(Gereserveerd] Hoofdstuk 2. Gebiedsaanwijzing Paragraaf 1. Grondwaterbeschermingsgebieden 1[Toelichting: Algemeen In deze paragraaf zijn nadere regels opgenomen voor de bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning. Er bestaat onderscheid in regels tussen de zones waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone. Een waterwingebied is het meest kwetsbare deel van een gebied dat met het oog op de kwaliteit van het grondwater voor de waterwinning wordt beschermd. Het betreft het gebied waarin de winputten zijn gelegen. In beginsel zijn in deze gebieden geen activiteiten toegestaan die niet direct samenhangen met de winning. Grondwaterbeschermingsgebieden liggen rondom de waterwingebieden. Deze gebieden zijn, gezien de langere verblijftijden van het op te pompen grondwater, minder kwetsbaar dan waterwingebieden. Boringsvrije zones zijn gebieden waarin zich kleilagen in de bodem bevinden die het te winnen grondwater beschermen tegen verontreiniging. Deze gebieden zijn daarom niet kwetsbaar, de beschermingsregels zijn er alleen op gericht deze beschermende lagen niet aan te tasten. Ook wordt onderscheid gemaakt in regels voor inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer (subparagraaf 1b) en regels voor activiteiten buiten inrichtingen (subparagraaf 1c). In subparagraaf 1d zijn procedureregels opgenomen voor de afwikkeling van verzoeken om schadevergoeding. Inrichtingen Subparagraaf 1b bevat regels voor vergunningplichtige en niet-vergunningplichtige inrichtingen. De bestaande regels voor inrichtingen zijn overgenomen in dit besluit. Het gaat om de volgende regels: 1. een verbod om bepaalde inrichtingen op te richten, in werking te hebben of de werking ervan te veranderen; 2. algemene voorschriften voor niet-vergunningplichtige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden; 3. instructieregels voor gemeenten om voorschriften te verbinden aan vergunningen voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Op enkele onderdelen zijn de regels aangepast. De regelgeving voor bedrijven binnen de grondwaterbeschermingsgebieden wordt minder en flexibeler. Meer maatwerk is mogelijk omdat het accent wordt gelegd op doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften. Meer dan voorheen wordt ruimte geboden om met lokaalspecifieke situaties rekening te houden. Door maatwerk kunnen ook in sommige situaties de kosten van te nemen maatregelen aanzienlijk worden beperkt. Regels en voorschriften voor activiteiten waarvan de risico's op verontreiniging beperkt zijn en voldoende worden afgevangen door het landelijke beschermingsniveau zijn vervallen. Activiteiten buiten inrichtingen Subparagraaf 1c bevat regels voor activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. De regels die gelden in waterwingebieden en boringsvrije zones blijven nagenoeg ongewijzigd. De regels voor grondwaterbeschermingsgebieden zijn wel aangepast. Een groot aantal regels zijn vervallen omdat de risico's van de betreffende activiteiten met het landelijke beschermingsniveau en de zorgplichtbepaling voldoende afgevangen. Het gaat ondermeer om regels voor gebruik en kleinschalige opslag van dierlijke meststoffen en compost en bovengrondse olie-opslag. Ook zijn vervallen de regels voor het tot stand brengen van (dieren)begraafplaatsen en uitstrooivelden, wegen, parkeerplaatsen, terreinen voor gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, incidentele woningbouw tot 10 woningen en kleinschalige recreatievoorzieningen. Verder gelden geen extra regels meer voor het gebruik van bouwstoffen (niet zijnde grond), de lozing van huishoudelijk afvalwater, de aanleg van gasleidingen en van voorzieningen voor de inzameling en transport van afvalwater. Voor de volgende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden buiten inrichtingen zijn de regels gehandhaafd: bestrijdingsmiddelen, meststoffen, bouwstoffen (grond), lozingen, constructies, mechanische ingrepen en bodemenergiesystemen. Nieuw zijn de regels voor bodemenergiesystemen. Voor deze systemen wordt in alle zones een absoluut verbod opgenomen, gelet op de onzekerheid van de risico's en in afwachting van resultaten van proefprojecten. Schadevergoeding Subparagraaf 1d bevat enkele procedurele bepalingen met betrekking tot de totstandkoming van een beslissing over de vergoeding van schade en kosten door het van toepassing worden van grondwaterbeschermingsregels. De bepalingen vormen een uitwerking van artikel 15.21, eerste lid, onder a, juncto artikel 15.20 en 15.22 van de Wet milieubeheer. Strafbaarstelling Het niet nakomen van de rechtstreeks werkende regels in deze paragraaf is een strafbaar feit op grond van artikel 6.2, derde lid van de Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel. ] Subparagraaf 1a. Algemeen Artikel 2.1. Begripsbepalingen 2 [Toelichting: In dit artikel zijn de definities uit de Provinciale milieuverordening Overijssel 1995 (PMV) grotendeels ongewijzigd overgenomen. ] In paragraaf 1 en in de bijlagen bij die paragraaf wordt verstaan onder: a. verordening: Verordening voor de fysieke leefomgeving Overijssel; b. milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning: gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer; c. waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone: zones van milieubeschermingsgebieden als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening; d. bodem: bodem als bedoeld in de Wet bodembescherming; e. schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen; f. bestrijdingsmiddelen: bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962; g. meststoffen: meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet en de Meststoffenwet 1947, waaronder begrepen compost, zwarte grond en zuiveringsslib als bedoeld in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (BOOM); h. werk, bouwstof, grond, schone grond, categorie 1-bouwstof, categorie 2-bouwstof: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming; i. MVR-grond: MVR-grond als bedoeld in de Vrijstellingsregeling samenstellings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit; j. licht verontreinigde grond: licht verontreinigde grond als bedoeld in de Vrijstellingsregeling grondverzet; k. lozing in de bodem van huishoudelijk afvalwater, koelwater en overige vloeistoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Lozingenbesluit bodembescherming; l. mechanische ingreep: een werk op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, waaronder begrepen boringen; m. begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as: begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging alsmede dierenbegraafplaatsen; n. gebouw: een gebouw als bedoeld in de Woningwet; o. bodemenergiesystemen: energieopslagsystemen en warmtepompensystemen; p. energieopslagsystemen: systemen waarbij door middel van het onttrekken en infiltreren van grondwater als bedoeld in de Grondwaterwet, energie in de bodem wordt opgeslagen; q. PGS 3: publicatie 3 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen van het ministerie van VROM, getiteld ‘Richtlijnen voor kwantitatieve risicoanalyse’; r. grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 15.34, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Subparagraaf 1b. Inrichtingen Artikel 2.2. Verbodsbepalingen 3 [Toelichting: Gezien de kwetsbaarheid van de waterwingebieden (ligging in de directe nabijheid van de winputten), mogen in deze gebieden alleen inrichtingen worden opgericht die voor de waterwinning noodzakelijk zijn. Voor oprichting van andere inrichtingen geldt op basis van dit artikellid een verbod.] 1. Het is verboden in waterwingebieden een inrichting, als bedoeld in de bijlagen I, II en III bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, op te richten; 4[Toelichting: Gezien de kwetsbaarheid van de waterwingebieden (ligging in de directe nabijheid van de winputten), mogen in deze gebieden alleen inrichtingen worden opgericht die voor de waterwinning noodzakelijk zijn. Voor oprichting van andere inrichtingen geldt op basis van dit artikellid een verbod. Bestaande inrichtingen binnen waterwingebieden mogen worden veranderd als dit geen nadelige gevolgen heeft voor de waterwinning. Deze bepalingen hebben tot gevolg dat een aanvraag om een milieuvergunning voor het oprichten of het wijzigen van een inrichting moet worden geweigerd, wanneer daardoor de risico’s van aantasting van de grondwaterkwaliteit toenemen. Het bevoegde gezag is aan deze bepaling gebonden op basis van artikel 8.10, tweede lid van de Wet milieubeheer. In het kader van de vergunningverlening door de gemeente zijn Gedeputeerde Staten adviseur. Bij de beoordeling of bij verandering van een bestaande inrichting geen sprake is van nadelige gevolgen, kan gebruik worden gemaakt van het TNO-rapport ‘Een methodiek voor de bepaling van het risico van bodemverontreiniging door bedrijven’ (TNO, augustus 1990).] 2. Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in het eerste lid te veranderen of de werking van een inrichting als bedoeld in het eerste lid te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering voor wat betreft aard of omvang nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning;5[Toelichting: Bestaande inrichtingen binnen waterwingebieden mogen worden veranderd als dit geen nadelige gevolgen heeft voor de waterwinning. Deze bepalingen hebben tot gevolg dat een aanvraag om een milieuvergunning voor het oprichten of het wijzigen van een inrichting moet worden geweigerd, wanneer daardoor de risico’s van aantasting van de grondwaterkwaliteit toenemen. Het bevoegde gezag is aan deze bepaling gebonden op basis van artikel 8.10, tweede lid van de Wet milieubeheer. In het kader van de vergunningverlening door de gemeente zijn Gedeputeerde Staten adviseur. Bij de beoordeling of bij verandering van een bestaande inrichting geen sprake is van nadelige gevolgen, kan gebruik worden gemaakt van het TNO-rapport ‘Een methodiek voor de bepaling van het risico van bodemverontreiniging door bedrijven’ (TNO, augustus 1990). In dit artikellid is een verbod opgenomen om de in bijlage 1 aangewezen categorieën van inrichtingen op te richten in grondwaterbeschermingsgebieden. In bijlage 1 zijn opgenomen de categorieën bedrijven met een bodemindex 2 en 3 volgens de brochure Bedrijven en milieuzonering, VNG, Groene reeks nr. 80, juli 1992. De VNG-brochure is inmiddels vernieuwd. Wij hebben ervoor gekozen de huidige lijst te handhaven, in afwachting van de totstandkoming van een nieuwe verbodslijst. Deze nieuwe lijst wordt in 2007 verwacht. De lijst van verboden inrichtingen is zowel van toepassing op vergunningplichtige als op niet-vergunningplichtige inrichtingen. Tot dusver is de lijst star geïnterpreteerd: de inrichting is verboden als deze op de lijst staat, terwijl de inrichting is toegestaan als deze niet voorkomt op de lijst. Dit heeft soms tot ongewenste situaties geleid, bijvoorbeeld het niet toestaan van de oprichting van biologische tuinbouwbedrijven. Uit recente jurisprudentie blijkt echter dat bij elke vergunning een afzonderlijke beoordeling (een individuele toets) moet plaatsvinden, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval. De activiteiten moeten elk afzonderlijk worden beoordeeld. Dat kan ertoe leiden dat het bevoegde gezag voor de vergunningverlening in een individueel geval afwijkt van de verbodslijst.] 3. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage 1 bij dit besluit opgenomen lijst; 6[Toelichting: In dit artikellid is een verbod opgenomen om de in bijlage 1 aangewezen categorieën van inrichtingen op te richten in grondwaterbeschermingsgebieden. In bijlage 1 zijn opgenomen de categorieën bedrijven met een bodemindex 2 en 3 volgens de brochure Bedrijven en milieuzonering, VNG, Groene reeks nr. 80, juli 1992. De VNG-brochure is inmiddels vernieuwd. Wij hebben ervoor gekozen de huidige lijst te handhaven, in afwachting van de totstandkoming van een nieuwe verbodslijst. Deze nieuwe lijst wordt in 2007 verwacht. De lijst van verboden inrichtingen is zowel van toepassing op vergunningplichtige als op niet-vergunningplichtige inrichtingen. Tot dusver is de lijst star geïnterpreteerd: de inrichting is verboden als deze op de lijst staat, terwijl de inrichting is toegestaan als deze niet voorkomt op de lijst. Dit heeft soms tot ongewenste situaties geleid, bijvoorbeeld het niet toestaan van de oprichting van biologische tuinbouwbedrijven. Uit recente jurisprudentie blijkt echter dat bij elke vergunning een afzonderlijke beoordeling (een individuele toets) moet plaatsvinden, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval. De activiteiten moeten elk afzonderlijk worden beoordeeld. Dat kan ertoe leiden dat het bevoegde gezag voor de vergunningverlening in een individueel geval afwijkt van de verbodslijst. Deze bepaling bevat een verbod voor het veranderen van de werking van een inrichting met betrekking tot de opslag van vloeibare aardolieproducten als dit nadelige gevolgen heeft voor de grondwaterbescherming. De bepaling heeft betrekking op tankstations, maar ook op opslagen van huisbrandolie bij particulieren (> 1 m3). Het gaat niet alleen om inrichtingen die uitsluitend bestaan uit een ondergrondse opslag, maar ook om inrichtingen die zijn samengesteld uit meerdere onderdelen, waaronder een ondergrondse opslag. Het verbod heeft betrekking op de vervanging of uitbreiding van bestaande ondergrondse opslagen. Aan het verlenen van toestemming voor uitbreiding van de ondergrondse opslag door het bevoegde gezag (meestal Burgemeester en wethouders), wordt de voorwaarde gekoppeld dat aangetoond moet worden dat het risico voor grondwaterverontreiniging door de uitbreiding niet toeneemt. Als basis kan dienen het in de toelichting op artikel 2, tweede lid, genoemde rapport van TNO. Bijlage 8 van dat rapport is toegesneden op tankstations. Onder ‘nadelige gevolgen’ wordt in elk geval verstaan de installatie van een ondergrondse kunststof tank voor de opslag van vloeibare aardolieproducten.] 4. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden de werking te veranderen van: Deze 7[Toelichting: bepaling bevat een verbod voor het veranderen van de werking van een inrichting met betrekking tot de opslag van vloeibare aardolieproducten als dit nadelige gevolgen heeft voor de grondwaterbescherming. De bepaling heeft betrekking op tankstations, maar ook op opslagen van huisbrandolie bij particulieren (> 1 m3). Het gaat niet alleen om inrichtingen die uitsluitend bestaan uit een ondergrondse opslag, maar ook om inrichtingen die zijn samengesteld uit meerdere onderdelen, waaronder een ondergrondse opslag. Het verbod heeft betrekking op de vervanging of uitbreiding van bestaande ondergrondse opslagen. Aan het verlenen van toestemming voor uitbreiding van de ondergrondse opslag door het bevoegde gezag (meestal Burgemeester en wethouders), wordt de voorwaarde gekoppeld dat aangetoond moet worden dat het risico voor grondwaterverontreiniging door de uitbreiding niet toeneemt. Als basis kan dienen het in de toelichting op artikel 2, tweede lid, genoemde rapport van TNO. Bijlage 8 van dat rapport is toegesneden op tankstations. Onder ‘nadelige gevolgen' wordt in elk geval verstaan de installatie van een ondergrondse kunststof tank voor de opslag van vloeibare aardolieproducten.] een inrichting als bedoeld in categorie 5 van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, waarin de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen ondergronds plaatsvindt; inrichting als bedoeld in de categorieën 1 tot en met 4 en 6 tot en met 29 van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, waarbinnen zich een of meer ondergrondse tanks voor de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen bevinden, voor wat betreft de onder a en b genoemde opslag, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft aard of omvang nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; 5. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting in werking te hebben indien binnen die inrichting een lozing van koelwater of een lozing van overige vloeistoffen in de bodem plaatsvindt; 8[Toelichting: Het verbod voor de lozing van huishoudelijk afvalwater vervalt. Het Lozingenbesluit bodembescherming biedt op dit punt voldoende bescherming. Gelet op de risico’s van opwarming of verontreiniging van het grondwater, blijft het verbod voor het lozen van koelwater en overige vloeistoffen gehandhaafd. Als nieuwe verbodsbepaling wordt opgenomen dat geen bodemenergiesystemen mogen worden toegepast. Dit vanwege de onzekerheid over de daadwerkelijke risico’s van dergelijke systemen en in afwachting van resultaten van landelijke proefprojecten. Het verbod geldt voor inrichtingen binnen waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden.] 6. Het is verboden in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting in werking te hebben, indien binnen die inrichting een bodemenergiesysteem wordt toegepast; 9[Toelichting: Als nieuwe verbodsbepaling wordt opgenomen dat geen bodemenergiesystemen mogen worden toegepast. Dit vanwege de onzekerheid over de daadwerkelijke risico’s van dergelijke systemen en in afwachting van resultaten van landelijke proefprojecten. Het verbod geldt voor inrichtingen binnen waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Het verbod geldt voor toepassing van een bodemenergiesysteem geldt ook voor boringsvrije zones, voor zover dit systeem plaats vindt in het watervoerende pakket waarvoor de bescherming is ingesteld.] 7. Het is verboden in boringsvrije zones een inrichting in werking te hebben, indien binnen die inrichting een bodemenergiesysteem wordt toegepast dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan, Deventer-Zutphenseweg en Engelse Werk te Zwolle en dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede; 10[Toelichting: Het verbod geldt voor toepassing van een bodemenergiesysteem geldt ook voor boringsvrije zones, voor zover dit systeem plaats vindt in het watervoerende pakket waarvoor de bescherming is ingesteld. Deze bepaling bevat een verbod om niet-vergunningpichtige inrichtingen in werking te hebben, die behoren tot een categorie in bijlage 2. Het gaat om inrichtingen die onder een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vallen op basis van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en daarom geen vergunning nodig hebben. Binnen deze inrichtingen vinden activiteiten plaats die een bedreiging kunnen vormen voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. De inrichtingen mogen alleen in werking zijn wanneer wordt voldaan aan de algemene voorschriften op grond van artikel 2.4. Burgemeester en wethouders zijn op grond van de AMvB bevoegd gezag voor deze inrichtingen.] 8. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting in werking te hebben waarvoor het in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer gestelde verbod niet geldt, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 2 bij dit besluit; 11[Toelichting: Deze bepaling bevat een verbod om niet-vergunningpichtige inrichtingen in werking te hebben, die behoren tot een categorie in bijlage 2. Het gaat om inrichtingen die onder een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vallen op basis van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en daarom geen vergunning nodig hebben. Binnen deze inrichtingen vinden activiteiten plaats die een bedreiging kunnen vormen voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. De inrichtingen mogen alleen in werking zijn wanneer wordt voldaan aan de algemene voorschriften op grond van artikel 2.4. Burgemeester en wethouders zijn op grond van de AMvB bevoegd gezag voor deze inrichtingen. Wanneer binnen niet-vergunningplichtige inrichtingen mechanische ingrepen plaats vinden, moet worden voldaan aan de voorschriften voor boringsvrije zones uit bijlage 3. De voorschriften zijn erop gericht dat de beschermende lagen niet worden aangetast. Voor niet-vergunningplichtige inrichtingen bestond op dit punt een omissie in de regels.] 9. Het is verboden in boringsvrije zones een inrichting in werking te hebben waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt, indien binnen die inrichting een mechanische ingreep plaatsvindt dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan, Deventer-Zutphenseweg en Engelse Werk te Zwolle en dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede. 12[Toelichting: Wanneer binnen niet-vergunningplichtige inrichtingen mechanische ingrepen plaats vinden, moet worden voldaan aan de voorschriften voor boringsvrije zones uit bijlage 3. De voorschriften zijn erop gericht dat de beschermende lagen niet worden aangetast. Voor niet-vergunningplichtige inrichtingen bestond op dit punt een omissie in de regels.] Artikel 2.3. Vrijstellingen en algemene voorschriften 1. De in artikel 2.2, eerste, tweede en derde lid gestelde verboden gelden niet voor inrichtingen voor de onttrekking van grondwater ten behoeve van de waterwinning, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover het oprichten, veranderen of veranderen van de werking redelijkerwijs noodzakelijk is voor de waterwinning. 13[Toelichting: Een vrijstelling in waterwingebieden geldt voor het oprichten en veranderen van het pompstation van het waterleidingbedrijf en voor andere inrichtingen die voor de waterwinning noodzakelijk zijn. Het oprichtingsverbod voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden geldt niet voor een inrichting die nodig is in verband met de waterwinning.] 2. De in artikel 2.2, achtste en negende lid gestelde verboden gelden niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 bij dit besluit voor zover in die bijlage is aangegeven dat deze voorschriften van toepassing zijn in de daarbij aangegeven categorieën van gevallen. 14[Toelichting: Deze bepaling is ongewijzigd. De verboden van artikel 2.2, achtste en negende lid, gelden niet voor het in werking hebben van niet-vergunningverplichtige inrichtingen, wanneer wordt voldaan aan algemene voorschriften en nadere eisen. Wanneer niet aan de voorschriften kan worden voldaan, treedt het verbod opnieuw in werking. De voorschriften voor niet-vergunningplichtige inrichtingen gelden aanvullend op de regels uit de betreffende AMvB en hebben tot doel het risico van aantasting van de grondwaterkwaliteit te beperken. De oprichting van een niet-vergunningplichtige inrichting die voorkomt op de lijst van verboden inrichtingen is verboden. In dat geval zijn de voorschriften niet van toepassing. De voorschriften zijn geactualiseerd, aangepast en samengevoegd. Gelet op het noodzakelijke bijzondere beschermingsniveau, is in de voorschriften voor inrichtingen in de beschermingsgebieden in vergelijking met de landelijke regels een zwaarder accent gelegd op vloeistofdichte voorzieningen. Waar mogelijk zijn middelvoorschriften vervangen door doelvoorschriften. Met doelvoorschriften heeft een bedrijf meer mogelijkheden om de te nemen beschermende maatregelen en voorzieningen aan te passen aan locatiespecifieke omstandigheden. De voorschriften zijn verder op de volgende onderdelen aangepast: a. De voorschriften voor de opslag van dierlijke vaste mest en dierlijke vloeibare mest (met uitzondering van foliebassins en mestzakken), wasplaatsen en bouw- en aanlegwerkzaamheden zijn vervallen. b. Bij een aantal activiteiten zijn de volgende voorschriften vervallen- bij aanvang en beëindiging van diverse activiteiten moet een BSB-nulsituatie-onderzoek worden uitgevoerd; \- de tank voor de opslag van vloeibare schadelijke stoffen dient bestand te zijn tegen de stof die er in wordt opgeslagen; - de opslag van vloeibare schadelijke stoffen moet plaatsvinden in een vloeistofdichte bak die de ten minste de hoeveelheid opgeslagen vloeistof kan bevatten. c. De voorschriften voor wegen en parkeerplaatsen zijn aangepast, meer afgestemd op de daadwerkelijke risico's. De voorschriften ad 1 en 2 zijn vervallen omdat deze nu voldoende zijn geregeld in breed toegepaste richtlijnen voor vergunningverlening van het ministerie van VROM. De bepalingen worden daardoor afgedekt door het landelijke beschermingsniveau en is het niet langer noodzakelijk hierover aanvullende bepalingen in provinciale voorschriften op te nemen. De voorschriften zijn in overeenstemming gebracht met de voorschriften van de instructieregels voor vergunningplichtige inrichtingen (zie hierna onder artikel 2.4). Dit komt de rechtsgelijkheid ten goede. Met de gemeenten zijn afspraken gemaakt over de uitvoering en handhaving van de voorschriften: de gemeente zendt degene die een melding doet op grond van een AMvB de betreffende aanvullende provinciale voorschriften toe en ziet toe op de naleving ervan. ] 3. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het tweede lid dan wel nadere eisen stellen, wijzigen, aanvullen of intrekken voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 bij dit besluit. 15[Toelichting: De voorschriften van het tweede lid zijn in het algemeen afdoende om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Specifieke locale omstandigheden kunnen echter aanleiding zijn tot het stellen van aanvullende voorschriften. Het instrument nadere eisen biedt hiertoe de mogelijkheid. Met dit instrument kan het bevoegde gezag tot een op een concrete situatie toegesneden, doelmatige oplossing komen. De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is bedoeld voor die gevallen waarin de situatie in een inrichting zodanig is dat ofwel de voorschriften nader moeten worden uitgewerkt ofwel die situatie in de voorschriften niet is voorzien. Gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument nadere eisen kan worden verwacht dat het gebruik beperkt zal blijven tot bijzondere en incidentele gevallen. Het stellen van nadere eisen is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. ] 4. De voorschriften en nadere eisen als bedoeld in het tweede en derde lid gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften en nadere eisen worden nageleefd. 16[Toelichting: De voorschriften en nadere eisen gelden voor degene die inrichting drijft. Binnen het stelsel van milieuwetgeving wordt degene die de inrichting drijft, primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de voorschriften en nadere eisen. In artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is dat zo verwoord dat degene die de inrichting drijft ervoor zorg draagt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Dit brengt met zich mee dat degene die eindverantwoordelijkheid voor het functioneren van de inrichting draagt, maatregelen treft om te waarborgen dat de voorschriften en nadere eisen worden nageleefd en dat grondwaterbedreigende situaties worden voorkomen. Er bestaat geen verplichting voor degene die de inrichting drijft om een melding in te dienen bij Gedeputeerde Staten. Dit gold ook niet op basis van de vroegere regels. Met de gemeente, meestal het bevoegde gezag voor de niet-vergunningplichtige inrichtingen, zijn afspraken gemaakt over de uitvoering en handhaving van de provinciale regels. Bij ontvangst van een melding van een niet-vergunningplichtige inrichting op basis van de landelijke AMvB, zal de gemeente de betreffende ondernemer wijzen op de aanvullende provinciale voorschriften in dit besluit. Ook ziet de gemeente toe op de naleving van de voorschriften.] Artikel 2.4. Instructieregels 17[Toelichting: Dit artikel is een uitwerking van de bevoegdheid die artikel 2.8 van de Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel aan Gedeputeerde Staten geeft om aan het bevoegde gezag voor inrichtingen (meestal Burgemeester en wethouders) beperkingen of voorschriften op te dragen die nodig zijn ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater voor de waterwinning. De regels zijn ongewijzigd, behoudens de aanpassingen die genoemd zijn in de toelichting op artikel 2.3, tweede lid. De provincie heeft op grond van de artikel 7.1, eerste lid onder b van het Inrichtingen- en vergunningbesluit bij de Wet milieubeheer een adviserende bevoegdheid inzake de vergunningverlening voor inrichtingen. Aldus kan toezicht worden uitgeoefend op de nakoming van de instructies bij vergunningverlening. In het eerste lid van artikel 2.4 worden de categorieën inrichtingen genoemd waarvoor de voorschriften gelden. ] 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting als bedoeld in categorie 1 tot en met 29 van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. 18[Toelichting: In het eerste lid van artikel 2.4 worden de categorieën inrichtingen genoemd waarvoor de voorschriften gelden. In dit lid worden aan het bevoegd gezag instructies gegeven om de voorschriften van bijlage 3 te verbinden aan vergunningen voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.] 2. Indien het bevoegde gezag een vergunning verleent krachtens hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer voor een inrichting die is of zal zijn gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone, worden aan de vergunning in ieder geval de beperkingen aangebracht en de voorschriften verbonden zoals aangegeven in bijlage 3 bij dit besluit, voor zover in die bijlage is aangegeven dat deze beperkingen en voorschriften van toepassing zijn in de daarbij aangegeven categorieën van gevallen; 19[Toelichting: In dit lid worden aan het bevoegd gezag instructies gegeven om de voorschriften van bijlage 3 te verbinden aan vergunningen voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. In bijlage 3, onder B, is in de laatste kolom aangegeven in hoeverre van de beperkingen en voorschriften kan worden afgeweken, dan wel nadere eisen kunnen worden gesteld.] 3. Het bevoegde gezag kan afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het tweede lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 bij dit besluit. Een nadere eis wordt gesteld als voorschrift dat aan de vergunning wordt verbonden. 20[Toelichting: In bijlage 3, onder B, is in de laatste kolom aangegeven in hoeverre van de beperkingen en voorschriften kan worden afgeweken, dan wel nadere eisen kunnen worden gesteld.] Subparagraaf 1c. Activiteiten buiten inrichtingen Artikel 2.5. Verbodsbepalingen 21 [Toelichting: In het eerste lid zijn de verbodsbepalingen voor waterwingebieden opgenomen. In principe zijn alle activiteiten die niet direct in verband staan met de waterwinning verboden. De verboden zijn samengevoegd tot twee bepalingen, genoemd onder a en b. Een verbod om bodemenergiesystemen tot stand te brengen is toegevoegd, gelet op de onzekerheid van de risico’s en in afwachting van resultaten van proefprojecten. De inhoud is verder niet veranderd. ] 1. Het is in waterwingebieden verboden om buiten inrichtingen:22[Toelichting: In het eerste lid zijn de verbodsbepalingen voor waterwingebieden opgenomen. In principe zijn alle activiteiten die niet direct in verband staan met de waterwinning verboden. De verboden zijn samengevoegd tot twee bepalingen, genoemd onder a en b. Een verbod om bodemenergiesystemen tot stand te brengen is toegevoegd, gelet op de onzekerheid van de risico’s en in afwachting van resultaten van proefprojecten. De inhoud is verder niet veranderd. ] schadelijke stoffen op of in de bodem te brengen, te hebben, te gebruiken of te vervoeren; onder schadelijke stoffen wordt in ieder geval begrepen aardolieproducten, bestrijdingsmiddelen, meststoffen, grond en andere bouwstoffen, huishoudelijk afvalwater, koelwater, overige vloeistoffen en afvalstoffen; constructies of werken van welke aard dan ook op of in de bodem tot stand te brengen, uit te voeren, te hebben, te gebruiken, te wijzigen of uit te breiden als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; onder constructies of werken wordt in ieder geval begrepen leidingen, installaties, opslagreservoirs, mechanische ingrepen, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as, wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, recreatieve voorzieningen, gebouwen en bodemenergiesystemen. 2. Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om buiten inrichtingen:23[Toelichting: Voor een aantal activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden zijn de verbodsbepalingen geschrapt. Het gaat om gebruik en opslag van dierlijke meststoffen en compost, schadelijke stoffen en afvalstoffen, kleinschalige bovengrondse opslag van olie, het tot stand brengen van (dieren)begraafplaatsen en uitstrooivelden, wegen, parkeerplaatsen, terreinen voor gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, incidentele woningbouw tot 10 woningen, kleinschalige recreatievoorzieningen. Ook het verbod voor de lozing van huishoudelijk afvalwater is vervallen. Met het landelijke beschermingsniveau en de zorgplichtbepaling worden de risico’s van deze activiteiten voldoende afgevangen. Het is mogelijk dat bij de uitvoering van deze activiteiten werkzaamheden worden verricht waarvoor nog wel regels gelden. Uiteraard moeten die regels dan in acht worden genomen. Als bij de aanleg van een weg bijvoorbeeld grondwerken (mechanische ingrepen) worden uitgevoerd, zijn de regels voor mechanische ingrepen van toepassing. Ten slotte is een nieuw verbod om bodemenergiesystemen tot stand te brengen toegevoegd.] bestrijdingsmiddelen op of in de bodem te brengen; meststoffen op of in de bodem te brengen; bouwstoffen op of in de bodem te brengen; lozing van koelwater en overige vloeistoffen in de bodem; constructies, waaronder begrepen leidingen, installaties, opslagreservoirs, tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken, te wijzigen of uit te breiden voor het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen op of in de bodem; mechanische ingrepen op of in de bodem uit te voeren, te wijzigen of uit te breiden dieper dan twee meter onder het maaiveld; bodemenergiesystemen tot stand te brengen. 3. Het is in boringsvrije zones verboden om buiten inrichtingen:24[Toelichting: In de boringsvrije zones is het beschermingsregime erop gericht om de zones te vrijwaren van mechanische bodemingrepen, die de beschermende functie van slecht doorlatende bodemlagen teniet zouden kunnen doen. Nieuw is verbod om bodemenergiesystemen tot stand te brengen.] ,. mechanische ingrepen op of in de bodem uit te voeren, te wijzigen of uit te breiden; bodemenergiesystemen tot stand te brengen, dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan, Deventer-Zutphenseweg en Engelse Werk te Zwolle en dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede. Artikel 2.6. Vrijstellingen, algemene voorschriften en nadere eisen 1. De in artikel 2.5, eerste lid gestelde verboden gelden niet voor waterwingebieden waarvoor de grondwateronttrekker, in wiens belang het gebied wordt beschermd, een beheerplan heeft opgesteld dat is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. In het beheerplan wordt ten minste aangegeven op welke wijze het waterwingebied is of wordt ingericht en beheerd.25[Toelichting: Deze bepaling is nieuw. Een door een waterleidingbedrijf opgesteld beheerplan kan onder voorwaarden de regels voor activiteiten buiten inrichtingen in het waterwingebied vervangen. In het plan dient hiertoe te zijn aangegeven:• op welke wijze het gebied is of wordt ingericht en beheerd; • op welke wijze de bodem en het grondwater met het oog op de waterwinning worden beschermd; • welke activiteiten in het gebied worden uitgevoerd. Het plan moet worden goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. ] 2. De in artikel 2.5, eerste lid gestelde verboden gelden niet voor natuurontwikkeling en extensieve recreatie, voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. 26[Toelichting: Deze bepaling is iets gewijzigd. Op grond van deze bepaling wordt natuurontwikkeling en extensieve recreatie mogelijk gemaakt in een waterwingebied. Daarbij kan worden gedacht aan een extensieve beweiding (en een lichte bemesting) ten behoeve van natuurbeheer en het openstellen van het gebied voor publiek ten behoeve van educatie en recreatie. De activiteiten mogen echter geen nadelige gevolgen met zich meebrengen voor de grondwaterkwaliteit. Deze bepaling is bedoeld voor de gebieden waarvoor (nog) geen beheerplan is goedgekeurd. ] 3. Het in artikel 2.5, eerste lid, onder a gestelde verbod geldt niet voor: 27[Toelichting: Deze bepaling is niet gewijzigd. De uitzonderingen in dit lid hebben betrekking op het voorhanden hebben van kleine hoeveelheden schadelijke stoffen voor normaal (huishoudelijk) gebruik of verkoop, het verspreiden van wegenzout en het vervoeren van schadelijke stoffen over de weg. Wat betreft onderdeel b wordt nog opgemerkt dat een exacte hoeveelheid moeilijk is aan te geven. Aangehouden wordt een maximale hoeveelheid van 20 tot 25 kilo of liter. ] het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen voor de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen daarvoor redelijkerwijs noodzakelijk zijn; geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde bestrijdingsmiddelen in en bij bestaande woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen weersinvloeden; schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen of bromfietsen; het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen; het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen weersinvloeden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat. 4. Het in artikel 2.5, eerste lid, onder b gestelde verbod geldt niet voor:28[Toelichting: De vrijstelling is uitgebreid tot alle bestaande constructies en werken. Daarbij gaat het om constructies en werken die reeds aanwezig waren op het moment dat de nieuwe regels in werking zijn getreden. De vrijstelling is niet van toepassing op bestaand gebruik van schadelijke stoffen, waaronder bestaande lozingen.] het hebben of gebruiken van constructies of werken die op het tijdstip van aanwijzing van een gebied als waterwingebied bestonden of in aanleg waren; het wijzigen of uitbreiden van die constructies of werken, voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. 5. De in artikel 2.5, eerste lid, artikel 2.5, tweede lid, onder f en artikel 2.5, derde lid, onder a gestelde verboden gelden niet voor:29[Toelichting: Deze bepaling is niet nieuw. Voorafgaand aan de bedoelde activiteiten vindt al een provinciale toetsing plaats, waarbij alle betrokken belangen worden afgewogen, dus ook het belang van de bescherming van de grondwaterkwaliteit met het oog op de waterwinning. Toegevoegd is een vrijstelling voor werkzaamheden in het kader van een provinciale ontgrondingsvergunning.] werkzaamheden ten behoeve van een grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd; werkzaamheden ten behoeve van een grondwateronttrekking indien Gedeputeerde Staten daarvoor, op grond van de Grondwaterwet, vergunning hebben verleend; werkzaamheden ten behoeve van een ontgronding, indien Gedeputeerde Staten daarvoor, op grond van de Ontgrondingenwet, vergunning hebben verleend; werkzaamheden ten behoeve van onderzoek naar of sanering van de bodem, indien Gedeputeerde Staten daarvoor, in het kader van de Wet Bodembescherming, opdracht of toestemming hebben gegeven. 6. Het in artikel 2.5, tweede lid, onder a gestelde verbod geldt niet voor krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toegestane bestrijdingsmiddelen, tenzij in de voor die bestrijdingsmiddelen afgegeven toelatingsbeschikking, als bedoeld in artikel 5 van genoemde wet, als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen:30[Toelichting: Deze bepaling is niet gewijzigd. Hiermee is de juridische lacune in de Bestrijdingsmiddelenwet gerepareerd. Met deze regeling blijven verboden of beperkingen gelden om bepaalde middelen in grondwaterbeschermingsgebieden te gebruiken. Het gaat hier om middelen met werkzame stoffen, die voorkomen op de zogenaamde zwarte en grijze lijst. Landelijk worden alle bestrijdingsmiddelen opnieuw getoetst aan nieuwe milieueisen. Zodra deze zogenaamde herbeoordeling gereed is, kan de vrijstellingsbepaling wellicht vervallen.] het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming te gebruiken, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden of het gebruik in bepaalde perioden, op bepaalde gronden of in bepaalde gewassen is verboden binnen grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming. 7. Het in artikel 2.5, tweede lid, onder b gestelde verbod geldt niet voor:31[Toelichting: Het verbod voor het gebruik van dierlijke meststoffen en kunstmest is vervallen omdat het algemene beschermingsniveau voldoende toereikend is. Ook voor het gebruik van compost worden de landelijke regels van het BOOM toereikend geacht en is een vrijstelling opgenomen. Vanwege het geringe risico en de moeilijke handhaafbaarheid is de toepassing van zwarte grond bij particulieren vrijgesteld. ] dierlijke meststoffen; kunstmest; compost; zwarte grond voor niet bedrijfsmatige doeleinden. 8. Het in artikel 2.5, tweede lid, onder c gestelde verbod geldt niet voor:32[Toelichting: De bepaling over de toepassing van bouwstoffen is gewijzigd in die zin dat nu ook categorie 1- bouwstoffen en licht verontreinigde grond zijn vrijgesteld. Voorheen gold een meldingsplicht voor het gebruik van categorie 1-bouwstoffen en een ontheffingsplicht voor het gebruik van categorie 1-grond in werken en licht verontreinigde grond als bodem. De geringe en beheersbare risico’s van toepassing van categorie 1-bouwstoffen worden voldoende afgedekt door het landelijke beschermingsniveau in het Bouwstoffenbesluit. Voor het gebruik van categorie 1-grond in werken en licht verontreinigde grond als bodem geldt nog wel de voorwaarde dat is aangetoond dat de toe te passen grond uit het zelfde grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is. ] schone grond, MVR-grond en schone bouwstoffen, anders dan grond; categorie 1-bouwstoffen in werken; categorie 1-grond in werken en licht verontreinigde grond als bodem indien is aangetoond dat de toe te passen grond uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is als waar het wordt toegepast. 9. Het in artikel 2.5, tweede lid, onder d gestelde verbod geldt niet voor:33[Toelichting: Deze bepaling is nieuw. Gezien de beperkte risico’s is lozing van hemelwater afkomstig van daken van particuliere huishoudens vrijgesteld. De zorgplichtbepaling biedt voldoende bescherming. Ook geldt een vrijstellingsbepaling voor het op de bodem brengen van hemelwater van wegen en parkeerplaatsen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer wanneer wordt voldaan aan algemene voorschriften. In de afgelopen jaren is gebleken dat de risico’s van afstromend wegwater over het algemeen beperkt zijn en dat het water in de naastgelegen bodem kan worden geïnfiltreerd. Als de bodemopbouw van de berm zodanig is dat geen doorslag van verontreinigingen is te verwachten, hoeft niet aan de voorschriften te worden voldaan. Verwezen wordt naar het rapport van de Commissie Integraal Waterbeheer over afstromend wegwater. Ook voor een tijdelijke lozing vanaf terreinen voor gemotoriseerd verkeer geldt een vrijstelling.] lozing van afvloeiend hemelwater vanaf daken van particuliere huishoudens; lozing van afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer, indien de opbouw van de bodem zodanig is dat geen verontreiniging van bodem en grondwater kan plaatsvinden of indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 4 bij dit besluit; een tijdelijke lozing vanaf verhard oppervlak. 10. Het in artikel 2.5, tweede lid, onder e gestelde verbod geldt niet voor:34[Toelichting: Nieuw zijn vrijstellingen voor de volgende constructies:• transportleidingen voor gas omdat deze stof niet schadelijk is voor het grondwater; • voorzieningen voor de inzameling en transport van afvalwater omdat daarvoor algemeen aanvaarde landelijke richtlijnen gelden; • voorzieningen voor opslag en transport van schadelijke stoffen voor niet bedrijfsmatige doeleinden. Daarbij gaat het veelal om particuliere tanks die onder het landelijke Besluit ondergrondse opslag in tanks (BOOT) vallen en daarmee voldoende worden beschermd. Voor het tot stand brengen, wijzigen of uitbreiden van buisleidingen geldt een nieuwe vrijstelling onder de voorwaarde dat wordt aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging niet groter wordt. ] constructies voor de inzameling en het transport van afvalwater; constructies voor het transport van gas; constructies voor de opslag en het transport van schadelijke stoffen voor niet bedrijfsmatige doeleinden; het tot stand brengen, wijzigen of uitbreiden van leidingen indien met een door een deskundige opgestelde risicoanalyse volgens PGS 3 is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door dat tot stand brengen, wijzigen of uitbreiden gelijk blijft of kleiner wordt ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie. 11. De in artikel 2.5, tweede lid, onder f en artikel 2.5, derde lid, onder a gestelde verboden gelden niet, indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 5 bij dit besluit. 35[Toelichting: Voor het uitvoeren van mechanische ingrepen geldt een vrijstelling wanneer wordt voldaan aan algemene voorschriften. Het betreffen voorschriften voor boringen en grond- en funderingswerken. Voorheen golden alleen algemene voorschriften voor boringen. Voor de overige werken gold een ontheffingsplicht. Deze ontheffingsplicht is vervallen. ] 12. Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de voorschriften als bedoeld in het negende lid onder b en elfde lid, indien naar hun oordeel met deze voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. 36[Toelichting: De voorschriften in het negende lid onder b en elfde lid zijn in het algemeen afdoende om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Specifieke locale omstandigheden kunnen echter aanleiding zijn tot het stellen van aanvullende voorschriften. Het instrument nadere eisen biedt daartoe de mogelijkheid. Met dit instrument kunnen Gedeputeerde Staten niet buiten het kader treden van de in het besluit vastgestelde voorschriften. Het stellen van nadere eisen is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.] 13. Gedeputeerde Staten kunnen de nadere eisen wijzigen of aanvullen in het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, of wijzigen of intrekken indien dat belang zich daartegen niet verzet. 37[Toelichting: De voorschriften in het negende lid onder b en elfde lid zijn in het algemeen afdoende om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Specifieke locale omstandigheden kunnen echter aanleiding zijn tot het stellen van aanvullende voorschriften. Het instrument nadere eisen biedt daartoe de mogelijkheid. Met dit instrument kunnen Gedeputeerde Staten niet buiten het kader treden van de in het besluit vastgestelde voorschriften. Het stellen van nadere eisen is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. ] 14. De voorschriften als bedoeld in het negende lid onder b en elfde lid en de nadere eisen als bedoeld in het twaalfde en dertiende lid gelden voor degene die de activiteit doet uitvoeren of uitvoert. Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.38[Toelichting: Degene die de werkzaamheden doet uitvoeren of uitvoert moet voldoen aan de algemene voorschriften en nadere eisen als bedoeld in het negende lid onder b, elfde tot en met dertiende lid en kan in eerste instantie worden aangesproken op een juiste uitvoering. Het betreft degene die opdracht geeft om op zijn kosten een activiteit uit te voeren. Wanneer geen sprake is van een opdrachtgever maar van een (rechts)persoon die zelf, op eigen initiatief en op eigen kosten, een activiteit uitvoert, is die persoon verantwoordelijk voor de naleving van de voorschriften. Dit zal in veel gevallen ook de eigenaar of zakelijk gerechtigde van de gronden zijn, waarop de activiteit wordt uitgevoerd.] Artikel 2.7. Meldingen en ontheffingen 39[Toelichting: In dit artikel wordt de verplichting opgelegd voor degene die van plan is werkzaamheden te doen uitvoeren of uit te voeren dit te melden. De melding is vereist om te kunnen toetsen of aan de gestelde voorschriften kan worden voldaan. Geen melding is vereist voor het uitvoeren van funderingswerken, als bedoeld in het dertiende lid. Gelet op het grote aantal van dergelijke werken en de per individueel werk beperkte milieurelevantie is het voorschrijven van een dergelijke melding niet noodzakelijk en zou onnodige lasten voor burgers met zich meebrengen. Op het meldingsformulier wordt aangegeven welke gegevens moeten worden verstrekt. Wanneer binnen een jaar niet is gestart met de werkzaamheden, moet opnieuw een melding worden gedaan. In het vijfde lid is bepaald dat ook voor aanvragen om ontheffing op basis van artikel 2.6 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving een vastgesteld formulier moet worden gebruikt.] 1. Degene die voornemens is een activiteit te doen uitvoeren of uit te voeren waarvoor een vrijstelling geldt op grond van artikel 2.6, negende lid onder b, tiende lid onder d en elfde lid, meldt dit voornemen ten minste vier weken voordat met de activiteit wordt gestart aan Gedeputeerde Staten. Geen melding is vereist voor het uitvoeren van funderingswerken. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot wijziging of uitbreiding van de activiteit. Deze melding is niet vereist indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door de wijziging of uitbreiding geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens. 3. Ten behoeve van de melding als bedoeld in het eerste lid wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens. 4. Indien met de activiteit niet is gestart binnen een jaar na de datum van aanvang van de activiteit, zoals aangegeven op het meldingsformulier, vervalt de gedane melding van rechtswege. 5. Ten behoeve van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid van de verordening wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens. Artikel 2.8. Overgangsbepalingen 40[Toelichting: Dit artikel geeft een overgangsregeling voor verleende ontheffingen op basis van de PMV. De bestaande regelgeving bevat mogelijkheden om in een ontheffing op de specifieke situatie toegesneden voorschriften te stellen. Die mogelijkheden zijn ook in dit besluit opgenomen. Artikel 2.8, eerste lid waarborgt dat de onder de oude regelgeving verleende ontheffingen een jaar blijven gelden als nadere eis op basis van dit besluit. Binnen een jaar moet de bestaande ontheffing worden omgezet in een melding op grond van dit besluit. Het tweede lid geeft een overgangsregeling voor aangevraagde ontheffingen. Deze zullen worden afgedaan volgens de regels van vóór de inwerkingtreding van dit besluit. In het derde lid wordt geregeld dat kennisgevingen die zijn gedaan en goedkeuringen die zijn afgegeven op basis uitvoeringsbesluiten van Gedeputeerde Staten op grond van artikel 5.1, eerste lid onder b en c van de PMV, blijven gelden. De activiteiten hoeven niet opnieuw te worden gemeld. Het betreft vooral meldingen van boringen.] 1. Voor een activiteit waarop dit besluit van toepassing is en waarvoor vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit een ontheffing op grond van de bepalingen 2.2.3, 3.2.3 of 4.3 van bijlage 10, onderdeel B van de Provinciale milieuverordening Overijssel 1998, zoals deze tot die datum luidde, in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die ontheffing gelden als nadere eis als bedoeld in artikel 2.6, veertiende lid van dit besluit. Dit is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de ontheffing en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften. De voorschriften blijven van kracht als nadere eis tot een jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften. 2. Een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangevraagde ontheffing op grond van de bepalingen 2.2.3, 3.2.3 of 4.3 van bijlage 10, onderdeel B van de Provinciale milieuverordening Overijssel 1998, zoals deze tot die datum luidde, voor een activiteit waarop dit besluit van toepassing is of zal zijn, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 2.4, zevende lid van dit besluit. 3. Een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit gedane kennisgeving krachtens besluiten op grond van bepaling 5.1, eerste lid, onder b en c van bijlage 10, onderdeel B van de PMV 1998 voor een gedraging waarop dit besluit van toepassing is of zal zijn, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 2.4, zevende lid van dit besluit. 4. Een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit verleende goedkeuring krachtens besluiten op grond van bepaling 5.1, eerste lid, onder b en c van bijlage 10, onderdeel B van de PMV 1998, zoals deze tot die datum luidde, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 2.4, zevende lid van dit besluit. Subparagraaf 1d. Vergoeding van kosten en schade Artikel 2.9. Toepassingsbereik 41[Toelichting: In dit artikel is bepaald dat bij de afwikkeling van verzoeken om schadevergoeding door het van toepassing worden van grondwaterbeschermingsregels de procedure van artikel 2.10 tot en met 2.14 moet worden gevolgd. Deze regels gelden in aanvulling op en ter nadere uitwerking van de betreffende regels in de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht. Het recht van schadevergoeding is neergelegd in artikel 15.20 juncto artikel 15.21 van de Wet milieubeheer voor zover het inrichtingen betreft en in artikel 15.21 Wet milieubeheer voor zover het gaat om activiteiten buiten inrichtingen. Artikel 15.20 Wet milieubeheer kent ook enkele procedurele bepalingen. In artikel 15.22, tweede lid van de Wet milieubeheer is geregeld dat de kosten in verband met de toekenning van schadevergoeding ten laste komen van Gedeputeerde Staten wanneer zij hebben ingestemd met de toekenning. Bij de voorbereiding van een schadevergoedingsbeschikking zullen doorgaans alleen de aanvrager, de adviserende deskundigen en de grondwateronttrekker betrokken zijn. Het heeft dan ook geen zin afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren. De minimumvereisten van afdeling 4.1 zijn van toepassing.] Deze subparagraaf is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 15.21 juncto 15.20 van de Wet milieubeheer met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 2, paragraaf 1 van de verordening en van hoofdstuk 2, paragraaf 1 van dit besluit. Artikel 2.10. Inhoud verzoek 42 [Toelichting: In dit artikel zijn de basisgegevens genoemd die de aanvraag ten minste moet bevatten. ] Het verzoek om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens: de bepalingen van hoofdstuk 2, paragraaf 1 van de verordening en van hoofdstuk 2, paragraaf 1 van dit besluit door het van toepassing worden waarvan de verzoeker zich voor kosten ziet gesteld of schade lijdt; de aard en de omvang van de kosten of de schade; de wijze waarop de kosten of de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 2.11. Advies van deskundigen 43[Toelichting: Het bevoegde gezag (burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten) kan zich laten adviseren door een of meer deskundigen. Wezenlijk voor de advisering inzake besluiten omtrent de toekenning van een vergoeding van kosten of schade is dat de deskundigen in staat zijn een onpartijdig oordeel te geven over de toepasselijkheid van de wettelijke criteria op de aanvraag om vergoeding of op de ambtshalve toekenning daarvan. De aanvrager van een vergoeding van kosten of schade of degene aan wie Gedeputeerde Staten uit eigen beweging een schadevergoeding willen toekennen wordt de gelegenheid geboden aan de deskundigen zijn aanvraag toe te lichten dan wel zijn opvattingen omtrent het voornemen tot ambtshalve toekenning kenbaar te maken (derde lid). In de geest van art. 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht kan dat mondeling of schriftelijk. Omdat de kosten in verband met de verlening van schadevergoeding ook onder het regime van de Wet milieubeheer (art. 15.34) voor rekening kan worden gebracht van de betrokken grondwaterontrekker, heeft deze een bijzonder belang bij de besluitvorming terzake. Om die reden wordt ook deze grondwaterontrekker in de gelegenheid gesteld aan de deskundigen mondeling zijn opvattingen kenbaar te maken (vierde lid). Indien het bevoegde gezag (of bestuursorgaan) advies van deskundigen heeft ingewonnen omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging, zendt het dit advies aan genoemde belanghebbenden. Het vermeldt daarbij de termijn waarbinnen belanghebbenden hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken (artikel 15.20, vierde lid van de wet).] 1. Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking, als bedoeld in artikel 2.9. 2. Gedeputeerde Staten kunnen van de aangewezen deskundigen, als bedoeld in het eerste lid, het advies inwinnen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging. Indien Gedeputeerde Staten advies inwinnen zijn de bepalingen in het derde tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing. 3. De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld aan de deskundigen zijn verzoek om vergoeding toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn tot toekenning van een vergoeding uit eigen beweging, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken. 4. De betrokken grondwateronttrekker wordt in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over het verzoek of het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken. 5. De deskundigen brengen advies uit inzake: de vraag of de kosten zijn gemaakt of de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 2, paragraaf 1 van de verordening en hoofdstuk 2, paragraaf van dit besluit; de omvang van de kosten of de schade; de vraag of de kosten of de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten of de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; de hoogte van de toe te kennen vergoeding. 6. De deskundigen brengen hun advies zo spoedig mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht en aan de betrokken grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken. Artikel 2.12. Betrokkenheid grondwateronttrekker 44 [Toelichting: In artikel 2.12 is bepaald dat de grondwateronttrekker het recht om te worden gehoord ook toekomt als Gedeputeerde Staten voornemens zijn een vergoeding toe te kennen zonder advies te hebben ingewonnen.] Indien Gedeputeerde Staten geen advies inwinnen van deskundigen, stellen zij de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek of het voornemen naar voren te brengen voordat zij een besluit nemen met betrekking tot het toekennen van een vergoeding. Artikel 2.13. Inhoud verzoek ander bestuursorgaan 1. Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid van de Wet milieubeheer Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten of schade door het aan de vergunning aanbrengen van beperkingen of verbinden van voorschriften op basis van artikel 2.8 van de verordening juncto artikel 2.4 en bijlage 3 van dit besluit, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van:45[Toelichting: Als het om inrichtingen gaat zijn burgemeester en wethouders vaak het bevoegd gezag om op een verzoek om schadevergoeding te beslissen. De kosten in verband met de verlening van schadevergoeding komen ten laste van Gedeputeerde Staten, voor zover zij ten minste hebben ingestemd met de verlening van schadevergoeding. In het eerste lid is bepaald welke gegevens bij een verzoek om instemming door burgemeester en wethouders moeten worden overgelegd. ] indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken; indien de betrokken grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over het verzoek of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen; indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid van de Wet milieubeheer heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding of, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven: een afschrift van die beschikking. 2. Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de betrokken grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen. 46[Toelichting: Voor de beoordeling van het verzoek om instemming is de opvatting van de betrokken grondwateronttrekker over het verzoek om schadevergoeding van belang. Zonodig zullen Gedeputeerde Staten de grondwateronttrekker om zijn opvattingen vragen. ] 3. Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van het verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.11, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek. 47[Toelichting: In deze bepaling wordt aangegeven binnen welke termijn Gedeputeerde Staten moeten beslissen op een verzoek om instemming. Daarbij is aangesloten bij de termijnen genoemd in artikel 15.20, vijfde lid van de Wet milieubeheer.] Artikel 2.14. Schadevergoedingsconvenant 48 [Toelichting: Sinds 1995 geldt het Schadevergoedingsconvenant formele claims grondwaterbescherming 1995-1998 tussen Gedeputeerde Staten, colleges van burgemeester en wethouders van betrokken gemeenten en betrokken grondwateronttrekker over de procedure voor de afwikkeling van verzoeken om schadevergoeding in verband met de toepassing van grondwaterbeschermingsregels. Het convenant is jaarlijks stilzwijgend verlengd en geldt dus nog steeds. Het convenant geldt in aanvulling op en ter uitwerking van de procedurebepalingen van subparagraaf 1d van dit besluit. In het convenant is geregeld dat partijen in eerste instantie proberen een minnelijke regeling te treffen, zodat de formele wettelijke regeling niet hoeft te worden gevolgd. De wettelijke regeing heeft dus een vangnetfunctie.] In aanvulling op en ter uitwerking van het bepaalde in de artikelen 2.10 tot en met 2.14, gelden de bepalingen van een tussen de provincie, de betrokken grondwateronttrekker en de betrokken Overijsselse gemeenten gesloten convenant. Hoofdstuk 3. Bodem Paragraaf 1. Bodemsanering Artikel 3.1. Melding van voorgenomen bodemsanering 49 [Toelichting: De meldingsformulieren zijn te vinden op onze provinciale website (milieu/leefomgeving/bodem/ aanmeldingsformulieren).] Ten behoeve van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid van de Wet bodembescherming, wordt gebruikgemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens. Artikel 3.2. Inhoud saneringsplan 50[Toelichting: Deze bepaling is van toepassing op de in artikel 39, lid 1 van de Wet bodembescherming bedoelde saneringsplannen welke moeten worden ingediend indien sprake is van een voorgenomen sanering van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Wettelijke eisen: Artikel 39, lid 1 van de Wet bodembescherming bepaalt dat in een saneringsplan in ieder geval de volgende gegevens moeten worden opgenomen: a. een nadere beschrijving van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd, waarbij is aangegeven hoe aan artikel 38, eerste lid (saneringsdoelstelling), zal worden voldaan; b. een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering zal worden bereikt; c. indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft: een beschrijving van beperkingen in het gebruik van de bodem en/of maatregelen die naar verwachting nodig zijn in het belang van de bescherming van de bodem, alsmede een indicatie van de kosten van die maatregelen; d. een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht van de daarvoor beschikbare middelen; e. indien de verontreinigde grond zal worden afgegraven of het verontreinigde grondwater zal worden onttrokken, de bestemming van die grond onderscheidenlijk dat grondwater; f. indien verontreinigde grond binnen het geval van de verontreiniging wordt verplaatst, een beschrijving van de omstandigheden waaronder dit gebeurt; g. het tijdstip waarop de sanering naar verwachting zal zijn uitgevoerd; h. indien de verontreiniging zich kan verspreiden en de saneringsmaatregelen zich uitstrekken over een periode van drie jaar of meer: • een overzicht van de tussentijds beoogde effecten en de tijdstippen waarop Gedeputeerde Staten schriftelijk worden geïnformeerd omtrent de effecten van de getroffen maatregelen en in hoeverre deze overeenstemmen met de beoogde effecten; • een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten, bedoeld onder b, te bereiken, voor het geval de in het saneringsplan opgenomen methode niet tot die effecten zou leiden. In aanvulling op het bovenstaande moeten in een saneringsplan tevens de gegevens als bedoeld in artikel 3.2 van dit besluit worden opgenomen. Ten aanzien van onderdeel j, ‘een beschrijving van de eindbemonstering’, heeft het de voorkeur dat de eindbemonstering conform Beoordelingsrichtlijn SIKB 6000 plaatsvindt. Aangezien landelijke wetgeving over kwaliteitsstandaarden in voorbereiding is, wordt dit thans nog niet door ons voorgeschreven.] 1. In het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, tweede lid en artikel 63 e van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de volgende gegevens te worden opgenomen: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een actuele kadastrale kaart, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven (S-waarde- en I-waardecontour voor grond en grondwater); de oppervlakte en het volume van de verontreinigde grond en waterbodem en het volume van het verontreinigde grondwater; het actuele gebruik van de bodem; de naam en het adres van degene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.