Gelders Sociaal PlanVoor medewerkers van gemeenten en milieudiensten in Gelderland en van de Provincie Gelderland die overgaan naar de Regionale Uitvoeringsdiensten GSP:Versie 2.0 (Definitieve versie) 31 oktober 2012 (ondertekend op 10 december 2012) Voorwoord In Gelderland is sprake van de vorming van Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s), die allemaal een zelfstandige status krijgen. Taken en medewerkers van betrokken gemeenten, de provincie en regionale milieudiensten (de partners bij de RUD vorming) zullen worden overgedragen en geplaatst naar deze RUD’s. De RUD’s zijn nieuw te vormen organisaties, die per 1 januari 2013 ingericht moeten zijn. Voor veel medewerkers die naar een RUD moeten gaan betekent dit een ingrijpende verandering die ook onzekerheden met zich meebrengt. Partijen willen de overgang van medewerkers naar de RUD’s goed en zorgvuldig regelen. Het is van belang, dat de rechten en de uitgangspositie van de medewerkers, die vanuit de partnerorganisaties in dienst komen van de RUD’s, gelijk zijn en dat de werkgelegenheid gewaarborgd wordt. Dat vergroot het draagvlak voor de verandering. Daarom zijn tussen de vakbonden Abvakabo FNV en CNV Publieke Zaak en de werkgevers die partner zijn bij de RUD vorming in Gelderland (de ‘latende organisaties’) afspraken gemaakt over een sociaal plan, het Gelders Sociaal Plan (GSP). Partijen vormen een Centraal Bijzonder Georganiseerd Overleg (CBGO) waarin de afspraken over het GSP gemaakt worden. Het GSP wordt vastgesteld in het CBGO na goedkeuring van de werkgevers en de vakbonden. Het GSP is bindend voor de latende organisaties, voor de RUD’s en voor de medewerkers. Het GSP wordt tussentijds en aan het einde van de looptijd geëvalueerd in het CBGO. Het GSP regelt de sociale gevolgen voor medewerkers van de latende organisaties die overgaan naar de RUD’s. Indien binnen de latende organisaties zelf sociale gevolgen optreden door de RUD vorming, gelden de sociale statuten van die latende organisaties zelf; zo nodig zal een sociaal statuut met het lokale GO overeen gekomen moeten worden. Dit GSP regelt in welke specifieke situaties detachering mogelijk is. Indien er sprake is van overgang van een medewerker naar een andere partner (‘gastheerschap’) regelt dit GSP dat aparte afspraken gemaakt moeten worden die zoveel als mogelijk is in overeenstemming zijn met de strekking van dit GSP. Partijen spreken af dat per RUD een GO wordt ingesteld zo spoedig mogelijk na de totstandkoming van de RUD’s . Het GSP regelt samengevat: Uitgangspunten van partijen; deze zijn opgenomen in de preambule; Plaatsingsregels en plaatsingsprocedure; Arbeidsvoorwaarden in de RUD’s; Overgangsmaatregelen m.b.t. arbeidsvoorwaarden; Werkgelegenheidsafspraken; Bezwarenprocedure. Het GSP maakt onderdeel uit van de rechtspositieregeling van medewerkers die in dienst zijn of komen van de RUD’s en is een aanvulling op de CAR-UWO, die in de RUD’ s toegepast zal worden. Preambule Ambitie van partijen is dat medewerkers graag bij een van de RUD’s in Gelderland willen werken. Ze hebben goede mogelijkheden om zichzelf te ontwikkelen, hebben uitdagend werk, professionele collega’s en het feit dat ze voor een van de RUD’s werken staat goed op hun cv. Partijen hebben de inspanningsverplichting om deze ambitie waar te maken. Partijen hechten daarom veel waarde aan een goed opleidings- en ontwikkelingsbeleid, arbeidsvoorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die van de latende organisaties en duurzame inzetbaarheid binnen de RUD’s of binnen de latende organisaties. Uitgangspunten Partijen zijn voor dit GSP gezamenlijke uitgangspunten overeen gekomen. Deze uitgangspunten zijn kader stellend voor de inhoud van dit GSP. De uitgangspunten zijn: Dat wat voor de RUD’s op P&O gebied gemeenschappelijk geregeld kan worden, willen we ook gemeenschappelijk regelen. Gezamenlijke onderwerpen zijn onder meer: dezelfde arbeidsvoorwaarden, één interne arbeidsmarkt, één functieboek, één systeem van bepaling van het functieniveau, één beoordelingssysteem. Medewerkers volgen hun taak. Een uitzondering hierop zijn de managementfuncties op het eerste en tweede niveau in de RUD’s. Voor managementfuncties op het eerste en tweede niveau in de RUD’s geldt selectie per RUD op basis van kwaliteit. Medewerkers behouden structureel een gelijkwaardig pakket aan arbeidsvoorwaarden.Er zullen arbeidsvoorwaardelijke verschillen zijn. Partijen willen niet bezuinigen op arbeidsvoorwaarden en ook niet alle verschillen compenseren. De duurzame inzetbaarheid van medewerkers wordt gewaarborgd zodat de werkgelegenheid in stand kan blijven. De RUD’s zullen als goed werkgever blijven investeren in de opleiding en ontwikkeling van medewerkers, gericht op hun duurzame inzetbaarheid. Daarnaast hechten partijen veel waarde aan een goed functionerende, gemeenschappelijke interne arbeidsmarkt en aan een hoogwaardige gemeenschappelijke mobiliteitsaanpak. RUD’s maken actief het ‘Nieuwe Werken’ mogelijk. Afspraken in dit GSP dienen het nieuwe werken te faciliteren / mogelijk te maken. Het GSP is zo volledig mogelijk. De afspraken in het GSP regelen de sociale en rechtspositionele gevolgen van de RUD vorming. Het GSP heeft een looptijdvan vier jaar na de startdatum van de RUD’s en ten minste tot en met 31 december 2016. Dat is nodig omdat enkele taken later naar RUD’s overgedragen worden. Tot het einde van de looptijd zullen medewerkers, die in een RUD boventallig worden als gevolg van een reorganisatie, niet gedwongen ontslagen worden. Alle RUD’s starten gelijktijdig. Daardoor kan het plaatsingsproces voor alle RUD’s gelijktijdig en in samenhang worden uitgevoerd. Hoofdstuk 1 – Algemeen 1.1. Begrippen 1.1.1. Algemene begrippen RUD Een Regionale Uitvoeringsdienst in Gelderland. Gezamenlijke werkgevers De werkgevers van de latende organisaties en, na invoering ervan, van de RUD’s. Medewerker De ambtenaar volgens CAR-UWO artikel 1.1.a. of CAP artikel A.1.1.a., in dienst van een latende organisatie of van een RUD. Latende organisatie De organisatie bij wie de medewerker tot aan de daadwerkelijke overdracht van zijn taken naar een RUD een aanstelling heeft. Latende organisaties zijn de gemeenten en regionale milieudiensten in Gelderland en de Provincie Gelderland. GR Gemeenschappelijke regeling, het openbaar lichaam dat de RUD in stand houdt. Directeur De medewerker die binnen de RUD de hoogste leiding heeft. Vakbonden Abvakabo FNV, CNV Publieke Zaak en CMHF. Partijen Gezamenlijke werkgevers en vakbonden die dit GSP overeengekomen zijn. CBGO Centraal Bijzonder Georganiseerd Overleg van partijen. Begeleidingscommissie De door partijen ingestelde commissie die zwaarwegend adviseert in geschillen over de uitleg van dit GSP. GO RUD Het Georganiseerd Overleg op grond van CAR-UWO artikel 12.1., waarbij niet het gemeentebestuur maar de RUD werkgever is. OR LO Ondernemingsraad van de latende organisatie. OR RUD De door de WOR bestuurder van de RUD ingestelde Bijzondere ondernemingsraad of, nadat medewerkers in dienst zijn getreden, de Ondernemingsraad van de RUD. BOR i.o. Het overlegplatform van de ondernemingsraden van de aan de RUD deelnemende werkgevers. CAR Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten. UWO Uitvoeringsovereenkomst volgens CAR artikel 1.1.r. Cao Cao Gemeenten 2011 – 2012. CAP Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies. GSP Dit Gelders Sociaal Plan. WOR Wet op de ondernemingsraden. Startdatum van de RUD’s De datum waarop de eerste in de RUD geplaatste medewerkers die geen managementfunctie op het eerste of tweede niveau hebben, in dienst treden van de RUD’s. Diensttijd Het aantal jaren dat door de latende organisatie is aangemerkt als diensttijd van de medewerker, tenzij dit in dit GSP in specifieke situaties anders is geregeld Standplaats Het kantoor van de RUD of het kantoor van een partner van de RUD, dat door de Directeur is aangewezen als de plaats waar de medewerker overwegend werkt. 1.1.2. Begrippen in verband met plaatsing Functie Het takenpakket, dat bestaat uit het geheel van opgedragen of op te dragen werkzaamheden. Taak Een opgedragen werkzaamheid of activiteit die door de medewerker wordt uitgevoerd uit hoofde van zijn functie. Functie in de latende organisatie Het takenpakket, dat bestaat uit het geheel van door de latende organisatie opgedragen werkzaamheden, die de medewerker volgens zijn functiebeschrijving of op grond van tussen de werkgever van de latende organisatie en de medewerker gemaakte afspraken verricht. Hoofdtakenboek Het overzicht van de binnen de RUD voorkomende functies met een beschrijving van de hoofdtaken, de plaats in de organisatie, de functie-eisen en een indicatie van de functieschaal. Functieboek De volgens het af te spreken systeem van functiewaardering beschreven en gewaardeerde functies in de RUD’s. Managementfunctie Een leidinggevende functie met hiërarchische bevoegdheden. Ongewijzigde functie Een functie, waarvan het takenpakket voor ten minste 80% bestaat uit het oorspronkelijke takenpakket. Functievolger De medewerker, die naar de RUD gaat en van wie de functie ongewijzigd is. Geschiktheid De mate waarin een medewerker voldoet aan de functie-eisen op grond van opleiding, ervaring, capaciteiten en competenties. Passende functie Een functie van gelijkwaardig werk- en denkniveau, die de medewerker redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen, of een functie waarvoor de medewerker door middel van om- en bijscholing in de regel binnen een jaar de benodigde geschiktheid en bekwaamheid kan verwerven. Een passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau als de oude functie, maar kan één niveau hoger of lager en in uitzonderlijke gevallen twee niveaus lager zijn dan bij de latende organisatie. Geschikte functie Een functie, die niet valt onder het begrip passende functie, maar die de medewerker bereid is te vervullen en waarvoor hij geschikt is of dat kan worden binnen een termijn van één jaar. Vacature na plaatsing Een functie die niet is vervuld nadat het plaatsingsproces in een RUD is afgerond, dus nadat het plaatsingsplan is vastgesteld. O&F rapport Organisatie- en formatierapport, het overzicht van de indeling van de organisatie met beschikbare formatie per functie. Was-wordt tabel Overzicht van functies in de oude en de nieuwe organisatie, waaruit blijkt of de functie in de RUD als een gewijzigde of als ongewijzigde functie kan worden aangemerkt ten opzichte van de functie in de latende organisatie. Belangstellingsregistratie De registratie van de gemotiveerde belangstelling van de medewerker die naar de RUD overgaat voor twee of drie passende of geschikte functies in de nieuwe organisatie. Plaatsingsadviescommissie (PAC) De door partijen ingestelde plaatsingsadviescommissie. Concept plaatsingsplan Het onder verantwoordelijkheid van de Directeur opgestelde overzicht van medewerkers, geplaatst in een ongewijzigde, passende of geschikte functie, dat voor advies aan de PAC wordt aangeboden. Plaatsingsplan Het door de Directeur, op grond van het advies van de PAC en eventuele ingediende zienswijzen van medewerkers vastgestelde plan van plaatsingen van medewerkers in een ongewijzigde, passende of geschikte functie, op grond waarvan hij definitieve plaatsingsbesluiten neemt. (Voorgenomen) Plaatsingsbesluit Het door de Directeur genomen besluit per individuele medewerker op grond van het (concept) plaatsingsplan. Detachering De taak van de medewerker gaat over naar de RUD, de medewerker blijft in dienst van de latende organisatie. De latende organisatie leent de gedetacheerde medewerker uit aan de RUD. Gastheerorganisatie Een latende organisatie die optreedt als werkgever voor medewerkers in overheadfuncties. 1.1.3. Overige begrippen Rooster Een schema waarin is vastgelegd op welke dagen en tijdstippen werkzaamheden door de medewerker worden uitgevoerd. Harmonisatietoelage Een vaste bruto toelage, die deel uitmaakt van de bezoldiging en die basis is voor vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en pensioen. PAO Persoonlijk Arbeidsvoorwaarden Overzicht, dit is het voor de medewerker die naar de RUD gaat bestemde persoonlijke individuele overzicht van de financiële arbeidsvoorwaardelijke gevolgen van de overgang naar de RUD. Interne arbeidsmarkt De interne vacaturemarkt van de RUD’s en eventueel daarbij aangesloten organisaties. Reorganisatie Een besluit, indien dit leidt tot boventalligheid van medewerkers, zoals genoemd in CAR UWO art. 8.3., namelijk een besluit tot opheffing van de betrekking van de medewerker of tot verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel een besluit in verband met verminderde behoefte aan arbeidskrachten, Boventalligheid De situatie waarin de functie van de medewerker, als gevolg van een reorganisatie, is vervallen terwijl de aanstelling in stand blijft. Werkgelegenheidsgarantie De periode waarin de aanstelling van een boventallige medewerker met een aanstelling voor onbepaalde tijd niet beëindigd kan worden, met uitzondering van de situatie van verschuiving van taken, zoals genoemd in 7.2.3., van de situatie waarin de medewerker als resultaat van het VWNW-traject in dienst kan treden bij een andere werkgever of wanneer de medewerker zelf ontslag neemt. VWNW-traject Het Van-Werk-Naar-Werk traject, zoals geregeld is in de Cao. 1.2. CAR-UWO In de RUD’s is de CAR-UWO van toepassing. Indien in dit GSP begrippen worden gehanteerd die niet zijn opgenomen in 1.1., geldt de begripsomschrijving in de CAR-UWO. 1.3. In werking treding, looptijd, evaluatie en opzegging 1.3.1. Wanneer treedt dit GSP in werkingDit GSP treedt in werking op het moment dat dit GSP is ondertekend door partijen en wordt opgeschort indien de onderwerpen die genoemd worden in 7.5.1. en 7.5.2. op de startdatum van de RUD’s nog niet geregeld zijn, tot het moment dat partijen over deze onderwerpen overeenstemming bereikt hebben. 1.3.2. LooptijdHet GSP heeft een looptijd vanaf het moment van inwerkingtreding tot en met vier jaar vanaf de startdatum van de RUD’s. 1.3.3. Evaluatie en verlengingAan het eind van het tweede jaar van dit GSP vindt in het CBGO een tussenevaluatie plaats van dit GSP en de werking daarvan in de praktijk en in de loop van het vierde jaar van dit GSP een eindevaluatie van dit GSP en de werking daarvan in de praktijk. Bij de evaluatie worden in ieder geval de regeling reiskosten woon-werkverkeer en de werkgelegenheidsgarantie betrokken. Dit GSP blijft na het einde van de looptijd van kracht tenzij partijen in het CBGO (op grond van de eindevaluatie) andere afspraken maken. Daarbij zullen de uitgangspunten 2, 3 en 4 uit de preambule leidend zijn. Indien tijdens de looptijd van het GSP nieuwe of gewijzigde wet- of regelgeving van kracht wordt die van invloed is op de bepalingen in dit GSP, zullen partijen overleggen over tussentijdse aanpassing van dit GSP. 1.4. Wanneer is dit GSP van toepassing In alle situaties die zich gedurende de looptijd van dit GSP voordoen, waarin latende organisaties taken en mensen overdragen naar en plaatsen in de RUD’s, is dit GSP van toepassing. 1.5. Op wie is dit GSP van toepassing Dit GSP is van toepassing op de medewerkers van de latende organisaties die in dienst treden bij de RUD’s. Dit GSP is niet van toepassing op medewerkers die in het kader van de RUD-vorming gedetacheerd worden door de latende organisatie bij de RUD of bij een andere werkgever. Indien sprake is van detachering, gelden de bepalingen in 3.2. Dit GSP is niet van toepassing op medewerkers die in het kader van de RUD-vorming overgaan naar een andere werkgever dan de RUD. Indien sprake is van gastheerschap, gelden de bepalingen in 3.3. 1.6. Begeleidingscommissie Partijen zijn verantwoordelijk voor de juiste uitleg en toepassing van de bepalingen in dit GSP. Partijen vormen een paritaire Begeleidingscommissie met een onafhankelijke voorzitter die zwaarwegend adviseert in geschillen over de uitleg van dit GSP. Partijen maken een huishoudelijk reglement voor de Begeleidingscommissie. De begeleidingscommissie zal partijen, bij overdracht van taken en medewerkers gedurende de looptijd, adviseren over de gemaakte afspraken m.b.t. de werkgelegenheidsgarantie en de regeling reiskosten woon-werkverkeer. 1.7. Hardheidsclausule Indien zich situaties voordoen waarin dit GSP niet voorziet, beslist de Directeur na de medewerker gehoord te hebben en nadat hierover zwaarwegend advies is gegeven door de Begeleidingscommissie. Indien een medewerker onevenredig zwaar getroffen wordt door maatregelen in dit sociaal plan, kan de Directeur een afwijkende beslissing nemen ten gunste van de medewerker. Eventueel kan door de Directeur en/of de medewerker advies gevraagd worden aan de Begeleidingscommissie, die dan een zwaarwegend advies geeft. Hoofdstuk 2 – Plaatsing 2.1. Samenvatting plaatsingsproces zie schema 2.1 voor een samenvatting van het plaatsingsproces 2.1.1. Draaiboek PlaatsingGezamenlijke werkgevers hebben een Draaiboek Plaatsing opgesteld waarin een verdere (praktische) uitwerking wordt gegeven van het in dit hoofdstuk beschreven plaatsingsproces. Dit Draaiboek Plaatsing wordt door partijen gebruikt als leidraad voor de uitvoering van de plaatsingsregels. 2.2. Voorbereiding 2.1.1. Bepalen wie naar de RUD gaatIndien een medewerker voor ten minste 80% taken verricht die naar één RUD gaan, gaat deze medewerker over naar die RUD. Dit geldt niet voor managementfuncties, zie 2.4. De medewerker wordt door de latende organisatie in de gelegenheid gesteld hierover zijn zienswijze te geven. 2.2.2. VoorsorterenIndien een medewerker taken verricht die naar verschillende RUD’s gaan of voor minder dan 80% taken verricht die naar een RUD gaan, kan door de latende organisatie, mede op verzoek van de medewerker, voorgesorteerd worden. Voorsorteren houdt in dat de latende organisatie het opgedragen takenpakket, na overleg daarover met de medewerker, mede op grond van de voorkeur van de medewerker, zo herschikt dat de medewerker een takenpakket heeft dat voor 80% of meer naar één RUD gaat. Is een dergelijke herschikking niet mogelijk maar voert de medewerker wel voor 80% of meer taken uit die naar RUD’s gaan, dan gaat de medewerker naar de RUD waar het grootste deel van zijn takenpakket heengaat. 2.2.3. Minder dan 80% van de taken gaat naar de RUDIndien de medewerker voor minder dan 80% taken verricht die naar een RUD of naar verschillende RUD’s gaan en indien het niet mogelijk is gebleken dit takenpakket door voor te sorteren uit te breiden tot 80% of meer (zie 2.2.2.), dan blijft de medewerker in dienst van de latende organisatie. Indien dit leidt tot boventalligheid, gelden de sociale regelingen van de latende organisatie. Indien er na plaatsing vacatures zijn in de RUD’s, dan heeft deze medewerker, indien hij ten minste voor 50% taken verricht die naar een RUD of naar verschillende RUD’s gaan, voorrang bij sollicitatie op vacatures na plaatsing op de manier die is geregeld in 2.9. 2.3. Functievergelijking 2.3.1. O&F rapport en hoofdtakenboekDe RUD stelt voorafgaand aan het plaatsingsproces een O&F rapport op. Op basis van het O&F rapport van de RUD wordt per RUD een hoofdtakenboek opgesteld. Daarin is per functie opgenomen: de functienaam, de plaats in de organisatie, een omschrijving van de (hoofd)taken, de functie-eisen en de indicatie van het functieniveau. Het hoofdtakenboek is getoetst aan een gemeenschappelijk functieraamwerk met referentiefuncties voor alle RUD’s. 2.3.2. Was-wordt vergelijkingEr wordt, voorafgaand aan het plaatsingsproces, per RUD een functievergelijking gemaakt tussen de functies van medewerkers uit de latende organisatie die naar de RUD gaan en het hoofdtakenboek van de RUD. Dit wordt vastgelegd in de was-wordt-tabel per RUD. De was-wordt tabel wordt gebruikt voor het opstellen van het (concept) plaatsingsplan en maakt duidelijk welke medewerkers functievolger zijn, of voor functievolgers voldoende formatie beschikbaar is en voor welke medewerkers een passende of geschikte functie moet worden gezocht. De latende organisaties bespreken met de betrokken medewerkers of zij functievolger zijn of dat voor hen een passende of geschikte functie moet worden gezocht. De P&O adviseurs uit de latende organisaties adviseren de RUD over deze vergelijking. 2.3.3. BelangstellingsregistratieDe latende organisaties geven medewerkers van wie de taken overgaan naar de RUD de gelegenheid om gemotiveerd hun belangstelling te uiten voor ten minste twee en maximaal drie passende of geschikte functies uit het hoofdtakenboek van de RUD waar de medewerker op grond van de overdracht van taken naar toe gaat. In zijn motivering gaat de medewerker ten minste in op opleiding, ervaring, de huidige functie en het functieniveau van de nieuwe functie. Bij belangstelling voor een geschikte functie motiveert de medewerker tevens in welke mate hij nu of binnen een jaar voldoet aan de functie-eisen op grond van opleiding, ervaring, capaciteiten en competenties. 2.4. Benoeming in managementfuncties 2.4.1. DirecteurHet Algemeen Bestuur van de RUD benoemt – op voordracht van het Dagelijks Bestuur en na advies van de OR RUD of BOR i.o. – de (beoogd) Directeur. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een zorgvuldige werving- en selectieprocedure. De werving op kwaliteit vindt in eerste instantie plaats uit alle medewerkers in dienst van de latende organisaties. De OR RUD of BOR i.o. is bij de selectieprocedure betrokken. De functie directeur is een nieuwe functie waarop de plaatsingsregels niet van toepassing zijn. Voor de benoeming van de Directeur is geen O&F rapport of was-wordt tabel noodzakelijk. Ook de belangstellingsregistratie geldt niet voor deze functie. Wel dient een functiebeschrijving beschikbaar te zijn met daarin de informatie die vereist is voor het hoofdtakenboek. 2.4.2. Tweede managementlaagHet Dagelijks Bestuur benoemt, op voordracht van de selectiecommissie, de hiërarchisch leidinggevenden uit de tweede managementlaag (het managementniveau direct onder de Directeur). Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een zorgvuldige werving- en selectieprocedure. In aanmerking komen medewerkers van de latende organisaties die beschikken over hiërarchisch leidinggevende ervaring en ervaring hebben met vergunningverlening, toezicht en/of handhaving op milieugebied, Wabogebied 1 Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of daaraan gerelateerd. De selectiecommissie, die per RUD wordt ingesteld, onder voorzitterschap van de Directeur, vormt een afspiegeling (op basis van het aantal ingebrachte formatieplaatsen) van de latende organisaties en bestaat maximaal uit vijf personen. Hiervan zijn twee leden aangewezen door de OR RUD of BOR i.o.. Indien leidinggevende medewerkers die in aanmerking zouden komen voor leidinggevende functies in de RUD niet solliciteren of niet worden benoemd op het 2e managementniveau in een RUD, gelden de sociale regelingen van de latende organisaties. Het is mogelijk dat deze medewerkers alsnog geplaatst worden in een passende functie in een RUD. Op medewerkers van latende organisaties die benoemd worden in managementfuncties in de RUD’s zijn de arbeidsvoorwaardelijke regelingen van het GSP van toepassing inclusief de overgangsmaatregelen. 2.5. Opstellen van het concept plaatsingsplan 2.5.1. Concept plaatsingsplan en motiveringOnder verantwoordelijkheid van de Directeur wordt het concept plaatsingsplan opgesteld. De Directeur krijgt relevante informatie om de voorgestelde plaatsing te motiveren van de latende organisatie. In het concept plaatsingsplan wordt per medewerker gemotiveerd of de medewerker functievolger is en geplaatst in een ongewijzigde functie (zie 2.5.2.), of hij geplaatst wordt in een voor hem passende functie (zie 2.5.3.) dan wel of hij geplaatst wordt in een voor hem geschikte functie (zie 2.5.4.). De motivatie dient gebaseerd te zijn op wat in dit GSP wordt verstaan onder ongewijzigde, passende of geschikte functie, zie 1.1.2. Bij het opstellen van het concept plaatsingsplan wordt de volgende volgorde in acht genomen: Plaatsing in een ongewijzigde functie, Plaatsing in een passende functie, Plaatsing in een geschikte functie. 2.5.2. Plaatsing in een ongewijzigde functieAls er sprake is van een ongewijzigde functie, dus wanneer de medewerker functievolger is, wordt de medewerker bij voldoende formatie rechtstreeks op de functie geplaatst. Indien er onvoldoende formatie beschikbaar is (teveel te plaatsen medewerkers voor de functie), dan wordt geplaatst op basis van diensttijd; de functievolger met de langste diensttijd komt het eerst in aanmerking. Medewerkers die hierdoor niet geplaatst kunnen worden in een ongewijzigde functie, worden geplaatst in een passende of geschikte functie. 2.5.3. Plaatsing in een passende functieVervolgens worden medewerkers, aan de hand van de belangstellingsregistratie, op basis van geschiktheid en in tweede instantie op basis van de voorkeur geplaatst in een passende functie. 2.5.4. Plaatsing in een geschikte functieDaarna worden medewerkers, aan de hand van debelangstellingsregistratie, op basis van geschiktheid en in tweede instantie op basis van de voorkeur geplaatst in een geschikte functie. 2.6. Plaatsingsadviescommissie. 2.6.1. Instelling PlaatsingsadviescommissieEr wordt, voorafgaand aan het plaatsingsproces, één PAC ingesteld voor de plaatsing van medewerkers in de RUD’s. 2.6.2. TaakDe PAC adviseert per RUD over het concept-plaatsingsplan en de totstandkoming ervan. De PAC brengt op grond daarvan schriftelijk en gemotiveerd advies uit aan de betreffende Directeur binnen drie weken na ontvangst van het concept plaatsingsplan. De PAC betrekt in zijn advisering aan de Directeur de totaalsituatie van de gezamenlijke concept-plaatsingsplannen. De PAC bewaakt dat de plaatsingsregels goed en zorgvuldig worden toegepast en geeft indien nodig hierover gevraagd en ongevraagd zwaarwegend advies aan de betreffende Directeur. 2.6.3. SamenstellingDe PAC bestaat uit: Twee vertegenwoordigers, aangewezen door vakbonden, Twee vertegenwoordigers, aangewezen door gezamenlijke werkgevers, van wie ten minste één met P&O expertise, en Een door deze vertegenwoordigers aangewezen onafhankelijk voorzitter. Medewerkers in dienst van een RUD en werkgevers van latende organisaties kunnen geen lid zijn van de PAC. Vakbonden en gezamenlijke werkgevers kunnen elk twee plaatsvervangers aanwijzen. De PAC kan een plaatsvervangend onafhankelijke voorzitter aanwijzen. Gezamenlijke werkgevers wijzen een ambtelijke secretaris aan, die geen (plaatsvervangend) lid is van de PAC. 2.6.4. AdviseringDe PAC kan alleen geldige adviezen uitbrengen wanneer ten minste één vertegenwoordiger van vakbonden en één vertegenwoordiger van de gezamenlijke werkgevers (of hun plaatsvervanger) en de voorzitter of diens plaatsvervanger aanwezig zijn. 2.6.5. WerkwijzeDe PAC bepaalt zelf haar werkwijze. De PAC stelt ten behoeve van partijen een evaluatie op. De PAC kan besluiten om zich tijdelijk op te delen in parallel functionerende PAC’s indien de realisatie van de in 2.6.2. genoemde termijn door een tijdelijk te groot werkaanbod in het gedrang komt. 2.6.6. InformatieDe Directeur geeft de PAC alle informatie van de te plaatsen medewerkers die nodig is, zodat de PAC kan vaststellen of sprake is van een ongewijzigde, passende of geschikte functie. Zo nodig kan de PAC aan de Directeur om aanvullende informatie vragen. 2.7. Verschuiving van taken Indien sprake is van verschuiving van taken tussen RUD’s is 2.2., 2.3., 2.5. en 2.6. van overeenkomstige toepassing. 2.8. Plaatsingsbesluiten 2.8.1. Besluit over concept plaatsingsplan en zienswijze medewerkerMet inachtneming van het advies van de PAC (zie 2.6.2.) neemt de Directeur een besluit over het concept plaatsingsplan en maakt op grond daarvan zijn voorgenomen plaatsingsbesluit aan de betrokken medewerker bekend, binnen twee weken na ontvangst van het advies van de PAC. De medewerker ontvangt een schriftelijke bevestiging van het voorgenomen plaatsingsbesluit. De medewerker wordt door de latende organisatie in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze over het voorgenomen plaatsingsbesluit schriftelijk aan te geven bij de Directeur binnen twee weken nadat hij geïnformeerd is over het voorgenomen plaatsingsbesluit. 2.8.2. Definitief plaatsingsbesluitIndien deze zienswijze niet strookt met het voorgenomen plaatsingsbesluit zal de Directeur daarover nader advies vragen aan de PAC. Vervolgens kan de Directeur zijn besluit heroverwegen en het concept plaatsingsplan aanpassen. Vervolgens stelt de Directeur het plaatsingsplan vast en hij informeert alle medewerkers hierover. Heroverweging, eventuele aanpassing, vaststelling en informeren van de medewerkers duurt maximaal drie weken. De medewerker ontvangt een schriftelijke bevestiging van het plaatsingsbesluit. 2.8.3. Bezwaar en beroepOp grond van de Algemene Wet Bestuursrecht kan de medewerker bezwaar en beroep instellen tegen het plaatsingsbesluit. 2.8.4. Schematisch overzicht van de besluitvorming over plaatsingIn schema 2.8.4. worden de stappen uit 2.6.2. en 2.8. op een rij gezet en wordt aangegeven hoe lang iedere stap maximaal duurt. 2.8.5. Verplichtingen werkgeverDe Directeur is verplicht om alle medewerkers die hun taak naar de RUD volgen, te plaatsen. 2.8.6. Verplichtingen medewerkerDe medewerker is verplicht om actief alle mogelijke medewerking te verlenen aan het plaatsingsproces. Hij mag een aangeboden gelijke of passende functie niet weigeren. Hij heeft wel de mogelijkheid om zijn zienswijze te geven. 2.9. Vacatures na plaatsing Na afronding van het plaatsingsproces kunnen er nog vacatures in een RUD zijn. Indien deze vacatures na plaatsing, die ontstaan als uitvloeisel van het plaatsingsproces, direct worden opengesteld, geldt de volgende voorrang van benoeming: Geschikte medewerkers die geplaatst zijn in andere RUD’s en medewerkers van latende organisaties die voor meer dan 50% en voor minder dan 80% taken verrichten die naar een of meer RUD’s gaan (zie 2.2.3.); Geschikte bij de RUD gedetacheerde medewerkers van latende organisaties; Andere kandidaten uit latende organisaties; Medewerkers die niet verbonden zijn aan een RUD of latende organisatie. Indien een medewerker die geplaatst is in een andere RUD en/of een (gedetacheerde) medewerker van een latende organisatie die taken verricht die naar een RUD gaan, solliciteert op een vacature na plaatsing en op grond daarvan aangesteld wordt in de RUD, gelden de rechtspositieregelingen en overgangsmaatregelen in dit GSP. Hoofdstuk 3 – Ontslag en indiensttreding 3.1. Ontslag en indiensttreding De latende organisatie verleent de medewerker die naar een RUD overgaat per datum overgang ontslag. De RUD neemt de medewerker per die datum in dienst met behoud van diensttijd en met dezelfde arbeidsduur per week. De medewerker krijgt in de RUD een functie waarin hij overeenkomstige werkzaamheden verricht als bij de oude werkgever. Indien een dergelijke functie niet beschikbaar is, biedt de RUD een passende of geschikte functie aan, zie hoofdstuk 2. 3.1.1. Ambtelijke status en diensttijdMedewerkers behouden bij overgang naar de RUD hun ambtelijke status. De jaren die bij de latende organisatie als diensttijd aangemerkt zijn, gelden als diensttijd bij de RUD’s en tellen dus mee voor de toepassing van de rechtspositieregelingen van de RUD’s waarin deze diensttijd van belang is. 3.2. Detachering Als uitzondering op artikel 3.1. kan een latende organisatie besluiten tot detachering van medewerkers in de RUD. 3.2.1. Detachering overeenkomstIndien sprake is van detachering, wordt tussen latende organisatie, RUD en betrokken medewerker een overeenkomst opgesteld, waarin afspraken worden geregeld over onder meer de duur, de werkzaamheden en de beoordeling van de gedetacheerde medewerker, e.e.a. rekening houdend met de specifieke regels hieronder. 3.2.2 Wanneer is detachering mogelijkDetachering is alleen mogelijk in de volgende specifieke situaties: - FPU-ers, - Regionale keuze, - Uitzonderlijke individuele situaties. 3.2.2.1. FPU-ersDetachering is mogelijk voor medewerkers die per datum overgang voldoen aan de voorwaarden van de overgangsregeling FPU. Deze medewerkers kunnen ervoor kiezen om in dienst van de oude werkgever te blijven. Deze vorm van detachering eindigt bij vertrek of ontslag van de medewerker wegens pensionering of bij ontslag wegens andere redenen. 3.2.2.2. Regionale keuzeDetachering voor beperkte duur na overdracht van de taken naar de RUD is mogelijk indien de latende organisatie daarvoor kiest en indien de OR van die latende organisatie daarover op grond van WOR art. 25 geadviseerd heeft. Deze vorm van detachering is alleen mogelijk indien in het Bedrijfsplan van de betreffende RUD gekozen is voor een detacheringmodel. Na afloop van deze detacheringperiode treedt de medewerker in dienst van de RUD en gelden vanaf dat moment de overgangsmaatregelen zoals genoemd in hoofdstuk 6. 3.2.2.3. Uitzonderlijke individuele situatiesDetachering is mogelijk wanneer sprake is van een uitzonderlijke individuele situatie van een medewerker, dit ter beoordeling van de latende organisatie. 3.2.3. Bepaling van wie gedetacheerd wordtDe latende organisatie bepaalt op grond van 3.2.2. welke medewerker gedetacheerd wordt. Indien sprake is van situatie 3.2.2.2 (regionale keuze), wordt bij het bepalen van wie gedetacheerd wordt gehandeld in overeenstemming met de plaatsingsregels van hoofdstuk 2. 3.3. Gastheersituaties Een uitzondering op 3.1. is de situatie waarin bepaalde overheadtaken bij een gastheerorganisatie worden ondergebracht. In dat geval worden de plaatsingsregels uit hoofdstuk 2 overeenkomstig toegepast voor plaatsing bij de gastheerorganisatie. De medewerker die dit betreft treedt in dienst bij de gastheer. Op deze medewerker zijn de arbeidsvoorwaarden van de gastheer van toepassing. Indien sprake is van verschillen tussen huidige arbeidsvoorwaarden en die van de gastheer, worden overgangsmaatregelen geregeld die zoveel als mogelijk is in overeenstemming zijn met de strekking van dit GSP. Deze overgangsmaatregelen worden óf, bij kleine aantallen medewerkers, vastgelegd in de individuele aanstelling van de medewerker, óf, bij grotere aantallen medewerkers, geregeld in een apart voor deze specifieke situatie te sluiten sociaal plan. 3.4. Overdracht personeelsgegevens 3.4.1. Overdracht personeelsdossiers naar de RUD’sDe latende organisaties dragen aan de Directeuren de personeelsdossiers over van de medewerkers die overgaan naar de RUD’s. Voorwaarde voor overdracht is dat de medewerker toestemming geeft voor de overdracht van zijn personeelsdossier. De informatie in het PAO die bedoeld is in 6.12.wordt zonder toestemming van de medewerker overgedragen aan de RUD. De medewerker tekent het PAO voor akkoord. 3.4.2. Overdracht Arbo-dossiers naar de ArbodienstAls de RUD een overeenkomst sluit met een arbodienst, dragen de arbodiensten van de oude werkgevers informatie uit de medewerkersdossiers van de arbodiensten over aan de nieuwe arbodienst. Voorwaarde voor overdracht is dat de medewerker toestemming geeft voor de overdracht van zijn arbo-dossier. Hoofdstuk 4 – Aanstelling 4.. Aanstelling voor onbepaalde tijd De medewerker die bij de latende organisatie een aanstelling voor onbepaalde tijd had krijgt die ook bij de RUD. De met de medewerker overeengekomen arbeidsduur per week blijft gelijk. 4.2. Aanstelling voor bepaalde tijd De medewerker die bij de latende organisatie een aanstelling voor bepaalde tijd had krijgt bij de RUD een aanstelling voor bepaalde tijd voor de resterende tijd. De aanstelling wordt na afloop omgezet in onbepaalde tijd wanneer dat ook bij de oude werkgever de bedoeling was. Hoofdstuk 5 – Arbeidsvoorwaarden In dit hoofdstuk worden de arbeidsvoorwaarden beschreven die, in aanvulling op de CAR UWO, van toepassing zijn in de RUD’s. In hoofdstuk 6 worden overgangsmaatregelen beschreven die gelden voor medewerkers die van latende organisaties overgaan naar de RUD’s. 5.1. Werktijdenregeling 5.1.1. Uitgangspunten werktijdenregeling en op wie de regeling van toepassing is 5.1.1.1. UitgangspuntenRUD’s maken actief het ‘Nieuwe Werken’ mogelijk (Preambule, punt 5). Deze werktijdenregeling faciliteert het Nieuwe Werken. Medewerkers bepalen zoveel als mogelijk is zelf hun individuele werktijden. Deze werktijdenregeling omvat de regels en condities daarvoor. Daarbij wordt voor zover mogelijk aangesloten bij de Cao. 5.1.1.2. Voor wie bestemdDe werktijdenregeling geldt voor alle medewerkers in dienst van een RUD. Voor medewerkers in een aantal specifieke functies kan een verplicht rooster van toepassing zijn, zie 5.1.4. 5.1.2. Gebruikelijke werktijden en openingstijdDe gebruikelijke werktijden liggen op maandag tot en met vrijdag tussen 07.00 uur en 22.00 uur. De openingstijden worden door de Directeur vastgesteld na overleg met de OR RUD. 5.1.3. Flexibele werktijdenMedewerkers bepalen zelf hun individuele werktijden, onder de volgende voorwaarden: Bij het bepalen van zijn individuele werktijd houdt de medewerker zich aan de normen van de arbeidstijdenwetgeving, de CAR-UWO, de in 5.1.2. genoemde gebruikelijke werktijden, zijn overeen gekomen arbeidsduur per jaar en de door de leidinggevende uit bedrijfsorganisatorisch oogpunt te stellen randvoorwaarden. Bedrijfsorganisatorische oogpunten zijn onder meer: openingstijden kantoor, noodzakelijk overleg waarbij de aanwezigheid van de medewerker vereist is, minimale bezetting van de afdeling. Bij het bepalen van zijn individuele werktijd houdt de medewerker er rekening mee dat er gedurende de vastgestelde openingstijden (zie 5.1.2.) altijd voldoende bezetting is en dat hij aanwezig is bij centraal afdelingsoverleg. De medewerker dient zijn individuele werktijden zo in te roosteren dat de overeengekomen arbeidsduur per jaar aan het eind van het kalenderjaar gerealiseerd is. De medewerker mag aan het eind van het kalenderjaar een positief werkurensaldo hebben van maximaal 72 uur per jaar. Dit saldo moet worden opgenomen in het volgende jaar. De medewerker legt zijn individuele werktijden vast in een rooster per kwartaal 2 Dit kan ook zo ingevuld worden dat de medewerker meer dan 36 uur per week (de formele arbeidsduur van een voltijder) kan werken en de teveel gewerkte uren op andere momenten in hetzelfde kalenderjaar kan opnemen, e.e.a. binnen de maxima van de arbeidstijdenwetgeving en de CAR-UWO.. Daarbij maakt hij gebruik van een door de RUD te kiezen systeem voor werktijdenmanagement. De Directeur kan, met instemming van de OR RUD, bepalen of en op welke wijze de gewerkte uren en de aanwezigheid van de medewerker geregistreerd wordt. De medewerker en de leidinggevende kunnen in overleg afspraken maken over aanpassing van het rooster. Indien dit overleg niet leidt tot overeenstemming, beslist de Directeur. Dit besluit wordt schriftelijk vastgelegd. De OR RUD wordt steeds over dergelijke besluiten geïnformeerd. Er is tussen 07.00 uur en 22.00 uur geen sprake van overwerk, tenzij de medewerker van zijn leidinggevende expliciet een opdracht krijgt om meer uren te werken dan de feitelijk vastgestelde arbeidsduur per week. De medewerker heeft geen recht op een overwerkvergoeding of een toelage wegens onregelmatige dienst wanneer de medewerker zelf kiest voor een werktijd waarvoor volgens artikel 3.2. en 3.3. van de CAR-UWO een overwerkvergoeding of een onregelmatigheids-toelage geldt. Dit geldt ook wanneer de medewerker langer dan de feitelijke arbeidsduur per dag werkt maar daarvoor geen expliciete opdracht van zijn leidinggevende heeft ontvangen. De medewerker kan de extra gewerkte uren op een ander moment compenseren. 5.1.4. Functies met een verplicht roosterDe Directeur kan met instemming van de OR RUD functies aanwijzen waarvoor een verplicht rooster geldt. Medewerkers in functies waarvoor een verplicht rooster geldt, moeten zich houden aan de werktijden van het rooster. De leidinggevende stelt het verplichte rooster op. Daarbij moet hij rekening houden met de volgende criteria: Het verplichte rooster wordt per roosterperiode vastgesteld door de leidinggevende na overleg met de medewerker en rekening houdend met de belangen van de collega’s in de afdeling / het team; De minimale roosterperiode is een kwartaal. Roosters zijn ten minste een maand voordat het rooster ingaat bekend; De leidinggevende is bevoegd om, indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, in te grijpen in het rooster; De medewerker wordt zoveel als mogelijk is de gelegenheid geboden om desgewenst voor hem belangrijke religieuze bijeenkomsten bij te wonen; Voor de medewerkers die werken in een verplicht rooster geldt het dagvenster volgens CAR-UWO artikel 3.3.; Werken volgens rooster buiten het dagvenster wordt vergoed met de buitendagvenstervergoeding uit de Cao; Bij het regelen van de werktijden is de Arbeidstijdenwet van toepassing. 5.1.5. Aanvulling op de werktijdenregelingDe Directeur kan deze werktijdenregeling met instemming van de OR RUD aanvullen of nader uitwerken. 5.2. Feestdagen en verlof Feestdagen zijn de dagen die zo genoemd worden in de CAR-UWO. Naast vakantieverlof, zoals geregeld in de CAR-UWO (22 dagen) heeft een medewerker recht op drie dagen vakantieverlof per jaar. De werkgever kan met instemming van de OR RUD maximaal drie dagen aanwijzen als collectieve verlofdag. De duur van een opgenomen vakantieverlofdag komt overeen met de arbeidsduur per dag (zie CAR-UWO art. 1.1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.