Nota en Beleidsregels Handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gemeente Giessenlanden 2015 Burgemeester en wethouders van Giessenlanden, Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht; Gelet op de artikelen 1.61, eerste lid, 1.65, eerste lid, 1.66 en 1.72, eerste lid Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; Gelet op de artikelen 2.19, eerste lid, 2.23, eerste lid, 2.24 en 2.28, eerste lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, besluiten: de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gemeente Giessenlanden 2015 vast te stellen. Inleiding De gemeente Giessenlanden is op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna te noemen Wko) verantwoordelijk voor de basiskwaliteit van kinderdagverblijven en peuterspeelzalen die in de gemeente gevestigd zijn. Ouders moeten de zorg voor hun kinderen met een gerust hart kunnen uitbesteden. De gemeente Giessenlanden wil haar inwoners kunnen garanderen dat er sprake is van kwalitatief goede voorzieningen. Hiervoor is het van belang dat het kwaliteitsbeleid voor de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk goed is uitgewerkt. In deze nota wordt uiteengezet op welke wijze de gemeente Giessenlanden het toezicht op de naleving van de kwaliteitsregels en tevens het handhaven en sanctioneren bij het niet naleven daarvan vorm geeft. Met het inwerkingtreden van dit nieuwe handhavingsbeleid en de beleidsregels 2015 komt het gemeentelijk handhavingsbeleid uit 2011 volledig te vervallen. De gemeenten in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (Hardinxveld-Giessendam, Gorinchem, Leerdam, Molenwaard, Giessenlanden en Zederik) hebben in ambtelijk overleg afgesproken om het handhavingsbeleid gezamenlijk op te stellen, iedere gemeente in deze regio beschikt dus over hetzelfde handhavingsbeleid. Een gezamenlijk handhavingsbeleid biedt het voordeel van consistentie van beleid in de regio voor de Dienst Gezondheid en Jeugd (DGJ) die de toezichtstaak namens deze gemeenten uitvoert. Tevens is het beleid voor de houders van kindercentra van alle gemeenten gelijk wat de rechtszekerheid en gelijkheid ten goede komt. Met ingang van 1 januari en 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang gewijzigd in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Dit heeft geresulteerd in drie grote veranderingen: Herziening van het stelsel van gastouderopvang, waardoor gastouders ook vallen onder het toezicht en de handhaving van de gemeente; Daarnaast is sinds 1 augustus 2010 de Wet Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie in werking getreden (Wet Oke). Eén van de onderliggende doelstellingen van deze wet was de regelgeving over peuterspeelzalen te harmoniseren met die van de kinderopvang. Door deze wet gelden de beleidsregels kwaliteit kinderopvang nu ook voor het peuterspeelzaalwerk. Uitzondering hierop zijn de ruimte en inrichtingseisen. Hiervoor heeft de gemeenteraad van Giessenlanden op 22 september 2011 de ‘Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen 2011’vastgesteld; Met ingang van 2012 is er één landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen (LRKP). Het LRKP heeft de gemeentelijke registers vervangen. In het LRKP worden alle kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, organisaties voor buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders geregistreerd, die voldoen aan de kwaliteitseisen van de Wko. De DGJ controleert of de gestelde criteria worden gehaald. Het register is openbaar. Ouders hebben vanaf 1 januari 2011 alleen recht op kinderopvangtoeslag als ze gebruik maken van kinderopvang die in het LRKP staat. Het toezicht op de kwaliteit is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de gemeenten (eerstelijnstoezicht). Voor het uitvoeren van de toezichttaak is het college in de wet verplicht gesteld de directeur van de GGD (in deze regio de DGJ) in te zetten als toezichthouder. De kwaliteitscontrole op het werk van de DGJ vindt primair plaats door het college. Het college is hierin eindverantwoordelijk, maar wordt op zijn beurt beoordeeld door de raad. De gemeente dient jaarlijks verslag te doen aan de Inspectie van het Onderwijs over hoe zij uitvoering heeft gegeven aan toezicht en handhaving in de kinderopvang en peuterspeelzalen. Het doel van deze notitie is te komen tot een transparant handhavingsbeleid, waarin een duidelijk beeld wordt gegeven van de soort overtredingen en de sancties die opgelegd kunnen worden. Artikel1Taken van de betrokken actoren bij de Wko 1.1Begripsomschrijvingen De onderstaande begripsbepalingen zijn opgenomen ter bevordering van de leesbaarheid van deze nota Handhaving en zijn in overeenstemming met de begripsbepalingen van de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) en de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen. Mochten in de Wko deze begripsbepalingen worden aangepast dan geldt ook voor deze nota vanaf dat moment de omschrijving zoals die dan geldt volgens de Wko In deze nota Handhaving wordt het volgende verstaan onder: Basisgroep:een vaste groep kinderen in de buitenschoolse opvang in een passend ingerichte ruimte; Beroepskracht: de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum en is belast met de verzorging en opvoeding van kinderen; of de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau en is belast met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang; of degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid van de Wko; Beroepskracht in opleiding: degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging en opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een peuterspeelzaal. Beroepskracht voorschoolse educatie: degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 2.8, onderdeel a van de Wko. Buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, evenals gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties; Dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen; DGJ: Dienst Gezondheid en Jeugd, gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in de Wet publieke gezondheid. Gastouder:de natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met uitzondering van natuurlijke personen van wie een of meer kinderen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gronden onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254, onderscheidenlijk artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en met uitzondering van de persoon die op hetzelfde woonadres als de ouder of diens partner staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP); Gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan gastouders geschiedt; Houder:de rechtspersoon of natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau exploiteert of degene die een peuterspeelzaal in stand houdt. Kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang; Kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het primair onderwijs voor die kinderen begint; LRKP: Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen; Ouder: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang of het peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft; Oudercommissie: de commissie, bedoeld in artikel 1.58 en 2.15 van de Wko; Peuterspeelzaalwerk: de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs; Peuterspeelzaal: voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum; Risico-inventarisatie: de risico-inventarisatie, bedoeld in artikel 1.51 Wko; Stamgroep: een vaste groep kinderen in de dagopvang in een passend ingerichte vaste groepsruimte; Stamgroepruimte: de ruimte waarin de kinderen in de dagopvang het grootste deel van de dag aanwezig zijn; Voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten; Vrijwilliger: degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is bij een peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die niet voldoet aan de opleidingseisen, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid van de Wko. Voor eventuele overige begrippen is artikel 1.1 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en artikel 1 Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 van toepassing. 1.2Taken gemeente Giessenlanden De gemeenten hebben een aantal in de Wko vastgelegde taken, hieronder een overzicht; Melding en registratie: Het kindercentrum moet voldoen aan de eisen ten aanzien van het bestemmingsplan. In eerste instantie wordt getoetst aan het bestemmingsplan. Uit deze toets kunnen de volgende situaties ontstaan: De locatie past binnen het vigerende bestemmingsplan en er vinden geen omgevingsplichtige activiteiten plaats: de instelling kan zich melden voor registratie in het LRKP. De locatie past niet binnen het vigerende bestemmingsplan, maar is planologisch/stedenbouwkundig inpasbaar. Er volgt een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan. Zodra een omgevingsvergunning voor die afwijking is verleend kan de instelling zich melden voor registratie in het LRKP. Er vinden omgevingsvergunningsplichtige activiteiten plaats. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet zijn verleend alvorens de instelling zich kan melden voor registratie in het LRKP. Indien relevant moet voor het beoogde gebruik eerst een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik zijn verleend alvorens de instelling zich kan melden voor registratie in het LRKP. De locatie past niet binnen het bestemmingsplan en is planologisch/stedenbouwkundig niet geschikt gevonden: de instelling zal moeten zoeken naar een nieuwe locatie en deze opnieuw laten toetsen. Op het moment dat het bestemmingsplan getoetst en akkoord bevonden is en benodigdevergunningen zijn afgegeven kan er nog niet begonnen worden met de exploitatie. Voordat deexploitatie van een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal in de gemeente van start kan gaan, dient de ondernemer zich te melden bij het college (art. 1.45 lid 1 Wko) en een aanvraag te doen om opgenomen te worden in het LRKP. Alle aanvragen tot opname in het LRKP worden gedaan via het modelformulier van de Rijksoverheid. Na ontvangst van een aanvraag toetst de gemeente deze op volledigheid. De gemeente toetst niet ofde ingediende documenten aan de eisen voldoen, dit doet de DGJ. Bij een onvolledige aanvraag biedt de gemeente de houder een aanvultermijn van 14 dagen. Bij een volledige aanvraag stuurt de gemeente een kopie van het aanvraagformulier inclusief de documenten naar de DGJ en geeft zij de DGJ opdracht voor het uitvoeren van een kwalitatief onderzoek. Binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag neemt de gemeente, op advies van de DGJ, een besluit over opname in het LRKP. Bij een positief besluit mag de opvang starten. De gemeente neemt de aanvraag op in het LRKP. Ouders komen alleen in aanmerking voor een kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst als de kinderopvangvoorziening is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang. Indien is gebleken dat er voldaan wordt aan de kwaliteitseisen, draagt het college zorg voor de onverwijlde inschrijving van het kindercentrum, de peuterspeelzaal, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het LRKP. Het LRKP is te raadplegen via www.landelijkregisterkinderopvang.nl. De aanvraag voor gastouderopvang wordt gedaan door de houder van een gastouderbureau waar degastouder is ingeschreven. Bij een aanvraag voor een voorziening van gastouderopvang zal het college een beschikking afgeven aan het gastouderbureau en tevens een kopie van de beschikkingsturen naar de gastouder, omdat de gastouder vanuit de Awb een direct belanghebbende is. Houders van kindercentra en gastouderbureaus die zich niet bij de gemeente hebben gemeld voorregistratie, plegen in principe een economisch delict in de zin van de Wet Economische Delicten. Het actief strafrechtelijk opsporen van niet-gemelde kinderopvang hoort niet tot de taak van detoezichthouder. Krijgt de gemeente echter een signaal dat in haar gemeente kinderopvang ofgastouderopvang plaats vindt zonder dat de houder in het register is opgenomen, dan kan degemeente de DGJ opdracht geven een zogenaamde voorselectie te doen. De DGJ moet in dat geval onderzoeken of er sprake is van kinderopvang of gastouderopvang in de zin van de Wko. Weigert de houder mee te werken aan het onderzoek en bestaat een vermoeden dat opvang in de zin van de Wko plaats vindt, kan aangifte gedaan worden bij de politie. Voor ouders is het niet aantrekkelijk om gebruik te maken van niet geregistreerde kinderopvang of gastouderopvang. Buiten het feit dat de kwaliteit van de opvang niet ‘gegarandeerd’ is, en geen overheidstoezicht plaats vindt, komen ouders niet in aanmerking voor een kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst. Toezicht op de kwaliteit: Het college ziet toe op de naleving van de Wko (artikel 1.61 en 2.19). Voor het uitvoeren van de toezichttaak is het college in de wet verplicht gesteld de directeur van de DGJ als toezichthouder in te zetten. Omdat de DGJ in deze regio onderdeel uitmaakt van een gemeenschappelijke regeling (DGJ Zuid-Holland Zuid) is de sturing door de gemeente Giessenlanden meer indirect. Met de DGJ ZHZ hebben de regiogemeenten afspraken gemaakt over de wijze waarop het toezicht wordt vormgegeven (bijvoorbeeld de wijze van controles, de terugkoppeling van de inspectieresultaten en de handelwijze in geval van opgelegde hersteltermijnen). Gemeenten kunnen geen eigen kwaliteitscriteria opstellen waaraan de DGJ de kinderopvang en peuterspeelzalen moet toetsen. De beleidsruimte die gemeenten vroeger hadden is in de Wko komen te vervallen. De DGJ beoordeelt de kwaliteit van kinderopvangorganisaties volgens een landelijk vastgesteld toetsingskader voor dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderopvang en peuterspeelzalen. Hoe de procedures betreffende deze typen inspecties verlopen is omschreven in de wet (artikel 1.62 en 2.20). De DGJ rapporteert over zijn onderzoeken aan de gemeente. Hierin geeft de DGJ haar oordeel en adviseert hij de gemeente over eventueel te nemen sancties. Het college van Leerdam heeft de directeur van de DGJ ZHZ aangewezen als toezichthouder. De toezichthouder heeft bevoegdheden die zijn genoemd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (bijvoorbeeld artikel 5:16 van de Awb: het vorderen van inlichtingen). De toezichthouder mag slechts gebruik maken van de bevoegdheden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichtstaak nodig is (artikel 5:13 Awb). Verder mogen de bevoegdheden enkel worden gebruikt voor de uitoefening van de toezichtstaak, niet voor andere taken. Het tweedelijnstoezicht gaat plaatsvinden door de Inspectie van het Onderwijs. Zij houdt toezicht op de gemeenten (het college) en stelt vast in hoeverre de uitvoering van het gemeentelijk toezicht functioneert conform de eisen van doeltreffendheid en rechtmatigheid. Elementen die de Inspectie van het Onderwijs in haar toezicht betrekt zijn: de gemeentelijke sturing op de toezichthoudende werkzaamheden van de DGJ het uitvoeren van de taken kwaliteitshandhaving die bij wet aan het college zijn opgedragen de sturende rol van de raad als hoogste controlerend orgaan van de gemeente. Uiteraard wordt getoetst aan de wet en aan de normen van de “Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2013”. De wet eist niet dat de jaarlijkse gemeentelijke verantwoordingsgegevens worden voorzien van een accountantsverklaring. Daarom zal de inspectie de jaargegevens (steekproefsgewijs) valideren. Jaarlijks moeten gemeenten vóór 1 mei een jaarverslag indienen waarin alle werkzaamheden worden beschreven die gemeenten en de DGJ in het kader van de Wko hebben verricht in het voorgaande kalenderjaar. Het verslag is gericht aan de raad; de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontvangt gelijktijdig een afschrift. Per 2012 zijn afdeling 2.2 en art 2.20 Wko in werking getreden en is het handhavingsbeleid ook van toepassing op de peuterspeelzalen. Handhaving door de gemeente: Zoals gezegd ligt de verantwoordelijkheid voor handhaving van de Wko bij het college. Er is dus geen sprake van een landelijk uniform handhavingsbeleid. Iedere gemeente kan naar eigen inzicht handhavinginstrumenten inzetten wanneer blijkt dat de Wko niet wordt nageleefd. Op deze manier kunnen er grote verschillen ontstaan in de wijze waarop gemeenten handhaven. Behalve voor houders is dit ook voor de DGJ ongewenst omdat hij als toezichthouder in de praktijk te maken krijgt met deze verschillen en er dan per gemeente aparte handhavingafspraken gemaakt moeten worden. Ook de VNG heeft dit probleem onderkend en op grond hiervan heeft zij een afwegingsmodel opgesteld dat gemeenten kunnen gebruiken voor het ontwikkelen van handhavingsbeleid (zie punt 3: afwegingsmodel). Het afwegingsmodel is gebaseerd op een risicoanalyse waarbij is beoordeeld in welke mate een negatief effect optreedt als niet wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. In feite is dit afwegingsmodel een advies aan de gemeenten voor het ontwikkelen van (uniform) handhavingsbeleid. Het staat gemeenten vrij om van dit model af te wijken en risico’s lager in te schatten waardoor een lagere of geen sanctie wordt toegepast. Het afwegingsmodel is een onderdeel van het handhavingsbeleid. De stappen die dan nog gezet moeten worden zijn het toepassen van de verschillende sanctiemogelijkheden en het stellen van termijnen. Deze stappen worden beschreven in het sanctieprotocol of afsprakenkader. 1.3Rol van de overige betrokken actoren De exploitant: De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de kinderopvang ligt nadrukkelijk bij de exploitant. Voordat met de exploitatie kan worden gestart moet de ondernemer zich melden bij de gemeente. Hij moet vestigingsgegevens en andere gegevens die belangrijk zijn voor het toezicht of informatief zijn voor de burgers, schriftelijk verstrekken. Die informatieplicht en de te verstrekken gegevens zijn vastgelegd in Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. De gemeente legt die informatie op haar beurt vast in hetLRKP. Na melding geeft de gemeente de toezichthouder, de DGJ Zuid-Holland Zuid, opdracht voor inspectie. Met de exploitatie mag gestart worden zodra de DGJ vaststelt dat er, naar verwachting, sprake zal zijn van ‘verantwoorde’ kinderopvang in de zin van de wet en de daarop gebaseerde beleidsregels en de gemeente een positieve beschikking heeft afgegeven. Daarna maakt de gemeente de melding in het LRKP definitief. De exploitant moet het inspectierapport van de DGJ in het bedrijf ter inzage leggen. Ouder(s): Ondanks de primaire verantwoordelijkheid van de exploitant, zijn ouders zelf ook (mede)verantwoordelijk voor de kwaliteit. De kinderopvang vindt immers plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen exploitant en ouder(s). Daarbij komt dat de ouder de exploitant kan wijzen op de wettelijke verplichting tot informatie over het te voeren beleid en de gestelde kwaliteitseisen. Bovendien kan de ouder participeren middels de door de exploitant in te stellen oudercommissie waarbij dus invloed kan worden uitgeoefend. Tot slot kunnen ouders via het LRKP nagaan of de kinderopvang voldoet aan de landelijke kwaliteitseisen. Wanneer een kinderopvang niet in het landelijk register is opgenomen voldoet deze niet aan de kwaliteitseisen. DGJ, als toezichthouder: De DGJ is verantwoordelijk voor het uitvoeren van het toezicht op de kwaliteit van kinderopvang. De inspecteurs werken volgens landelijke richtlijnen (Beleidsregels werkwijze toezichthouder). De inspecteur is bevoegd tot het vorderen van inlichtingen (art. 5:16 Awb), het inzien van zakelijke gegevens (art. 5: 17 Awb), onderzoek, opneming en monsterneming (art. 5:18 Awb) en onderzoek van vervoermiddelen (art.5:19 Awb). Na het tonen van een deugdelijke legitimatie, het vermelden van het doel en mits voorzien van een schriftelijke machtiging van de burgemeester, is de inspecteur zelfs bevoegd tot het (desnoods tegen de zin van de bewoner) binnentreden in een woning indien daar kinderopvang in de zin van de Wko plaatsvindt. Artikel2Kwaliteit van de kinderopvang en peuterspeelzalen De Wko stelt naast enkele specifieke kwaliteitseisen vooral globale kwaliteitseisen. Deze zijn opgenomen in de beleidsregels, genoemd “Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteit peuterspeelzalen 2015”. 2.1Wettelijke eisen Welke eisen stelt de wet? Voordat de exploitatie van een kindercentrum, een gastouderbureau of peuterspeelzaal van start kan gaan, dient de houder zich te melden bij het college van burgemeester en wethouders. Na deze melding wordt de ondernemer aangemeld in het LRKP. De toezichthouder onderzoekt vervolgens of de houder voldoet aan de kwaliteitseisen die in de Wko en het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen en de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 worden gesteld. Voldoet de houder aan alle eisen, dan mag hij in exploitatie. De houder wordt geregistreerd in het LRKP. Voldoet hij niet dan worden er afspraken gemaakt op welke termijn de houder wel zal voldoen aan de gestelde eisen. Ook kan in deze fase de exploitatie ontzegd worden. De belangrijkste kwaliteitseis uit de Wko stelt dat opvang bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van een kind in een veilige en gezonde omgeving. De houder is verplicht om de kinderopvang of het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze te organiseren dat dit redelijkerwijs moet bijdragen aan een goede en gezonde ontwikkeling van een kind. De houder dient voor iedere locatie een risico-inventarisatie op het gebied van veiligheid en gezondheid uit te voeren. De rol van de ouders is verstevigd. Elke vestiging behoort een oudercommissie te hebben. Zij adviseren gevraagd en ongevraagd. De eisen voor de kindercentra: Een kindercentrum dient te beschikken over een pedagogisch beleidsplan waarin 4 competenties (voldoende emotionele veiligheid, voldoende mogelijkheid voor de ontwikkeling van persoonlijke competentie, sociale competenties en de overdracht van waarden en normen) zijn uitgewerkt. Groepsgroottes zijn vastgesteld. Het is mogelijk om een open-deurenbeleid te voeren met stamgroepen. De oppervlaktes voor speelruimte en groepsruimte zijn vastgesteld. Voor kinderen tot 1,5 jaar moeten er afzonderlijke slaapruimtes zijn. De eisen waaraan de verplichte risico-inventarisaties moeten voldoen zijn vastgesteld. Beroepskrachten moeten beschikken over beroepskwalificaties overeenkomstig de CAO Kinderopvang. Personen werkzaam bij een kindercentrum moeten in het bezit zijn van een verklaring omtrent gedrag. Dit geldt ook voor de ondernemer en het bestuur. De eisen voor een gastouderbureau: Het bureau moet beschikken over een pedagogisch beleidsplan met de bovengenoemde 4 competenties. De woningen van de gastouders moeten zijn geïnspecteerd door de DGJ aan de hand van het inspectiekader. Het gastouderbureau moet voorwaarden scheppen voor een kwalitatief goede opvang. Beroepskrachten van het gastouderbureau moeten beschikken over een beroepskwalificatie conform de CAO Kinderopvang. Gastouders, medewerkers van het gastouderbureau en huisgenoten ouder dan 18 jaar moeten beschikken over een verklaring omtrent het gedrag. De eisen voor peuterspeelzalen: De peuterspeelzaal moet beschikken over een pedagogisch beleidsplan met de bovengenoemde 4 competenties. Maximale groepsgrootte en de beroepskracht-kind-ratio zijn vastgesteld. De eisen waaraan de verplichte risico-inventarisaties moeten voldoen zijn vastgesteld. Beroepskrachten van de peuterspeelzaal moeten beschikken over een passende beroepskwalificatie. Houders en medewerkers van de peuterspeelzaal moeten beschikken over een verklaring omtrent het gedrag. 2.2Bevoegdheden toezichthouders en soorte inspecties Omtrent de werkwijze van de toezichthouders van de DGJ zijn beleidsregels opgesteld om een uniforme werkwijze te bevorderen. Zij werken met een afwegingsmodel waarin de kwaliteitsaspecten zijn uitgewerkt. Aan de hand van een selectieformulier bepaalt de toezichthouder of er sprake is van kinderopvang, gastouderopvang of peuterspeelzaalwerk in de zin van de Wko. Middels het selectieformulier staat vast aan welke eisen de instelling moet voldoen en welk toetsingskader (dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderopvang of peuterspeelzaalwerk) van toepassing is. De toezichthouder kan afhankelijk van de situatie de opdracht krijgen om een bepaald type inspectie uit te voeren. Er zijn zes soorten inspectieonderzoeken: Onderzoek voor registratie: Als een ondernemer wil starten met het opvangen van kinderen in zijn/haar kindercentrum/ gastouderbureau/peuterspeelzaal, dient deze zich te melden bij de gemeente van de plaats van vestiging. De gemeente geeft deze aanvraag door aan de DGJ. Binnen 10 weken na de aanvraag moet de gemeente besluiten of het kindercentrum in het LRKP wordt opgenomen. Dit besluit wordt genomen op basis van de bevindingen van de DGJ. Binnen de periode van 10 weken voert de DGJ-inspecteur het onderzoek voor registratie uit. De inspecteur stelt allereerst vast of er sprake is van opvang/ peuterspeelzaalwerk in de zin van de wet. Is dat zo, dan onderzoekt de inspecteur of op dit moment redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de ondernemer aan de kwaliteitseisen zal voldoen op het moment dat er daadwerkelijk kinderen opgevangen worden. Als dat het geval is dan zal de inspecteur de gemeente positief adviseren over opname in het LRKP. De gemeente neemt hierover de beslissing. Pas na een positief besluit van de gemeente wordt de locatie in het LRKP opgenomen en kan de opvang beginnen. Het onderzoek kan ook tot gevolg hebben dat de exploitatie wordt uitgesteld als de zaken (nog) niet op orde zijn. De procedure geldt ook voor peuterspeelzalen vanaf het moment dat deze landelijk geregistreerd worden. Onderzoek na aanvangsdatum exploitatie: Binnen drie maanden na exploitatie vindt een volledig onderzoek plaats naar de geboden kwaliteit van de opvang plaats. De houder moet voldoen aan alle kwaliteitseisen. Uitzondering hierop is het hebben van een pedagogisch beleidsplan en het reglement oudercommissie. De termijn voor het eerste maal vaststellen van het pedagogisch beleidsplan en het reglement oudercommissie bedraagt zes maanden. Reguliere inspectie: In principe wordt ieder kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal jaarlijks geïnspecteerd. Indien de kwaliteit als onvoldoende wordt beoordeeld volgt een verbetertraject. De afspraken worden expliciet verwoord in het inspectierapport. Nader onderzoek: Als tijdens het reguliere inspectiebezoek tekortkomingen worden geconstateerd kan er besloten worden een hersteltermijn af te spreken. Tijdens het nader onderzoek wordt binnen de afgesproken hersteltermijn gekeken of de tekortkomingen zijn verbeterd. Dit onderzoek zal zich over het algemeen slechts beperken tot de geconstateerde tekortkoming. Onderzoek na een klacht/signaal: In de praktijk komt het voor dat er klachten/ signalen over een kindercentrum/ gastouderbureau binnen komen die betrekking hebben op het al dan niet naleven van de eisen gesteld binnen de Wko. De toezichthouder kan besluiten, in overleg met de gemeente, om bij het betreffende kindercentrum/ gastouderbureau een (onaangekondigd) inspectiebezoek te verrichten. Over het algemeen zal dit bezoek slechts betrekking hebben op het item waarover de klacht/ het signaal is gegaan, weliswaar kan de toezichthouder ter plekke besluiten zijn/ haar onderzoek te vergroten. Onderzoek op specifieke onderwerpen: De gemeente kan besluiten om een jaar extra aandacht te besteden aan een bepaald aspect van de opvang, zoals het binnenmilieu of de beroepskracht-kindratio. De DGJ krijgt dan bijvoorbeeld de opdracht om alle kindercentra in een jaar extra te toetsten op dit onderwerp of om een steekproef daarop uit te voeren. Dit onderzoek is dus gericht op het deel van de items uit het afwegingsmodel en niet op het hele toetsingskader. Risicogestuurde inspectie: Bij alle kindercentra vindt elk jaar toezicht op de kwaliteit plaats. Er zijn kindercentra waarvan uit inspecties van voorgaande jaren bekend is dat hun opvang voldoet aan de kwaliteitseisen. Maar er zijn ook kindercentra waar bij herhaling aandachtspunten geconstateerd worden. Het ene jaar is het daarom mogelijk om aangekondigd toezicht met toetsing op alle voorwaarden uit te voeren en het daarop volgende jaar kan dan onaangekondigd toezicht plaats vinden op de kernzaken en aandachtspunten. Kernzaken zijn: observatie van de pedagogische praktijk, de beroepskracht-kind-ratio, maximale groepsgrootte, veiligheid en gezondheid (de praktijk en niet de risico-inventarisatie), slaapruimte, gebruik van de Nederlandse voertaal, aanwezigheid van voldoende en kwalitatief goed ontwikkelingsmateriaal, bij wijziging van het aantal kinderen of ruimte de binnen- en/of buitenspeelruimte en steekproeven van verklaringen omtrent het gedrag (VOG’s). Er wordt dus intensiever geïnspecteerd waar dat nodig is, en minder intensief waar gebleken is dat dit kan. Naast de Wko en de beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen zijn er uiteraard nog andere (wettelijke) regelingen waar kindercentra en peuterspeelzalen mee te maken krijgen, zoals de Arbo-wet, het Bouwbesluit, regels van de Keuringsdienst van Waren, regels van de brandweer en het Attractiebesluit. Artikel3Handhaven en sanctioneren 3.1Afwegingsmodel Door de VNG is een afwegingsmodel opgesteld voor handhavingsancties die nodig zijn wanneer een kinderdagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderbureau, een voorziening voor gastouderopvang of een peuterspeelzaal niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wko en het Besluit alsmede de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen. Het model is gebaseerd op het negatieve effect dat zich voor kan doen bij een overtreding. De ernst van het negatieve effect wordt bepaald door beoordelingsfactoren (veilige omgeving, gezonde omgeving, pedagogische kwaliteit, invloed ouders en geloofwaardigheid) die afgezet worden tegen de kwaliteitseisen (kwaliteitsaspect) die de Wko stelt. Hieraan wordt een prioriteit toegekend: laag, gemiddeld of hoog. Het afwegingsmodel 2013 is overgenomen uit het advies van de VNG. 3.2Handhavings- en sanctiemogelijkheden Wanneer de toezichthouder een overtreding heeft geconstateerd begint het gemeentelijk handhavingstraject na ontvangst van het inspectierapport van de DGJ. In dit rapport beschrijft de DGJ welke overtreding is begaan met hieraan gekoppeld een handhavingsadvies. Het inspectierapport moet worden opgeleverd binnen maximaal 12 weken na afronding van een onderzoek. Het inspectierapport wordt voorafgaand ter kennis gebracht aan de betrokkene voor het indienen van een zienswijze. Na kenbaar maken van de zienswijze wordt het rapport openbaar conform artikel 1.63 en 2.21 van de Wko. Voordat uit de wet- en regelgeving voortvloeiende handhavingsinstrumenten worden ingezet, bestaat de mogelijkheid om de handhavingsactie overleg en overreding in te zetten. Dit houdt in dat de toezichthouder van de DGJ middels een gesprek de houder van een kindercentrum probeert te overtuigen om een geconstateerde overtreding daadwerkelijk te verhelpen. Het doel is dus om op een’ informele’ manier te proberen al in een vroeg stadium een overtreding op te lossen. Hiermee kan handhaving door de gemeente worden voorkomen. Het is in eerste instantie aan de toezichthouder van de DGJ om in een concrete situatie te bepalen of overleg en overreding een oplossing kan bieden. De tekortkoming waarvoor overleg en overreding wordt toegepast moet uiteraard wel van dien aard zijn dat dit via overleg en overreding kan worden opgelost. De gemeente en de DGJ moeten uiteindelijk gezamenlijk besluiten of zij de handhavingsactie overleg en overreding zullen inzetten. Overleg en overreding wordt ingezet binnen de periode van het opstellen van het inspectierapport. Als blijkt dat de Wko niet wordt nageleefd moet het mogelijk zijn om sancties op te leggen. De wet voorziet in ruime mate in deze mogelijkheid. Er kunnen twee typen sancties worden onderscheiden, te weten herstellende sancties en bestraffende sancties. Deze typen sancties bestaan naast elkaar, maar kunnen ook tegelijkertijd worden opgelegd. De herstellende sancties zijn gericht op het herstellen van de overtreding en moet herhaling van de overtreding in de toekomst voorkomen. De bestraffende sanctie bestraft de overtreding die al is begaan. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Hieronder wordt in het kort beschreven welke sancties opgelegd kunnen worden en waar ze hun wettelijke basis vinden. Herstellende sancties: ·Aanwijzing: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal bevindt dat de bij of krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, of hoofdstuk 2, afdeling 2, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften (de ‘kwaliteitseisen”) niet of in onvoldoende mate naleeft, kan aan de houder een schriftelijke aanwijzing geven. In een aanwijzing wordt met redenen omkleed aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder genomen dienen te worden. Een aanwijzing is een beschikking in de zin van de Awb. Bij een aanwijzing wordt aan de houder een hersteltermijn gegeven. De hersteltermijn wordt bepaald door de zwaarte van de prioritering. De hersteltermijn in dit model wordt aangegeven in een bandbreedte. De handhaver geeft per concreet geval de exacte hersteltermijn aan. Na het verstrijken van een hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel de DGJ de opdracht geven voor een herinspectie. Is de overtreding niet beëindigd, dan zal een volgende stap worden gezet. ·Bevel: Als de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit tijdens de inspectie dusdanig tekort schiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Een bevel is een beschikking in de zin van de Awb en heeft een geldigheidsduur van zeven dagen. Het college kan die geldigheidsduur verlengen. Deze sanctie kan niet worden uitgeoefend ten aanzien van een gastouderbureau. Het is redelijkerwijs te verwachten dat de toezichthouder de gemeente op de hoogte stelt en indien mogelijk overlegt alvorens tot een bevel over te gaan. Een schriftelijk bevel kan per direct worden toegepast waarna een rapport wordt opgemaakt of nadat een rapport is opgemaakt. Bij de eerste situatie is er sprake van acuut veiligheidsgevaar, bijvoorbeeld als er in de groep geen begeleiding aanwezig is. De tweede situatie duldt geen uitstel omdat de ondernemer geen risico-inventarisatie heeft gemaakt. De onderstaande sancties worden ingezet als de voorgaande maatregelen geen resultaat hebben bereikt. De onderstaande reacties worden meestal voorafgegaan met een aankondiging, waarop de houder vervolgens nog zijn zienswijze kan indienen. ·Last onder bestuursdwang: Het gemeentebestuur kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet bestuursdwang toepassen. Van die bevoegdheid kan het college gebruik maken om de regels te handhaven die het gemeentebestuur uitvoert, zoals in het geval van de Wko. Nadat de aanwijzing of het bevel niet ten uitvoer is gelegd, kan het college besluiten ter handhaving bestuursdwang aan te zeggen. De last onder bestuursdwang is geregeld in de Awb (afdeling 5.3.1) en is de last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de verplichting om te dulden dat het college de last door feitelijk handelen ten uitvoer legt, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld bij onveilige speeltoestellen buiten kan de gemeente besluiten dit speeltoestel op kosten van de houder te laten weghalen, indien de ondernemer dit niet na een aanwijzing doet. Niet alle overtredingen zijn geschikt om met bestuursdwang op te lossen en kan beter een last onder dwangsom worden opgelegd. ·Last onder dwangsom: In plaats van bestuursdwang kan het college besluiten om een last onder dwangsom (Awb afdeling 5.43.2) op te leggen aan de overtreder zelf. Een last onder dwangsom wordt niet opgelegd als er acuut gevaar is. Een last onder dwangsom is (net als het aanzeggen van bestuursdwang) een herstelsanctie: de overtreding moet ‘hersteld’ worden. Gebeurt dit niet of niet tijdig, dan moet door de houder een geldsom aan de gemeente worden betaald. Het bedrag dient te allen tijde in verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging (artikel 5.32b, lid). De dwangsom wordt opgelegd met als last aan het gegeven bevel of de gegeven aanwijzing te voldoen. ·Exploitatieverbod: Het college kan op grond van artikel 1.66, lid 1 en 2.24 lid 1 Wko de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of de instandhouding van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of een aanwijzing niet opvolgt en het toepassen van bestuursdwang niet mogelijk is. De situatie is meestal dan al zo dringend dat een feitelijk handelen door het bestuursorgaan in de vorm van bestuursdwang deze situatie niet meer kan oplossen (bijvoorbeeld als de veiligheid van de kinderen in gevaar is doordat er te weinig leidsters zijn ingezet). Deze maatregel kan in de praktijk alleen worden toegepast als de houder na herhaalde controle en waarschuwingen (bevelen of aanwijzingen) geen aanpassingen heeft aangebracht. Het geven van een verbod tot exploitatie is een beschikking in de zin van de Awb. ·Verbod om in exploitatie te gaan: Het college kan op grond van artikel 1.66, lid 2 en 2.24 lid 2 Wko de houder verbieden een kindercentrum, een gastouderbureau of peuterspeelzaal in exploitatie te nemen als blijkt dat er ernstige tekortkomingen zijn in de kwaliteit en als daarbij duidelijk is dat de houder niet in staat zal zijn deze tekortkomingen te verhelpen voordat hij de exploitatie wil aanvangen (bijvoorbeeld omdat de locatie niet geschikt is om daarin kinderen op te vangen). ·Verwijdering uit het LRKP: Het college mag op grond van artikel 1.47a en 2.4a Wko de gegevens van een kindercentrum (dagopvang of BSO), een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal uit het register verwijderen. Er zijn verschillende gronden waarop het college een voorziening uit het register kinderopvang kan verwijderen: indien is gebleken dat de houder niet langer de organisatie voor kinderopvang exploiteert indien uit een DGJ-inspectie is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3 of hoofdstuk 2, afdeling 2, paragrafen 2 en 3 Wko gegeven voorschriften indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de organisatie voor kinderopvang niet daadwerkelijk is aangevangen Vanaf het moment dat een kindercentrum (dagopvang of BSO), een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal is verwijderd uit het register, is er geen sprake meer van kinderopvang in de zin van de wet. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale kinderopvang en tot een boete op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten. Doordat een kindercentrum (dagopvang of BSO), een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal uit het register is verwijderd, wordt ook grond voor het recht op kinderopvangtoeslag voor vraagouders beëindigd. Bestraffende sancties: ·Bestuurlijke boete: Een bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien een houder een verplichting als bedoeld bij of krachtens hoofdstuk 3 Wko, een aanwijzing of een bevel niet nakomt of handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66 of 2.24 van de Wko. De bestuurlijke boete bedraagt hoogstens € 45.000,-. In afwijking van het eerste lid van artikel 1.72 kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft. De handhavingsmogelijkheden bij gesubsidieerde peuterspeelzalen wijken iets af van de handhavingsmogelijkheden bij kinderopvang, omdat de gemeente geacht wordt te korten op de subsidie in plaats van boetes op te leggen. ·Boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden: In het geval dat de overtreder in de afgelopen drie jaar al eerder is beboet voor eenzelfde type overtreding kan het college de boete verhogen. Daarbij is irrelevant of de in het verleden gepleegde overtreding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.