordt, samen met het college van de gemeente van herkomst en de melder de noodzaak beoordeeld. Indien een voorziening in de vorm van opvang of beschermd wonen noodzakelijk is, realiseert het college bij voorkeur een plek in de gemeente van herkomst. Hoofdstuk3Regels voor pgb (uitwerking artikel 5 van de verordening) Artikel10.Regels voor pgb 1.De hoogte van een pgb: wordt bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura. 2.De hoogte van een pgb voor: een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering; huishoudelijke ondersteuning door een niet daartoe opgeleid persoon wordt bepaald per resultaat van een schoon huis op basis van het laagste tarief per resultaat van een schoon huis voor huishoudelijke hulp in natura door een niet daartoe opgeleid persoon werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling; huishoudelijke ondersteuning: 1°. door een daartoe opgeleid persoon; of 2°. waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist; wordt per resultaat van een schoon huis bepaald op basis van het laagste tarief per resultaat van een schoon huis voor huishoudelijke hulp in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling; ondersteuning zelfstandig leven door een niet daartoe opgeleid persoon die mantelzorger is of afkomstig is uit het sociale netwerk van de cliënt, wordt bepaald per uur op basis van het tarief per uur voor mantelzorgers in de Wet langdurige zorg; ondersteuning zelfstandig leven: 1°. door een daartoe opgeleid persoon; of 2°. waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist; wordt per uur of per resultaat voor individuele begeleiding bepaald op basis van het laagste tarief per uur of per resultaat voor individuele begeleiding in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling; ondersteuning maatschappelijke deelname met laag intensieve ondersteuning uitgevoerd door vrijwilligers met ondersteuning van een beroepskracht wordt per dagdeel of per groep bepaald op basis van het laagste tarief per dagdeel of per groep voor dergelijke begeleiding in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling; ondersteuning maatschappelijke deelname met hoog intensieve ondersteuning uitgevoerd door daartoe opgeleide personen wordt per dagdeel of per groep bepaald op basis van het laagste tarief per dagdeel of per groep voor dergelijke begeleiding in natura door daartoe opgeleide beroepskrachten werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling; kortdurend verblijf- en respijtzorg: 1°. met laag intensieve ondersteuning uitgevoerd door vrijwilligers met ondersteuning van een beroepskracht, of 2°. met hoog intensieve ondersteuning uitgevoerd door daartoe opgeleide personen; wordt per dagdeel of per resultaat voor kortdurend verblijf- en respijtzorg bepaald op basis van het laagste tarief per dagdeel of per resultaat voor kortdurend verblijf- en respijtzorg in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht(en) werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling; voor vervoer van en naar de dagbesteding wordt bepaald op basis van het tarief voor vervoer per dag van en naar de dagbesteding dat is bepaald op grond van de Wet langdurige zorg minus de korting en/of de ernst van de beperking die het reizen met het openbaar vervoer door de cliënt belemmert. taxikosten en rolstoeltaxikosten wordt bepaald op basis van een onderzoek naar marktconforme tarieven en uitgaande van een maximaal aantal kilometers per jaar; een autoaanpassing wordt bepaald op basis van het programma van eisen voor de aanpassing en de laagste kostprijs voor een vergelijkbare aanpassing in natura; verhuiskosten wordt bepaald op basis van: 1°. de omvang van de verhuizing; 2°. de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende verhuizer, en; 3°de laagste kostprijs van een verhuizing in natura; aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel wordt bepaald op basis van het laagste tarief voor een sportrolstoel in natura; het bezoekbaar maken van een woning wordt bepaald op basis van: 1°. de omvang van de aanpassing; 2°. het programma van eisen voor de aanpassing; 3°. de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer, en 4°. de laagste kostprijs voor het bezoekbaar maken van een woning. 3.Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betreffende het tarief, betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk: dat deze persoon een lager tarief krijgt betaald voor zijn diensten dan het op grond van de Wet langdurige zorg geldende pgb-uurtarief voor hulp van niet-professionele zorgverleners, en dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het pgb mogen worden betaald. Artikel11.Hoogte pgb Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb gaat het college per kalenderjaar uit van de werkelijke kosten met een maximum van: voor het gebruik van een taxi € 1.500,00; voor het gebruik van rolstoeltaxi € 2.000,00; voor verhuiskosten € 2.000,00; aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel bedraagt: € 2.450,00 en voor het bezoekbaar maken van een woning voor een Wlz-bewoner bedraagt € 1.889,00; voor huishoudelijke ondersteuning door een niet daartoe opgeleid persoon 75% van de kosten in natura; voor huishoudelijke ondersteuning door een daartoe opgeleid persoon of waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist 100% van de kosten in natura; voor ondersteuning zelfstandig leven door een daartoe opgeleid persoon 85% van de kosten in natura; voor ondersteuning zelfstandig leven door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk € 20,00 per uur; voor ondersteuning maatschappelijke deelname 100% van de kosten in natura; voor ondersteuning maatschappelijke deelname door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk € 20,00 per uur; voor ondersteuning kortdurend verblijf uitgevoerd door vrijwilligers of daartoe opgeleide personen 100% van de kosten in natura; voor vervoer van en naar dagbesteding per retour 85% van de kosten in natura. Hoofdstuk4Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen (uitwerking artikel 6 van de verordening) Artikel12.Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen 1.Het college bepaalt de hoogte van de bijdrage voor een algemene voorziening aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van deze voorziening. 2.Het college bepaalt de kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb: door een aanbesteding; na een consultatie in de markt, of in overleg met de aanbieder. 3.In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 4.Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 5.De bedragen per vier weken, de inkomensbedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de eigen bijdrage zijn gelijk aan die genoemd in artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.