Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Súdwest-FryslânHet college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân besluit: Gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 2:2 van de Algemene subsidieverordening gemeente Súdwest-Fryslân; Vast te stellen de volgende Nadere regels subsidieverstrekking gemeente Súdwest-Fryslân Hoofdstuk1:Transformatie sociaal domein Paragraaf 1.1: informele zorg en ondersteuning vrijwilligers Paragraaf 1.2: vrijwillig jeugdwerk Paragraaf 1.3: vrijwillige ouderenorganisaties ouderenactiviteiten meer bewegen voor ouderen, gymnastiek & volksdansen belangenbehartiging Paragraaf 1.4: kwetsbare ouderen Paragraaf 1.5: peuterspeelzaalwerk, regulier Paragraaf 1.6: voorschoolse educatie (vve-peuterspeelzaal) Paragraaf 1.7: vroegschoolse educatie (vve-basisschool) Paragraaf 1.8: zorg voor leerlingen Paragraaf 1.9: mei-inoar-stipejild (tijdelijke regeling) Hoofdstuk2:Onderwijs en leefbaarheid Paragraaf 2.1: dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen, groot onderhoud Hoofdstuk3:Sport, kunst en cultuur Paragraaf 3.1: vitalisering verenigingen Paragraaf 3.2: opleiding kader Paragraaf 3.3: sportevenementen Paragraaf 3.4: sporttechnisch kader gymnastiek Paragraaf 3.5: amateurkunst, muziek, zang en toneel Paragraaf 3.6: amateurkunst, muziek en zang innovatief Paragraaf 3.7: amateurkunst, foto en film Paragraaf 3.8: folkloristische activiteiten Paragraaf 3.9: cultuurfonds Paragraaf 3.10: uitgifte boeken en films Paragraaf 3.11: historische verenigingen Paragraaf 3.12: kunstroutes Paragraaf 3.13: musea, innovatie en samenwerking Paragraaf 3.14: Friese taal Hoofdstuk4:Veiligheid, orde, handhaving en toezicht Hoofdstuk5:Ruimte, wonen, econ. verscheidenheid, sleutelsectoren en gastheerschap Paragraaf 5.1: toeristische evenementen Paragraaf 5.2: cultureel erfgoed Hoofdstuk6:Wegen, water en groen Hoofdstuk7:Milieuzorg, energie en duurzame groei Paragraaf 7.1: millennium- en duurzame activiteiten Paragraaf 7.2: garantieregeling oud papier Hoofdstuk8:Algemeen Hoofdstuk9:Slotbepalingen Toelichting Inleiding In de gemeente Súdwest-Fryslân zijn, wanneer het gaat om het geven van subsidie, een aantal zaken van belang: de Algemene wet bestuursrecht (landelijke wetgeving) en jurisprudentie; de Algemene subsidieverordening (gemeentelijke wetgeving); de Kadernota subsidies 2012 (algemene uitgangspunten beleid); de bijlage “overzicht subsidieontvangers” die bij de begroting is gevoegd; nadere regels (uitgewerkte regelingen). De Algemene wet bestuursrecht en Algemene subsidieverordening beschrijven de stappen die genomen kunnen worden bij het behandelen van aanvragen. In de Kadernota subsidie staan uitgangspunten die weergeven hoe we met subsidies om willen gaan en hoe we subsidies willen gebruiken. Hiernaast zijn er beleidsstukken ontwikkeld waarin staat wat de gemeente wil bereiken en hoe zij dit wil doen. Het college mag nadere regels vaststellen (art. 2 lid 2 ASV). Nadere regels zijn van belang omdat: het geven van subsidie hiermee een goede juridisch basis heeft (art. 4:23 lid 1 Awb); hiermee ook verplichtingen aan de subsidie kunnen worden gesteld die niet direct op het doel van de subsidie betrekking hebben (art. 4:39 Awb); het eenheid creëert in hoe we met subsidies omgaan en bijdraagt aan een gelijke behandeling; het hierdoor makkelijker is om aanvragen te beoordelen; het hierdoor mogelijk is aanvragen sneller af te handelen via mandaat en/of ondermandaat. Het algemene deel (hoofdstuk 8) is van toepassing op alle subsidieaanvragen die de gemeente krijgt. Dit hoofdstuk wordt te zijner tijd verplaatst naar de nieuwe Algemene subsidieverordening en vandaar dat het nu achteraan is geplaatst. In de andere hoofdstukken staan regelingen waar organisaties een beroep op kunnen doen. De hoofdstukindeling is gelijk aan de domein- en programma indeling uit de programmabegroting. In de subsidieregelingen komen steeds dezelfde punten naar voren, namelijk: begripsbepalingen; subsidiabele activiteiten; hoogte van de subsidie per activiteit; subsidiecriteria; eventuele aanvullende weigeringsgronden; subsidieplafond en wijze van verdeling.
- Transformatie sociaal domein Paragraaf1.1:Informele zorg en ondersteuning vrijwilligers, plaatselijk Artikel1.1.1Begripsbepalingen Vrijwilligersgroep: een plaatselijke groep vrijwilligers die in georganiseerd verband activiteiten ontplooid op het gebied van zelfhulp, buurthulp en/of vrijwilligerszorg. Georganiseerd verband: een organisatie waarbinnen betrokkenen afspraken hebben over doel, taken en taakverdeling en een aanspreekpunt voor derden. Zelfhulp: een vorm van hulpverlening gebaseerd op het uitgangspunt dat mensen in staat zijn zichzelf en elkaar te helpen door bewustwording, uitwisseling van gelijksoortige ervaringen en het ondernemen van acties. Buurthulp (ook burenhulp): het gratis verlenen van eenvoudige hand- en spandiensten op dorps- of wijkniveau door buurtbewoners en het verlenen van mantelzorg aan iemand in de buurt. Vrijwilligerszorg: zorg verleend door vrijwilligers. Tussen de vrijwilliger en degene die zorg ontvangt bestaat vooraf meestal geen relatie. Kwetsbare inwoners: inwoners uit de gemeente waarbij sprake is van dreigend of langdurig regieverlies, met een risico op een achterstand in de maatschappij of sociaal isolement doordat ze beperkingen ervaren in hun dagelijks functioneren door een breed scala aan mogelijke problemen. Seizoen: de meest recente aaneengesloten periode van 1 september tot en met 1 september. EHBO-groep: een groep van vrijwilligers die eerste hulp en ondersteuning bieden bij ongelukken aan inwoners van de gemeente en daarbuiten. Artikel1.1.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan vrijwilligersgroepen een jaarlijkse activiteitensubsidie verstrekken ten behoeve van de hoofdcomponenten I, II en V (zie artikel 1.1.3). In aanvulling op de componenten I en/of II kan een vrijwilligersgroep in aanmerking komen voor de aanvullende componenten III en/of IV. Artikel1.1.3Hoogte van de subsidie per activiteit De hoogte van de subsidie is afhankelijk van de omvang van het activiteitenaanbod en bestaat uit één of meerdere van de volgende componenten: Activiteitenaanbod Subsidie Hoofdcomponent I: Praktische hulp en ondersteuning op het vlak van bv. vervoer, begeleiding, administratie, huishouden en praktische klusjes. ·€ 200,-- per groep Hoofdcomponent II: Bezoekwerk gericht op sociaal- emotionele steun. ·€ 100,-- per groep Aanvullende component III: Ontmoetingsactiviteiten waarin sociaal contact centraal staat. ·€ 50,-- per groep Aanvullende component IV: Het faciliteren van vrijwilligers door deskundigheidsbevordering, een vrijwilligersvergoeding en/of een gezamenlijke activiteit. ·€ 10,-- per vrijwilliger ·Maximaal € 150,-- Hoofdcomponent V: Het adequaat toerusten van de EHBO- vrijwilligers en het bieden van EHBO-diensten bij evenementen in de gemeente. ·€ 250,- per groep ·€ 10,- per vrijwilliger tot maximaal € 150,- Artikel1.1.4Subsidiecriteria Om voor de componenten I-IV in aanmerking te komen dienen de plaatselijke vrijwilligersgroepen aan de volgende criteria te voldoen: De groep moet op peildatum 1 september in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar minimaal 3 actieve vrijwilligers hebben. De groep functioneert minimaal 1 jaar als plaatselijke vrijwilligersgroep. De groep heeft in het afgelopen seizoen minimaal 10 hulpvragen afgehandeld. De groep heeft in het geval van bezoekwerk in het afgelopen seizoen minimaal 5 bezoekadressen periodiek bezocht. De groep heeft in het geval van ontmoetingsactiviteiten in het afgelopen seizoen minimaal 2 ontmoetingsactiviteiten georganiseerd met een minimaal bereik van 15 deelnemers per activiteit. De hulpvragers/deelnemers betalen een eigen bijdrage, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet passend is. De activiteiten zijn gericht op kwetsbare inwoners uit de gemeente. Het college kan de eis stellen dat de organisatie aangesloten is bij een landelijke (koepel)organisatie. Om voor component V in aanmerking te komen dient de EHBO-groep aan de volgende criteria te voldoen: De groep moet minimaal 5 vrijwilligers hebben. De groep functioneert minimaal 1 jaar als EHBO-groep. De groep heeft in het afgelopen seizoen minimaal 1 EHBO- (herhalings)training of les georganiseerd voor de eigen vrijwilligers. De groep heeft in het afgelopen seizoen bij minimaal 2 evenementen in de gemeente tegen onkostenvergoeding haar diensten geleverd. De groep moet zijn aangesloten bij een landelijke (koepel)organisatie. Artikel1.1.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert subsidieverstrekking wanneer de EHBO-groep niet is verbonden aan een landelijke (koepel)organisatie. 2.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer aan een vrijwilligersorganisatie de eis is gesteld aangesloten te zijn bij een landelijke (koepel)organisatie en aan deze eis niet is voldaan. 3.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer er al gelijksoortige activiteiten zijn op het niveau van wijken, (cluster van) dorpen of steden in de gemeente waar de aanvrager zich op richt. 4.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer de aanvrager niet is gevestigd in de gemeente. Artikel1.1.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 16.300,--. 2.Indien het totaal van de te verlenen subsidies meer bedraagt dan het subsidieplafond, worden de subsidiebedragen evenredig gekort. Paragraaf1.2Vrijwillig Jeugdwerk Artikel1.2.1Begripsbepalingen 1.vrijwillig jeugdwerk: activiteiten om jeugd in leeftijdgebonden organisaties in de vrijetijdssector ontspanning te bieden, te vormen en te helpen. 2.jeugd(igen): personen in de leeftijd van 4 tot en met 23 jaar. 3.jeugdvereniging: een vereniging of groep van personen die actief is op het terrein van vrijwillig jeugdwerk. Artikel1.2.2Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verstrekken aan jeugdverenigingen die zijn gevestigd in de gemeente voor het organiseren van activiteiten die bijdragen aan het bevorderen van het welzijn en het maximaliseren van de ontwikkelingskansen van jeugd. Artikel1.2.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie wordt verdeeld zoals in artikel 1.2.6 is geregeld. Artikel1.2.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: de te subsidiëren activiteiten moeten gericht zijn op ontmoeting, activering, ontplooiing, educatie en bewustwording (van waarden en normen). het moet gaan om minimaal vier activiteiten per jaar. het gemiddeld aantal jeugdigen dat de activiteiten bezoekt, bedraagt minimaal vijftien. Het openbare karakter moet naar het oordeel van het college voldoende zijn gewaarborgd. Artikel1.2.5Aanvullende weigeringsgronden 1.in afwijking van artikel 8:4 lid 8 kan subsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen of groepen van personen. Artikel1.2.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 21.965,--. 2.50% van de beschikbare middelen wordt naar rato verdeeld over de aanvragers op basis van het aantal activiteiten dat men verwacht te organiseren. 3.50% van de beschikbare middelen wordt naar rato verdeeld over de aanvragers op basis van het aantal deelnemers dat men verwacht. Paragraaf1.3:Vrijwillige ouderenorganisaties, jaarlijks Artikel1.3.1Begripsbepalingen 1.Vrijwillige ouderenorganisatie: een niet op winst gerichte groep van vrijwilligers in georganiseerd verband die het doel heeft om kwetsbare ouderen die zelfstandig wonen ontspanning te bieden, hen te vormen en/of hen te laten bewegen en/of hun belangen te behartigen. 2.Georganiseerd verband: een organisatie waarbinnen betrokkenen afspraken hebben over doel, taken en taakverdeling en een aanspreekpunt voor derden. 3.Grootschalige activiteiten: activiteiten die extra organisatie vragen (regelen van sprekers, vervoer, afspraken met derden) en/of waarbij een grotere groep deelnemers bij betrokken is. 4.Kleinschalige activiteiten: activiteiten die weinig organisatie vragen veelal op een vaste locatie en waarbij meestal sprake is van een vaste beperkte groep deelnemers. 5.Kwetsbare ouderen: ouderen van 65 jaar of ouder waarbij sprake is van dreigend of langdurig regieverlies, met een risico op een achterstand in de maatschappij of sociaal isolement doordat ze beperkingen ervaren in hun dagelijks functioneren door een breed scala aan mogelijke problemen. 6.Seizoen: de meest recente aaneengesloten periode van 1 september tot en met 1 september. 7.Belangenbehartiging: het behartigen van de collectieve belangen van kwetsbare ouderen. Artikel1.3.2Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan aan vrijwillige ouderenorganisaties een jaarlijkse activiteitensubsidie verstrekken voor het organiseren van de volgende activiteiten voor ouderen: Variant a: een activiteitenprogramma met kleinschalige (twee)wekelijkse laagdrempelige ontmoetingsactiviteiten met een gevarieerd programma voor kwetsbare ouderen op buurt-, wijk- of dorpsniveau, waarin gezelligheid centraal staat, bestaande uit minimaal 12 dagdelen per jaar met een minimaal bereik van een jaarlijks gemiddelde van 10 ouderen per keer; Variant b: een activiteitenprogramma met grootschalige (twee)maandelijkse activiteiten met een gevarieerd programma op het gebied van ontmoeting en/of educatie en/of beweging waaraan kwetsbare ouderen kunnen deelnemen uit een bepaald gebied in de gemeente, bestaande uit minimaal 6 dagdelen per jaar met een minimaal bereik van een jaarlijks gemiddelde van 20 ouderen per keer; Variant c: een activiteitenprogramma met een combinatie van kleinschalige en grootschalige activiteiten waaraan kwetsbare ouderen kunnen deelnemen uit een bepaald gebied in de gemeente, bestaande uit minimaal 8 dagdelen per jaar met een minimaal bereik van een jaarlijks gemiddelde van 15 ouderen per keer; 2.Het college kan aan vrijwillige ouderenorganisaties een jaarlijkse activiteitensubsidie verstrekken voor het organiseren van Meer bewegen voor ouderen-activiteiten. Dit onderscheid zich in: MbvO-gymnastiek; MbvO-volksdansen. 3.Het college kan aan een vrijwillige ouderenorganisatie een jaarlijkse activiteitensubsidie verstrekken gericht op belangenbehartiging. Artikel1.3.3Hoogte van de subsidie per activiteit 1.De hoogte van de subsidie voor de organisatie van ouderenactiviteiten bedraagt € 200,-- per variant. 2.De hoogte van de subsidie voor de organisatie van MbvO-activiteiten bedraagt € 500,-- per ouderenorganisatie. 3.De hoogte van de subsidie in het kader van belangenbehartiging bedraagt € 300,-- per ouderenorganisatie. 4.De totale hoogte van de subsidie bedraagt per aanvrager maximaal € 1.000,--. Artikel1.3.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de vrijwillige ouderenorganisatie aan de volgende criteria te voldoen: Ouderenactiviteiten Variant a: de aanvrager heeft in het afgelopen seizoen een activiteitenprogramma georganiseerd met minimaal 12 dagdelen en een minimaal bereik van gemiddeld 10 ouderen per keer. Variant b: de aanvrager heeft in het afgelopen seizoen een activiteitenprogramma georganiseerd met minimaal 6 dagdelen en een minimaal bereik van gemiddeld 20 ouderen per keer Variant c: de aanvrager heeft in het afgelopen seizoen een activiteitenprogramma georganiseerd met minimaal 8 dagdelen en een minimaal bereik van gemiddeld 15 ouderen per keer. De deelnemers (leden) betalen een eigen bijdrage. Meer bewegen voor Ouderen activiteit Wanneer een MBvO-groep voor de eerste keer een jaarlijkse subsidie aanvraagt, geldt een minimum aantal deelnemers van 12 ouderen per les. Wanneer een MBvO-groep niet voor de eerste keer een jaarlijkse subsidie aanvraagt, geldt een minimum aantal deelnemers van 8 ouderen per les. De activiteiten worden verzorgd door een gekwalificeerde MbvO- docent. De aanvrager heeft in het afgelopen seizoen minimaal 16 lessen verzorgd met een minimum aantal deelnemers van 8 ouderen per les. De deelnemers (leden) betalen een eigen bijdrage. Belangenbehartiging De aanvrager is aangesloten bij een landelijke belangenorganisatie. De belangenbehartiging wordt uitgeoefend in een aantoonbaar georganiseerd verband. De aanvrager heeft een vertegenwoordiger in de halfjaarlijkse overleggen van het Seniorenplatform Súdwest-Fryslân. De aanvrager neemt deel aan overleggen en werkgroepen gericht op collectieve belangenbehartiging. De deelnemers (leden) betalen een eigen bijdrage. Artikel1.3.5Aanvullende weigeringsgronden Algemeen 1.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer de aanvrager niet is gevestigd in de gemeente. Ouderenactiviteiten Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer de activiteiten van de aanvrager uitsluitend of in hoofdzaak worden bezocht door één doelgroep. Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer er al gelijksoortige activiteiten zijn op het niveau van buurt, wijk, (cluster van) dorpen of steden waar de aanvrager zich op richt. Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer de activiteiten in beginsel niet voor alle kwetsbare ouderen toegankelijk zijn. Belangenbehartiging Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer de belangenbehartiging al op andere wijze wordt gefaciliteerd en/of gesubsidieerd door de gemeente. Artikel1.3.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. 2.Voor het jaar 2015 geldt een gezamenlijk subsidieplafond van € 43.300,-- voor de regelingen uit paragraaf 1.3 en 1.
- 3.Er wordt voorrang gegeven aan de jaarlijkse subsidieverstrekking op basis van paragraaf 1.
- 4.Indien het totaal van de te verlenen subsidies meer bedraagt dan het subsidieplafond, worden de subsidiebedragen evenredig gekort. 5.Wanneer er voor een bepaald jaar middelen resteren kan eenmalige subsidie worden verleend op basis van paragraaf 1.
- Paragraaf1.4:Vrijwilligersactiviteiten voor ouderen, eenmalig Artikel1.4.1Begripsbepalingen 1.Vrijwilligersorganisatie: niet op winst gericht organisatie die draait op vrijwilligers met het doel kwetsbare inwoners te ondersteunen op sociaal (-emotioneel) en/of praktisch gebied. Tenminste 85% van de organisatie bestaat uit vrijwilligers (verhouding tussen beroepskrachten en vrijwilligers; maximaal 1 beroepskracht op 6 vrijwilligers) waarbij beroepskrachten niet deelnemen aan het primaire proces. 2.Kwetsbare ouderen: kwetsbare ouderen als bedoeld in artikel 1.3.
- Artikel1.4.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verstrekken aan vrijwilligersorganisaties voor preventieve innovatieve activiteiten gericht op het versterken van de eigen kracht en de zelfredzaamheid van kwetsbare ouderen en/of het verminderen van risico’s en/of het voorkomen van problemen bij kwetsbare ouderen. Artikel1.4.3Hoogte van de subsidie per activiteit De hoogte van de bijdrage wordt bepaald op basis van de ingediende begroting en het activiteiten- of projectplan. De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 5.000,-- per aanvraag. Artikel1.4.4Subsidiecriteria Aan de subsidieverstrekking zijn de volgende criteria gekoppeld: De activiteiten moeten zijn gericht op het verminderen van risico’s en/of het voorkomen van problemen. Bij de activiteiten moeten minimaal twee vrijwilligersorganisaties betrokken zijn. De activiteiten moeten zijn gericht op het ondersteunen of versterken van de eigen kracht van kwetsbare ouderen zodat er een grotere zelfredzaamheid ontstaat. Er moet sprake zijn van vernieuwing, dat wil zeggen een innovatieve aanpak die nog nergens in de gemeente in uitvoering is. Artikel1.4.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel1.4.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. 2.Voor 2015 geldt een gezamenlijk subsidieplafond van € 43.300,-- voor de regelingen uit paragraaf 1.3 en 1.
- 3.Er wordt voorrang gegeven aan de jaarlijkse subsidieverstrekking op basis van paragraaf 1.
- 4.Wanneer er voor een bepaald jaar middelen resteren kan eenmalige subsidie worden verleend op basis van paragraaf 1.
- 5.De aanvragen voor een eenmalige subsidie worden afgehandeld op volgorde van binnenkomst. 6.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Artikel1.4.7Indientermijn 1.In afwijking van artikel 8.3 lid 2 geldt dat voor het aanvragen van een projectsubsidie in het kader van deze paragraaf artikel 8.4 lid 3 van toepassing is. Paragraaf1.5Peuterspeelzaalwerk (Regulier) Artikel1.5.1Begripsbepalingen 1.Wet OKE: Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (Stb. 2010, 296). 2.VVE-programma: Een erkend voor- en of vroegschools programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van twee tot zes jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut. 3.Lokaal Educatieve Agenda (LEA): overleg tussen basisonderwijs, Fultura (voortgezet onderwijs, MBO) organisaties voor kinderopvang, peuterspeelzalen en de gemeente. 4.Peuterspeelzaalwerk: de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs. 5.Reguliere peuterspeelzaal: voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum. 6.VVE-peuterspeelzaal: voorziening waar peuterspeelzaalwerk op basis van een VVE-programma plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum. 7.Peuterplaats: een rekeneenheid die overeenkomt met twee dagdelen per week bezoek aan de peuterspeelzaal gedurende ongeveer veertig weken per jaar. 8.Bezette peuterplaats: een peuterplaats die is bezet door een peuter. Dit wordt bepaald door op vier momenten in het jaar (1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober) te tellen hoeveel peuters er staan ingeschreven. Het gemiddelde van deze vier momenten bepaalt het aantal bezette peuterplaatsen. 9.De Verwijsindex: een systeem waarin hulpverleners en andere professionals de persoonsgegevens registreren van de jongeren (tot 23 jaar) waarover zij zich zorgen maken. Dat zorgt ervoor dat de jongeren die hulp nodig hebben tijdig worden opgemerkt en dat hun hulpverleners elkaar snel vinden. 10.Overdrachtsformulier: het door de gemeente ontwikkelde formulier voor de overdracht van peuters naar de basisschool. 11.Warme overdracht: de mondelinge overdracht van relevante informatie over een peuter door de peuterleid(st)er naar de basisschool. De peuterleid(st)er zorgt voor een warme overdracht volgens de afspraken die hierover zijn gemaakt met de gemeente. Deze afspraken zijn vastgelegd in de Samenwerkingsafspraken doorgaande lijn van peuterspeelzaal naar basisschool. Artikel1.5.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een jaarlijkse budgetsubsidie verlenen aan reguliere peuterspeelzalen in de gemeente op basis van het aantal bezette peuterplaatsen. Artikel1.5.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt € 703,-- per bezette peuterplaats. Artikel1.5.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: De peuterspeelzaal heeft minimaal 8 en maximaal 16 peuters per groep. De peuterspeelzaal voldoet aan de landelijke kwaliteitseisen zoals omschreven in de Wet OKE en ARBO-wetgeving. Dit blijkt uit een goedgekeurd inspectierapport van de GGD. De peuterspeelzaal functioneert minimaal op ambitieniveau 1 zoals omschreven in de Wet OKE. Peuterspeelzaalleid(st)ers zijn geschoold in het signaleren van (ontwikkelings-)problemen. Zij gaan hierover met ouders/verzorgers in gesprek en verwijzen hen door naar de benodigde hulp. De peuterspeelzaal werkt hierin samen met de Jeugdgezondheidszorg en zo nodig met het Gebiedsteam. De peuterspeelzaal maakt gebruik van de Verwijsindex. Het bestuur waar de peuterspeelzaal onder valt heeft het convenant Verwijsindex ondertekend en alle leidsters zijn geschoold in het gebruik van de Verwijsindex. De peuterspeelzaal moet beschikken over een erkend VVE-programma en leidsters die zijn geschoold in het werken met dit programma. De peuterspeelzaal werkt samen met andere peuterspeelzalen, kinderopvang en basisonderwijs gericht op het uitwisselen van kennis, expertise en het realiseren van een goede overdracht. De peuterspeelzaal heeft de taak in het (vroeg)signaleren en in de preventie van ontwikkelingsachterstanden en/of opvoedingsproblemen. Het bestuur waar de peuterspeelzaal onder valt neemt via de LEA deel aan gestructureerd inhoudelijk overleg tussen peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en basisscholen over voor- en vroegschoolse educatie, toeleiding, kwaliteitsbewaking en doorgaande leerlijn. De peuterspeelzaal gebruikt het door de gemeente ontwikkelde overdrachtsformulier voor de overdracht van peuters naar de basisschool. De peuterspeelzaal zorgt voor een warme overdracht van alle peuters als zij de peuterspeelzaal verlaten. Artikel1.5.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan, in aanvulling op artikel 8.4 lid 13, subsidieverlening weigeren wanneer een evenwichtige spreiding van voorzieningen naar het oordeel van het college onvoldoende is gewaarborgd. Artikel1.5.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 750.000,--. 2.Na het verstrijken van de indientermijn worden de aanvragen geprioriteerd. Hierbij geeft het college aanvragen van reguliere peuterspeelzalen waar de gemeente een subsidierelatie mee heeft van drie jaar of meer voorrang. 3.Wanneer het subsidieplafond door toepassing van lid 2 wordt bereikt, worden de subsidiebedragen evenredig gekort. 4.Wanneer het subsidieplafond door toepassing van lid 2 niet wordt bereikt, worden de overige aanvragen behandeld op volgorde van binnenkomst. Wanneer de volgorde niet is te bepalen, vindt deze plaats door middel van loting. Paragraaf1.6Voorschoolse Educatie (VVE-peuterspeelzaal) Artikel1.6.1Begripsbepalingen 1.Voorschoolse educatie: educatie die op een peuterspeelzaal wordt aangeboden aan kinderen tussen 2 en 4 jaar. 2.Doelgroepkinderen: indicatie door Jeugdgezondheidszorg op basis van de taalopleiding ouders, het resultaat van de vragenlijst stevig ouderschap en een analyse van de taalomgeving. 3.VNG-norm: de norm voor de maximale ouderbijdrage voor doelgroepkinderen, zoals vastgelegd in de VNG Adviestabel ouderbijdrage peuterwerk. 4.Tutor: een tweede betaalde beroepskracht op de groep die aangewezen is om VVE-doelgroepkinderen extra te ondersteunen en te stimuleren. 5.VVE-programma: programma als bedoeld in artikel 1.5.
- lid
- 6.VVE-peuterspeelzaal: peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 1.5.1 lid
- 7.leerlingen: leerlingen die op peildatum 1 oktober in het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar staan ingeschreven bij de Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 8.Bezette VVE-peuterplaats: een peuterplaats die is bezet door een vve-peuter. Dit wordt bepaald door op vier momenten in het jaar (1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober) te tellen hoeveel vve-peuters er staan ingeschreven. Het gemiddelde van deze vier momenten bepaalt het aantal bezette vve-peuterplaatsen. 9.Ouderbeleid: het geheel van samenhangende, doelgerichte en op elkaar afgestemde activiteiten voor ouders. Het ouderbeleid is gebaseerd op de visie dat ouders/verzorgers een essentiële rol spelen bij de opvoeding en ontwikkeling van kinderen en jongeren. Het gaat om educatief partnerschap tussen ouders, VVE-peuterspeelzalen en VVE-scholen en het realiseren van een doorgaande lijn in het ouderbeleid van de verschillende instellingen die zich richten op kinderen tussen 0 tot 6 jaar. 10.Overdrachtsformulier: formulier als bedoeld in artikel 1.5.1 lid
- 11.Warme overdracht: overdracht als bedoeld in artikel 1.5.1 lid
- Artikel1.6.2Subsidiabele activiteiten Het college kan, in aanvulling op de subsidiëring op basis van paragraaf 1.5, een jaarlijkse budgetsubsidie verlenen aan VVE-peuterspeelzalen in de gemeente voor: het uitvoeren van een VVE-programma. het compenseren van het verschil tussen de door de VVE-peuterspeelzaal ontvangen ouderbijdrage voor doelgroepkinderen en de inkomensafhankelijke ouderbijdrage met als maximum de maximale ouderbijdrage op basis van de VNG-norm. Artikel1.6.3Hoogte van de subsidie per activiteit 1.De hoogte van de subsidie voor het uitvoeren van een VVE-programma bedraagt € 473,-- per bezette VVE-peuterplaats per jaar. 2.De hoogte van de subsidie ouderbijdrage wordt berekend door het laagste tarief van de VNG-norm (peiljaar 2013: € 120,- per jaar) aan te vullen tot maximaal het hoogste tarief van de VNG-norm. Voor de berekening van de hoogte van de subsidie ouderbijdrage is het inkomensafhankelijke oudertarief, gebaseerd op de VNG-norm, het uitgangspunt. Artikel1.6.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: VVE peuterspeelzalen voldoen aan niveau 2 plus van de Wet OKE, ARBO-wetgeving, het toetsingskader van de GGD en de Inspectie van Onderwijs. Er wordt gewerkt met een bewezen effectief VVE programma. Alle medewerkers zijn geschoold of worden (bij)geschoold in de erkende VVE-methodiek. VVE-peuterspeelzalen, zorgen voor een heldere eenduidige informatieoverdracht van de peuters. VVE-peuterspeelzalen, voeren op initiatief van de gemeente minimaal 2 keer per jaar met elkaar overleg over thema’s zoals: overdracht, doorstroming en inhoudelijke samenwerking. De doelgroepkinderen volgen de voorschoolse educatie minimaal 4 dagdelen per week of minimaal 10 uur per week. Op een VVE-peuterspeelzaal is ieder dagdeel een tutor aanwezig gedurende het gehele dagdeel. Er vindt een warme overdracht plaats van VVE-peuterspeelzaal naar basisschool middels overdrachtsprotocollen. Er vindt een structurele samenwerking plaats tussen VVE-peuterspeelzalen / kinderdagverblijven en samenwerkende basisscholen. De ouderbijdrage voor doelgroepkinderen is gelijk aan de VNG-norm. 50% van de peuterplaatsen moet worden bezet door doelgroepkinderen. Doelgroepkinderen worden met voorrang geplaatst op een VVE-peuterspeelzaal. De VVE-peuterspeelzaal heeft ouderbeleid ontwikkeld en uitgewerkt in een ouderbeleidsplan. Ouders kunnen het ouderbeleidsplan op de peuterspeelzaal inzien. De VVE-peuterspeelzaal gebruikt het door de gemeente ontwikkelde overdrachtsformulier voor de overdracht van peuters naar de basisschool. De VVE-peuterspeelzaal zorgt voor een warme overdracht van alle peuters als zij de peuterspeelzaal verlaten. Artikel1.6.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan, in aanvulling op artikel 8.4 lid 13, subsidieverlening weigeren wanneer een evenwichtige spreiding van voorzieningen naar het oordeel van het college onvoldoende is gewaarborgd. Artikel1.6.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.De subsidieplafonds worden jaarlijks door het college vastgesteld. 2.Het subsidieplafond voor het uitvoeren van VVE-programma’s bedraagt voor 2015 € 126.000,--, (=266 VVE-peuterplaatsen). 3.Het subsidieplafond voor compensatie in de ouderbijdrage bedraagt voor 2015 € 85.000,--. 4.Na het verstrijken van de indientermijn worden de aanvragen geprioriteerd. Hierbij geeft het college aanvragen van organisaties waar de gemeente een subsidierelatie mee heeft van drie jaar of meer voorrang. 5.Wanneer het subsidieplafond door toepassing van lid 4 wordt bereikt, worden de subsidiebedragen evenredig gekort. 6.Wanneer het subsidieplafond door toepassing van lid 4 niet wordt bereikt, worden de overige aanvragen behandeld op volgorde van binnenkomst. Wanneer de volgorde niet is te bepalen, vindt deze plaats door middel van loting. Paragraaf1.7Vroegschoolse Educatie (VVE-basisschool) Artikel1.7.1Begripsbepalingen 1.Vroegschoolse educatie: educatie die wordt aangeboden in de eerste twee leerjaren van de basisschool. 2.VVE-programma: programma als bedoeld in artikel 1.5.
- lid
- 3.VVE-peuterspeelzaal: peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 1.5.1 lid
- 4.gewichtenleerling: een leerling als bedoeld in de gewichtenregeling van de minister van OC&W. 5.leerlingen: leerling als bedoeld in artikel 1.6.1 lid
- Artikel1.7.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een jaarlijkse budgetsubsidie verlenen aan basisscholen in de gemeente die structureel samenwerken met een VVE-peuterspeelzaal en meer dan 10% gewichtenleerlingen met een minimum van 24 gewichtenleerlingen hebben. Artikel1.7.3Hoogte van de subsidie per activiteit Het jaarlijks beschikbare bedrag wordt naar rato verdeeld over de aanvragers op grond van het aantal bij de school ingeschreven gewichtenleerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. Artikel1.7.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: De subsidie wordt ingezet voor de bekostiging van een tutor die in de klas aanwezig is. De subsidie wordt ingezet voor de aanschaf van en scholing in een bewezen effectief VVE-programma waarbij de doorgaande lijn met de VVE-peuterspeelzaal wordt bewerkstelligd. De rijksmiddelen die de basisschool zelf ontvangt voor het bestrijden van onderwijsachterstanden worden volledig ingezet als cofinanciering. De school dient mee te werken en uitvoering te geven aan resultaatafspraken tussen gemeente en de betreffende schoolbesturen. Artikel1.7.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan, in aanvulling op artikel 8.4 lid 13, subsidieverlening weigeren wanneer een juiste spreiding van voorzieningen naar het oordeel van het college onvoldoende is gewaarborgd. Artikel1.7.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 89.000,--. 2.De subsidie wordt verdeeld conform de systematiek als beschreven in artikel 1.7.
- Paragraaf1.8Zorg voor leerlingen Artikel1.8.1Begripsbepalingen 1.preventieve zorg: vormen van lichte hulp, signalering, preventief werken en opvoedingsondersteuning. 2.leerling: leerling als bedoeld in artikel 1.6.1 lid
- Artikel1.8.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een jaarlijkse activiteitensubsidie verlenen aan scholen voor primair onderwijs, SBO en (V)SO in de gemeente voor het verlenen van preventieve zorg aan haar leerlingen. Inzet van de zorgmiddelen van de gemeente en scholen moeten in samenhang worden ingezet en ondersteunend werken aan de doelstellingen van Passend Onderwijs en de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor zorg voor jeugd. Artikel1.8.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt € 15,-- per leerling per jaar. Artikel1.8.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: de subsidie moet worden ingezet voor preventieve zorg: vormen van lichte hulp, signalering, preventief werken en opvoedingsondersteuning. Artikel1.8.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel1.8.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 129.000,--. 2.Indien het totaal van de te verlenen subsidies meer bedraagt dan het subsidieplafond, worden de subsidiebedragen evenredig gekort. Paragraaf1.9:Mei-Inoar-Stipejild (tijdelijke regeling) Artikel1.9.1Begripsbepalingen 1.Vrijwilligers: inwoners die uit eigen beweging activiteiten verrichten en die hiervoor geen financiële beloning ontvangen. 2.Vrijwilligersorganisatie: een organisatie die volledig draait op vrijwilligers. Artikel1.9.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan vrijwilligersorganisaties in de gemeente een eenmalige subsidie verstrekken gericht op nieuwe initiatieven om de eigen kracht en/of het meedoen in de samenleving te stimuleren. Artikel1.9.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt maximaal € 5.000,-- op basis van de ingediende begroting en het financieringsoverzicht. Artikel1.9.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de aanvrager aan de volgende criteria te voldoen: Het initiatief moet naar het oordeel van het college lokaal meerwaarde opleveren. Er moet naar het oordeel van het college voldoende draagvlak zijn, bijvoorbeeld via ondersteuning van stads-, dorps- of wijkbelangen. Artikel1.9.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel1.9.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond bedraagt € 89.800,--. 2.Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst behandeld. 3.Wanneer de aanvrager volgens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld.
- Onderwijs en leefbaarheid Paragraaf2.1Dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen Artikel2.1.1Begripsbepalingen 1.Dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen algemeen: accommodaties met een algemene, voor de gehele wijk/dorpsgemeenschap openstaande functie voor het dorps-/wijks- en verenigingsleven en waarvan het eigendom en het beheer zodanig zijn georganiseerd dat naar het oordeel van het college de toegankelijkheid voor de gehele lokale gemeenschap is gewaarborgd. 2.Mfc: multi functioneel centrum. 3.Mfc’s/wijkgebouwen: grote accommodaties, met meerdere functies en een sportvoorziening. Bovendien hebben zij meestal een regionale functie. 4.Middelgrote dorpshuizen/wijkgebouwen: middelgrote accommodaties met meerdere functies vaak gericht op het eigen dorp of wijk. Er is vaak een gymzaal aanwezig waar de basisschool gebruik van maakt. De twee gebouwen met een specifieke culturele functie zijn hieraan toegevoegd (De Spylder aan de Bourren 23 te Warns en Ons Gebouw aan het Broereplein 7/8 te Bolsward). 5.Kleine dorpshuizen: kleine accommodaties met een of twee ruimten, gericht op het dorp waar het dorpshuis zich bevindt. 6.Bestuur: bestuur van een dorpshuis, mfc en/of wijkgebouw. 7.Tijdvak: de door het bestuur gekozen periode van 5 of 10 jaar. 8.Notitie: de notitie harmonisatie beleid dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen. 9.Meerjarenonderhoudsplan (MOP): een door de gemeente vijfjaarlijks op te stellen onderhoudsplan waarin staat beschreven welke aspecten van het gebouw de komende 10 jaar aan vervanging/onderhoud toe zijn, op welke termijn en welke kosten hier globaal mee gemoeid zijn. In het MOP gaat het alleen om groot onderhoud aan de binnen- en buitenkant, duurzaamheid en mogelijk ook maatregelen op het gebied van toegankelijkheid. 10.Klein onderhoud: jaarlijks terugkerend klein- en herstelonderhoud als bedoeld in bijlage 3 van de notitie harmonisatie beleid dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen, tenzij bij overeenkomst anders geregeld. 11.Groot onderhoud: omvangrijke onderhoudswerkzaamheden, niet zijnde klein onderhoud. 12.Inkoop/Aanbestedingsbeleid: als omschreven in de nota Inkoop- en aanbestedingsbeleid van de gemeente. Artikel2.1.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een investeringssubsidie verlenen aan het bestuur voor het uitvoeren van groot onderhoud, renovatie en/of verbouw aan een dorpshuis, mfc of wijkgebouw. Artikel2.1.3Hoogte van de subsidie 1.De investeringssubsidie kan eens per 5 jaar worden aangevraagd conform bijlage 1 van de notitie. De subsidie bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum bedrag van: € 7.500,-- voor kleine dorpshuizen; € 15.000,-- voor middelgrote dorpshuizen/wijkgebouwen; € 42.500,-- voor mfc’s en wijkgebouwen. 2.Het bestuur kan, in afwijking van lid 1, er ook voor kiezen deze subsidie te reserveren en eens per 10 jaar een aanvraag in te dienen conform de lijst die als bijlage 1 is toegevoegd aan de notitie harmonisatie beleid dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen. De subsidie bedraagt dan maximaal 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum bedrag van: € 15.000,-- voor kleine dorpshuizen; € 30.000,-- voor middelgrote dorpshuizen/wijkgebouwen; € 85.000,-- voor mfc’s en wijkgebouwen. 3.Het college kan een aanvullende subsidie van maximaal 10% van het toegekende bedrag verlenen wanneer: aantoonbaar wordt bijgedragen aan duurzaamheid, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame energie; en/of aantoonbaar wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid en bruikbaarheid van de voorziening voor alle burgers in de maatschappij, in het bijzonder gehandicapten en chronisch zieken. 4.De in lid 3 genoemde aanvullende subsidie van 10% voor duurzaamheid of toegankelijkheid kan bij aanzienlijke investeringen in duurzaamheid en/of toegankelijkheid in één keer worden verleend (voor de gehele looptijd van de regeling). Uitbetaling geschiedt echter in twee termijnen, conform bijlage I van de notitie harmonisatie beleid voor dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen. 5.Wanneer werkzaamheden door middel van eigen arbeid worden uitgevoerd, geldt een subsidiabel uurtarief van € 20,00 voor vrijwilligers en € 30,00 voor ondernemers. Met eigen arbeid worden de uren van vrijwilligers bedoeld. 6.Bovengenoemde subsidiebedragen c.q. -percentages zijn inclusief btw, tenzij een gebouw onder de btw-regeling valt. Bij vaststelling van de subsidie kan dan rekening worden gehouden met het al of niet gedeeltelijk terugkrijgen van de omzetbelasting. Artikel2.1.4Subsidiecriteria Om voor de investeringssubsidie in aanmerking te komen dient de aanvraag aan de volgende criteria te voldoen: De werkzaamheden moeten gelieerd zijn aan het door de gemeente opgestelde meerjarenonderhoudsplan. De werkzaamheden moeten binnen één jaar nadat de subsidieverlenings-beschikking is verzonden zijn voltooid, tenzij in de beschikking een andere datum is genoemd. Artikel2.1.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert subsidieverlening: Wanneer een dorpshuis, mfc of wijkgebouw gedurende de afgelopen 10 jaar is nieuw gebouwd; Voor klein onderhoud; Wanneer het bestuur in het kader van deze regeling reeds subsidie heeft ontvangen voor het gekozen tijdvak (2.1.3 lid 1 of 2.1.3 lid 2). 2.Het college verleent per dorp of wijk slechts subsidie aan één dorpshuis, mfc of wijkgebouw. 3.Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer de aanvraag is ingediend voor het aangegeven tijdvak van het betreffende dorpshuis, mfc of wijkgebouw zoals genoemd in bijlage 1 van de notitie. Sport, kunst en cultuur Paragraaf3.1Vitalisering verenigingen (n.t.b.) Paragraaf3.2Opleiding kader Artikel3.2.1Begripsbepalingen 1.Cursist: een persoon die, om de sportvereniging te kunnen ondersteunen bij haaractiviteiten, een opleiding nodig heeft. 2.Opleiding: een sporttechnische opleiding die plaatsvindt volgens een door de sportbond erkend opleidingsprogramma voor (jeugd)trainer of (jeugd)coach, bestuurlijk kader, wedstrijdleiding, en scheidsrechter. 3.Sportvereniging: een statutair in de gemeente gevestigde vereniging of stichting die als voornaamste activiteit, al dan niet in competitieverband, gelegenheid biedt sport te beoefenen, die is aangesloten bij één of meer door het NOC*NSF erkende overkoepelende sportorganisaties en die geen mensen bij voorbaat uitsluit van een lidmaatschap. Artikel3.2.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verstrekken aan een sportvereniging voor het (deels) bekostigen van een opleiding. Artikel3.2.3Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500,-- per cursist. 2.Onder subsidiabele kosten worden de volgende kosten verstaan: Cursusgeld; Voorgeschreven boeken en lesmateriaal; Examengeld. Artikel3.2.4Subsidiecriteria n.v.t. Artikel3.2.5Aanvullende weigeringsgronden 1.het college kan subsidieverlening weigeren wanneer de aanvraag na het einde van de opleiding wordt ingediend. Artikel3.2.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 25.000,--. 2.Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst behandeld. 3.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. 4.Wanneer de volgorde niet is te bepalen, vindt deze plaats door middel van loting. Paragraaf3.3Sportevenementen Artikel3.3.1Begripsbepalingen 1.Sportvereniging: een sportvereniging als bedoeld in artikel 3.2.
- 2.Sportinstelling: een rechtspersoon, niet zijnde een sportvereniging, die als voornaamste activiteit gelegenheid biedt sport actief of passief te beoefenen, waarbij de betreffende tak van sport door het NOC*NSF is erkend; 3.Sportevenement: een breedtesportevenement of een topsportevenement. 4.Breedtesportevenement: een openbaar toegankelijke sportactiviteit, waarbij stimulering van bewegen en/of talentontwikkeling centraal staat; 5.Topsportevenement: een openbaar toegankelijke activiteit die door de betreffende landelijke sportbond of NOC*NSF wordt gekwalificeerd als van topniveau. Artikel3.3.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan een sportvereniging of sportinstelling een éénmalige activiteitensubsidie verstrekken voor de organisatie van een sportevenement. Artikel3.3.3Hoogte van de subsidie 1.De subsidie voor de organisatie van een breedtesportevenement bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 1.500,--. 2.De subsidie voor de organisatie van een topsportevenement bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 2.500,--. Artikel3.3.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de aanvrager aan de volgende criteria te voldoen: Het sportevenement vindt geheel of voor een aanzienlijk deel plaats in de gemeente. Het sportevenement is onderscheidend ten opzichte van andere in het subsidiejaar georganiseerde sportieve evenementen. Het breedtesportevenement is geen onderdeel van de reguliere activiteiten van de aanvrager. Om een directe uitstraling naar breedtesport te hebben, moet bij de organisatie van het sportevenement een lokale sportvereniging worden betrokken. Het topsportevenement heeft een promotionele waarde voor de gemeente en een bovenregionaal karakter. Dit wordt uitgewerkt in een bij de aanvraag gevoegd publiciteitsplan. Artikel3.3.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer de sportvereniging of sportinstelling in de vijf voorgaande jaren subsidie heeft ontvangen voor de organisatie van een naar het oordeel van het college vergelijkbare activiteit. Artikel3.3.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 14.000,--. 2.Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. 3.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Paragraaf3.4Sporttechnisch kader gymnastiek Artikel3.4.1Begripsbepalingen 1.Gymvereniging: een vereniging uit de gemeente met volledige rechtsbevoegdheid, die als voornaamste activiteit gelegenheid biedt gymnastiek te beoefenen, die is aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie en die geen mensen bij voorbaat uitsluit van een lidmaatschap. Artikel3.4.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan gymverenigingen een jaarlijkse subsidie verlenen ter hoogte van 50% van de werkgeverslasten sociale verzekeringen voor de duur van maximaal vier jaar. Artikel3.4.3Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt 50% van de werkgeverslasten sociale verzekeringen. Artikel3.4.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de gymvereniging de uitvoering van het werkgeverschap te hebben overgedragen aan de Stichting STK Fryslân. Artikel3.4.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel3.4.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 10.000,--. 2.Indien het totaal van de te verlenen subsidies meer bedraagt dan het subsidieplafond, worden de subsidiebedragen evenredig gekort. 3.Wanneer er voor een bepaald jaar middelen resteren kan eenmalige subsidie worden verleend op grond van deze paragraaf. 4.De aanvragen voor een eenmalige subsidie worden afgehandeld op volgorde van binnenkomst. 5.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Paragraaf3.5Amateurkunst Artikel3.5.1Begripsbepalingen 1.Amateurkunst: Een activiteit op het gebied van muziek, zangkoor, projectkoor en/of toneel, beoefend in de vrije tijd. De uitvoerenden, de artistieke leiding uitgezonderd, ontvangen geen vergoeding voor hun medewerking. 2.Lid/leden: contributie betalend lid/leden die op peildatum 1 september van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar lid is van de subsidieontvanger en die de activiteiten ervan mede uitvoeren. 3.Speler: een lid die in het afgelopen seizoen twee of meermalen heeft meegespeeld in één of meer voorstellingen. 4.Optreden: een openbaar toegankelijke activiteit waarbij de organisatie aantoonbaar haar kunsten vertoont aan minimaal 50 bezoekers. Het optreden kan zowel binnen als buiten de gemeente plaatsvinden. 5.Voorstelling: een openbaar toegankelijke activiteit waarbij de organisatie aantoonbaar haar kunsten vertoont aan minimaal 50 bezoekers. 6.Klasse-indeling: de meest recente klasse-indeling zoals die wordt gehanteerd door de Stichting Amateurtoaniel Fryslân (STAF). Artikel3.5.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan verenigingen en/of stichtingen op het terrein van amateurkunst een jaarlijkse activiteitensubsidie verstrekken. Artikel3.5.3Hoogte van de subsidie De subsidie voor een activiteit op het terrein van muziek, zang-/projectkoor en toneel wordt als volgt bepaald: Muziek 75% van het beschikbare budget wordt naar rato verdeeld op basis van het aantal leden. 25% van het beschikbare budget wordt naar rato verdeeld op basis van het aantal optredens in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. Zang-/Projectkoor 75% van het beschikbare budget wordt naar rato verdeeld op basis van het aantal leden. 25% van het beschikbare budget wordt naar rato verdeeld op basis van het aantal optredens in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. Toneel Het jaarlijks beschikbare budget wordt als volgt verdeeld: 50% spelers 25% klasse 25% voorstellingen Budgetverdeling naar rato op basis van het aantal spelers: ·Klein (5-14 spelers): basisbedrag x 1 ·Groot (15+ spelers): basisbedrag x 2 Budgetverdeling naar rato op basis van de klasse-indeling: ·Eare klasse : basisbedrag x 6 ·Klasse by Utstek : basisbedrag x 5 ·Earste klasse : basisbedrag x 4 ·Twadde klasse : basisbedrag x 3 ·Tredde klasse : basisbedrag x 2 ·Geen klasse : basisbedrag x 1 Budgetverdeling naar rato op basis van het aantal voorstellingen in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. Artikel3.5.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient een aanvrager aan de volgende criteria te voldoen: Minimum aantal Leden Minimum aantal repetities p/jaar Minimum aantal optredens p/jaar in de gemeente zelf Muziek 15 20 2 Zangkoor 10 20 2 Projectkoor 4 n.v.t. 2 Minimum aantal spelers Minimum aantal repetities p/jaar Minimum aantal voorstellingen p/jaar in de gemeente zelf Toneel 4 16 2 Artikel3.5.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert subsidieverlening op het terrein van muziek wanneer de aanvrager niet statutair in de gemeente is gevestigd. 2.Het college weigert subsidieverlening op het terrein van zang-/projectkoren en toneel wanneer de aanvrager niet is ingeschreven in het Nederlands Handelsregister (NHR). Artikel3.5.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. 2.Het subsidieplafond voor muziek bedraagt voor 2015 € 101.729,--. 3.Het subsidieplafond voor zang-/projectkoor bedraagt voor 2015 € 47.088,--. 4.Het subsidieplafond voor toneel bedraagt voor 2015 € 10.035,--. 5.De subsidie wordt verdeeld conform de systematiek als beschreven in artikel 3.5.
- Paragraaf3.6Amateurkunst, muziek en zang innovatief Artikel3.6.1Begripsbepalingen 1.Amateurkunst: amateurkunst als bedoeld in artikel 3.5.
- 2.Femuza: Federatie van muziek- en zangverenigingen in de gemeente. 3.Innovatief: een vernieuwende activiteit gericht op het werven van nieuwe leden, de stimulering van de Friese taal/cultuur en/of promotie van de gemeente op provinciaal of hoger niveau. 4.Concours: concours op nationaal of hoger niveau. 5.Nieuwe organisatie: een organisatie die minder dan 1 jaar staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en die zich als vereniging of stichting statutair wil vestigen in de gemeente met als doel het uitvoeren van activiteiten op het terrein van de amateurkunst. Artikel3.6.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan muziek en/of zang-/projectkoor een eenmalige activiteitensubsidie verlenen voor: het organiseren van een innovatieve activiteit. deelname aan een concours. het opstarten van een nieuwe organisatie in de gemeente. Artikel3.6.3Hoogte van de subsidie per activiteit De hoogte van de subsidie wordt als volgt bepaald: De subsidie voor innovatieve activiteiten bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 1.000,-- per activiteit. De subsidie voor deelname aan een concours bedraagt € 500,--. De subsidie voor het opstarten van een nieuwe muziekvereniging bedraagt € 500,--. De subsidie voor het opstarten van een nieuw zang-/of projectkoor bedraagt € 250,--. Artikel3.6.4Subsidiecriteria n.v.t. Artikel3.6.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert subsidieverlening voor innovatieve activiteiten en concoursen wanneer de aanvrager niet voor een subsidie op basis van paragraaf 3.6 in aanmerking komt. 2.Het college neemt per aanvrager per jaar maximaal twee aanvragen in behandeling. 3.Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer door dezelfde aanvrager in de afgelopen drie jaar voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit subsidie is verstrekt in het kader van deze regeling, met dien verstande dat een organisatie jaarlijks een beroep kan doen op een bijdrage voor het organiseren van een innovatieve activiteit. 4.Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer de innovatieve activiteiten naar het oordeel van het college geen aanvulling zijn op het bestaande aanbod van de aanvrager. Artikel3.6.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 16.535,--. 2.Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. 3.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. 4.Het college stelt Femuza in de gelegenheid advies uit te brengen ten aanzien van de beoordeling van de aanvragen gericht op innovatieve activiteiten. Paragraaf3.7Amateurkunst, foto en film Artikel3.7.1Begripsbepalingen 1.Foto- of filmclub: een amateurvereniging die zich richt op fotografie, film, nieuwe media of andere vormen van audiovisuele kunst. Artikel3.7.2.Subsidiabele activiteiten Het college kan een jaarlijkse activiteitensubsidie verstrekken aan een statutair in de gemeente gevestigde foto- of filmclub. Artikel3.7.3Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt € 1.000,-- per jaar. Artikel3.7.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de foto- of filmclub per kalenderjaar minimaal één openbare activiteit te organiseren waarin het werk van de foto- of filmclub onder de aandacht wordt gebracht. Artikel3.7.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel3.7.6.Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 3.000,--. 2.Indien het totaal van de te verlenen subsidies meer bedraagt dan het subsidieplafond, worden de subsidiebedragen evenredig gekort. Paragraaf3.8Folkloristische activiteiten Artikel3.8.1Begripsbepalingen 1.Traditioneel folkloristische groep: een organisatie die zich actief bezig houdt met het in standhouden en bekendmaken van volksculturen en tradities. 2.Folkloristische activiteiten: activiteiten van een traditioneel folkloristische groep zoals dans, muziek, het geven van presentaties over tradities/gebruiken en kostuums. 3.Lid/leden: lid/leden die op peildatum 1 september van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar staan ingeschreven bij de groep en die de activiteiten ervan mede uitvoeren. 4.Optreden: een folkloristische activiteit waarbij de traditioneel folkloristische groep aantoonbaar haar kunsten vertoont aan publiek. Artikel3.8.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een subsidie verlenen aan een statutair in de gemeente gevestigde traditioneel folkloristische groep voor het uitvoeren van folkloristische activiteiten. Artikel3.8.3Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie wordt jaarlijks als volgt bepaald: Component A: 50% budget Component B: 25% budget Component C: 25% budget Budgetverdeling naar rato op basis van het aantal leden: Klein (10-20 leden) : basisbedrag x 1 Groot (20+ leden) : basisbedrag x 2 Budgetverdeling naar rato o.b.v. het aantal optredens in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar Evenredige verdeling over de groepen die voornamelijk de volkscultuur en tradities van (delen van) de eigen gemeente in standhouden en bekendmaken Artikel3.8.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient een aanvrager aan de volgende criteria te voldoen: Het aantal leden bedraagt minimaal
- Het aantal optredens in de gemeente bedraagt per jaar minimaal
- Om in aanmerking te komen voor de subsidiecomponent C is aansluiting bij de Federatie van Folkloristische Groepen in Nederland een voorwaarde. Artikel3.8.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel3.8.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 10.661,--. 2.De subsidie wordt verdeeld conform de systematiek als beschreven in artikel 3.8.
- Paragraaf3.9Cultuurfonds Artikel3.9.1Begripsbepalingen 1.Cultuur: het geheel van activiteiten van kunst, ontspanning en vermaak. 2.Amateurkunstenaar: hieronder worden kunstenaars verstaan die hun culturele activiteiten beoefenen zonder daarmee in hun levensonderhoud te willen voorzien. Artikel3.9.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan natuurlijke personen, groepen van personen of rechtspersonen subsidie verstrekken voor eenmalige initiatieven die een bijdrage leveren aan het culturele leven in de gemeente en een aanvulling zijn op het bestaande aanbod. Artikel3.9.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten. Er wordt maximaal € 3.000,-- per activiteit verstrekt. Artikel3.9.4Subsidiecriteria Onverminderd het bepaalde in artikel 3.9.2 dient de te subsidiëren activiteit aan tenminste drie van de onderstaande criteria te voldoen. De activiteit moet: aandacht besteden aan het bereiken van nieuw publiek en/of bijzondere publieksgroepen, zowel in dorpen of steden als daarbuiten. zich afspelen op nieuwe/bijzondere locaties. georganiseerd worden door/voor/en met jongeren. mengvormen van verschillende kunstdisciplines laten zien. het imago van de gemeente versterken door het verbinden van cultuurhistorie met recreatie, wonen en/of werken. Verder moet er: bij voorkeur sprake zijn van twee of meer samenwerkende partijen, waarvan tenminste één partij in de gemeente gevestigd is, en moeten amateurkunstenaars uit de gemeente aantoonbaar een belangrijke rol hebben bij uitvoering en organisatie van de te subsidiëren activiteit. Artikel3.9.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college neemt per aanvrager per indientermijn maximaal één aanvraag in behandeling. 2.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer door dezelfde aanvrager in de afgelopen drie jaar voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit subsidie is verstrekt in het kader van deze regeling. 3.Het college weigert subsidieverstrekking wanneer de activiteit naar het oordeel van het college het karakter heeft van een feest of receptie. Artikel3.9.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 36.948,--. 2.Voor beide tijdvakken waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, is een bedrag van € 18.474,-- beschikbaar. 3.Wanneer na het eerste tijdvak nog geld resteert wordt het restant overgeheveld naar het tweede tijdvak. 4.Na het verstrijken van de indientermijn worden de aanvragen geprioriteerd. Hierbij geeft het college aanvragen een hogere prioriteit wanneer de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting van meer belang is voor het beleid en meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel3.9.7Indientermijn 1.De volgende termijnen gelden voor het indienen van een aanvraag: a.vóór 1 november wanneer de activiteit plaatsvindt in het tijdvak van 1 januari tot en met 30 juni van het volgende kalenderjaar. b.vóór 1 april wanneer de activiteit plaatsvindt in het tijdvak van 1 juli tot en met 31 december van hetzelfde kalenderjaar. Paragraaf3.10Uitgifte Boeken & Films Artikel3.10.1Begripsbepalingen n.v.t. Artikel3.10.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan natuurlijke personen, groepen van personen of rechtspersonen subsidie verstrekken ten behoeve van de uitgifte van een boek, film of vergelijkbaar materiaal. Artikel3.10.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt maximaal € 1.000,-- op basis van de ingediende begroting en het financieringsoverzicht. Artikel3.10.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: het te subsidiëren project dient naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit te zijn, zowel inhoudelijk als qua vormgeving. Artikel3.10.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel3.10.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 3.000,--. 2.Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst behandeld. 3.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Paragraaf3.11Historische verenigingen Artikel3.11.1Begripsbepalingen 1.Historische vereniging: rechtspersoon die zich richt op de bestudering van de algehele lokale historie. Artikel3.11.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan statutair binnen de gemeente gevestigde historische verenigingen een jaarlijkse activiteitensubsidie verstrekken. Artikel3.11.3Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt € 1.000,-- per jaar. Artikel3.11.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de historische vereniging per kalenderjaar minimaal één openbare activiteit te organiseren waarin het werk van de historische vereniging onder de aandacht wordt gebracht. Artikel3.11.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel3.11.6.Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 4.000,--. 2.Indien het totaal van de te verlenen subsidies meer bedraagt dan het subsidieplafond, worden de subsidiebedragen evenredig gekort. Paragraaf3.12Kunstroutes Artikel3.12.1Begripsbepalingen 1.Beeldende kunst: vormen van kunst waarbij de afbeelding voorop staat, zoals: schilderkunst, textiele werkvormen, grafiek, beeldhouwkunst, fotografie en film. 2.Kunstroute: evenement of geheel van activiteiten rondom een route in de gemeente, gericht op het onder de aandacht brengen van het werk van actieve kunstenaars (van nu.) Artikel3.12.2Subsidiabele activiteiten Het college kan aan een statutair in de gemeente gevestigde rechtspersoon een eenmalige activiteitensubsidie verstrekken voor de organisatie van een kunstroute. Artikel3.12.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 1.250,-- per activiteit. Artikel3.12.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de activiteit te worden georganiseerd in samenwerking met minimaal twee andere (in de gemeente gevestigde) partijen. Artikel3.12.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college neemt per aanvrager jaarlijks maximaal één aanvraag in behandeling. 2.Het college weigert subsidieverstrekking indien de activiteit wordt georganiseerd rondom openbaar kunstbezit, en daarmee het karakter van een stadswandeling heeft. Artikel3.12.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 5.000,--. 2.Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. 3.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Paragraaf3.13Musea, innovatie en samenwerking Artikel3.13.1Begripsbepalingen (voorlopig) Geregistreerd museum: een instelling uit de gemeente die: voldoet aan de eisen genoemd in de ICOM-definitie (zie lid 2) en (voorlopig) is opgenomen in het Museumregister Nederland. de bij de (voorlopige) registratie behorende museumnormen in acht neemt. (bijna) in het bezit is van het Certificaat Geregistreerd Museum. International Council of Museums (ICOM)-definitie: Een museum is een permanente instelling, niet gericht op het behalen van winst, toegankelijk voor publiek, die ten dienste staat van de samenleving en haar ontwikkeling. Een museum verwerft, behoudt, onderzoekt, presenteert, documenteert en geeft bekendheid aan de materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving, voor doeleinden van studie, educatie en genoegen. Potentieel geregistreerd museum: een instelling uit de gemeente die op basis van een intentieovereenkomst binnen drie tot vijf jaar toewerkt naar de status van geregistreerd museum. Innovatief: aanvullend zijn op het bestaande aanbod, gericht op wezenlijke vernieuwing, een kwaliteitsimpuls, (bijzondere) publieksgerichte acties en stimulering van onderlinge samenwerking. SSM-ZWF: Stichting Samenwerking Musea Zuidwest Friesland. Artikel3.13.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verstrekken aan (voorlopig of potentieel) geregistreerde musea in de gemeente en aan SSM-ZWF voor innovatieve activiteiten, die zich richten op: een wezenlijke vernieuwing van programmering en presentatie. verbetering van de publieksgerichtheid. een duidelijke kwaliteitsimpuls van het museum en/of deskundigheidsbevordering van de vrijwillige medewerkers en/of personeel dat in loondienst van de instelling is. meer of nieuwe vormen van samenwerking tussen de musea (twee of meer samenwerkende partijen), zowel lokaal als bovenlokaal, of met andere (culturele) instellingen. Artikel3.13.3Hoogte van de subsidie per activiteit 1.De hoogte van de subsidie voor innovatieve activiteiten bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum bedrag van € 2.500,-- per aanvraag. 2.In afwijking van artikel 8.1 lid 16 worden de volgende zaken niet als subsidiabele kosten aangemerkt: de aanschaf van apparatuur zijnde (vervanging van) machines, computers, beamers, touchscreens etcetera); onderhoudskosten van het pand, waarin het museum (of onderdelen daarvan) gehuisvest zijn; investeringen aan het pand, waarin het museum of onderdelen daarvan gehuisvest zijn. Artikel3.13.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen gelden de volgende criteria: 1.De subsidiabele activiteiten moeten een aanvulling zijn op het bestaande aanbod van het museum of bestaande activiteiten van de SSM-ZWF. Artikel3.13.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college neemt per aanvrager per indientermijn als bedoeld in artikel 3.13.7 maximaal één aanvraag in behandeling. 2.Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer door dezelfde aanvrager in de afgelopen drie jaar voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit subsidie is verstrekt in het kader van deze regeling. Artikel3.13.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 15.000,--. 2.Voor beide tijdvakken (zie art. 3.13.7) waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, is een bedrag van 50% van het subsidieplafond beschikbaar. 3.Wanneer na het eerste tijdvak nog geld resteert wordt het restant overgeheveld naar het tweede tijdvak. 4.Na het verstrijken van de indientermijn worden de aanvragen geprioriteerd. a.Als eerste komen in aanmerking aanvragen van subsidieaanvragers die geen jaarlijkse subsidie van de gemeente ontvangen. b.Vervolgens geeft het college aanvragen een hogere prioriteit wanneer de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar het oordeel van het college meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel3.13.7Indientermijn 1.De volgende termijnen gelden voor het indienen van een aanvraag: a.vóór 1 november wanneer de activiteit plaatsvindt in het tijdvak van 1 januari tot en met 30 juni van het volgende kalenderjaar. b.vóór 1 mei wanneer de activiteit plaatsvindt in het tijdvak van 1 juli tot en met 31 december van hetzelfde kalenderjaar. Paragraaf3.14Friese taal Artikel3.14.1Begripsbepalingen n.v.t Artikel3.14.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verstrekken aan een natuurlijke persoon of aan een statutair in de gemeente gevestigde rechtspersoon voor het organiseren van een activiteit, die bijdraagt aan de zichtbaarheid van de Friese taal in de gemeente. Artikel3.14.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 2.000,-- per activiteit. Artikel3.14.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de aanvrager aan de volgende criteria te voldoen: De activiteit moet worden georganiseerd in samenwerking met minimaal twee andere partijen, waarvan tenminste één partij in de gemeente gevestigd is. De activiteit is een aanvulling op het huidige aanbod in de gemeente. De activiteit heeft een promotionele waarde voor de gemeente. Bij de aanvraag dient een publiciteitsparagraaf te worden gevoegd. Artikel3.14.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college neemt per aanvrager jaarlijks maximaal één aanvraag in behandeling. 2.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer aan dezelfde aanvrager in de afgelopen drie jaar voor hetzelfde of een vergelijkbare activiteit is bijgedragen. Artikel3.14.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 8.000,--. 2.Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. 3.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld.
- Veiligheid, orde, handhaving en toezicht Dit programma heeft geen subsidieregelingen.
- Ruimte, wonen, economische verscheidenheid, sleutelsectoren en gastheerschap Paragraaf5.1Toeristische evenementen Artikel5.1.1Begripsbepalingen 1.Toeristisch evenement: een evenement gericht op het toeristisch versterken en promoten van de stad, het dorp of de gemeente. 2.Bovenlokaal: gericht op het trekken van bezoekers van buiten de eigen stad of het eigen dorp. 3.Promotieorganisatie: een organisatie die zich richt op de promotie van een stad, dorp of regio. Artikel5.1.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verstrekken aan promotieorganisaties die werkzaam zijn binnen de gemeente voor het organiseren van een bovenlokaal toeristisch evenement. Artikel5.1.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Er wordt maximaal € 2.000,-- per evenement verstrekt. Artikel5.1.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: het toeristische evenement vindt plaats in de gemeente; het is een aanvulling op het bestaande aanbod; er is aandacht voor de communicatie en promotie van het toeristische evenement; de aanvrager is aangesloten bij de Vereniging Toeristen Promotie SWF; de aanvrager ontvangt, buiten een eventuele bijdrage voor toeristische informatievoorziening via de Vereniging Toeristen Promotie Súdwest-Fryslân, geen jaarlijkse subsidie van de gemeente gericht op promotieactiviteiten. Artikel5.1.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer aan dezelfde aanvrager in de afgelopen drie jaar voor hetzelfde of een vergelijkbaar toeristisch evenement subsidie is verstrekt in het kader van deze paragraaf. Artikel5.1.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 23.000,--. 2.Voor beide tijdvakken waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, is een bedrag van € 11.500,-- beschikbaar. 3.Wanneer na het eerste tijdvak nog geld resteert wordt het restant overgeheveld naar het tweede tijdvak. 4.Na het verstrijken van de indientermijn worden de aanvragen geprioriteerd. Hierbij geeft het college aanvragen een hogere prioriteit wanneer de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel5.1.7Indientermijn 1.De volgende termijnen gelden voor het indienen van een aanvraag: a.vóór 15 november wanneer de activiteit plaatsvindt in het tijdvak van 1 januari tot en met 30 juni van het volgende kalenderjaar. b.vóór 15 mei wanneer de activiteit plaatsvindt in het tijdvak van 1 juli tot en met 31 december van hetzelfde kalenderjaar. Paragraaf5.2Cultureel Erfgoed Artikel5.2.1Begripsbepalingen 1.Brim 2013: Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten
- 2.Rijksmonumenten: monumenten die zijn opgenomen in het monumentenregister, vastgesteld ingevolge artikel 6 van de Monumentenwet
- 3.Gemeentelijke monumenten: monumenten die zijn aangewezen op basis van de gemeentelijke Erfgoedverordening en opgenomen zijn in het gemeentelijk monumentenregister. 4.Kleine initiatieven: het terugbrengen of herstellen van onderdelen die de historische beleving van de beschermde stads- of dorpsgezichten vergroot. 5.Molens: molens die de status van rijksmonument hebben. 6.Bouwhistorisch onderzoek: in een schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en bouwhistorische waarden van een monument, bedoeld als toetsingskader voor aanvragen als bedoeld onder 3 en
- 7.Inspecties: bouwkundige inspectie door de Monumentenwacht Fryslân of vergelijkbare onafhankelijke instantie, waarin over de bouwtechnische staat van een pand wordt gerapporteerd. 8.Normaal onderhoud: het gebruikelijke periodieke onderhoud om het object in stand te houden. 9.Groot onderhoud: werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan. 10.Cascoherstel: constructieve herstelwerkzaamheden en het herstel van waardevolle- en bijzondere interieur- en exterieuronderdelen. 11.Beschermde stads- en dorpsgezichten: Groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. Het betreffen hier zowel de rijks- als de gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel5.2.2Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan een investeringssubsidie aan natuurlijke- en rechtspersonen verlenen ten behoeve van gemeentelijke monumenten, kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten, inspecties en molens gelegen binnen haar gemeentegrenzen. 2.De subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid betreft uitsluitend de activiteiten zoals opgenomen in artikel 5.2.
- Artikel5.2.3Hoogte van de subsidie per activiteit 1.Subsidie wordt alleen verleend in de volgende vier subsidiecategorieën. Categorie: Gemeentelijke monumenten Onderdeel Maximale subsidie ·Groot onderhoud Werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan. € 5.000,-- per pand/object ·Cascoherstel Constructieve herstelwerkzaamheden en herstel van waardevolle –en bijzondere interieur- en exterieuronderdelen. ·Bouwhistorisch onderzoek Bouwhistorisch onderzoek indien het deel uitmaakt van de aanvraag aangaande cascoherstel. € 15.000,-- per pand/object € 2.500,-- Categorie: Kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten Onderdeel Maximale subsidie ·Kleine initiatieven Het terugbrengen of herstellen van onderdelen die de historische belevening van de beschermde stads- of dorpsgezichten vergroot. ·Bouwhistorisch onderzoek Een bouwhistorisch onderzoek indien het deel uitmaakt van de aanvraag aangaande een klein initiatief. € 2.000,-- per pand/object € 500,-- Categorie: Inspecties Onderdeel Maximale subsidie ·Inspecties Alleen voor een eerste bouwkundige inspectie uitgevoerd door de Monumentenwacht Fryslân of andere onafhankelijke instantie, bij panden of objecten die de status van gemeentelijk monument of rijksmonument hebben. € 500,-- per pand/object Categorie: Molens Onderdeel Maximale subsidie ·Instandhouding Werkzaamheden die door het rijk zijn aangemerkt als subsidiabele kosten en waarvoor een rijkssubsidiebeschikking is afgegeven. € 2.083,-- per molen per jaar De subsidie bedraagt bij: Gemeentelijke monumenten: 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van de bedragen zoals deze in het overzicht bij lid 1 zijn benoemd. Kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten: 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van de bedragen zoals deze in het overzicht bij lid 1 zijn benoemd. Bouwhistorisch onderzoek: 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 2.500 indien het deel uitmaakt van een aanvraag als hiervoor genoemd onder lid 1 bij gemeentelijke monumenten en een maximum van € 500,-- indien het deel uitmaakt van een aanvraag als hiervoor genoemd onder lid 1 bij kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten. Inspecties: maximaal € 500,--. Molens: 25% van de subsidiabele kosten die door het rijk zijn vastgesteld met een maximum van € 2.083,-- per molen per jaar. Onder subsidiabele kosten wordt, in aanvulling op artikel 8.1 lid 16, het volgende verstaan: Molens: de kosten die zijn vastgesteld door het Rijk. Gemeentelijke monumenten en kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten: kosten die betrekking hebben op de feitelijke uitvoeringskosten (materiaal en arbeid), dit kan zowel inclusief als exclusief btw zijn, afhankelijk van de situatie van de eigenaar. Bouwhistorisch onderzoek: kosten die noodzakelijk zijn om het onderzoek op een doelmatige wijze uit te voeren, met uitzondering van publicatiekosten van de onderzoeksresultaten. Indien een aanvraag om subsidie voor een gemeentelijk monument zowel groot onderhoud als cascoherstel betreft, bedraagt de subsidie maximaal € 15.000,--. Indien de subsidieaanvrager de btw kan terugvorderen, wordt over dat deel geen subsidie verstrekt. Indien de subsidieaanvrager een deel van de kosten vergoed krijgt door een verzekering, wordt over dat deel geen subsidie verleend. Artikel5.2.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: In afwijking van artikel 0:4 lid 2b dient een aanvraag om subsidie uiterlijk vier weken voor het begin van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd te zijn ingediend, tenzij het een inspectie betreft. Voor gemeentelijke monumenten en kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten kan maximaal 1 maal per drie jaar subsidie worden verleend. Voor molens kan alleen voor dezelfde zes jaarlijkse periode subsidie worden toegekend als waarvoor het rijk een subsidieverleningsbeschikking heeft af gegeven. Moleneigenaren die de status “Professionele Organisatie” van het rijk hebben gekregen – of nog gebruik mogen maken van de (oude) status “Aangewezen Organisatie” - mogen desgewenst schuiven met de beschikbaar gestelde subsidies onder haar monumenten onderling, mits het totaal opgetelde toegekende subsidiebedrag aan die eigenaar niet wordt overschreden. Artikel5.2.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer er voor molens geen rijkssubsidie is verleend voor de betreffende instandhoudingperiode als bedoeld in het Brim
- 2.Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer de aanvrager geen eigenaar van het object, pand of molen is waarvoor subsidie wordt aangevraagd, tenzij de aanvraag zich richt op een klein initiatief in een beschermd stads- of dorpsgezicht. 3.Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer het panden, objecten en molens betreft die eigendom zijn van een overheidsinstantie. 4.Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer het panden, objecten en molens betreft die al op een andere wijze door de gemeente worden ondersteund. 5.In afwijking van artikel 8:4 lid 1 weigert het college subsidieverlening wanneer de subsidie voor de gemeentelijke monumenten minder bedraagt dan € 250,--. Artikel5.2.6Subsidieplafond en wijze van verdeling 1.De subsidieplafonds worden jaarlijks door het college vastgesteld. 2.Voor het jaar 2015 bedragen de subsidieplafonds per categorie: a.gemeentelijke monumenten: € 60.000,-- b.kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten: € 10.000,-- c.inspecties: € 10.000,-- d.molens: € 40.000,-- 4.Wanneer er na 1 oktober van hetzelfde kalenderjaar middelen resteren, geldt een gezamenlijk subsidieplafond voor de categorieën uit lid
- 5.Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst behandeld. 6.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. 7.Wanneer de volgorde niet is te bepalen, vindt deze plaats door middel van loting.
- Wegen, water en groen Dit programma heeft geen subsidieregelingen.
- Milieuzorg, energie en duurzame groei Paragraaf7.1Millennium- en duurzame activiteiten Artikel7.1.1Begripsbepalingen 1.Millenniumstatement: het millenniumstatement van de gemeente. 2.Millenniumdoelen: de millenniumdoelen, zoals vastgelegd in de verklaring van Verenigde Naties aangenomen op 8 september
- 3.Duurzaamheid: het voorzien in basisbehoeften van de mens: levensonderhoud, ontspanning, participatie, bescherming, genegenheid, begrip, creatie, identiteit en vrijheid. het verminderen van bodemuitputting zoals de productie van metalen en fossiele brandstoffen. het verminderen van het gebruik van schadelijke chemische stoffen. het verminderen van aantasting van de natuur zoals ontbossing. Artikel7.1.2Subsidiabele activiteiten Het college kan in het kader van het millenniumstatement een eenmalige subsidie verstrekken voor het organiseren van een activiteit die een bijdrage levert aan: duurzaamheid en/of het bereiken van één of meerdere millenniumdoelen. Artikel7.1.3Hoogte van de subsidie per activiteit De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 5.000,-- per activiteit. Artikel7.1.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: De activiteit vindt plaats in de gemeente; De activiteit wordt naar het oordeel van het college voldoende gedragen door inwoners uit de gemeente; De activiteit onderscheid zich ten opzichte van reeds eerder door de gemeente gesubsidieerde activiteiten in het kader van deze regeling; De activiteit heeft geen nadelig effect op duurzaamheid. Artikel7.1.5Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan subsidieverstrekking weigeren wanneer aan dezelfde aanvrager in de afgelopen drie jaar voor hetzelfde of een vergelijkbare activiteit subsidie is verleend in het kader van deze regeling. 2.Het college kan geheel of gedeeltelijk subsidieverstrekking weigeren wanneer de aanvraag zich geheel of gedeeltelijk richt op de aanschaf van goederen. Artikel7.1.6.Subsidieplafond en wijze van verdeling 4.Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Voor het jaar 2015 bedraagt dit € 30.000,--. 5.Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. 6.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Paragraaf7.2Garantieregeling oud papier Artikel7.2.1Begripsbepalingen 1.Garantieregeling: de minimumopbrengst die de gemeente garandeert aan inzamelende organisaties voor het ingezamelde oud papier en karton afkomstig van huishoudens. 2.Inzamelende organisatie: een in de gemeente gevestigde maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk die op grond van de Afvalstoffenverordening door het college is aangewezen als inzamelaar oud papier en karton. 3.Inzameling oud papier en karton: de inzameling van oud papier en karton bij particuliere huishoudens door aangewezen inzamelende organisaties in samenwerking met de gemeente. Artikel7.2.2Subsidiabele activiteiten Het college kan een activiteitensubsidie verlenen aan een inzamelende organisatie gericht op de inzameling van oud papier en karton. Artikel7.2.3Hoogte van de subsidie 1.De inzamelende organisatie ontvangt voor de door haar ingezamelde hoeveelheid oud papier en karton de prijs zoals deze geldt voor de gemeente. 2.Op het onder lid 1 genoemde bedrag worden de kosten van inzameling in mindering gebracht. 3.De kosten van inzameling bestaan uit inzamelkosten en administratiekosten. De inzamelkosten zijn afhankelijk van de wijze van inzameling: hieronder worden de kosten van de afzetcontainer of zij- of achterlader verstaan. 4.De kosten van inzameling worden jaarlijks geïndexeerd. Artikel7.2.4Subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen dient men aan de volgende criteria te voldoen: De garantieregeling is alleen van toepassing op oud papier en karton afkomstig van particuliere huishoudens. De garantieregeling is alleen van toepassing op inzamelende organisaties die op grond van de Afvalstoffenverordening door het college zijn aangewezen als inzamelaar. De inzamelende organisatie moet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in de overeenkomst tussen gemeente en de verwerker van het oud papier. De voorwaarden zoals bedoeld in lid 3 worden bij het aanwijzingsbesluit gevoegd. Bij tussentijdse veranderingen zal de gemeente de inzamelende organisatie hier over informeren. Artikel7.2.5Aanvullende weigeringsgronden n.v.t. Artikel7.2.6Overgangsregeling De gemeente is met Afvalsturing Friesland NV overeengekomen dat Afvalsturing Friesland NV de gemeente tot en met het jaar 2015 een minimumopbrengst van € 61,00 per ton oud papier en karton garandeert. De kosten van inzameling worden op dit bedrag in mindering gebracht. In 2014 verhoogt de gemeente de minimumopbrengst van € 61,00 per ton oud papier en karton met € 10,00 per ton tot € 71,00 per ton. Hierop worden de inzamelkosten in mindering gebracht. In 2015 verhoogt de gemeente de minimumopbrengst van € 61,00 per ton oud papier en karton met € 5,00 per ton tot € 66,00 per ton. Hierop worden de inzamelkosten in mindering gebracht.
- Algemeen Artikel8.1Afkortingen, Definities en Begrippen In de nadere regels wordt verstaan onder: Awb: Algemene wet bestuursrecht De verordening: Algemene subsidieverordening Súdwest-Fryslân De gemeente: de gemeente Súdwest-Fryslân Het college: het college van de gemeente Súdwest-Fryslân Subsidie: als bedoeld in artikel 4:21 Awb Subsidieplafond: als bedoeld in artikel 4:22 Awb Activiteitensubsidie: Betreft subsidie voor activiteiten die bijdragen aan de gestelde beleidsdoelen en uitgevoerd worden door rechtspersonen zoals vrijwilligersorganisaties of door natuurlijke (groepen van) personen. Budgetsubsidie: Betreft subsidie aan professionele instellingen gericht op uitvoering van gemeentelijk beleid waarbij de subsidieontvanger de uitvoering ter hand neemt. De uitvoering is uitgewerkt in te behalen doelstellingen en prestaties en kan worden vastgelegd in een uitvoeringsovereenkomst. Projectsubsidie: Betreft een eenmalige subsidie aan rechtspersonen voor een geheel van vooraf gedefinieerde activiteiten die in een bepaalde tijd voor een vastgesteld bedrag voor een duidelijke (interne / externe) opdrachtgever wordt gerealiseerd. Investeringssubsidie: Betreft een eenmalige subsidie ten behoeve van instandhouding, vervangings- investeringen, aankoop of eerste stichting van kapitaalswerken en/of eerste inrichting van een accommodatie. Algemene reserve: Een algemene reserve is een reserve zonder specifieke bestemming die wordt gevormd door de winsten van enig jaar daaraan toe te voegen. (Onderhouds)voorziening: Een (onderhouds)voorziening is een voorziening tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten die wordt gevormd ten laste van de resultatenrekening van enig jaar gebaseerd op een onderbouwde berekening. Activiteitenplan: een overzicht van de door de subsidieontvanger geplande activiteiten zoveel mogelijk vertaald naar meetbare resultaten. Investeringsplan: een overzicht van de door de subsidieontvanger voorgenomen investeringen, gebaseerd op een meerjaren onderhoudsplanning en/of een exploitatieplan. Projectplan: een overzicht van de door de subsidieontvanger voorgenomen activiteiten, vertaald in een plan met doel(en), resultaten, middelen en termijn. Subsidiabele kosten zijn: noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering van de activiteit c.q. het project toe te rekenen en door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten, met dien verstande dat ook sprake kan zijn van afschrijvingskosten of kosten voor eigen arbeid. Niet-subsidiabele kosten zijn in ieder geval: kosten, gemaakt voor de datum van indiening van de volledige subsidieaanvraag; boetes, financiële sancties en hiermee samenhangende kosten; kosten voor juridische ondersteuning. Artikel8:2Reikwijdte Nader te bepalen. Artikel8:3Indientermijnen Op grond van artikel 6.2 van de verordening gelden de volgende termijnen voor het indienen van een aanvraag: De indientermijn voor het aanvragen van een jaarlijkse budgetsubsidie of activiteitensubsidie is uiterlijk 1 november voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. De indientermijn voor het aanvragen van een project- of investeringssubsidie is uiterlijk 4 weken voor aanvang van de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Artikel8:4Weigeringsgronden Het college weigert subsidieverstrekking van minder dan € 100,--. Het college kan subsidieverlening weigeren wanneer: niet is voldaan aan de subsidiecriteria; de subsidieaanvraag wordt ingediend na het plaatsvinden van de activiteit c.q. de aanvangsdatum van de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd; het redelijkerwijs te verwachten is dat de subsidieontvanger winst beoogt; de aanvrager niet alle benodigde vergunningen en ontheffingen ten behoeve van de gesubsidieerde activiteit heeft of zal kunnen verkrijgen; de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet en/of het algemeen belang of de openbare orde; de aanvrager een natuurlijk persoon of groepen van personen is, tenzij dit in de nadere regels is toegestaan; de organisatorische en / of financiële continuïteit van de aanvrager en/of de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd onvoldoende is gewaarborgd; de aanvrager geen sluitende begroting indient; de aanvrager in relatie tot de gevraagde subsidie zelf geen substantiële bijdrage levert aan het realiseren van het gestelde doel; er geen evenwichtige verhouding is tussen de verwachte resultaten en de gevraagde bijdrage; al in voldoende mate wordt voorzien in de activiteiten en/of het doel dat wordt nagestreefd; de subsidieontvanger niet over een landelijk erkend kwaliteitskeurmerk beschikt; voor de activiteit al gemeentelijke subsidie is verstrekt. Artikel8:5Subsidiecriteria Het college kan verplichtingen opleggen ten aanzien van de bevordering van de toegankelijkheid van accommodaties voor mensen met een beperking. Het college kan verplichtingen opleggen ten aanzien van de bevordering van het milieu en duurzaamheid. Het college kan de subsidieontvanger verplichten in haar communicatiemiddelen de gemeente Súdwest-Fryslân als subsidiegever te vermelden, waar mogelijk met vermelding van het logo. Artikel8:6Financiële bepalingen Wanneer sprake is van indexatie, wordt het door de gemeente bepaalde inflatiepercentage gehanteerd, zoals opgenomen in de door de raad vastgestelde Conjunctuurnota. Algemene reserve: het college kan de aanvrager verplichten een algemene reserve te vormen; het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, komt ten gunste of ten laste van de algemene reserve. (onderhouds)Voorziening: het college kan de aanvrager verplichten een (onderhouds)voorziening te vormen; de mutaties van de (onderhouds)voorziening worden opgenomen in de begroting, de exploitatierekening en de balans van de subsidieontvanger; wanneer de subsidieontvanger op eigen initiatief een (onderhouds)voorziening met subsidie van de gemeente vormt en voedt, stelt zij de gemeente hiervan in kennis. Artikel8:7Overige bepalingen 1.Het college kan de subsidieontvanger verplichten: een verzekering af te sluiten tegen wettelijke aansprakelijkheid; zijn roerende en onroerende zaken behoorlijk te verzekeren en verzekerd te houden tegen schade door brand en eventuele andere door het college aan te geven risico’s.
- Slotbepalingen Artikel9.1Inwerkingtreding Deze nadere regels treden na bekendmaking in werking. Artikel9.2Intrekking De nadere regels subsidieverlening Gemeente Súdwest-Fryslân die zijn vastgesteld op 14 oktober 2014 worden hierbij ingetrokken. Artikel9.3Werkingssfeer Besluiten, genomen krachtens de nadere regels als bedoeld in artikel 9.2, gelden als besluiten genomen krachtens deze nadere regels. Artikel9.4Citeertitel Deze nadere regels worden aangehaald als ‘Nadere regels subsidieverlening Gemeente Súdwest-Fryslân’. Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 28 april april 2015burgemeester, H.H. Apothekerloco-gemeentesecretaris,S. JoustraToelichting Toelichting nadere regels 1.1 Informele zorg en vrijwilligersorganisaties Artikel 1.1.1 Deze regeling is bedoeld voor plaatselijke groepen vrijwilligers die in georganiseerd verband zorg verlenen. Deze informele zorg kan bestaan uit zelfhulp, buurthulp en/of vrijwilligerszorg. Bij zelfhulp gaat het erom dat mensen die geconfronteerd worden met vergelijkbare problemen elkaar steunen. Een voorbeeld van zelfhulp betreft tienermoeders die elkaar steunen bij de opvoeding, bij elkaar oppassen, ruilacties organiseren, etc. Een voorbeeld van georganiseerde burenhulp is het door buurtbewoners bieden van allerlei eenvoudige hand- en spandiensten aan ouderen in de eigen buurt, zoals snoeiwerk in de tuin of het schoonmaken van de goot. Bij vrijwilligerszorg kan het gaan om vergelijkbare praktische diensten of bezoekwerk, uitgevoerd door vrijwilligers. In de praktijk komen ook mengvormen voor waarbij een vrijwillige hulpdienst zelf vrijwilligers heeft, maar bij hulpvragen in eerste instantie contacten legt met buren. Artikel 1.1.2 Het doel van deze subsidiëring is: het bieden van informele zorg en ondersteuning op sociaal (-emotioneel) en/of praktisch gebied aan kwetsbare inwoners uit de gemeente, in de breedste zin van het woord, gericht op het bevorderen van het welzijn, de maatschappelijke participatie en de zelfredzaamheid (als aanvulling op of vervanging van de mantelzorg). het bieden van eerste hulp en ondersteuning bij ongelukken aan inwoners uit de gemeente, om te doen wat nodig is om verdere lichamelijke schade voor een slachtoffer van een ongeval te voorkomen, tot er deskundige hulp kan worden gegeven. Artikel 1.1.3 Er is bij de subsidiabele activiteiten een onderscheid gemaakt in hoofdcomponenten en aanvullende componenten. Voor de hoofdcomponenten praktische hulp en ondersteuning (I), bezoekwerk (II) en het adequaat toerusten van de eigen vrijwilligers en het bieden van EHBO-diensten bij evenementen in de gemeente (V) kan een activiteitensubsidie worden verstrekt, indien aan de subsidiecriteria wordt voldaan. Voor de aanvullende componenten ontmoetingsactiviteiten (III) en het faciliteren van vrijwilligers door deskundigheidsbevordering, een vrijwilligersvergoeding en/of een gezamenlijke activiteit (IV) kan alleen activiteitensubsidie worden aangevraagd in aanvulling op een aanvraag voor de hoofcomponenten praktische hulp en ondersteuning (I) en/of bezoekwerk (II). Artikel 1.1.4 In de subsidiecriteria is opgenomen dat een groep minimaal uit 3 vrijwilligers moet bestaan. Daardoor wordt de continuïteit van de ondersteuning gewaarborgd. Om in aanmerking te komen voor subsidie dient de plaatselijke vrijwilligersgroep minimaal 1 jaar te functioneren waarbij kan worden aangetoond voor welke vragen (praktische ondersteuning en/of periodiek bezoekwerk voor sociaal emotionele ondersteuning) men bij de vrijwilligersgroep terecht kan. Dit kan blijken uit schriftelijke stukken (statuten, beleidsplan, een bekendmaking in wijk- of dorpskrant met de contactgegevens). Hulp- en ondersteuningsvragen zijn aanvragen en verzoeken van de hulpvrager zelf of de door zijn omgeving geuite hulp- of ondersteuningsbehoefte. In de contacten met de hulpvragers kunnen vrijwilligers signaleren dat er behoefte is aan ontmoeting. Het gaat dan om mensen die niet zelf initiatief nemen en waarvoor de drempel om bijvoorbeeld lid te worden van een soos te hoog is. Daarom is het mogelijk om aanvullend een activiteitensubsidie aan te vragen voor het organiseren van minimaal 2 ontmoetingsactiviteiten. Dit soort activiteiten kunnen wel een opstap zijn naar het lid worden van een soos. In de regel wordt van de hulpvragers een eigen bijdrage gevraagd. De hoogte van de eigen bijdrage is afhankelijk van de concrete situatie en afspraken. Er zijn uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld wanneer er strijdigheid is met regels van een (landelijke) koepelorganisatie. Voorbeelden van een eigen bijdrage zijn: een vergoeding/eigen bijdrage per rit of km bij vervoer, een vergoeding per klus of een deelnemersbijdrage per ontmoetingsactiviteit. Het is van belang dat een EHBO-groep ervoor zorgt dat de kennis en vaardigheden van de vrijwilligers op peil blijft. Dit komt tot uiting in het criterium dat in het afgelopen seizoen minimaal 1 (herhalings)training of les voor de eigen vrijwilligers is gevolgd. Hierbij kan het ook gaan om een (herhalings)training of les voor het bedienen van een AED (automatische externe defibrillator). Om te toetsen of de EHBO-groep lokaal actief is, is bepaald dat de groep bij minimaal 2 evenementen in de gemeente EHBO-diensten heeft geleverd. Door aangesloten te zijn bij een landelijke (koepel)organisatie kan de EHBO-groep gebruik maken van landelijk ontwikkeld materiaal en leermiddelen en op de hoogte blijven van de landelijke ontwikkelingen en kaders op het gebied van EHBO-dienstverlening. 1.2 Vrijwillig jeugdwerk Artikel 1.2.2 De activiteiten die subsidiabel zijn moeten naar het oordeel van het college passen binnen het doel van de subsidieverstrekking, namelijk het bevorderen van het welzijn en maximaliseren van de ontwikkelingskansen. De volgende activiteiten zijn hierbij als niet subsidiabel aangemerkt: financiële acties die op winst gericht zijn; activiteiten die niet specifiek op jongeren zijn gericht; activiteiten waarbij het openbare karakter naar het oordeel van het college onvoldoende is gewaarborgd, zoals catechese en kindernevendiensten. 1.3 Vrijwillige ouderenorganisaties, jaarlijks Artikel 1.3.1 Uit deze paragraaf blijkt dat alleen vrijwillige ouderenorganisaties in aanmerking komen voor een activiteitensubsidie. Verder moet de organisatie van de activiteiten in handen liggen van de vrijwilligers. Denk hierbij bijvoorbeeld aan inning van de eigen bijdrage, het vastleggen van de ruimte, afspraken maken met derden en het publiceren van bekendmakingen. In de regel is sprake van een taakverdeling (voorzitter, secretariaat, penningmeester, ledenadministratie). Het gaat om activiteiten die georganiseerd worden voor kwetsbare ouderen die zelfstandig wonen (NB: dit kan ook een aanleunwoning zijn). In deze paragraaf wordt een onderscheid gemaakt in kleinschalige en grootschalige ouderenactiviteiten. Een voorbeeld van een kleinschalige activiteit is een wekelijkse samenkomst in het plaatselijke dorpshuis waar afwisselend gesjoeld, gekaart, bingo gespeeld en gebiljart wordt. De bijdrage die van deelnemers wordt gevraagd is in de regel beperkt. Voorbeelden van een grootschalige activiteit zijn een gezamenlijk bezoek aan een museum, aansluitend gezamenlijk eten of een excursie naar een natuurgebied. Dit soort activiteiten wordt in de regel 1 x per maand of per 6 weken georganiseerd. Deelnemers dragen in de regel bij in de kosten, afhankelijk van de begrote kosten. Artikel 1.3.2 Het doel van een activiteitenprogramma met kleinschalige ontmoetingsactiviteiten is het activeren van kwetsbare ouderen in eigen dorp, wijk of buurt. De activiteiten hebben een structureel en divers karakter (“voor ieder wat wils”). Deze activiteiten bevorderen dat deze groep kan blijven meedoen in de samenleving en verminderen risico’s op eenzaamheid of sociaal isolement. Het doel van een activiteitenprogramma met grootschaliger activiteiten is ook het activeren van kwetsbare ouderen. De activiteiten die toegankelijk zijn voor kwetsbare ouderen, zijn gericht op ontspanning, educatie en/of beweging. Deze activiteiten vinden plaats in de gemeente of daarbuiten en hebben een structureel en divers karakter (“voor ieder wat wils”). Deze activiteiten bevorderen dat ook kwetsbare ouderen aan gezellige uitjes kunnen deelnemen in een andere omgeving om de dagelijkse sleur te doorbreken. Meer bewegen voor Ouderen-activiteiten (te onderscheiden in gymnastiek en volksdansen) zijn gericht op het bevorderen van beweging bij kwetsbare ouderen en dragen bij aan sociale activering van deze groep. Deze activiteiten hebben tot doel ook kwetsbare ouderen op een veilige manier te laten bewegen, in aansluiting op de fysieke mogelijkheden van deze groep en onder leiding van een deskundige Meer Bewegen voor Ouderen docent. Belangenbehartiging heeft tot doel het bevorderen dat zaken die belangrijk zijn voor kwetsbare ouderen aan bod komen in beleid en uitvoering van relevante organisaties in de gemeente en de gemeente zelf. Artikel 1.3.4 Om als aanvrager in aanmerking te komen voor een activiteitensubsidie voor ouderenactiviteiten is voor alle varianten bepaald dat in het afgelopen seizoen een activiteitenprogramma moet zijn georganiseerd met een minimaal bereik van 120 deelnemers. Hiervoor is gekozen omdat de activiteitensubsidie bij de verstrekking direct wordt vastgesteld. Het komt voor dat meerdere vrijwillige ouderenorganisaties een gezamenlijke activiteit organiseren, bijvoorbeeld plaatselijke ouderenbonden. In dat geval kan slechts één van de vrijwillige ouderenorganisaties - in onderling overleg - deze activiteit opvoeren (meenemen) in de subsidieaanvraag voor het activiteitenprogramma. Dit levert in de praktijk geen problemen op omdat de subsidie een vast bedrag is per activiteitenprogramma met een minimaal aantal dagdelen en deelnemers. Voor de meeste vrijwillige ouderenorganisaties geldt dat ze meer dagdelen organiseren en meer deelnemers hebben dan minimaal is vereist om in aanmerking te komen voor subsidie. Voor nieuwe aanvragen voor MbvO-activiteiten ligt het aantal deelnemers hoger dan bij bestaande aanvragers. Hiervoor is gekozen omdat 8 deelnemers voor een MbvO-activiteit als een absolute ondergrens wordt gezien. Voor nieuwe aanvragers wordt uitgegaan van een minimum van 12 deelnemers om vertrek van deelnemers op te kunnen vangen. Voor de activiteit belangenbehartiging geldt dat de aanvrager aangesloten moet zijn bij een landelijke (koepel)organisatie. Voorbeelden van overleggen gericht op collectieve belangenbehartiging zijn de overleggen samenwerkende ouderenbonden en ad hoc werkgroepen, zoals Halt! U valt. Artikel 1.3.5 Alleen activiteitenprogramma’s voor ouderen met een gevarieerd programma komen in aanmerking voor een activiteitensubsidie om zo een breed mogelijke doelgroep aan te spreken. Aanvragen voor ouderenactiviteiten die zich beperken tot of in hoofdzaak richten op één soort, komen niet in aanmerking voor een activiteitensubsidie. Voorbeelden zijn: biljarten, bridge, jeu de boules. Ook aanvragen voor ouderenactiviteiten die in beginsel niet toegankelijk zijn voor iedere kwetsbare oudere, komen niet in aanmerking voor een activiteitensubsidie. Voorbeelden hiervan zijn: activiteiten alleen toegankelijk voor vrouwen of mannen. Artikel 1.3.6 Voor de jaarlijkse subsidies vrijwillige ouderenorganisaties geldt een subsidieplafond. Wanneer er voor een bepaald jaar middelen resteren kan eenmalige subsidie worden verleend op basis van paragraaf 1.
- 1.4 Vrijwillige ouderenorganisaties, eenmalig Deze paragraaf voorziet in de mogelijkheid aan vrijwilligersorganisaties om eenmalig subsidie aan te vragen voor preventieve innovatieve activiteiten gericht op het versterken van de eigen kracht van kwetsbare ouderen dan wel het verminderen van risico’s en/of het voorkomen van problemen bij kwetsbare ouderen. De subsidie is bedoeld om vernieuwing in het bestaande vrijwilligerswerk van en voor ouderen te stimuleren en gericht op samenwerking tussen vrijwilligersorganisaties. Het gaat om activiteiten die een beroep doen op de eigen kracht van de doelgroep en de zelfredzaamheid bevordert. Dit kan door de doelgroep extra toe te rusten bijvoorbeeld op het gebied van internet. Het kan ook gaan om activiteiten die bijdragen aan het voorkomen van problemen bijvoorbeeld op het gebied van vroegtijdige signalering. Het college kan subsidie verlenen, mits voldaan wordt aan de subsidiecriteria en er financiële middelen beschikbaar zijn. 1.5 Peuterspeelzaalwerk Artikel 1.5.2 Onder een bezette peuterplaats wordt verstaan een peuterplaats bezet door een peuter. Hiervoor wordt door de peuterspeelzaal op vier momenten in een jaar (1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober) geteld hoeveel peuters er werkelijk zijn. Van dat aantal wordt het gemiddelde genomen en dat gemiddelde is het aantal bezette peuterplaatsen per subsidiejaar. Artikel 1.5.3 De hoogte van de subsidie bedraagt bij de verlening € 703,-- per bezette peuterplaats per jaar. Van dit bedrag moeten peuterspeelzalen in ieder geval personeelskosten, huisvestingskosten, overhead en scholing betalen. Bij het vaststellen van de subsidie geldt een bandbreedte van 10%. Dit betekent dat de gemeente een lagere bezetting accepteert, als deze minder dan 10% afwijkt van de bezetting die de peuterspeelzaal in de aanvraag heeft aangegeven. De gemeente stelt de subsidie dan vast zoals verleend is. Als de bezetting meer dan 10% afwijkt, stelt de gemeente de subsidie vast op basis van het verschil tussen de bandbreedte en de plaatsen die werkelijk bezet zijn. Let wel, als de peuterspeelzaal een hogere bezetting haalt dan waarvoor subsidie is verleend, stelt de gemeente de subsidie niet hoger vast. Artikel 1.5.5 Doel hiervan is het voorkomen van een te hoge concentratie van voorzieningen in de gemeente. 1.6: Voorschoolse educatie Artikel 1.6.3 De hoogte van de subsidie voor het uitvoeren van een VVE-programma bedraagt € 473,-per bezette VVE-peuterplaats per jaar. Onder een bezette VVE-peuterplaats wordt verstaan een peuterplaats bezet door een peuter. Hiervoor wordt door de peuterspeelzaal op vier momenten in een jaar (1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober) geteld hoeveel peuters er werkelijk zijn. Van dat aantal wordt het gemiddelde genomen en dat gemiddelde is het aantal bezette peuterplaatsen per subsidiejaar. Wil men in aanmerking komen voor € 473,- per bezette peuterplaats per jaar, moet 50% van het aantal bezette peuterplaatsen worden bezet door doelgroepkinderen. Het bedrag van € 473,- is inclusief personeelskosten, huisvestingskosten, overhead, scholing en dergelijke. Om de drempels te verlagen voor VVE-doelgroepen kunnen gemeenten de ouderbijdrage voor VVE doelgroepen baseren op een maximale afname van 5 uur en voor de extra 5 uur die als eis wordt gesteld aan het VVE programma (minimaal 10 uur) geen extra ouderbijdrage in rekening brengen. De hoogte van de subsidie ouderbijdrage is gebaseerd op het verschil tussen € 120,- (laagste tarief peiljaar 2013) en de inkomensafhankelijke ouderbijdrage die ouders op basis van de VNG-norm hadden moeten betalen. Artikel 1.6.5 Doel hiervan is het voorkomen van een te hoge concentratie van voorzieningen in de gemeente. 1.7: Vroegschoolse educatie Artikel 1.7.2 Voor de verdeling van de gemeentelijke middelen wordt uitgegaan van de aantallen en percentages gewichtenleerlingen die een school heeft en er moet sprake zijn van een structurele samenwerking met een VVE-peuterspeelzaal. Het percentage gewichtenleerlingen moet meer dan 10% zijn en het aantal gewichtenleerlingen 24 of meer. Indien een school aan alle drie de criteria voldoet, wordt aan de hand van het aantal gewichtenleerlingen de hoogte van de gemeentelijke bijdrage berekend. Artikel 1.7.5 Doel hiervan is het voorkomen van een te hoge concentratie van voorzieningen in de gemeente. 1.8: Zorg voor leerlingen Artikel 1.8.4 De subsidie mag niet worden ingezet voor taken die primair de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur zijn, te weten kwaliteitszorg, interne begeleiding, systeembegeleiding, professionalisering, schoolontwikkeling, implementatie van onderwijsconcepten en onderwijsmethoden. 2.1 Dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen Deze paragraaf is een uitwerking van de door de raad op 4 april 2013 vastgestelde notitie harmonisatie beleid dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen. Deze notitie schetst het beleid voor dorpshuizen, mfc’s en wijkgebouwen. Het college kan een eenmalige subsidie verlenen aan het bestuur voor het bekostigen van bouwkundige- en constructieve werkzaamheden die het gevolg zijn van onvoorziene schade aan een dorpshuis, mfc of wijkgebouw in de gemeente (calamiteit). Om voor de eenmalige subsidie in aanmerking te komen dient de aanvraag aan de volgende criteria te voldoen: Het moet gaan om naar het oordeel van het college onvoorziene schade. Het moet gaan om een naar het oordeel van het college opeenstapeling van bouwkundige en constructieve gebreken. Het bestuur moet niet verwijtbaar zijn. Een voorbeeld van een calamiteit kan zijn een niet te verzekeren onheil door derden of sneeuwoverlast. In de meeste gevallen wordt de vervolgschade wel vergoed door de verzekering, maar niet de oorzaak. 3.2 Sport, opleiding kader Artikel 3.2.1 In dit artikel wordt een aantal begrippen omschreven, die in de subsidieregeling voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. Voor wat betreft het begrip “opleiding” wordt het van belang geacht dat de opleiding, waarvoor een tegemoetkoming wordt gevraagd, erkend wordt door de desbetreffende sportbond. Artikel 3.2.2 Het is een kunst om een sportvereniging draaiende te houden. Goed kader binnen een sportvereniging, uiteenlopend van technisch kader zoals trainers (al dan niet betaald) tot en met vrijwillige bestuurs- en commissieleden, speelt daarin een grote rol. We vinden het belangrijk dat een vereniging kan beschikken over goed kader. Dit artikel geeft aan dat de subsidie door de sportvereniging moet worden aangevraagd. De regeling is namelijk bedoeld voor sportverenigingen met rechtspersoonlijkheid. Dit geeft de sportvereniging tevens de verantwoordelijkheid voor de beoordeling in hoeverre de cursist in staat is de betreffende opleiding te volgen. Aanvragen van natuurlijke personen worden niet in behandeling genomen. 3.3 Sport, evenementen Artikel 3.3.1 In dit artikel wordt een aantal begrippen omschreven, die in de subsidieregeling voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. Artikel 3.3.2 De gemeente wil sportevenementen ondersteunen. Vooral als die sportevenementen de verbondenheid van onze inwoners met de gemeente versterken en als we daarmee onze gemeente kunnen laten zien aan bezoekers van buiten onze gemeente. Het doel van deze regeling is het direct en concreet bijdragen aan de ontwikkeling en versterking van een gezond sportief klimaat in de gemeente gericht op bewegen. Daarnaast bieden sportevenementen onze sportverenigingen, maar ook bijvoorbeeld Buurtsportcoaches, de mogelijkheid tot het organiseren van allerlei side-events. Dat zorgt weer voor de nodige levendigheid en publiciteit. Artikel 3.3.4 De promotie van topsportevenement moet minimaal Friesland breed plaatsvinden. Bij de aanvraag van een bijdrage voor een topsportevenement dient de aanvrager een publiciteitsplan bij te voegen waarin dit moet worden opgenomen. Hierbij dient de aanvrager ook aan te geven wat de: economische effecten; sociaal-culturele effecten; imago-effecten; kwaliteit van de organisatie en het evenement, zijn. Artikel 3.3.5 De gemeente wil de organisatie van diverse sportevenementen subsidiëren. De diversiteit vinden we belangrijk. Een criteria is dat er in hetzelfde jaar niet te veel gelijksoortige sportevenementen worden georganiseerd. Dit kan een reden voor weigering van subsidie zijn. 3.5 Amateurkunst Artikel 3.5.1 Voor wat betreft muziek gaat het om verenigingen / stichtingen die op amateurkunst-basis actief zijn op het terrein van muziek, zoals bijvoorbeeld Harmonie, Fanfare, Brass en Color Guard. Groepen die naar het oordeel van het college het karakter hebben van een muziekband komen daarmee niet voor subsidie in aanmerking. Onder projectkoren worden organisaties verstaan die op semiprofessionele wijze projectmatig actief zijn op het terrein van zang. Bij het aantal optredens/voorstellingen wordt de grens van 50 bezoekers genoemd. Het doel hiervan is om aan te geven aan welke omvang moet worden gedacht. Dit is lastig meetbaar. In een aantal gevallen zal de aanvrager aan moeten geven hoeveel bezoekers worden verwacht. Mocht, bijvoorbeeld tijdens een steekproef, blijken dat het aantal verwachte bezoekers niet overeenkomt met het daadwerkelijke aantal bezoekers, dan wordt een afwijking van maximaal 25% geaccepteerd. Doel van de grens is met name om het concert-aan-huis karakter uit te sluiten. Verder is er bewust gekozen voor bezoekers en niet voor betalende bezoekers, omdat optredens ook bijvoorbeeld geheel in opdracht kunnen worden uitgevoerd. Het optreden c.q. de voorstelling moet naar het oordeel van het college openbaar toegankelijk zijn en geen besloten karakter hebben. De volgende zaken vallen hiermee buiten het begrip optreden/voorstelling: het verlenen van een bijdrage aan een jubileumfeest c.q. receptie; het verlenen van een bijdrage bij een bruiloft of rouwdienst; het verlenen van medewerking aan een eigen (kerk)dienst; het zonder financiële vergoeding verzorgen van een optreden; het op eigen initiatief én zonder marktconforme vergoeding verzorgen van een optreden; optredens waar een vergoeding in natura tegenover staat zoals bijvoorbeeld het kosteloos gebruiken van oefenruimte. De volgende activiteiten vallen wel onder het begrip optreden/voorstelling: het verlenen van een bijdrage bij herdenkingen, zoals Dodenherdenking; het op verzoek van derden en tegen vergoeding verzorgen van een optreden in de gemeente bij nationale feesten zoals Koninginnedag en Sinterklaas; een try-out voorstelling of optreden, mits het openbare karakter naar het oordeel van het college voldoende is gewaarborgd. Artikel 3.5.2 Doel van deze subsidiëring is in zijn algemeenheid een bijdrage leveren aan de leefbaarheid in de gemeente. Meer concreet wordt met deze subsidiëring beoogd dat de organisaties voor iedereen toegankelijk zijn, betaalbaar en zoveel mogelijk evenwichtig verspreid over de gemeente. Artikel 3.5.3 Bij het bepalen van de hoogte van de subsidie kunnen veel componenten betrokken worden. Insteek van het gemeentelijk subsidiebeleid is onder andere eenvoud en vertrouwen. De systematiek bestaat dan ook slechts uit 2-3 componenten. Vanwege de insteek om outputgericht te subsidiëren (kadernota subsidies) is besloten om 25% van de subsidie te baseren op optredens/voorstellingen. Het betrekken van huisvestingskosten of instrumentarium bij de systematiek is niet apart meegenomen en maakt onderdeel uit van de bijdrage per lid. Het college is van mening dat de verenigingen zelf onderling afspraken kunnen maken over het gebruik van elkaars instrumenten en de bijbehorende kosten in de sfeer van onderhoud en afschrijving. Voor wat betreft het aantal optredens is ervoor gekozen zo dicht mogelijk op het subsidiejaar te zitten. Dit betekent dat de aanvrager voor een klein deel van het jaar aan moet geven hoeveel optredens staan gepland c.q. worden verwacht. In het geval van toneel kan het zijn dat er op één avond meerdere korte toneelstukken worden opgevoerd. Onder een optreden wordt een avondvullend programma verstaan, wat betekent dat meerdere kleine toneelstukken op een avond (of een ander dagdeel) als één optreden worden beschouwd. Bij de systematiek voor de toneelverenigingen is de klasse-indeling van het STAF betrokken. Dit om tegemoet te komen aan de verenigingen die op hoger niveau presteren en daarvoor extra kosten maken in de sfeer van regisseur, apparatuur, kwaliteitsverbetering, het omzetten van stukken e.d. Artikel 3.5.4 Voor muziek- en zangkoren geldt een minimum aantal repetities van 20 per jaar. Deze voorwaarde wordt gesteld vanuit het oogpunt leefbaarheid. Uitgaande van 40 actieve weken komt het er op neer dat er in ieder geval om de week ontmoeting is. Vanwege het projectmatige karakter geldt deze voorwaarde bij projectkoren niet. Omdat deze activiteiten uitstekend passen binnen de missie en visie van de gemeente op het terrein van de amateurkunst, maar zich minder richten op leefbaarheid, is besloten deze voorwaarde niet van toepassing te laten zijn op deze groep. Artikel 3.5.5 De gemeente is van mening dat eigen rechtspersoonlijkheid in de vorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid c.q. een stichting past bij muziekverenigingen omdat hiermee o.a. aansprakelijkheid, financieel beheer, verantwoordelijkheden en doel duidelijk zijn geregeld. Voor zang- en toneelverenigingen geldt dat inschrijving in het Handelsregister volstaat. 3.6 Amateurkunst, muziek en zang innovatief Artikel 3.6.1 Het begrip innovatieve activiteit richt zich op drie onderdelen, namelijk het werven van nieuwe leden, het stimuleren van de Friese taal en cultuur en promotie van de gemeente. Uitgangspunt hierbij is dat de activiteit een aanvulling moet zijn op het bestaande aanbod van de aanvrager en/of het aanbod in de gemeente. Het werven van jeugdleden door middel van het geven van muzieklessen op school is daarmee niet subsidiabel. Dit is dusdanig geïntegreerd dat dit als een onderdeel van het bestaande aanbod wordt beschouwd. De reguliere subsidie kan hiervoor worden ingezet. Wanneer het gaat om innovatieve activiteiten moet de openbare toegankelijkheid voldoende zijn gewaarborgd. Een jubileumactiviteit voor een besloten groep is hiermee niet subsidiabel. Artikel 3.6.2 De vereniging is de subsidieontvanger en er wordt in het kader van