Beleidsregelsre-integratieKerkrade2015Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: de wet: de Participatiewet, onderscheidenlijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; college; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade; de doelgroep: de doelgroep als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, artikel 34 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en artikel 34 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Hoofdstuk2.Voorzieningen Paragraaf1.Algemene bepalingen over voorzieningen Artikel2.Weigeren en beëindigen van voorzieningen 1.Het college weigert een voorziening in het kader van deze beleidsregels in ieder geval, indien: de niet-uitkeringsgerechtigde, dan wel diens partner, een inkomen geniet dat minimaal gelijk is aan 150 procent van het netto wettelijk minimumloon; de niet-uitkeringsgerechtigde of de Anw-er eerder een voorziening krachtens de Participatiewet dan wel de Wet werk en bijstand verwijtbaar heeft beëindigd; de persoon niet langer tot de doelgroep van de Participatiewet, dan wel de Participatieverordening behoort. 2.Het college kan een voorziening beëindigen, indien: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen dienaangaande niet nakomt; de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de verordening; de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de persoon niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening. Paragraaf2.Voorzieningen Artikel3.Re-integratietraject Het college kan aan personen uit de doelgroep een re-integratietraject aanbieden. Een dergelijk traject kan bestaan uit activiteiten bij de re-integratieketenpartners van het college, uit één of meer voorzieningen als bedoeld in de volgende paragraaf, dan wel uit een combinatie hiervan. Tevoren dient in een plan te worden beschreven welke stappen naar het oordeel van het college dienen te worden gezet. Het plan komt in samenwerking met de belanghebbende tot stand, maar behoeft niet noodzakelijkerwijs diens instemming. Het plan wordt als bijlage bij een beschikking aan de belanghebbende bekendgemaakt. Artikel4.Werkervaringsplaats 1.Het college kan personen uit de doelgroep, uitgezonderd de niet-uitkeringsgerechtigde, een werkervaringsplaats aanbieden. De werkervaringsplaats bestaat uit het werken met behoud van uitkering, gedurende een bepaalde periode. 2.Het doel van de werkervaringsplaats kan bijvoorbeeld zijn het vervullen van een stage, het leren functioneren in een arbeidsrelatie, het opdoen van werkervaring, en is steeds gericht op reguliere uitstroom. 3.De werkervaringsplaats mag maximaal drie maanden worden ingezet, op individuele gronden bij dezelfde werkgever eenmalig te verlengen tot een totaal van maximaal zes maanden. 4.In bijzondere situaties is het toegestaan om nogmaals een werkervaringsplaats aan te bieden bij een andere werkgever, waarbij het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing is. 5.Het college plaatst de persoon alleen, indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en daardoor evenmin verdringing plaatsvindt. 6.In een plan wordt tenminste vastgelegd het doel van de werkervaringsplaats, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 7.In een overeenkomst tussen de werkgever en de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt minimaal vastgelegd dat de werkgever ten behoeve van deze persoon de noodzakelijke verzekeringen afsluit. Artikel5.Sociale activering 1.Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering. 2.Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of vrijwilligerswerk ter voorbereiding op de start van een traject gericht op arbeidsinschakeling of gericht op het voorkomen van een sociaal isolement. Artikel6.Scholing 1.Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan scholing worden aangeboden. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden als dit naar het oordeel van het college de krachten of bekwaamheden van de belanghebbende te boven gaat of niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 2.Als een persoon additionele werkzaamheden verricht en niet beschikt over een startkwalificatie, bekijkt het college na een periode van zes maanden na aanvang van die werkzaamheden in hoeverre scholing of opleiding de toegang tot de arbeidsmarkt kan bevorderen. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden als dit naar het oordeel van het college de krachten of bekwaamheden van belanghebbende te boven gaat of niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel7.Participatieplaats 1.Het college kan aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. 2.Het doel van een participatieplaats is personen die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn door middel van het aanbieden van additioneel werk een stap richting arbeidsinschakeling te laten zetten. 3.Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid dient een belanghebbende onder verantwoordelijkheid van de gemeente additionele werkzaamheden te verrichten. 4.Het college plaatst de persoon alleen, indien met zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien met zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 5.Het college draagt er zorg voor dat de participatieplaats wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die zowel door het college, de werkgever als de belanghebbende wordt getekend. In deze overeenkomst wordt minimaal vastgelegd dat de werkgever ten behoeve van deze persoon de noodzakelijke verzekeringen afsluit. 6.Er kan door het college na een periode van drie maanden een vergoeding in rekening worden gebracht bij de inlenende organisatie. 7.Er wordt aan de betrokkene geen vergoeding verstrekt voor de kosten van premie en reiskosten als de werkgever een vergoeding geeft voor deze kosten. Artikel8.Verwervingskosten 1.Het college kan in het kader van de arbeidsinschakeling kosten vergoeden die verband houden met deelname aan een door het college aangeboden voorziening in het kader van deze verordening en die buiten het bereik van de andere voorzieningen liggen, Er dient daarbij sprake te zijn van kosten die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet voor rekening van betrokkene behoeven te komen. 2.Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoedingen bestaat, indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor belanghebbende toereikend en passend te zijn. Hoofdstuk3.Slotbepalingen Artikel9.Budgetplafond Het college kan jaarlijks een budgetplafond vaststellen voor de financiering van de aanspraak op de in deze beleidsregels genoemde voorzieningen. Een dergelijk plafond dient uiterlijk in de eerste maand van het desbetreffende kalenderjaar te worden vastgesteld en gepubliceerd. Artikel10.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel11.Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.