Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Binnenmaas 2015 Hoofdstuk 1 Algemene uitgangspunten Inleiding Juridische statusBeleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Geen algemeen verbindend voorschriftBij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het dan om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of de toepassing van de bepalingen in de Verordening. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens door het College vastgesteld beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. Goed samenhangend stelselDe beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Binnenmaas strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn eigen verantwoordelijkheid, uitgaan van te bereiken resultaten en het leveren van maatwerk. In artikel 1 van de Verordening worden een aantal begripsbepalingen opgesomd. Het spreekt voor zich dat deze begrippen van toepassing zijn op deze beleidsregels. Ook de bijlagen maken integraal onderdeel uit van de beleidsregels. Opdracht Wmo 2015 aan de gemeenteDe Wmo 2015 draagt gemeenten onder meer op zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 van de wet) wordt verstaan: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, bieden van beschermd wonen en opvang. Onder voorzieningen worden algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen verstaan (art. 1.1.1 lid 1 van de wet). De regels over kwaliteit en continuïteit zijn neergelegd in hoofdstuk 3 van de wet. KwaliteitDe Wmo 2015 vormt het kader dat waarborgt dat de inhoud en de kwaliteit van ondersteuning is afgestemd op de eisen die daaraan in de individuele situatie mogen worden gesteld. De Wmo 2015 gaat uit van maatwerk; de aanname dat de kwaliteit van de ondersteuning aan een cliënt wordt bevorderd als die zo goed als mogelijk wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt. Daarbij biedt de Wmo 2015 een basisnorm voor kwaliteit als uitgangspunten voor gemeentelijk kwaliteitsbeleid en voor aanbieders van voorzieningen. Deze basisnorm vereist dat een voorziening in ieder geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere zorg of hulp die hij ontvangt; wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; en wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. Op landelijk niveau zullen gemeenten in overleg met organisaties van cliënten, aanbieders en zorgverzekeraars bezien voor welke cliënttypen en voorzieningen landelijke kwaliteitsstandaarden een bijdrage kunnen leveren aan een goede uitvoering van de wet. Dit betekent dat de gemeente Binnenmaas op dit moment nog geen beleidsregels vaststelt over de kwaliteit van maatwerkvoorziening. Dat sluit aan bij het Regionaal Beleidsplan 2015. Het begrip ‘zeer kwetsbaar’Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is bedoeld voor kwetsbare burgers die onvoldoende hulpbronnen hebben om op eigen kracht bepaalde moeilijkheden en tegenslagen te overwinnen en om hun leven op de door hen gewenste manier vorm te geven (uit het advies van de Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling: Kwetsbaar in kwadraat). Burgers kunnen worden ingedeeld in de groep zeer kwetsbaar als er sprake is van samenhang in of risico’s op de volgende aspecten: Een beperkte sociale steunstructuur (weinig betekenisvolle sociale relaties). Weinig veerkracht (de draaglast is groter dan de draagkracht). Gering vermogen tot eigen regie voeren (in beperkte mate eigen wensen en behoeften duidelijk kunnen maken). Deze definitie betekent dat de mate van kwetsbaarheid sterk afhangt van de persoonlijke omstandigheden van een cliënt en zijn huishouden. Het legt daardoor de nadruk op een individuele beoordeling. Om te bepalen of een cliënt in de categorie ‘zeer kwetsbaar’ valt, wordt onderzoek gedaan bij de beoordeling van een aanvraag en kan het ook aan de orde komen bij de melding van de hulpvraag en het gesprek. Wat wordt van burgers verwachtDe Wmo 2007 functioneert in veel gemeenten goed en mensen zijn tevreden met de geboden ondersteuning. Gemeenten laten in de praktijk samen met cliëntenorganisaties, aanbieders, welzijnsorganisaties en anderen met behulp van programma’s als De Kanteling en Welzijn Nieuwe Stijl zien hoe de eigen kracht en regie van mensen kan worden versterkt en de afhankelijkheid van voorzieningen kan worden verminderd. De gedachte om bij het bieden van ondersteuning eerst te kijken naar wat iemand nog wel kan of zelf kan organiseren binnen zijn sociale netwerk om daarmee zijn zelfredzaamheid en participatie te vergroten, wordt meer gemeengoed en kan rekenen op een breder draagvlak in de samenleving. De vanzelfsprekendheid dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan de samenleving, is in de Wmo 2015 expliciet verankerd. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid is van mensen zelf. Een beroep doen op de sociale omgevingTot die eigen verantwoordelijkheid van de burgers behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden - zijn eigen sociale netwerk - alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Met de Wmo 2015 wordt het automatisme doorbroken dat burgers zich bij elke hulpvraag tot de gemeente wenden. In de omslag die met de Wmo 2015 in gang wordt gezet, is het niet meer vanzelfsprekend dat de gemeente bij iedere hulpvraag bijspringt. Uitgangspunt is dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Niemand wordt uitgezonderdHiermee wordt niet uit het oog verloren dat iedereen een beroep mag doen op de gemeente. Geen enkele cliënt wordt op voorhand uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning. Eenieder kan zich melden met een hulpvraag. In het onderzoek dat het College na de melding uitvoert, zullen eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de sociale omgeving worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet bieden van ondersteuning vanuit de gemeente. Het College beoordeelt in dit soort gevallen welke maatschappelijke ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Zo lang mogelijk in de eigen leefomgevingMet de Wmo 2015 wordt aangesloten bij de wil van mensen om zolang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie door zich in te spannen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven en elkaar, waar nodig en mogelijk, meer te helpen. Deze regierol van mensen is in de Wmo 2015 onder meer verankerd door de eigen kracht van mensen en hun sociale netwerk een centrale plek te geven in het onderzoek naar de persoonlijke situatie van de cliënt en zijn mantelzorger en door het recht om onder voorwaarden te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). Verantwoordelijk tot indicatie Wet langdurige zorgGemeenten zijn verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van hun burgers tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Op dat moment is immers langs de weg van zorginhoudelijke criteria vastgesteld dat iemand vanwege beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. Die zorgplicht blijft belegd bij aan de zorgverzekeraars gelieerde zorgkantoren. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) indiceert voor deze zorg. Indien cliënten toegang hebben tot de Wlz, dan kunnen zij geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 ontvangen noch verpleging en verzorging vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Er is slechts één uitzondering: het sociaal vervoer. Dat blijft onder de Wmo vallen. De Wlz-uitvoerders worden voor het jaar 2015 echter nog vrijgesteld van de taak om aan thuiswonende Wlz-gerechtigden hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en vergoedingen voor woningaanpassingen te verstrekken. Dat geldt ook voor personen die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd. Dit geschiedt in 2015 nog op grond van de Wmo 2015. Weigeren maatwerkvoorzieningArtikel 2.3.5 lid 6 van de wet bepaalt dat het College een maatwerkvoorziening kan weigeren. Dit artikel heeft alleen betrekking op het weigeren van aanvragen om maatwerkvoorzieningen in relatie tot de aanspraak of het recht op een indicatie tot (langdurig) verblijf op grond van de Wlz. Alleen indien de zorgintensiteit zodanig is dat het wonen in de eigen leefomgeving niet meer veilig en verantwoord zou zijn, is de Wlz aan de orde. Thuis blijven wonen met indicatie WlzCliënten kunnen niet alleen de mogelijkheid krijgen om zorg in natura thuis in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt) af te nemen maar dat zij er ook voor kunnen kiezen om slechts delen (modules) van het pakket aan zorg in natura thuis geleverd te krijgen. Dit wordt het ‘modulair pakket thuis’ (mpt) genoemd. Op basis van de tot het geïndiceerde zorgprofiel behorende vormen van zorg spreekt de cliënt (of zijn vertegenwoordiger) met het zorgkantoor af welke zorg hij in welke omvang in natura thuis wil ontvangen. Het mpt kan, anders dan een vpt, worden gecombineerd met een persoonsgebonden budget. Voorts kan de ene module (functie) ingekocht worden bij de ene zorgaanbieder, en de andere module bij een andere zorgaanbieder. Ook dit kan met het vpt niet. Indien de Wlz aan de orde is betekent dit ook dat vanuit de Wmo 2015 geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt wordt. MantelzorgwoningenInitiatieven als mantelzorgwoningen verdienen aandacht en waar mogelijk dienen belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Wijziging Besluit omgevingsrecht (Bor, Stb. 2014, nr. 333)Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Pieper c.s. (TK 2009/10, 32 123 XI, nr. 34) waarin wordt opgeroepen om de mogelijkheden voor de plaatsing van mantelzorgwoningen te vereenvoudigen. In dat verband worden onder meer wijzigingen in de regeling voor omgevingsvergunningvrij bouwen in bijlage II bij het Bor doorgevoerd. Daarbij is ook uitvoering gegeven aan de motie Bisschop en Van Veldhoven (TK 2013/14, 32 127, nr. 196), waarin is verzocht de mogelijkheden voor het creëren van mantelzorgwoningen in het buitengebied te verruimen, ten opzichte van het in het kader van de voorhangprocedure gepubliceerde ontwerp van dit besluit. Daarnaast worden in de regeling voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigingen doorgevoerd om de regeling beter uitvoerbaar te maken. Deze wijzigingen hebben in het bijzonder betrekking op de mogelijkheid om bijbehorende bouwwerken te kunnen bouwen in achtererfgebied. Relevante definities BorHuisvesting in verband met mantelzorg: huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning. Mantelzorg: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. Hoofdstuk 2 De procedure Inleiding In hoofdstuk 2 van de Verordening staan de procedureregels beschreven. Het gaat om de manier waarop het College omgaat met de melding van een hulpvraag van cliënten en hoe het onderzoek (het gesprek) wordt gedaan en afgerond. De wettelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn afgerond is zes weken. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure. Wel is het College overeenkomstig artikel 3:2 Awb gehouden het onderzoek zorgvuldig te doen. Dat volgt uit de schakelbepaling van artikel 3:1 Awb. Om voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt die een melding heeft gedaan in ieder geval na zes weken altijd een aanvraag indienen (art. 2.3.2 negende lid van de wet). Melding van de hulpvraagEen ieder kan zich bij het College melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een verzoek om maatschappelijke ondersteuning. Dit is van belang omdat een melding van een hulpvraag leidt tot een gesprek, zie artikel 2.3 van de Verordening. Daarom wordt de melding van de hulpvraag gedaan op een daarvoor bestemd formulier, zoals dat sinds 2014 gebruikelijk is om te doen. Voor zover de cliënt niet in staat is een dergelijk formulier in te vullen, kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van cliëntondersteuning (zie hierna). Ingeval van bijzondere situaties kan het College een telefonische melding van een hulpvraag aannemen. Zoals bij wet is voorgeschreven bevestigt het College de ontvangst van de melding van de hulpvraag aan de cliënt. Dat doet het College schriftelijk of per email. Na de melding start het College het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet: er vindt een gesprek plaats (zie verder artikel 2.3 van de Verordening). InformatieAls een burger alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. De melding is in een aantal gevallen dus niet meer dan een signaal van de burger dat hij behoefte meent te hebben aan een vorm van maatschappelijke ondersteuning en niet noodzaakt tot een uitgebreid onderzoek. Het College zal zich na een melding wel een beeld moeten vormen van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Het is daarbij van belang dat het College in dit stadium van contact met de cliënt een zorgvuldige inschatting maakt van diens problematiek en op zoek gaat naar de mogelijke vraag achter de vraag. Persoonlijk plan en cliëntondersteuningNadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het College op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het College kan worden ingediend. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het College gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het College in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. Inhoud persoonlijk planUit het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke manier de cliënt zelf denkt dat zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden vormgegeven. Dit heeft zowel betrekking op de eigen mogelijkheden (op eigen kracht, binnen eigen netwerk) alsmede op het gebruik van algemene en voorliggende voorzieningen én – indien nodig – op maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo. De inhoud van die motivatie moet betrekking hebben op de volgende onderwerpen: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie. Dit zijn de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet en sluiten aan bij de inhoud van het amendement dat heeft geleid tot de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan. In het persoonlijk plan kan – indien nodig - eveneens worden betrokken: de mogelijkheden vanuit voorliggende voorzieningen; Voor zover de eerder genoemde mogelijkheden niet passend zijn daarnaast: de mogelijkheden van een of meer maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo. De motivatie is als het ware vergelijkbaar met het onderzoek dat de gemeente zou verrichten indien de betrokken cliënt niet de wens heeft voor het maken van een persoonlijk plan. Dit betekent dat in het persoonlijk plan de ondersteuningsbehoefte vertaald wordt naar te bereiken resultaten. Het College beoordeelt de inhoud van het persoonlijk plan. Deze inhoud wordt afgezet tegenover de uitkomst van een eigen onderzoek door het College in de (fictieve) situatie waarin de betrokken cliënt geen persoonlijk plan maakt. ClientondersteuningCliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het College moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de hulpvraag wijst het College erop dat gebruik kan worden gemaakt van (gratis) cliëntondersteuning. Verder moet het College er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook een professional in dienst van een welzijnsinstelling zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. SignaleringsfunctieVerder kan het College met aanbieders afspraken maken over het indienen van een melding namens cliënten. Het is logisch dat zij snel kunnen constateren dat de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname aan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het College doet in ieder geval onderzoek en er wordt zonodig een gesprek gepland met de cliënt. De bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is toegekend is overigens ook neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet. Maatschappelijke opvang en beschermd wonenVoor beide maatwerkvoorzieningen treedt de gemeente Binnenmaas op als centrumgemeente. Op aanvragen wordt besloten door het college van Binnenmaas. Dit betekent dat verzoeken van cliënten zullen worden doorverwezen. Het gesprekNa bevestiging van de melding van de hulpvraag wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Op voorhand bepaalt de Verordening niet precies wanneer deze afspraak wordt gemaakt. Afhankelijk van de aard van de melding kan het namelijk zijn dat het College eerst gegevens wil verzamelen voor een goede voorbereiding op het gesprek. Daarvoor kan overigens ook medewerking van de cliënt nodig zijn. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mantelzorger of personen uit diens sociale netwerk. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk zouden kunnen zijn. Daarbij staat het belang van de cliënt voorop. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van een persoon of personen uit het sociale netwerk van een cliënt een meerwaarde hebben. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de zelfredzaamheid van de cliënt wordt versterkt of zal verbeteren. Ook kan het College in samenspraak met de betrokkenen het probleemoplossend vermogen van de cliënt en/of de personen uit diens sociale omgeving bespreken. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg. Artikel 2.3 van de Verordening bepaalt de onderwerpen van het gesprek. Verder verzoekt het College de cliënt om toestemming zijn persoonsgegevens te verwerken. De uitkomsten van het gesprek worden opgenomen in het verslag. Voldoende professionaliteit Uitgangspunt is dat het College zorg draagt voor voldoende professionaliteit bij degene die het gesprek voert en ter afronding daarvan een verslag opstelt. Het behoeft verder geen toelichting dat de mate van beperkingen van cliënten die een melding doen bij het College niet op voorhand vaststaat. Het verslagVan het gesprek wordt een verslag opgesteld. Daarin staan het in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het verslag. Daarbij wordt gekeken naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociale netwerk. Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de aanvraag die mogelijk wordt ingediend. Nadat de cliënt beschikt over het verslag is het in principe zijn verantwoordelijkheid, al dan niet met diens mantelzorger, om zelf te beslissen of een aanvraag wordt ingediend. Ook de cliëntondersteuner kan hierbij een rol spelen. Het College heeft daarbij oog voor de cliënt die als zeer kwetsbaar wordt aangemerkt. De aanvraagVanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er sprake van enige vorm van juridisering. Dit heeft met name tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het College beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Pas na verstrekking van een verslag kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek (het gesprek) niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 negende lid van de wet). Om onnodige administratieve lasten voor zowel de burger als het College te voorkomen kan een verslag voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt. Opschorting beslistermijnArtikel 2.3.5 tweede lid van de wet bepaalt dat het College binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voorkomen dat het College in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit bijvoorbeeld een deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening. Het behoeft geen toelichting dat het College doorgaans niet binnen een termijn van twee weken over een dergelijk advies zal kunnen beschikken. De bevoegdheid de beslistermijn op te schorten vloeit voort uit artikel 4:14 Awb. Medewerking cliëntUit de wet vloeit overigens voort dit ook te doen indien de cliënt niet de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het gesprek (als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Verordening) voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanspraak. Opschorting van de beslistermijn gebeurt in die gevallen onder toepassing van artikel 4:15 Awb. Verouderde informatieHet kan voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het verstrekken van een verslag of plan van aanpak voor de cliënt en het feitelijk indienen van een aanvraag. Het bedoelde verslag of plan kan dan ook verouderde informatie bevatten waardoor het College niet (meer) binnen de wettelijke kaders zoals genoemd in hoofdstuk 4 van de Verordening kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het College de cliënt (opnieuw) uitnodigen voor een gesprek voordat op de aanvraag wordt beslist. Dit is analoog aan artikel 2.3.2 negende lid van de wet. Het gesprek wordt afgesloten met een nieuw of aangepast verslag. DeskundigenadviesVoor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het College advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. Vereist is dat de beperkingen van de cliënt objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). Zie ook hoofdstuk 11 rapportage en advisering van deze beleidsregels. MedewerkingUit artikel 2.3.8 derde lid van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking verleent aan het onderzoek door gehoor geven aan een oproep van de medisch adviseur of het - via een machtiging - toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het College het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het College het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (CRVB:2012:BY0448 en vergelijk CRVB:2014:2287). De hier bedoelde plicht voor de huisgenoten geldt als voor het College aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Naast het oproepen van de cliënt of zijn huisgenoot kan het College ook deskundigen raadplegen op het gebied van bijvoorbeeld een woningaanpassing. Inhoud beschikkingDe cliënt moet op basis van de toekenningsbeschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in artikel 14.7 van de Verordening de onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Hoofdstuk 3 Beoordeling aanspraak Inleiding Verordening: artikel 4.1 Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Binnenmaas komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het College niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Vereiste hoofdverblijfHierin wordt bepaald dat de cliënt die geen hoofdverblijf (woonplaats) heeft in de gemeente geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. De toevoeging ‘daadwerkelijk zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens beperkingen. Zie verder hoofdstuk 8 van de Verordening. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. HekkensluiterHet verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet zoals ook bedoeld in dit hoofdstuk nadrukkelijk de hekkensluiter. Dit neemt overigens niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te dienen nadat het gesprek (het onderzoek) is afgerond. Het College beoordeelt de aanvraag en kan die onder toepassing van bepalingen in de Verordening weigeren maar ook indien het van oordeel is dat de cliënt niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening gelet op het bepaalde in de wet. Eigen krachtEen belangrijk onderdeel is de eigen kracht. Daaronder wordt dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien; zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 niet verplicht. Tijdens het gesprek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken. Ondersteuning vragenCliënten vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen en mensen in het netwerk zijn vaak best bereid iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het College kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt kan worden verlangd dat hij het College met deze personen in contact brengt. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het gesprek. Het College beoordeelt de wettelijke bepalingen. Dit neemt niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te dienen nadat het gesprek is afgerond en het College de cliënt een verslag heeft verstrekt. Het College kan de aanvraag onder toepassing van de bepalingen in de Verordening weigeren maar ook indien het van oordeel is dat de cliënt niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening gelet op het bepaalde in de wet zoals bedoeld in dit hoofdstuk. Algemene uitgangspuntenIn de Verordening zijn een aantal uitgangspunten neergelegd die van belang zijn bij de beoordeling van de aanvraag. Drie daarvan gaan over: Combineren eigen kracht en een ondersteuningsplan; Het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening; De inzet van ontwikkelingsgericht ondersteuning (kortdurend). Verordening: artikel 4.3 Algemene uitgangspuntenDe hoofdregel volgens de Verordening is dat het College de toe te kennen maatschappelijke ondersteuning kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en informele hulp bijvoorbeeld uit de sociale omgeving en verlenen in de vorm van een totaal aan afspraken zoals neergelegd in een ondersteuningsplan. Een dergelijk plan wordt of kan worden opgesteld door de aanbieder in samenspraak met de cliënt. Het betreft een opgesteld plan over de inzet van activiteiten voor het te bereiken resultaat. PrimaatDe hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Dit uitgangspunt heeft ook betrekking op de goedkoopst passende bijdrage. Collectieve maatwerkvoorzieningen kunnen immers goedkoper zijn dan individuele maatwerkvoorzieningen. KortdurendDe maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verleend. De maatschappelijke ondersteuning wordt dan ontwikkelingsgericht ingezet hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken of verbeteren. Verder kan kortdurende maatschappelijke ondersteuning ook aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Daarnaast kan onder kortdurende ondersteuning ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Geheel van maatregelenOnder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 vijfde lid van de wet. Niveau van maatschappelijke ondersteuningDe verplichting van het College om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Het College zal dit in elk individuele geval moeten afwegen. MantelzorgondersteuningDe maatwerkvoorziening beoogt de cliënt zelf adequaat te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Daar hoort bij wat de cliënt moet krijgen op de momenten dat de mantelzorger even niet wil of kan. Respijtzorg is de ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening die aan de cliënt wordt toegewezen voor de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem te ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan kortdurend verblijf. Dit moet worden onderscheiden van: de maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. Specifieke criteria maatwerkvoorzieningVerordening: artikel 4.4 Lid 1 onder a Hierin is bepaald de maatwerkvoorziening de cliënt in staat moet stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Gemeentelijke verantwoordelijkheidDe gemeente is verantwoordelijk voor het ondersteunen van mensen die er niet op eigen kracht of met hulp van hun sociale netwerk in slagen zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. In de Wmo 2015 staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger en zijn sociale netwerk veel nadrukkelijker voorop dan in de Wmo 2007 en is de gemeente alleen aan zet voor zover de burger niet zelf of met de hulp van dat netwerk tot participatie kan komen. De begrippen ‘zelfredzaamheid’ en ‘participatie’ beschrijven wanneer van iemand gezegd kan worden dat hij of zij zelfredzaam is of participeert op een zodanig niveau dat er voor de gemeente in beginsel geen reden bestaat om daarin bij te springen. De omschrijving van ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden. Dagelijks in het gewone levenAlgemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van zelfzorg. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en, indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kan blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Opgemerkt wordt dat de cliënt aanspraak kan hebben op verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het gaat dan om cliënten die niet (meer) in staat zijn de ADL zelf, al dan niet onder begeleiding op grond van de Wmo 2015, uit te voeren. Het gaat om lijf gebonden zorg. Maatschappelijke verkeerBij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Een van de doelstellingen van de Wmo 2015 is om mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen laten wonen. Het College zal dit uitgangspunt mee moeten wegen bij het te nemen besluit op de aanvraag. Het kan voorkomen dat het niet meer mogelijk is om - al dan niet met hulp van anderen en verpleging en verzorging - in de eigen leefomgeving te wonen. In die gevallen kan het College de maatwerkvoorziening weigeren (art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Lid 1 onder b Het College is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals dat in de Wmo 2007 wordt gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Lid 1 onder c Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend, voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht. Er moet in ieder geval altijd sprake zijn van een individuele cliënt die is aangewezen op een maatwerkvoorziening. De cliënt is dan ook belanghebbende in het kader van het besluit. Uit de zinsnede 'in overwegende mate' volgt dat er wel enige ruimte is om rekening te houden met anderen dan de cliënt, denk bijvoorbeeld aan huisgenoten, de mantelzorger of andere personen uit het sociale netwerk die ondersteuning bieden aan de cliënt. Gericht op het individuOmdat een maatwerkvoorziening gericht moet zijn op het individu is het aanvragen van een gemeenschappelijke voorziening uitgesloten. Zo zal ook een aanvraag van een gehandicaptensportvereniging voor een tegemoetkoming in de kosten van vervoer naar de wekelijkse training worden afgewezen. Bij de toekenning van de goedkoopst passende bijdrage in de vorm van een vervoersvoorziening hoeft in beginsel geen rekening te worden gehouden met de gezinsleden zonder beperkingen. Individueel karakterUit artikel 2.3.5 Wmo 2015 valt ook af te leiden dat het verlenen van maatwerkvoorzieningen een individueel karakter heeft en is in principe gericht op het ondersteunen in de zelfredzaamheid en participatie van één persoon. Een vervoersvoorziening wordt individueel verleend. Indien de partner eveneens gebruik wil maken van de vervoersvoorziening zal deze zich zelf moeten melden met een verzoek om maatschappelijke ondersteuning. Het College zal dan een onderzoek instellen (het gesprek). Mocht het College vaststellen dat de partner is aangewezen op een maatwerkvoorziening wordt wel rekening worden gehouden met een gezamenlijke vervoersbehoefte (overlap). Deze overlap kan van belang zijn indien de cliënt en diens partner zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto indien daarvoor een tegemoetkoming in de meerkosten voor het gebruik daarvan wordt aangevraagd. Beperkende criteria aanspraakIn artikel 4.4 lid 2 van de Verordening zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Algemeen gebruikelijkLid 2 onder a In de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het College ook onder de Wmo 2015 niet gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen (vergelijk CRVB:2009:BK5657 en RBSGR:2011:BQ5651). Verwezen wordt naar de begripsbepaling in artikel 1.1 eerste lid van de Verordening. Het College verstrekt geen voorziening als aannemelijk is dat de cliënt daar - gelet op zijn omstandigheden - over zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: normaal in de handel verkrijgbaar is; en niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt. BeoordelingskaderDe eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de voorziening algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de voorziening voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het College beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een voorziening normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Bij de toepassing van deze bepaling moet op het moment van de aanvraag het primaire doel daarvan steeds in ogenschouw worden genomen. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verlenen van de voorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke voorziening door een vergelijkbaar persoon zonder beperkingen. Verder wordt opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke voorziening voor hem/haar kan zijn. Fietsen met hulpmotor zijn -in principe- algemeen gebruikelijk voor personen die ouder zijn dan 16 jaar. Een fiets met hulpmotor is vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265). VervangingHet toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke voorzieningen worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven. Daaruit kan worden afgeleid dat een onverwachtse noodzakelijke aanschaf of vervanging niet als algemeen gebruikelijk voor de cliënt kan worden beschouwd. Privaatrechtelijke verbintenisIn het kader van de beoordeling of een aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is, kan onder omstandigheden betekenis toekomen aan het gegeven dat op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. Het College kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Een onverwachts optredende noodzaakHet zogenaamde calamiteitenprincipe kan een uitzondering vormen op de hoofdregel. Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een voorziening en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke voorziening voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. RenovatieRenovatie heeft betrekking op het verlenen van voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). Voorbeelden zijn keukens, natte cel, et cetera. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning Binnenmaas Wmo 2015 worden de afschrijftermijnen van een aantal voorzieningen genoemd. Het uitgangspunt in ogenschouw genomen dat geen voorzieningen worden verleend die algemeen gebruikelijk zijn voor de persoon als de cliënt, geldt dat, als sprake is van renovatie, (woon)voorzieningen in beginsel worden geweigerd. Dat is op zich ook logisch immers voor personen met en zonder beperkingen geldt dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Voorbeelden van voorzieningen die algemeen gebruikelijk kunnen zijn voor de cliënt: Automatische transmissie Cruisecontrol Elektrisch bedienbare autoramen Fiets met hulpmotor Bakfiets Tandem-met Zonwering/ Airco Standaard beugels Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Verder geldt dat de aanvrager een persoonsgebonden budget niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (art. 5.1 lid 2 onder b Verordening). Voorliggende voorzieningLid 2 onder b De Wmo 2015 kent, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen specifieke bepaling waarin het College in ieder geval geen maatwerkvoorziening hoeft te verlenen. Het College is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen indien een andere wettelijke aanspraak kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). Daarom is in de Verordening een weigeringsgrond opgenomen analoog aan artikel 2 Wmo 2007. Het is aan het College te onderzoeken en zich op het standpunt te stellen dat er een wettelijke aanspraak bestaat (vergelijk CRVB:2011:BT7241 en CRVB:2013:CA1427). Geen hogere kostenLid 2 onder c In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na het optreden van een beperking. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de conclusie dat het optreden van die beperking geen hogere kosten met zich meebrengt. Dergelijke meerkosten hangen dan ook nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. De meerkosten zijn de kosten die in een direct verband staan met het compenseren van de ondervonden beperkingen. Een met de persoon als de cliënt vergelijkbaar persoon zonder beperkingen heeft deze meerkosten doorgaans niet omdat daar in diens situatie geen noodzaak voor is. Een voorbeeldHet hanteren van inkomensgrenzen is ook onder de Wmo 2015 niet toegestaan. Dit betekent echter niet dat het bezit van een auto niet als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Een auto is bijvoorbeeld algemeen gebruikelijk als de cliënt: in bezit is van een auto; en die auto gebruikt; en daarbij geen problemen ondervindt; en de auto nog steeds voorziet in vervoersbehoefte in de leefomgeving van de cliënt. In die gevallen is de auto voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk omdat er geen sprake is van zogenaamde meerkosten. MeerkostenHet begrip meerkosten hangt nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een voorziening die voor een persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk zijn, kunnen soms toch voor verlening in aanmerking komen. Het gaat dan om kosten die personen zonder beperkingen per definitie niet hebben. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die eventueel nodig zijn voor het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Normale afschrijvingstermijn nog niet verstrekenLid 2 onder d Eerder verstrekte voorzieningVoor zover de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder bij of krachtens Verordeningen (WVG of Wmo 2007 of 2015) is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening is nog niet verstreken, wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Technisch niet afgeschrevenBij het verlenen van een maatwerkvoorziening zal doorgaans de looptijd daarvan bij beschikking of in de bijlage worden opgenomen (zie art. 14.7 van de Verordening). Daarmee wordt een indicatie gegeven van de levensduur van een maatwerkvoorziening (gemiddelde afschrijvingsperiode). Dit betekent echter niet dat het College verplicht is om een 'economisch' afgeschreven voorziening in te nemen en een nieuwe te verstrekken. De maatwerkvoorziening kan immers nog steeds ondersteunend zijn in de zelfredzaamheid en participatie voor zover er niets mankeert aan de technische staat of het in goede technische staat brengen van de maatwerkvoorziening de goedkoopst passende bijdrage is. Een verloren gegane voorziening of schade/niet verwijtbaarEen uitzondering kan worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of als de cliënt de gemeente geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan ook worden verstaan dat betrokkene een beroep kan doen op een verzekering, zoals bijvoorbeeld een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de cliënt - indien een ander dan hijzelf de schade heeft veroorzaakt - de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt. Een verloren gegane voorziening of schade/ wel verwijtbaarHet kan voorkomen dat door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig zijn voor bijvoorbeeld een scootmobiel. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid een maatwerkvoorziening verloren gaat. In dat geval schendt de cliënt (gebruiker) de verplichtingen verbonden aan de in bruikleen of in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening. Het spreekt voor zich dat de schade (lees ook kosten reparatie) die rechtstreeks zijn te wijten aan de cliënt (gebruiker) niet op grond van de Wmo 2015 worden vergoed. In beginsel zal de cliënt (gebruiker) deze kosten zelf moeten betalen. Het is van belang dat eerst met de cliënt (gebruiker) een gesprek wordt gevoerd om hem daarvan op de hoogte te stellen. Opgemerkt wordt dat het van belang kan zijn de leverancier van de voorziening een verklaring te vragen of de schade betrekking heeft op onzorgvuldig gebruik. Eigen verantwoordelijkheidLid 2 onder e In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd. Indien de aanvraag voor een maatwerkvoorziening naar het oordeel van het College het gevolg is van niet dan wel onvoldoende nemen van de eigen verantwoordelijkheid, dan wordt de aanvraag geweigerd (vergelijk CRVB:2012:BW6810 en CRVB:2013:776). Aangenomen wordt dat de aangehaalde jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen ook van toepassing is onder de Wmo 2015. Daaronder zijn dan ook in ieder geval situaties begrepen waarin sprake is van de kans op middelen te laten liggen die ingezet zouden kunnen worden voor het realiseren van een maatwerkvoorziening (verkoop woning en letselschade). Lid 2 onder f Zelf of met anderenAls het College van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening afgewezen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is afhankelijk van de individuele situatie. Het gesprek na de melding van de hulpvraagIn het gesprek met de cliënt kunnen allerlei oplossingen worden besproken die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie als bedoeld in artikel 3.1 lid 1 van de Verordening). In de onderstaande tekst staan een aantal voorbeelden wanneer dat de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren. Herinrichting woningVan de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290). Planning en organisatieVan de ouder(
- s)kan onder omstandigheden worden verwacht dat zij de organisatie- en planningsactiviteiten verrichten die nodig zijn om hun kind van het aanvullend openbaar vervoer gebruik te laten maken (vergelijk CRVB:2010:7989). Preventieve maatregelenVan de cliënt kan worden gevergd dat incontinentiemateriaal wordt gebruikt of dat hij/zij het drinkgedrag en toiletbezoek zo reguleert dat op die manier gebruik kan worden gemaakt van het openbaar of collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU9176). Ook kan worden gevergd dat gebruik wordt gemaakt van geschikte kleding die er voor zorgt dat de lichaamstemperatuur op peil blijft (vergelijk CRVB:2011:BR5767). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. RisicosfeerLid 2 onder g Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het College kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). In hoofdstuk 8 van de Verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woonvoorzieningen. Maatwerkvoorziening gerealiseerd (lid 3) De Wmo 2015 strekt er niet toe dat het College gehouden is om een maatwerkvoorziening te verlenen als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding van de hulpvraag of de aanvraag gerealiseerd is. Met het zelf (laten) realiseren hiervan is geen sprake meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie (vergelijk RBOBR:2014:3092). Onbekendheid van een cliënt met de geldende regels komen voor diens eigen rekening en risico en wordt niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Een voorbeeldIemand heeft de badkamer volledig geschikt gemaakt met het oog op de beperkingen in het normale gebruik daarvan en meldt zich daarna met het oog op het indienen van een aanvraag voor de aanpassing. In voorkomende gevallen is er geen sprake meer van het aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening gelet op het ontbreken van beperkingen in het normale gebruik van de badkamer. Maatwerkvoorziening gerealiseerd (lid 4) In tegenstelling tot het bepaalde in het derde lid is hier sprake van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening vóór de ondersteuningsvraag of de aanvraag. Dat betekent dat er nog beperkingen (kunnen) worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Wel is er in deze gevallen sprake van omstandigheden die in principe in de risicosfeer liggen van de cliënt. Door zich namelijk niet eerder te melden met het oog op een aanvraag in te dienen ontneemt de cliënt het College de mogelijkheid te beoordelen of, en zo ja welke aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening die als goedkoopste passende bijdrage kan gelden. Kan het College de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Een voorbeeldIemand heeft de badkamer alvast volledig gestript en dient na procedure van de melding (toch) een aanvraag in voor het toekennen van de aanpassing. Aan de hand van bijvoorbeeld originele bouwtekeningen of foto’s moet voor het College nog te achterhalen zijn hoe de originele staat van de badkamer is geweest. Dit om de noodzaak van de aanpassing vast te kunnen stellen. De bewijslast hiervoor ligt bij de cliënt. HoofdverblijfLid 5 Om aanspraak te kunnen maken op maatwerkvoorzieningen jegens het College moet vast staan dat de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Binnenmaas. Hij dient ook zijn vaste woon- en verblijf- plaats te hebben in een woning die bestemd en geschikt is voor permanente bewoning. Daarnaast dient hij in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven te (zullen) staan. Een inschrijving in de BRP met alleen een briefadres is op zich zelf ook voldoende, als dan wel is komen vast te staan dat het feitelijk woonadres zich ook in de gemeente Binnenmaas bevindt. De Wmo 2015 geeft de gemeente een ondersteuningsplicht voor inwoners van de gemeente. In eerste instantie geeft de BRP hierover uitsluitsel. Is dat niet het geval dan heeft het College van de plaats waar betrokkene daadwerkelijk verblijft de ondersteuningsplicht. Hoofdstuk 4 Gebruikelijk hulp Inleiding Gebruikelijke hulp is in de Wmo 2015 gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Onder een leefeenheid wordt verstaan alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt behoort. Alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid. Dit is beperkt tot personen die een (pension)kamer huren via een huurovereenkomst. Zie de begripsbepalingen van de Verordening. Algemeen uitgangspuntIn Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. MantelzorgGebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg, verleend door personen uit de directe omgeving van de cliënt en rechtstreeks voortvloeiend uit de sociale relatie, wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. De ondersteuning door de mantelzorger vertegenwoordigd daarmee een aanspraak. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en verzorging zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet of ondersteuning aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. In geval het College tot het oordeel komt dat een maatwerkvoorziening is aangewezen kan verlangd worden dat aanspraak wordt gemaakt op verpleging en/of verzorging. Dit gebeurt alleen als daarmee verlenen van een maatwerkvoorziening kan worden voorkomen. Verder kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie tot de Wlz. In die gevallen heeft het College in ieder geval geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan aanspraak bestaan op kortdurend verblijf op grond van de Wlz. Beleidsuitgangspunt mantelzorgEr is sprake van mantelzorg als deze intensief en langdurig wordt verleend. Daaronder wordt in principe meer dan 8 uur per week en langer dan 3 maanden verstaan. Mantelzorgers gaan pas echt problemen ondervinden als het verlenen van ondersteuning intensief gedurende een langere periode gebeurt (vergelijk EK 2005/06, 30 131, C, p. 59). BeleidsregelsHet is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijk hulp om te voorkomen dat in voorkomende gevallen sprake is van toeval of van willekeur. Het College neemt daarbij een aantal uitgangspunten over zoals die golden in AWBZ en voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden blijven de regels gelden zoals onder de Wmo 2007. In de beleidsregels wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen de gebruikelijk hulp bij begeleiding en/of dagbesteding en bij het overnemen van gebruikelijke huishoudelijke werkzaamheden. Begeleiding, dagbesteding en overnemen huishoudelijke werkzaamhedenIn de artikelen 7.2 en 6.2 van de Verordening is bepaald met welke omstandigheden het College in ieder geval rekening moet houden bij de boordeling of van de huisgenoot gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Het gaat om de volgende omstandigheden: De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Daarbij kan onderscheid bestaan tussen gebruikelijke hulp ingeval van begeleiding, dagbesteding en/of het overnemen van huishoudelijke taken door huisgenoten. De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt Het College inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden. De aard De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan aangewezen zijn op hulp bij zelfzorg, de thuisadministratie, het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie of bij problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen (zie hoofdstuk 4 van de Verordening; beoordeling aanspraak). Het College houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Zo kan de cliënt zijn aangewezen op permanent toezicht hetgeen zware eisen kan stellen aan de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. Daarnaast kan de totale omvang van de ondersteuningsbehoefte met zich meebrengen dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel kan daarom als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Is dat niet aan de orde, dan kan het College een maatwerkvoorziening verlenen. Het kan echter ook gaan om een meer incidentele vorm van hulp die wel een structureel karakter heeft. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Indien er sprake is van hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden, is het in principe niet van belang of sprake is van een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Huishoudelijke werkzaamheden Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt ook in principe geen rekening gehouden met een onderscheid tussen een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Dat is in lijn met de regels zoals die golden onder de Wmo 2007. 2.De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het College moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Huishoudelijke werkzaamheden Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt in principe geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid. Dat is de lijn met de regels zoals die golden onder de Wmo 2007. Algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeerHet College houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn: hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. hulp bij of het overnemen van taken die tot een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie. Hulp aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, et cetera. Hulp van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar de bijlage ‘uitgangspunten zorg ouder voor kinderen’ bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij de sociale redzaamheid. Bij elk van de terreinen die in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels staan genoemd, zal het College zich een oordeel moeten vormen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar mag worden verwacht. Kinderen en ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen naar hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
- s)begeleiding bieden. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Bij elk van de terreinen die in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels staan genoemd, zal het College zich een oordeel moeten vormen wat van kinderen ten opzichte van hun ouders mag worden verwacht. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Bij elk van de terreinen die in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels staan genoemd, zal het College zich een oordeel moeten vormen wat van huisgenoten ten opzichte van elkaar mag worden verwacht. Ouders en kinderen De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van de gebruikelijke hulp van de kinderen kan een Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet. Verwezen wordt naar de bijlage ‘uitgangspunten zorg ouder voor kinderen’ bij deze beleidsregels. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het College er in beginsel vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Ondersteuning bieden, zoals begeleiding, ligt minder voor de hand en dat beoordeelt het College in het individuele geval. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het College er vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Als uitgangspunt hanteert het College 2 uur voor uitstelbare taken en 3 uur per week voor niet-uitstelbare taken. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Onder omstandigheden van het individuele geval kan ook andere hulp of ondersteuning van het meerderjarige kind aan de ouder(
- s)onder de gebruikelijke hulp vallen. Verder geleden de volgende uitgangspunten. Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het College kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt. Het spreekt voor zich dat de leerbaarheid van de cliënt hierbij ook een belangrijke rol speelt. Die kan betrekking hebben op het (leren) accepteren van de gebruikelijke hulp. De aard van en de mate van beperkingen spelen hierbij een belangrijke rol. Geen gebruikelijke hulp verlangenVoor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. Boven-gebruikelijke hulpVerder kan het zijn dat de naar algemene maatstaven geldende ‘gebruikelijke hulp’ en/of gebruikelijk hulp (overig) substantieel wordt overschreden. Denk aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van noodzakelijke begeleiding. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. Zie ook bijlage uitgangspunten zorg ouders voor kinderen bij de beleidsregels. Het is echter niet zo dat het College in beleidsregels kan vaststellen hoeveel hulp nu precies algemeen gebruikelijk is. Onder de AWBZ heeft de Centrale Raad van Beroep daar uitspraken over gedaan (CRVB:2013:BZ9358 AWBZ-T en CRVB:2014:134 AWBZ). Aangenomen wordt dat deze van overeenkomstige toepassing zijn voor de Wmo 2015. Dit was overigens voor de VNG aanleiding om de definitieve versie van de modelverordening Wmo 2015 aan te passen. Het College moet de omstandigheden van het individuele geval wegen. In voorkomende gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet. De verhouding tussen de draaglast en de draagkrachtDe vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Verwezen wordt naar de bijlage ‘onderzoek dreigende overbelasting’ van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare hulpSoms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken waarvan op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het College zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Zie verder onder het kopje ‘voorkomen of oplossen overbelasting’ van deze beleidsregels. Dreigende overbelastingBij een beroep op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot moet dat door de cliënt aannemelijk worden gemaakt en dan rust op het College de plicht daar onderzoek naar in te stellen. De betreffende huisgenoot is dan overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld. Voorkomen of oplossen overbelastingWanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze te worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde zorg (verpleging en/of verzorging), kan het College verlangen dat men die overbelasting opheft door deze zorg door (andere) zorgverleners uit te laten voeren. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Zie ook bijlage ‘Onderzoek naar overbelasting van degene die de gebruikelijke hulp dient te verrichten’ bij deze beleidsregels. Hoofdstuk 5Huishoudelijke Ondersteuning 5.1Inleiding Indien een cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van Huishoudelijke Ondersteuning toekennen. De inzet van Huishoudelijke Ondersteuning heeft als doel een bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven. Zelfredzaamheid is in de Wmo 2015 gedefinieerd als: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep valt niet op te maken onder welke van de twee hiervoor genoemde elementen van zelfredzaamheid Huishoudelijke Ondersteuning geschaard moet worden. Wel blijkt uit de uitspraken dat Huishoudelijke Ondersteuning - net als onder de Wmo 2007 - binnen het bereik van de Wmo 2015 valt (CRVB:2016:1402 en 1403). Het stellen van de indicatie (activiteiten en omvang) is mede gebaseerd op het CIZ-protocol. Volgens de Centrale Raad van Beroep wordt dat Protocol in ieder geval aangemerkt als zogeheten objectieve maatstaf. De bijlage Normtijden en activiteiten Huishoudelijke Ondersteuning van deze beleidsregels is dan ook van toepassing op het stellen van de indicatie. Bij het vaststellen van de omvang van de indicatie wordt rekening gehouden met de activiteiten, die door de cliënt zelf, of zijn netwerk, uitgevoerd kunnen worden. De normtijden worden hieraan aangepast. 5.2 Inhoud Huishoudelijke Ondersteuning Huishoudelijke Ondersteuning kan bestaan uit een indicatie voor verschillende activiteiten. ActiviteitenLicht huishoudelijk werk Zwaar huishoudelijk werk Wasverzorging Boodschappen dagelijks leven Maaltijdverzorging Opvang en verzorging kinderen/volwassen huisgenoten Advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden Dagelijkse organisatie van het huishouden (niet zijnde begeleiding) Hulp bij ontregelde huishouding door psychische stoornissen (niet zijnde begeleiding) De genoemde activiteiten worden nader toegelicht in paragraaf 6 van deze beleidsregels (beleidsuitgangspunten specifiek). 5.3Rol van de aanbieder De door het college gecontracteerde aanbieder is gehouden om uitvoering te geven aan de indicatie die in de beschikking is gesteld. De cliënt kan met de aanbieder wel afspraken maken om de geïndiceerde uren per vier weken flexibel in te zetten. Daarnaast kunnen cliënten binnen een kalenderjaar bij de aanbieder tijd opsparen voor het bijvoorbeeld in één keer uitvoeren van incidenteel voorkomende huishoudelijke taken. Een spaarsaldo aan het eind van het kalenderjaar vervalt. De ‘gespaarde’ tijd is niet overdraagbaar aan een andere aanbieder. Er kan geen voorschot genomen worden op nog niet gespaarde uren. 5.4Normale gebruik van de woning Voor wat betreft de huishoudelijke activiteiten in de woning geldt het uitgangspunt dat de activiteiten alleen betrekking hebben op ruimten, die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. In het kader van Huishoudelijke Ondersteuning bepaalt de verordening dat het om ruimten gaat, die te maken hebben met de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken) en verplaatsingen in de woning (verkeersruimten). Ruimten die niet in gebruik (hoeven
- te)zijn, vallen hier dus buiten. Dat wil echter niet zeggen dat in deze ruimte(
- n)helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden. Verder is het zo dat het normale gebruik van de woning tot verhogen kan leiden van de normtijd. Denk bijvoorbeeld aan rolstoelgebruik en het hebben van een zogeheten hulphond op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). 5.5Beleidsuitgangspunten algemeen Bij het verlenen van Huishoudelijke Ondersteuning hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten. Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid Algemeen gebruikelijke voorzieningen Gebruikelijke hulp Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg Gebruik van beschikbare, geschikte en financieel draagbare algemene voorzieningen Collectieve maatwerkvoorzieningen waarvoor het primaat geldt Eigen kracht algemeenOnder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Zo kan het college de normtijd voor huishoudelijke activiteiten met 20 minuten verlagen als blijkt dat de cliënt lichte huishoudelijke activiteiten op borsthoogte zelf kan uitvoeren (CRVB:2017:428). Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Eigen kracht: met inachtneming van leefregelsActiviteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand ondervindt in zo’n geval geen beperkingen die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op Huishoudelijke Ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804). In voorkomende gevallen zal het college de normtijden op maat vaststellen. Eigen kracht: zo efficiënt mogelijkEen andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de Huishoudelijke Ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (
- te)volle vensterbanken die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (
- te)volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Ook mag van de cliënt worden verwacht dat hij, als hij daartoe in staat blijkt, voorbereidingen treft, bijvoorbeeld voor het doen van de was. Eigen verantwoordelijkheid: houden van huisdierenHeeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt, dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van Huishoudelijke Ondersteuning. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Indien de cliënt is aangewezen op een zogeheten hulphond, of een blindengeleidehond die is verstrekt op grond van de Zvw, kan het college de normtijd ophogen. Eigen verantwoordelijkheid: gesaneerde woning Verder is het zo dat bij Huishoudelijke Ondersteuning wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. Algemeen gebruikelijke voorzieningenAls algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de Huishoudelijke Ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde voorzieningen, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Gebruikelijke hulpDe leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de wijze waarop de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Dat valt onder gebruikelijke hulp (zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels). Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorgDe wet bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociale netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar (CRVB:2017:17). Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg. Algemene voorzieningenUit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen, die door de cliënt worden ondervonden. Dat brengt met zich mee dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een was- en strijkservice of beschikbare geschikte vrijwilligers voor het doen van de boodschappen voor het dagelijks leven. Collectieve maatwerkvoorzieningenUit het onderzoek kan ook blijken dat gebruikmaking van een collectieve maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de beperkingen in de zelfredzaamheid van de cliënt. In dat geval geldt in principe het primaat van de collectieve maatwerkvoorzieningen. 5.6Beleidsuitgangspunten specifiek Naast het hanteren van een aantal algemene beleidsuitgangspunten zijn de volgende specifieke beleidsuitgangspunten van toepassing voor wat betreft het indiceren van activiteiten Huishoudelijke Ondersteuning. RegievoeringNaast het ondervinden van aantoonbare beperkingen, kan de indicatie van activiteiten ook afhankelijk zijn van de vraag of de cliënt beschikt over (voldoende) regievoering. Onder regievoering wordt het vermogen verstaan om wekelijks aansturing van en controle uit te kunnen voeren op de aanbieder die belast is met de feitelijke uitvoering van de geïndiceerde huishoudelijke activiteiten. Het college beoordeelt daarbij ook of er een huisgenoot is die in staat wordt geacht om belast te worden met deze regievoering (CRVB:2010:BO7270). Ook kan het zijn dat een persoon uit het sociaal netwerk de regievoering over kan nemen. Het college beoordeelt dat in het individuele geval. 1. Licht huishoudelijk werkDeze activiteiten kunnen betrekking hebben op lichte schoonmaakwerkzaamheden, afwassen en opruimen. Er mag van de cliënt worden verwacht dat hij daar - voor zover mogelijk en in wat redelijk is - zijn medewerking aan verleent. 2. Zwaar huishoudelijk werkDeze activiteiten hebben betrekking op het schoonmaken van de woning. Dit betekent dat cliënten in het algemeen gebruik moeten kunnen maken van schone ruimten, in verband met het in staat zijn tot het normale gebruik van de woning. Het ramen wassen geldt in principe alleen voor de binnenkant. Voor het wassen van de ramen aan de buitenkant geldt dat gebruik gemaakt moet worden van de glazenwasser. Dat wordt in principe als algemeen gebruikelijke voorziening aangemerkt (CRVB:2017:1302). 3. WasverzorgingDe dagelijkse kleding, beddengoed, handdoeken, e.d. moeten met enige regelmaat gewassen worden. Daaronder valt het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien medisch noodzakelijk gestreken. Bij dat laatste wordt opgemerkt dat van de cliënt ook mag worden verwacht dat hij rekening houdt met het kopen van kleding, waarbij strijken niet nodig is. Indien de cliënt is aangewezen op een verhoging van de normtijd voor wasverzorging, mag het college verwachten, dat hij beschikt over extra (twee- of driedubbel) beddengoed of linnengoed. Datzelfde geldt voor extra onder- of bovenkleding. Het college beoordeelt dat in het individuele geval. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning zo efficiënt mogelijk worden gedaan. 4. Boodschappen dagelijks levenHet kunnen beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven valt binnen het bereik van Huishoudelijke Ondersteuning. Denk in dit geval aan levensmiddelen en schoonmaakmiddelen en dergelijke, die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Hieronder kan ook het opstellen van een boodschappenlijst vallen. BoodschappendienstGebruikmaking van een boodschappendienst wordt in principe aangemerkt als algemeen gebruikelijke voorziening. Supermarkten hebben doorgaans een dergelijke service, hetgeen wel uit het onderzoek moet blijken. De cliënt kan zijn boodschappen via de telefoon of de PC bestellen. De aanbieder van Huishoudelijke Ondersteuning kan zonodig ondersteuning bieden bij het opstellen van een boodschappenlijst. Of de boodschappendienst een passende oplossing is wordt bepaald door: de feitelijke beschikbaarheid; of de kosten voor de aanvrager financieel draagbaar zijn; en of de boodschappendienst als adequate compensatie kan worden aangemerkt. Passende oplossingHet feit dat de cliënt, die gebruik kan maken van de boodschappendienst, afhankelijk is van bezorgtijden, brengt niet mee dat de boodschappendienst om die reden niet als passende oplossing kan worden aangemerkt (CRVB:2011:BU5492). Ad. 1Het spreekt voor zich dat het college vast moet stellen dat er een boodschappendienst beschikbaar is. De omstandigheid dat de supermarkt, waar de cliënt normaal gesproken zijn boodschappen doet of zou willen doen geen boodschappendienst heeft, maakt niet dat een boodschappendienst van een andere supermarkt niet als passende oplossing kan gelden. Ad. 2Het beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven is structureel noodzakelijk, dat spreekt voor zich. Dat betekent ook dat het gebruik van de boodschappendienst telkens terugkerende kosten met zich mee kan brengen. Daarover moet het college zich op het standpunt kunnen stellen dat deze kosten door de cliënt financieel gedragen kunnen worden. Daarbij neemt het college ook in aanmerking dat het doorgaans mogelijk is en als gangbaar wordt beschouwd, dat mensen boodschappen geclusterd doen, door bijvoorbeeld eens per week of tweewekelijks een voorraad in huis te halen. Voor zover het gaat om de zware boodschappen kan daar van worden uitgegaan. Ook kan het zijn dat de cliënt zelf nog in staat is, om met bijvoorbeeld een scootmobiel, (dagelijkse) boodschappen te doen. Daarbij kan van de cliënt ook worden verlangd om de hulp van het personeel of een derde in te roepen, als hij onverwacht niet bij een boodschap kan, omdat deze te laag of te hoog in de schappen ligt. Verder mag van de cliënt in voorkomende gevallen ook worden verwacht dat, met een daarop gerichte training, wordt geleerd om met een scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen. Uit de jurisprudentie blijkt het volgende uitgangspunt. Voor een cliënt, met een inkomen ter hoogte van het sociaal minimum, geldt dat een bedrag van € 3,95 per keer, naar geldende maatschappelijke opvattingen, tot het gangbare gebruiks- of bestedingspatroon kan behoren (CRVB:2016:4594). Ad. 3Het is vanzelfsprekend dat het college zich op het standpunt moet kunnen stellen dat de boodschappendienst als passende oplossing kan worden aangemerkt. Zo kan uit het onderzoek blijken dat de cliënt geen gebruik kan maken van de boodschappendienst omdat: hij de boodschappen van de bezorgservice niet kan aanpakken en/of opruimen; de cliënt geen ondersteuning heeft van personen uit het sociale netwerk die dat kan overnemen; of de aanbieder van de Huishoudelijke Ondersteuning dat niet kan doen vanwege planning/aanwezigheid op het moment van bezorgen. OverigHet kan zijn dat de cliënt is aangewezen op een medisch noodzakelijk dieet (aantoonbaar) waardoor kant-en-klaarmaaltijden niet als voorliggende oplossing kunnen gelden. Het kan ook voor komen dat de cliënt dusdanige beperkingen heeft, dat hij de kant-en-klaarmaaltijden van de supermarkt niet kan openen en/of in de magnetron of oven kan zetten. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. 5. MaaltijdverzorgingBij deze activiteit kan het gaan om het klaarzetten, bereiden en zonodig aanreiken van broodmaaltijden en/of warme maaltijden en koffie of thee zetten. BroodmaaltijdEen broodmaaltijd kan één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de jurisprudentie qua frequentie (CRVB:2016:2960, CRVB:2011:BU5492). Warme maaltijdenNaast het bereiden van de warme maaltijd kan ook enkel het opwarmen van een maaltijd aan de orde zijn. Een warme maaltijd kan één keer per dag worden geboden. Dit geldt vanzelfsprekend alleen als er geen andere (voorliggende) oplossingen zijn zoals: de maaltijdservice, mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis of de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt. Of bijvoorbeeld de maaltijdservice een passende oplossing is wordt bepaald door: de feitelijke beschikbaarheid; of de kosten voor de aanvrager financieel draagbaar zijn; en of de maaltijdservice als adequate compensatie kan worden aangemerkt. Voor de inhoudelijke beoordeling wordt aangesloten bij hetzelfde kader als de boodschappendienst (zie hiervoor). Aanreiken maaltijdenHet aanreiken van de maaltijden kan binnen het bereik van de Wmo 2015 vallen. Voor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw (verzorging en verpleging). Ook indien vanwege bijvoorbeeld verslikkingsgevaar toezicht moet worden gehouden tijdens het eten, zal een indicatie voor verzorging en verpleging zijn aangewezen. Deze indicatie wordt in principe door een wijkverpleegkundige gesteld. MaaltijdserviceOpgemerkt wordt dat, bij het oordeel of een maaltijdservice als passende oplossing kan worden aangemerkt, het college ook de 3 drie hierboven genoemde punten beoordeelt. Daarbij geldt dat de cliënt ook te maken kan hebben met algemeen gebruikelijke kosten: de kosten van het eten zelf. Het college kan daarvoor aansluiting zoeken bij de geldende Nibudrichtlijnen. Die kosten worden namelijk feitelijk uitgespaard en vallen daarom niet onder de beoordeling of de maaltijdservice financieel draagbaar is voor de cliënt. KostenIndien het college tot het oordeel komt dat de kosten, van bijvoorbeeld de maaltijdservice of een boodschappendienst, financieel niet draagbaar zijn voor de cliënt, kan het college voor (een deel) van de kosten een vergoeding verstrekken. Op deze wijze worden de kosten voor de cliënt financieel draagbaar gemaakt, zonder dat een maatwerkvoorziening voor de betreffende activiteit ingezet hoeft te worden. 6. Opvang en verzorging van kinderen/volwassen huisgenotenHet gaat hier om de activiteiten die betrekking hebben op de verzorging van kinderen waarbij de ouder (tijdelijk) niet in staat is om de ouderrol op zich te nemen én het om eenvoudige activiteiten gaat van huishoudelijke aard. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Bij uitval van een van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg (hulp) voor de kinderen over (zie hoofdstuk 4 van deze beleidsregels). Structurele opvang valt in principe niet onder Huishoudelijke Ondersteuning. Het is in het algemeen een eigen verantwoordelijkheid van de ouder(
- s)om daar voor te zorgen. Gebruikmaking van kinderopvang gaat dan ook in principe voor op het verlenen van een indicatie. Denk bijvoorbeeld aan gebruikmaking van kinderopvang en/of crèche wat in principe gangbaar is tot en met 5 dagen per week. Dat is te vergelijken met mensen die werken. Er is slechts voor een korte periode inzet van hulp op grond van de Wmo 2015 voor opvang van kinderen mogelijk. Dit om de ouder(
- s)in de gelegenheid te stellen een eigen oplossing te vinden. Deze activiteit kan ook betrekking hebben op volwassen huisgenoten, maar dat zal in de praktijk niet vaak voorkomen. Afbakening JeugdwetHet kan in voorkomende gevallen ook gaan om het bieden van ondersteuning bij de opvoeding van kinderen. Vallen de geïndiceerde activiteiten onder het begrip jeugdhulp, dan kan er in principe geen sprake zijn van Huishoudelijke Ondersteuning. Immers het bieden van opvoedondersteuning aan ouders valt onder de reikwijdte van de Jeugdwet. 7. Advies, instructie, en voorlichting gericht op het huishoudenHet kan hierbij gaan om instructie over: het omgaan met middelen om huishoudelijke taken uit voeren zoals een stofzuiger, uitvoeren licht huishoudelijk werk, het doen van de was, boodschappen doen of maaltijden bereiden (ook koken). Denk daarbij ook aan situaties waarbij door huisgenoten nog geen gebruikelijke hulp kan worden geboden, maar het bieden daarvan hen wel kan worden aangeleerd. Afbakening begeleiding Wmo 2015De afbakening met begeleiding op grond van de Wmo 2015 is gelegen in het tijdelijke karakter van beperkingen van de cliënt, waardoor hij is aangewezen op Huishoudelijke Ondersteuning en/of de vraag of er sprake is van het in overwegende mate overnemen van huishoudelijke activiteiten. Er kan in voorkomende gevallen bij Huishoudelijke Ondersteuning sprake zijn van het bieden van lichte aansturing aan de cliënt. Deze aansturing kan er ook op gericht zijn dat de cliënt bepaalde activiteiten (deels) weer zelf kan doen. In de praktijk kan het zijn dat het college na afloop van de indicatie Huishoudelijke Ondersteuning een (nieuwe) indicatie om Huishoudelijke Ondersteuning afgeeft, of dat het college een indicatie afgeeft voor (individuele) begeleiding. 8. Dagelijkse organisatie van het huishoudenDe cliënt kan aangewezen zijn op Huishoudelijke Ondersteuning, die mede kan bestaan uit lichte vormen van aansturing. Deze ondersteuning is aan de orde bij cliënten met problemen op het gebied van regievoering. Er is in dat geval geen sprake van begeleiding op grond van de Wmo 2015. 9. Hulp bij een ontregelde huishouding i.v.m. psychische stoornissenDe cliënt kan aangewezen zijn op Huishoudelijke Ondersteuning die mede kan bestaan uit ondersteuning bij een ontregeld huishouden. Daaronder wordt een huishouden verstaan waarin het uitvoeren van de noodzakelijke (dagelijkse) activiteiten niet op orde is. Bij een ontregelde huishouding kan de afbakening met de Jeugdwet en/of begeleiding op grond van de Wmo 2015 van belang zijn. Voor zover een indicatie nog niet is vast te stellen, kan een tijdelijke indicatie Huishoudelijke Ondersteuning aan de orde zijn (zie hierna). Psychosociale begeleiding, tevens observerenHet kan voor komen dat een cliënt vanwege een psychische stoornis tijdelijk niet in staat is tot het (deels) zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten. De in te zetten Huishoudelijke Ondersteuning is er dan op gericht om te zorgen dat de cliënt dat wel weer (deels) zelf kan doen. Onder tijdelijk wordt in principe een periode van zes weken verstaan. Deze periode kan ook nodig zijn om te kunnen beoordelen of de cliënt is aangewezen op begeleiding of dat er sprake is van jeugdhulp. Hoofdstuk 6 Begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf Inleiding Artikel 7.1 van de Verordening bepaalt het College aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke ondersteuning een maatwerkvoorziening kan verlenen in de vorm van: ondersteuning bij het in staat stellen tot algemeen dagelijkse levensverrichtingen, een gestructureerd huishouden voeren of het bieden van dagbesteding waaronder zonodig het noodzakelijke vervoer; kortdurend verblijf in een instelling. Verordening: artikel 7.2 Gebruikelijke hulpVoor begeleiding en/of dagbesteding geldt dat de cliënt daarvoor niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het College gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Zie daarvoor hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. Algemeen uitgangspuntArtikel 7.1 van de Verordening bepaalt dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening. De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het College is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.4 lid 1 onder b van de Verordening). Verder kan het natuurlijk ook zo zijn dat een collectieve maatwerkvoorziening eenvoudigweg een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Doelgroep cliëntenHet spreekt voor zich dat de doelgroep die in aanmerking kan komen voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in dit hoofdstuk zeer divers kan zijn. Ook kan de maatschappelijke ondersteuning gericht zijn op het ontlasten van de mantelzorger, zoals kortdurend verblijf. Er kan dan ook geen limitatieve opsomming worden gegeven van de doelgroep. In het algemeen gaat het om cliënten die beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en participatie. Zie hoofdstuk 3 van de beleidsregels onder het kopje ‘specifieke criteria’ voor een korte uitleg wat daar onder wordt verstaan. Voorbeelden doelgroepOuderen met somatische of psychogeriatrische problematiek Ouderen die door dementie of cognitieve achteruitgang beperkt zijn in hun zelfredzaamheid Volwassenen met psychiatrische problematiek Volwassenen met een verstandelijke beperking Volwassenen met een auditieve en/of visuele beperking Volwassenen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte Mate van de beperkingenIn het algemeen geldt dat het College door de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, het verslag en eventueel het persoonlijk plan, zal moeten beoordelen op welke maatwerkvoorziening de cliënt is aangewezen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën. Lichte beperkingen: stimuleren van het zelf uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels) toezicht worden verstaan geboden door een professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht). De cliënt met lichte beperkingen is in het algemeen in staat om zelf om ondersteuning te vragen. De ondersteuning kan gericht zijn op het oefenen met vaardigheden of handelingen. Daaronder kan ook het gebruik van bijvoorbeeld hulpmiddelen worden verstaan. Matige beperkingen: helpen bij het (zelf) uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels) toezicht worden verstaan. Het is noodzakelijk dat een professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht) al dan niet met regelmaat ondersteuning biedt ter voorkoming van een achteruitgang (verslechteren) van de zelfredzaamheid. De cliënt met matige beperkingen is niet (altijd) in staat om zelf om ondersteuning te vragen. Zware beperkingen: het (deels en/of tijdelijk) overnemen van taken en/of continu bieden van ondersteuning en/of toezicht is nodig. Dit omdat de cliënt bijvoorbeeld geen of onvoldoende regievermogen heeft. Het is noodzakelijk dat een professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht) ondersteuning biedt. Denk ook aan sturing op problematisch gedrag om dat in goede banen te leiden of een cliënt met oriëntatiestoornissen. Er kan sprake zijn van risico’s voor veiligheid van de cliënt of zijn omgeving. De cliënt met zware beperkingen is meestal niet in staat om zelf om ondersteuning te vragen. Omvang van de ondersteuningDe omvang van de individuele begeleiding wordt vastgesteld in (halve) uren. De omvang van de begeleiding in groepsverband (dagbesteding) wordt vastgesteld in dagdelen. De omvang van kortdurend verblijf wordt vastgesteld in dagdelen of etmalen. MantelzorgondersteuningOpgemerkt wordt dat de maatschappelijke ondersteuning ook kan bestaan uit mantelzorgondersteuning of het ontlasten van de mantelzorger door respijtzorg middels kortdurend verblijf. Het College kan bijvoorbeeld ook maatschappelijke ondersteuning (op naam van de cliënt) bieden aan de mantelzorger die er op is gericht te leren omgaan met de beperkingen van de cliënt. Zie verder ook bijlage ‘Checklist voor het betrekken van de mantelzorger bij het gesprek en de beoordeling van de aanspraak’ van deze beleidsregels. Verschillende terreinen/activiteitenDe cliënt kan op één of meerdere terreinen/activiteiten beperkingen in zelfredzaamheid en participatie ondervinden. Voor elk van deze terreinen/activiteiten worden aspecten onderscheiden waar de mate van zelfredzaamheid en mogelijkheden tot participatie betrekking op hebben. Voorbeelden die in de Verordening worden genoemd zijn: sociale redzaamheid; gedrag; psychisch functioneren; geheugen of oriëntatiestoornissen; de organisatie van het huishouden of ondersteuning bij een ontregeld huishouden; zelfzorg; participatie (dagbesteding). Daaronder kunnen ook beperkingen in het bewegen en verplaatsen worden verstaan. Sociale redzaamheidBij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten: begrijpen wat anderen zeggen een gesprek voeren zich begrijpelijk maken initiëren en uitvoeren eenvoudige taken kunnen lezen, schrijven en rekenen communicatiehulpmiddel gebruiken dagelijkse bezigheden problemen oplossen en besluiten nemen dagelijkse routine regelen zelf geld beheren initiëren en uitvoeren complexere taken zelf administratieve zaken bijhouden Voorbeeld. Afhankelijk van de mate van sociale redzaamheid kan een cliënt (ook) beperkingen ondervinden in zijn zelfredzaamheid op het gebied van zelfzorg, organisatie van het huishouden of participatie in de zin van dagbesteding. GedragsproblemenBij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten: destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk) dwangmatig gedrag lichamelijk agressief gedrag manipulatief gedrag verbaal agressief gedrag zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag grensoverschrijdend seksueel gedrag Voorbeeld. Een cliënt met gedragsproblemen kan beperkingen ondervinden in zijn zelfredzaamheid op het gebied van zelfzorg, organisatie van het huishouden of participatie in de zin van dagbesteding. Psychisch functionerenBij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten: concentratie geheugen en denken perceptie van omgeving Voorbeeld. Een cliënt met problemen op het gebied van psychisch functioneren kan beperkingen ondervinden in zijn zelfredzaamheid op het gebied van zelfzorg, organisatie van het huishouden of participatie in de zin van dagbesteding. OriëntatiestoornissenBij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: oriëntatie in persoon oriëntatie in ruimte oriëntatie in tijd oriëntatie naar plaats Voorbeeld. Een cliënt met oriëntatiestoornissen kan beperkingen ondervinden in zijn zelfredzaamheid op het gebied van zelfzorg, organisatie van het huishouden of participatie in de zin van dagbesteding. Bewegen en verplaatsenBij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: lichaamspositie handhaven grove hand- en armbewegingen maken fijne handbewegingen maken lichtere voorwerpen tillen gecoördineerd bewegingen maken met benen en voeten lichaamspositie veranderen trap op en af gaan zonder hulp(middelen) zich verplaatsen met hulp(middelen) voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen) gebruik maken van openbaar vervoer eigen vervoermiddel gebruiken voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen) korte afstanden lopen zwaardere voorwerpen tillen BeoordelingskaderHet College neemt bij de beoordeling van de aanspraak het verslag en indien aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in dit hoofdstuk? Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, verbeteren of te behouden? Welke mogelijkheden heeft de cliënt om de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken of te verbeteren? Welke mogelijkheden heeft de cliënt om de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie te behouden? Als bovenstaande bedoelde mogelijkheden niet leiden tot een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie, dan komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de orde. Dat moet blijken uit het verslag en indien aanwezig het persoonlijk plan van de cliënt. Welke weigeringsgronden of beperkende voorwaarden zijn van toepassing volgens de Verordening? Welke mogelijkheden kan het College bieden om de gewenste resultaten (passende bijdrage) te bereiken via een kortdurende maatwerkvoorziening, een collectieve- of individuele maatwerkvoorziening? Resultaten begeleiding en/of dagbesteding De cliënt kan in aanmerking komen voor begeleiding en/of dagbesteding indien dat bijdraagt aan het behouden of mogelijk verbeteren van diens zelfredzaamheid en participatie. Begeleiding wordt slechts verleend indien de te bereiken resultaten zijn gericht op: het zo lang mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; en/of het in aanvaardbare mate kunnen meedoen in de maatschappij. Dagbesteding wordt slechts verleend indien de te bereiken resultaten zijn gericht op: het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; en/of het in aanvaardbare mate kunnen meedoen in de maatschappij. Toegang Wet langdurige zorgDeze uitgangspunten vormen de schakel met de toegang tot de Wet langdurige zorg (zie ook de inleiding van deze beleidsregels). Onder de leefomgeving van de cliënt hoeft niet zonder meer ‘het zelfstandig wonen in de eigen woning’ te worden verstaan. Het College houdt bij de beoordeling van de aanspraak rekening met de omstandigheid dat de cliënt zelfstandig woont of wil blijven wonen. Het spreekt voor zich dat een cliënt die zelfstandig woont een andere ondersteuningsbehoefte heeft of kan hebben dan een cliënt die niet zelfstandig woont. In het laatstgenoemde geval zal er doorgaans ook sprake zijn van (enige vorm van) gebruikelijke hulp. Zie daarvoor hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. Resultaten begeleiding en/of dagbestedingHet College kan ondersteuning bieden op een aantal terreinen\activiteiten (art. 7.2 lid 6 van de Verordening). Daarmee is strikt genomen geen limitatief stelsel beoogt. Er kunnen dan ook meer voorbeelden denkbaar zijn. De resultaten van de in de Verordening genoemde ondersteuning kunnen per terrein verschillend zijn. Een aantal voorbeelden worden genoemd. Resultaten sociale redzaamheid: sociaal netwerkCliënt heeft een gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol Cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk Client kan eigen problematiek in relatie tot sociale netwerk hanteren Bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk Resultaten sociale redzaamheid: thuisadministratieOverzicht van de administratie / administratie op orde Tijdige betaling van rekeningen Inkomsten en uitgaven in balans Indien aanwezig beheersbaar maken van de schulden problematiek (en indien mogelijk in relatie tot de inkomsten: vermindering van de schuldenlast) Resultaten sociale redzaamheid: zelfzorgCliënt is in staat zich zelf te verzorgen Cliënt draagt schone kleding Cliënt ziet er in het algemeen verzorgd uit Cliënt komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na Resultaten participatie: dagelijkse activiteiten en mobiliteitCliënt heeft een zinvolle dagbesteding Mantelzorg is ontlast Cliënt is zelf in staat - al dan niet met hulpmiddelen - zich te verplaatsen. Voor het verlenen van een vervoersvoorziening wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van deze beleidsregels. Arbeidsmatige dagbestedingMaatschappelijke ondersteuning in de vorm van arbeidsmatige dagbesteding is een bijzondere maatwerkvoorziening. Dagbesteding gaat, zoals het woord al aangeeft, over de besteding van de dag. Die kan bijvoorbeeld worden geboden door de algemene voorziening dagactiviteiten. Deze bijzondere vorm van dagbesteding kan echter als maatwerkvoorziening worden geboden aan cliënten die vanwege beperkingen (nog) niet in staat zijn om regulier te werken of zelfstandig (zonder begeleiding) vrijwilligerswerk te verrichten. De cliënt is wel, onder begeleiding, in staat tot het verrichten van enige productieve of maatschappelijk nuttige activiteiten. Om te kunnen vaststellen of de cliënt in aanmerking kan komen voor arbeidsmatige dagbesteding beoordeelt het College of de cliënt beschikt over arbeidsvermogen in de zin van de Participatiewet. Het sluitstuk van de arbeidsinschakeling in die wet, voor personen met (enig) arbeidsvermogen, is het bieden van beschut werk. Dit betekent ook dat de persoon die een indicatie heeft voor beschut werk geen arbeidsmatige dagbesteding krijgt toegewezen. Verder geldt natuurlijk dat de cliënt, gelet op de mate van zelfredzaamheid, moet zijn aangewezen op arbeidsmatige dagbesteding. Personen met een zintuiglijke beperkingBij de ondersteuning aan mensen met een zintuiglijke beperking, waaronder de doventolk in de leefsituatie, gaat het om specifieke ondersteuning. Het gaat om ondersteuning waarvoor geldt dat er een gering aantal cliënten gebruik van maakt, er een beperkt aantal aanbieders voor is en de inhoud van het aanbod zeer specialistisch is. Daarom heeft de VNG in afstemming met het ministerie van VWS landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking tot stand gebracht. Het resultaat van de landelijk inkoopafspraken kent de vorm van een ‘raamovereenkomst’ tussen gemeenten en aanbieders van specialistische begeleiding, voor mensen met een zintuiglijke beperking. De raamovereenkomst gaat over de inhoud van de ondersteuning en de afgesproken werkwijze tussen de gemeenten en aanbieders. Binnen de kaders van deze raamovereenkomst kunnen individuele regionale samenwerkingsverbanden of individuele gemeenten de ondersteuning ‘afroepen’ overeenkomstig de in de overeenkomst gestelde voorwaarden. De VNG zal voor dit doel een landelijk ‘coördinatiebureau’ opzetten. Landelijke inkoopafspraken specialistische begeleidingIn augustus 2014 is de landelijke overeenkomst vastgesteld over het bieden van specialistische begeleiding aan cliënten met een zintuigelijke handicap. Dit betekent dat het College moet beoordelen of de beperkingen van de betreffende cliënt onder deze landelijke afspraken valt. En zo ja, dan heeft het College geen ‘aparte’ ondersteuningsplicht. Wel geeft het College een beschikking af. Voor de doelgroep is een (landelijk) programma van eisen vastgesteld. Het gaat om: Specialistische begeleiding doofblinde volwassen Specialistische begeleiding visueel volwassenen Specialistische begeleiding vroegdove volwassen DoventolkOpgemerkt wordt wel dat het College gehouden kan zijn om een maatwerkvoorziening te verlenen aan de cliënt voor zover deze niet zijn opgenomen in de landelijke inkoop én de cliënt vanwege de mate van zelfredzaamheid is aangewezen op deze specialistische vorm van maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een doventolk bij het voeren van een gesprek in de normale leefsituatie zoals een bezoek aan huisarts of specialist, een notaris, de kerk, een conferentie of een ouderavond op school. Kortdurend verblijfKortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, is onderdeel van de wettelijke definitie van een maatwerkvoorziening (art. 1.1.1 eerste lid van de wet). Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast geldt nog een ander specifiek criterium om in aanmerking te komen voor deze maatwerkvoorziening. De cliënt is in voorkomende gevallen door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning welke gepaard gaat met permanent toezicht. Doel en intensiteit kortdurend verblijfPermanent toezicht kan verschillende doelen hebben en verschillen in intensiteit. Afhankelijk daarvan kan de toezichtfunctie op verschillende manieren vorm krijgen. Het toezicht kan gericht zijn op: het bieden van ondersteuning of fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte of aandoening; het verlenen van ondersteuning of fysieke zorg op ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de cliënt zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; het ingrijpen bij gedragsproblemen: therapeutisch: gericht op verbetering van de gedragsstoornis of aanleren van ander gedrag; of preventief: voorkomen van escalatie en gevaar. Een of meerdere etmalen per weekIn dat geval kan kortdurend verblijf voor een of meer etmalen per week met een maximum van drie etmalen worden geboden, waarbij geldt dat het College kan afwijken van de gestelde norm. Dat kan minder maar ook meer zijn. Het College kan in voorkomende gevallen de maatwerkvoorziening ook weigeren. Er moet sprake zijn van een situatie waarin het niet meer verantwoord is dat de cliënt in zijn eigen leefomgeving blijft wonen en daarom aanspraak kan maken op toegang tot de Wlz. Is de cliënt daarentegen niet aangewezen op permanent toezicht, dan zou bijvoorbeeld dagbesteding uitkomst kunnen bieden om de mantelzorger te ontlasten. Het kortdurend verblijf kan worden geboden in een instelling of in een accommodatie van een door het College goedgekeurde aanbieder. Ook kan kortdurend verblijf in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt toegekend. Onder deze maatwerkvoorziening is ook, zonodig, het vervoer naar de locatie begrepen waar het kortdurend verblijf wordt geboden. Het is niet aannemelijk dat de cliënt die is aangewezen op kortdurend verblijf zelf in staat is de accommodatie te bereiken. Dit vervoer wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen (en te halen) en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn. RespijtzorgHet is niet vereist dat het kortdurend verblijf voor slechts wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval kunnen periodieke aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik worden toegekend. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt het College wel rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op kort verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet en of een indicatie op grond van Wlz voor de hand ligt. Hoofdstuk 7 Ondersteuning gericht op het wonen Inleiding In de artikelen 8.1, 8.2 en 8.4 eerste lid van de Verordening staan de vormen van maatschappelijke ondersteuning genoemd die het College kan verlenen, wat de reikwijdte daarvan is en wat de te bereiken resultaten zijn die daarbij gelden. Het College kan ondersteuning bieden in de vorm van woonvoorzieningen (zie begripsbepaling in de Verordening). Voor wat betreft de reikwijdte kunnen beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde zijn. Het te bereiken resultaat bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (zie hierna). Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruik