← Nederland

Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Winterswijk (Winterswijk)

Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Winterswijk2008, nr. XII-

  1. De raad van de gemeente Winterswijk; overwegende dat: de raad het verstrekken van langdurigheidstoeslag aan personen van 21 tot 65 jaar bij verordening moet regelen; gelezen het voorstel van van 8 december 2008, nr. XII-5; b e s l u i t : vast te stellen de Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Winterswijk Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: College: het college van burgemeester en wethouders Wet: de Wet werk en bijstand Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de langdurigheidstoeslag ontstaat. Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen gezien. WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten WSF 2000: Wet Studiefinanciering Bijstandsnorm: de norm bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de wet Uitvoering Artikel 2 De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders. Langdurig, laag inkomen Artikel 3 1.Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet komt in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende die gedurende een onafgebroken periode van 36 maanden aangewezen is geweest op een inkomen dat niet uitkomt boven 100 procent van de voor hem geldende bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet. 2.Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF
  2. Indien één van de gezinsleden op de peildatum is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de wet, waardoor slechts één van de gezinsleden recht op langdurigheidstoeslag heeft, komt dit gezinslid in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Hoogte van de toeslag Artikel 4 De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar: voor gehuwden € 490,-; voor alleenstaande ouders € 440,-; voor alleenstaanden € 345,-. Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend. De genoemde bedragen gelden per 1 januari 2008 en indexering door het college vindt plaats per 1 januari van de volgende jaren. Onvoorziene gevallen Artikel 5 In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college. Artikel5aRegelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012 - Wijziging betekenis begrippen -
  3. Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. 2.Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet. Inwerkingtreding en citeertitel Artikel 6 1.Deze verordening kan aangehaald worden als ‘Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Winterswijk’. 2.Deze verordening treedt in werking met ingang van 01-01-2009; 3.De beleidsregels langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand die zijn vastgesteld op 27 februari 2007 zijn met ingang van 01 januari 2009 ingetrokken. Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk inzijn openbare vergadering gehouden op 18 december 2008,de voorzitter, de griffier,Toelichting AlgemeenDecentralisatie langdurigheidstoeslagOp 1 januari 2009 moet een wetsvoorstel inwerking treden, waarmee de langdurigheidstoeslag wordt gedecentraliseerd naar gemeenten. De huidige langdurigheidstoeslag vindt zijn grondslag in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarin is nauw omschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden mensen met een laag inkomen in aanmerking komen voor de toeslag. De gedachte achter de toeslag is, dat mensen die langdurig een inkomen op het sociaal minimum hebben, geen financiële ruimte hebben om te reserveren voor onverwachte uitgaven. In het Bestuursakkoord Rijk - gemeenten uit 2007 (“Samen aan de slag”) is afgesproken dat de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd wordt naar gemeenten. Artikel 36 van de wet blijft de basis, maar daarnaast wordt in artikel 8 een bepaling toegevoegd waarin wordt bepaald dat gemeenten in een verordening de precieze voorwaarden voor de langdurigheidstoeslag moeten vastleggen. Om gemeenten te ondersteunen bij de invoering van de nieuwe langdurigheidstoeslag, heeft de VNG een modelverordening ontwikkeld. Op het moment van schrijven van deze toelichting is het wetsontwerp in behandeling bij de Tweede Kamer. Bij dit model is uitgegaan van dit wetsontwerp. Het amendement Spies (31441 nr. 12) is in deze verordening verwerkt. Dit betekent dat gemeenten geen toets hoeven te doen op het aanwezig zijn van arbeidsmarktperspectief. Bevoegdheid gemeentenIn het nieuwe artikel 36, eerste lid van de WWB is de basis voor de langdurigheidstoeslag opgenomen: “Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen heeft en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34.”In het nieuwe artikel 8 wordt bepaald dat de verordening in ieder geval betrekking moet hebben op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen. Mogelijkheden voor eigen beleidOp grond van de nieuwe bevoegdheden van gemeenten, zijn er diverse mogelijkheden voor het invullen van eigen beleid. DoelgroepDe nieuwe langdurigheidstoeslag geeft gemeenten nadrukkelijk de mogelijkheid deze ook van toepassing te laten zijn op werkenden met een laag inkomen. Voor de duidelijkheid wordt hier gesteld dat gemeenten zelf de keuze kunnen maken of werkenden onder de langdurigheidstoeslag komen te vallen. In deze verordening behoren werkenden ook tot de doelgroep. Hoogte van de toeslagOp dit moment is de hoogte van de toeslag centraal bepaald. Het zijn vaste bedragen, als percentage van de voor de persoon toepasselijke bijstandsnorm. Gemeenten kunnen nu zelf de hoogte van de toeslag bepalen. Daarbij moet een aantal zaken bedacht worden. Een te laag bedrag doet geen recht aan het karakter van de langdurigheidstoeslag, namelijk dat deze is bedoeld voor mensen die financieel geen mogelijkheden hebben gehad te reserveren voor onverwachte uitgaven. Een te hoog bedrag kan leiden tot het optreden van de armoedeval. Immers, wordt op enig moment een hoger inkomen bereikt, dan vervalt direct de hele toeslag. LangdurigDe huidige referteperiode in de WWB is vijf jaar. Door gemeenten is de afgelopen jaren aangegeven dat deze periode te lang is. In deze verordening is gekozen voor een termijn van 3 jaar. Een periode waarna zowel wij in onze beleidsregels als het Nibud aangeven dat de reserveringsmogelijkheden nihil worden. Laag inkomenGemeenten zijn vrij om een eigen maximale inkomensgrens te hanteren. Geen ambtshalve verstrekkingIn de wet wordt bepaald dat het college de toeslag op aanvraag verstrekt. Dit sluit de mogelijkheid voor ambtshalve toekenning uit. Het kabinet geeft hierbij aan dat het gaat om een vorm van bijzondere bijstand, waarbij geldt dat voor elk individueel geval beoordeeld moet worden of er een recht bestaat. Er zijn echter wel mogelijkheden om de aanvraag te vereenvoudigen. Als uit de gemeentelijke administratie blijkt dat in de situatie van betrokkene het afgelopen jaar geen wijzigingen zijn opgetreden, dan kan een volledig ingevuld aanvraag formulier toegezonden worden, waarna de betrokkene door het zetten van de handtekening de aanvraag officieel maakt. Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1Begrippen die in de WWB voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in de WWB. Ten aanzien van een aantal begrippen, dat als zodanig niet in de WWB zelf staat is een definitie gegeven in deze verordening. Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de WWB afwijkende definitie opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht heeft gegeven om in de verordening regels te geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag inkomen’, is de gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36 lid 1 WWB nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde) invulling van het begrip inkomen in artikel 36 lid 1 WWB (tekst tot 1-1-2009), doch wordt de wettechnische imperfectie weggenomen. Voor werkenden zal gekeken moeten worden naar het inkomen, afgezet tegen de persoonlijke situatie (alleenstaand, alleenstaande ouder, gehuwden). Artikel 3De keuze voor de referteperiode is hierboven al omschreven onder de mogelijkheden voor eigen beleid en het begrip “langdurig”. Ook de inkomensgrens om de toeslag toe te kennen mogen we zelf bepalen. De verplichte langdurigheidstoeslag ging uit van een inkomen tot 100% van de bijstandsnorm. In deze verordening wordt dit percentage gehandhaafd. De vergoeding die de gemeente ontvangt voor de langdurigheidstoeslag is gebaseerd op het percentage van
  4. Gelet op de uitgaven voor de toeslag in de afgelopen jaren ( € 45.000,- over 2007) moeten we voorzichtig zijn met het verhogen van de inkomensgrens. Ten eerste omdat dit ongewenste armoedeval - effecten in zich heeft. Ten tweede omdat het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met een inkomen van bijvoorbeeld 110% van de bijstand niet valt te rijmen met de wettelijke uitsluiting van belanghebbenden van 65 jaar of ouder. Zij zijn immers uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al voldoende hoger is dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar. Het verschil is echter maar ongeveer 5 tot 9 % (precieze percentage is afhankelijk van de vraag of iemand een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde is). Het hanteren van een grens van 110% zou daarom maken dat de uitsluiting van 65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op leeftijdsdiscriminatie. De feitelijke ruimte is dus beperkt tot een grens van maximaal ongeveer 105 % van de bijstandsnorm. Artikel 4In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. De hoogte van de toeslag bedroeg in de oude regeling 3,2% van de bijstandsnorm. Wij kiezen ervoor om een vast bedrag in de verordening op te nemen. Op die wijze bereiken we dat de rechthebbenden direct hun recht uit de verordening kunnen aflezen en de berekening benaderd de vaststelling van de toeslag uit de vorige regeling. Te weten 3,2 % van de bijstandsnorm met een afronding op een vijfvoud van hele euro’s naar boven. Artikel 6Bij de inwerkingtreding is aangesloten bij de beoogde inwerkingtreding van het wetsontwerp, 1 januari
  5. In het wetsontwerp is een bepaling over overgangsrecht opgenomen, zodat dit niet in de verordening geregeld hoeft te worden. Aanvullende toelichting (januari 2012) De verordening is gewijzigd bij het ‘Raadsbesluit tijdelijke regels Aanscherping Wet werk en bijstand’ van 26 januari 2012, nr. I-
  6. Dit besluit bevat een algemene en artikelsgewijze toelichting. Raadsbesluit tijdelijke regels aanscherping WWB, incl. toelichting

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.