← Nederland

Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Holland (Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Holland) (Zuid-Holland)

Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Holland Besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (7 april 2015, PZH-2015-511490852) tot vaststelling van de Subsidieregeling MKB inno

Artikel 4.1 Doelgroep 1.

Subsidie wordt verstrekt aan een deelnemer in een R&D-samenwerkingsverband dat een R&D-samenwerkingsproject uitvoert.

  1. De subsidie wordt aangevraagd door de penvoerder.
  2. Meer dan 50% van de subsiabele kosten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid. van het R&D-samenwerkingsproject komt voor rekening van de penvoerder en de andere deelnemers met een vestiging in Zuid-Holland gezamenlijk. Artikel 4.2 Weigeringsgronden In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv en artikel 1.4 van deze regeling wordt subsidie voor het samenwerkingsproject geweigerd indien: a. het niet voldoende bijdraagt aan de vernieuwing van producten, processen of diensten of wezenlijke nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten; b.het niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband, de topsectoren, of de daarmee samenhangende positieve gevolgen voor de Zuid-Hollandse economie; c. de kwaliteit van het R&D-samenwerkingsverband ontoereikend is om het R&D-samenwerkingsproject uit te voeren; d. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is; of, e. aan de aanvrager in hetzelfde kalenderjaar al subsidie is verleend op grond van deze paragraaf of paragraaf
  3. Artikel 4.3 Subsidiabele kosten
  4. De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
  5. Elke deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband neemt niet meer dan 70% van de subsidiabele kosten van het R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening. Artikel 4.4 Subsidiehoogte
  6. De hoogte van de subsidie bedraagt per R&D-samenwerkingsproject ten hoogste € 200.000,-.
  7. De hoogte van de subsidie bedraagt per MKB-deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband ten minste € 25.000,- en ten hoogste € 100.000,-.
  8. Het subsidiepercentage voor een R&D-samenwerkingsproject bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten. Artikel 4.5 Rangschikking
  9. Indien de binnen de aanvraagperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de volgende criteria, waarbij een project meer punten wordt toegekend naarmate: a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht; b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het R&D-samenwerkingsverband, de topsectoren, of de Zuid-Hollandse economie; c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, tenminste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie; d.er meer sprake is van sectoroverstijgende combinaties en van combinaties van topsectoren die niet conventioneel zijn.
  10. Gedeputeerde Staten kennen voor de rangschikking bedoeld in het eerste lid de volgende punten toe: a. criteria lid 1 onder a, b en c elk ten hoogste dertig punten; b. criterium lid 1 onder d ten hoogste tien punten.
  11. Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger, naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
  12. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben verkregen en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, dan vindt rangschikking plaats door middel van loting. Artikel 4.6 Subsidieverplichtingen In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd: a. Met de uitvoering wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening; b. Het R&D-samenwerkingsproject wordt uitgevoerd binnen vierentwintig maanden na de start van de activiteiten. Artikel4.7Adviescommissie Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.1 wordt door gedeputeerde staten om advies over de artikelen 4.2 en 4.5, voorgelegd aan een door gedeputeerde staten ingestelde externe adviescommissie. 5 R&D Samenwerkingsprojecten groot Artikel 5.1 Doelgroep
  13. Subsidie wordt verstrekt aan een deelnemer in een R&D-samenwerkingsverband dat een R&D-samenwerkingsproject uitvoert.
  14. De subsidie wordt aangevraagd door de penvoerder.
  15. Meer dan 50% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van het R&D-samenwerkingsproject komt voor rekening van de penvoerder en de andere deelnemers met een vestiging in Zuid-Holland gezamenlijk. Artikel 5.2 Weigeringsgronden In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv en artikel 1.4 van deze regeling wordt subsidie voor het samenwerkingsproject geweigerd indien: a. het niet voldoende bijdraagt aan de vernieuwing van producten, processen of diensten of wezenlijke nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten; b. het niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband, de topsectoren, of de daarmee samenhangende positieve gevolgen voor de Zuid-Hollandse economie; c. de kwaliteit van het R&D-samenwerkingsverband ontoereikend is om het R&D-samenwerkingsproject uit te voeren; d. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is; of, e. aan de aanvrager in hetzelfde kalenderjaar al subsidie is verleend op grond van deze paragraaf of paragraaf
  16. Artikel 5.3 Subsidiabele kosten
  17. De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
  18. Elke individuele deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband neemt niet meer dan 70% van de subsidiabele kosten van het R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening. Artikel 5.4 Subsidiehoogte
  19. De hoogte van de subsidie bedraagt meer dan € 200.000,- en ten hoogste € 350.000,- per R&D-samenwerkingsproject.
  20. De hoogte van de subsidie bedraagt per MKB-deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband ten minste € 25.000,- en ten hoogste € 175.000,-.
  21. Het subsidiepercentage voor een R&D-samenwerkingsproject bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten. Artikel 5.5 Rangschikking
  22. Indien de binnen de aanvraagperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de volgende criteria, waarbij een project meer punten wordt toegekend naarmate: a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht; b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het R&D-samenwerkingsverband, de topsectoren, of de Zuid-Hollandse economie; c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, tenminste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie; d. er meer sprake is van sectoroverstijgende combinaties en van combinaties van topsectorendie niet conventioneel zijn.
  23. Gedeputeerde Staten kennen voor de rangschikking bedoeld in het eerste lid de volgende punten toe: a. criteria lid 1 onder a, b en c elk ten hoogste dertig punten; b. criterium lid 1 onder d ten hoogste tien punten.
  24. Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger, naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
  25. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben verkregen en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, dan vindt rangschikking plaats door middel van loting. Artikel 5.6 Subsidieverplichtingen In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd: a. met de uitvoering wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening; b. het R&D-samenwerkingsproject wordt uitgevoerd binnen vierentwintig maanden na de start van de activiteiten. Artikel5.7Adviescommissie Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.1 wordt door gedeputeerde staten om advies over de artikelen 5.2 en 5.5, voorgelegd aan een door gedeputeerde staten ingestelde externe adviescommissie. 6 Slotbepalingen Artikel 6.1 Evaluatie De evaluatie van de risicoanalyse als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Asv vindt een jaar na de inwerkingtreding van deze regeling plaats. Artikel 6.2 Staatssteun
  26. Subsidie verstrekt op grond van paragraaf 2 voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in de de-minimisverordening.
  27. Subsidie verstrekt op grond van paragraaf 3, 4 of 5 voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in Hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene groepsvrijstelling verordening. Artikel 6.3 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 6.4 Ter inzagelegging Deze regeling zal in het provinciaal blad worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd op het provinciehuis Zuid-Holland. Artikel 6.5 Werkingsduur en overgangsrecht Deze regeling vervalt op 31 juli 2020, met dien verstande dat de regeling van kracht blijft voor subsidies die voor die datum zijn aangevraagd. Artikel 6.6 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid Holland. Den Haag, 7 april 2015 Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland drs. J.H. de Baas, waarnemend secretaris drs. J. SMIT, voorzitter Toelichtingbij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Holland Algemeen De afspraken zijn gemaakt in het kader van de samenwerkingsagenda tussen het ministerie van EZ, provincies, topsectoren en MKB Nederland. De samenwerkingsagenda ‘Gezamenlijke MKB innovatieondersteuning’ is door deze partijen op 11 december 2014 ondertekend. Voor het instrument MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) is in de samenwerkingsagenda afgesproken om voor 1 februari 2015 te komen tot een uitwerking van een gezamenlijk MKB Innovatiepakket Regio & Topsectoren. De subsidieregeling MKB innovatie stimulering topsectoren Zuid-Holland is voortgekomen uit deze afspraak in de samenwerkingsagenda. Juridisch kader De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013 (Asv) zijn op de subsidieverstrekking van toepassing. De Asv is een kaderverordening. De verordening beschrijft op hoofdlijnen voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt en bevat verder delegatie- en bevoegdheidsbepalingen. Daarnaast geeft de Asv algemene procedureregels voor subsidieverstrekking. Deze procedureregels worden niet in deze sectorale regeling herhaald. Waar dezesectorale regeling afwijkt van de Asv, wordt dat vermeld. Inhoudelijk komen de instrumenten die in deze subsidieregeling worden beschreven, grotendeels overeen met de instrumenten in de Regeling nationale EZ-subsidies (titel 3.4 MKB innovatiestimulering topsectoren), omdat het doel is te komen tot een gezamenlijk MKB Innovatiepakket Regio & Topsectoren.De regeling is verdeeld in een algemeen deel dat voor alle aanvragen geldt en specifieke paragrafen met bepalingen voor de instrumenten. Staatssteun Subsidie die op grond van art 107 Verdrag EU onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard kan gerechtvaardigd worden indien de steun voldoet aan de eisen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening (Agvv). Om die reden sluit deze subsidieregeling wat betreft begrippen, doelgroep, steunintensiteit en subsidiabele activiteiten en kosten aan bij de Agvv en wordt de regeling ook kennisgegeven. Het instrument “innovatieadviesproject” is onder de-minimis gebracht. De aanvrager moet dan wel een de-minimis verklaring kunnen overleggen, maar dan is ook een eenvoudiger afhandeling mogelijk, dat wil zeggen, kort na de subsidieverlening 100% bevoorschotting en ambtshalve vaststelling. De aanvrager hoeft dan niet meer een vaststellingsaanvraag in te dienen en een activiteitenverslag aan te leveren. Echter, bij een steekproefsgewijze controle kan een activiteitenverslag alsnog gevraagd worden. Dan is de begunstigde verplicht dat te leveren. Artikelgewijs 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen De begrippen die de inhoud van de instrumenten van § 3, 4 en 5 weergeven komen overeen met de begrippen als verwoord in hoofdstuk I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Voor het overige zijn de begrippen ontleend aan de landelijke regeling of de Asv. Sub a. Adviesorganisatie: de adviesorganisatie is in deze regeling toegevoegd, om de onderneming een ruimere keuze te geven dan enkel onderzoek door kennisinstellingen. Als aanvullende eis wordt gesteld dat de adviesorganisatie onafhankelijk is ten opzichte van de aanvrager. Bij de aanvraag wordt een verklaring overlegd die die onafhankelijkheid bevestigd. De adviesorganisatie is ten opzichte van de aanvrager een zelfstandige onderneming als bedoeld in bijlage 1 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel 1.2 Subsidiabele activiteiten Alle activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd dienen te passen binnen de genoemde kaders.Het provinciaal beleid kan op de provinciale website gevonden worden, de innovatieprogramma’stopsectoren zijn te vinden op de website voor de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (rvo.nl) en liggen ter inzage op het provinciehuis. Passen de activiteiten binnen deze algemene kaders, dan worden ze getoetst aan de doelgroep en vereisten die zijn opgenomen in één van de specifieke paragrafen waarin de diverse instrumenten zijn opgenomen. De topsector “Creatieve Industrie” valt niet onder het provinciaal beleid en activiteiten in dat kader komen daarom niet voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking, tenzij het gaat om sector overstijgende combinatie in een R&D samenwerkingsverband als bedoeld in artikelen 4.5 lid 1 sub d en 5.5 lid1 sub d. Artikel 1.3 Aanvraagperiode In artikel 26 van de Asv staat vermeld dat subsidieaanvragen gedurende het hele jaar kunnen worden ingediend. In deze regeling wordt dat anders gedaan: aanvragen moeten binnen de periode die is bekendgemaakt bij de bekendmaking van het subsidieplafond. Aanvraagvereisten en aanvraagformulier Volgens artikel 9 van de Asv, wordt een aanvraag om subsidie waarvoor Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier hebben vastgesteld, ingediend met gebruikmaking van dat formulier. De aanvraag gaat overeenkomstig in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden. Artikel 1.4 Weigeringsgronden In artikel 4:25 en 4:35 van de Awb zijn weigeringsgronden voor het weigeren van subsidie opgenomen. Deze zijn aangevuld in artikel 11 en 12 van de Asv. De weigeringsgronden van deze regeling gelden naast deze in de Awb en de Asv. De weigeringsgronden in artikel 1.4 gelden voor alle aanvragen, omdat ze in het algemene gedeelte staan. In de specifieke paragrafen zijn weigeringsgronden opgenomen die alleen gelden voor aanvragen voor het instrument in die betreffende paragraaf. De weigeringsgrond in artikel 1.4 lid 1 is opgenomen om te voorkomen dat een ondernemer binnen een kalenderjaar op meerdere instrumenten een beroep doet. Zo komt de stimulering van innovatie voor zoveel mogelijk ondernemingen beschikbaar. De weigeringsgrond in artikel 1.4 lid 2 beoogt stapeling van subsidies tevoorkomen. Artikel 1.5 Verantwoording Omdat de Asv en de-minimisverordening op innovatieadviesprojecten en de Algemene groepsvrijstellingsverordening op de overige instrumenten van toepassing zijn, zijn er ook twee systematieken van verantwoording. De verantwoording op grond van de Asv is een prestatieverantwoording en geldt als de subsidie wordt verstrekt voor innovatieadviesprojecten. De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld, en controle van de prestaties wordt steekproefsgewijs gedaan. Daarom moet de aanvrager een activi-teitenverslag leveren als daarom wordt gevraagd (artikel 1.5 lid 1). Begunstigden van een subsidie waarop de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is, verantwoorden op een andere manier, namelijk op werkelijk gemaakte kosten. Zij moeten een aanvraag tot vaststelling doen en een activiteitenverslag, beeldmateriaal en een financieel verslag bijvoegen. Bij een subsidieverlening van meer dan €125.000,- moet de aanvrager ook aan de eisen van artikel 1.5 lid 3 voldoen. Deze verantwoording op werkelijk gemaakte kosten wordt ingegeven door de verplichting voor het bestuursorgaan om gegevens bij te houden omtrent steun op grond van de Algemene Groepsvrijstelling (HII art 11 en 12). Artikel 1.6 Bevoorschotting De hoogte en wijze van bevoorschotten wordt niet geregeld in de Asv. Gezien de samenwerking op landelijk niveau, is aangesloten bij de wijze van bevoorschotten bepaald in de Kaderbesluit EZ Subsidieshoofdstuk
  28. Subsidies tot €25.000,- worden kort na de verleningsbeschikking ambtshalve voor 100% bevoorschot. Overige subsidies worden gespreid en in delen bevoorschot, in de eerste plaats omdat het om hogere subsidiebedragen gaat en er een groter risico is bij direct bevoorschotten. In de tweede plaats moeten de aanvragers nog een aanvraag tot vaststelling doen en aan verantwoordingverplichtingen voldoen. Soms sluit de frequentie van bevoorschotting niet aan bij de liquiditeitsbehoefte van een aanvrager. In artikel 1.6 lid 3 is voor dat geval de mogelijkheid opgenomen om in de verleningsbeschikking een andere wijze van bevoorschotten op te nemen. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 38 van de ASV. 2 Innovatieadviesproject Artikel 2.1 Doelgroep De subsidieverstrekking voor innovatieadviesprojecten is onder de de-minimisverordening gebracht. Dit brengt met zich mee dat er geen subsidie zal worden verstrekt als een MKB-ondernemer het de-minimis plafond bereikt heeft. Om dit te kunnen controleren is een de-minimisverklaring vereist. Artikel 2.2 Weigeringsgronden In artikel 4:25 en 4:35 van de Awb zijn weigeringsgronden voor het weigeren van subsidie opgenomen. Deze zijn aangevuld in artikel 11 en 12 van de Asv. De weigeringsgronden van deze regeling gelden naast deze in de Awb en de Asv. Artikel 2.2 Sub a: De subsidie mag niet aangewend worden voor een reeds bestaande opdrachtverlening. Die werd kennelijk ook zonder subsidie door beide partijen rendabel geacht. Sub b: De kennisvraag en de doelstelling het innovatietraject moeten worden beschreven in een beknopt plan dat bij de subsidieaanvraag ingediend moet worden. In de subsidie aanvraag geeft de aanvrager ook aan of hij de kennisvraag bij een kennisinstelling of een onafhankelijke adviesorganisatie wil neerleggen. In beide gevallen moet een offerte overlegd worden. Bij de keuze voor een onafhankelijke adviesorganisatie moet de onafhankelijkheid blijken uit een verklaring waar de onafhankelijkheid tussen MKB-onderneming en adviesorganisatie wordt bevestigd. Deze verplichtingen volgenuit het aanvraagformulier. Artikel 2.5 Rangschikking Lid 3: De keuze voor voorrang voor het laagst aangevraagde subsidiebedrag geeft de meeste kans dat de activiteit nog volledig kan worden uitgevoerd. Artikel 2.7 Beslissen aanvraag Lid 1: In artikel 28 van de Asv wordt bepaald dat de beslistermijn aanvangt na afloop van het tijdvak. In afwijking van de Asv is hier bepaald dat de aanvraag die binnen een tijdvak wordt ingediend, meteen in behandeling wordt genomen, en niet na afloop van het tijdvak. De beslistermijn vangt daarmee ook aan na ontvangst van de volledige aanvraag. De termijn is met 8 weken korter dan de beslistermijn in de Asv, omdat de toetsing niet zeer complex is. Lid 2: De subsidieontvanger behoeft geen vaststellingsaanvraag in te dienen zoals bepaald in artikel 29 van de Asv. Gedeputeerde Staten stellen de subsidie ambtshalve vast. 3 Haalbaarheidsprojecten Artikel 3.2 Weigeringsgronden Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat aanvragen voor haalbaarheidsprojecten waarvan de noodzakelijkheid onvoldoende is aangetoond, of die niet zullen leiden tot een onderbouwd besluit over het wel of niet starten met een voorgenomen innovatieproject, kunnen worden afgewezen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het beoogde vervolgtraject onvoldoende technische risico’s kent of als de voorziene kosten van dit vervolgtraject en de kosten van het haalbaarheidsproject niet in verhouding zijn. Artikel 3.3 Subsidievereisten Deze bepaling beoogt de verhouding te regelen tussen de onderdelen in een haalbaarheidsproject. Met deze verhouding wordt aangegeven dat het altijd wenselijk is een industrieel onderzoek of een experimentele ontwikkeling te combineren met een concrete haalbaarheidsstudie. Een haalbaarheidsproject kan ook alleen bestaan uit een haalbaarheidsstudie. Het is niet verplicht een industrieel onderzoek of een experimentele ontwikkeling er aan toe te voegen of voor die kosten subsidie aan te vragen. Artikel 3.6 Rangschikking Lid 3: De keuze voor voorrang voor het laagst aangevraagde subsidiebedrag geeft de meeste kans dat de activiteit nog volledig kan worden uitgevoerd. Artikel 3.8 Beslissen aanvraag Lid 1: In artikel 28 van de Asv wordt bepaald dat de beslistermijn aanvangt na afloop van het tijdvak. In afwijking van de Asv is hier bepaald dat de aanvraag die binnen een tijdvak wordt ingediend, meteen in behandeling wordt genomen, en niet na afloop van het tijdvak. De beslistermijn vangt daarmee ook aan na ontvangst van de volledige aanvraag. De termijn is met 8 weken korter dan de beslistermijn in de Asv, omdat de toetsing niet zeer complex is. 4 R&

Artikel 4

.1 Doelgroep Subsidie kan alleen verstrekt worden aan deelnemers van het R&D-samenwerkingsverband. Het R&D-samenwerkingsverband bestaat uit twee of meer MKB-ondernemers. Dit betekent niet dat grote ondernemingen of onderzoeksorganisaties niet deel mogen nemen aan onderzoeken die het R&D-samenwerkingsverband uitvoert, maar zij komen niet in aanmerking voor subsidie. De subsidie wordt aangevraagd door de penvoerder met een vestiging in Zuid-Holland van het R&D-samenwerkingsverband. Dit houdt in dat de ondernemingen binnen het samenwerkingsverband één deelnemer uit hun midden machtigen om de subsidies namens hen aan te vragen en voorschotten en betaling conform de verleningsbeschikking uit te voeren. Dit is voor risico van de afzonderlijke ondernemingen die dit onderling schriftelijk goed moeten regelen. Met de eis in lid 3 wordt beoogd dat de Zuid-Hollandse deelnemers een aanzienlijk belang bij het samenwerkingsproject hebben. Het is de bedoeling dat de aanvrager afzonderlijk of samen met andere deelnemers uit dezelfde provincie gezamenlijk minimaal 40 % van de projectkosten dragen. Zo komt de steun voor het project ook weer ten goede aan de provincie Zuid-Holland. Artikel 4.2 Weigeringsgronden In artikel 4:25 en 4:35 van de Awb zijn weigeringsgronden voor het weigeren van subsidie opgenomen. Deze zijn aangevuld in artikel 11 en 12 van de Asv. De weigeringsgronden van deze regeling gelden naast deze in de Awb en de Asv. Artikel 4.5 Rangschikking De wijze van verdeling van het beschikbare subsidiebedrag bij het subsidieplafond voor de kleine R&D samenwerkingsprojecten (§4) en de grote R&D samenwerkingsprojecten (§ 5 ) is volgens een tender-systeem met kwaliteitscriteria. De keuze voor voorrang voor het laagst aangevraagde subsidiebedrag geeft de meeste kans dat de activiteit nog volledig kan worden uitgevoerd. Aanvragen worden getoetst op basis van de in artikel 4.5 genoemde criteria. Bij de beoordeling van die criteria en het toekennen van punten binnen die criteria, kunnen onder meer onderstaande onderwerpen en vragen van belang zijn; Bij het criterium dat er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht: • hoe vernieuwend is het resultaat van het project, het beoogde product, proces of de dienst? • wat is de aard van de innovatie: een nieuw product, proces, of dienst of een nieuwe toepassing van bestaande producten, processen, of diensten? • hoe vernieuwend is de gekozen aanpak of de onderzoeksmethoden? • hoe haalbaar is de innovatie en wat is het technologisch risico? • hoe verhoudt dit project zich tot ontwikkelingen in de topsector en tot internationale ontwikkelingen? Bij het criterium dat er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het R&D-samenwerkingsverband, de topsectoren, of de Zuid-Hollandse en Nederlandse economie: • hoe sluit het project aan bij de strategische doelstelling van de betrokken bedrijven? • hoe sluit het project aan bij de strategische doelstellingen van de betreffende topsector? • wat is de economische waarde van de projectresultaten voor de betrokken bedrijven of de Zuid-Hollandse en Nederlandse economie? • is deze waarde cijfermatig voldoende onderbouwd (marktgrootte, marktaandeel, omzet, winst, terugverdientijd) en hoe realistisch is deze onderbouwing? • wat is de concurrentiepositie en hoe ziet de aanvrager het project in dat licht? Bij het criterium dat de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, tenminste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie: • hebben de partners gezamenlijk voldoende expertise om het project uit te kunnen voeren en vullen ze elkaar aan? • of de capaciteiten van de deelnemers toereikend zijn. • de kwaliteit van de projectorganisatie. Is er bijvoorbeeld een projectleider aangesteld, is er een stuurgroep? • in welke mate heeft het project een directe relatie met andere projecten in de topsector of wordt er samengewerkt met andere partijen uit de topsector? • in welke mate is er een evenwichtige verdeling van de resultaten van het project. Bijvoorbeeld, hoeconcreet zijn de afspraken over intellectueel eigendom vastgelegd? Bij het criterium dat er meer sprake is van sectoroverstijgende combinaties en van combinaties van topsectoren, die niet conventioneel zijn: • de mate waarin thema’s uit verschillende topsectoren worden gecombineerd. De combinatie van meer dan twee thema’s is niet per se waardevoller; intensiteit en verwevenheid van de thema’s tellen zwaarder. • naarmate een combinatie minder voor de hand ligt, maar wel een waardevol project oplevert, zal het project hoger scoren. Artikel 4.6 Subsidieverplichtingen Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat gesubsidieerde R&D-samenwerkingsprojecten binnen korte termijn van positieve invloed kunnen zijn op innovatie binnen de desbetreffende topsector. 5 R&D Samenwerkingsprojecten groot Artikel 5.1 Doelgroep Zie toelichting art 4.1 Doelgroep Artikel 5.2 Weigeringsgronden Zie toelichting art 4.2 Weigeringsgronden Artikel 5.5 Rangschikking Zie toelichting art 4.5 Rangschikking Artikel 5.6 Subsidieverplichtingen Zie toelichting art 4.6 Subsidieverplichtingen 6 Slotbepalingen Artikel 6.2 Staatssteun De subsidie voor innovatieadviesprojecten valt onder de-minimissteun. In het aanvraagformulier worden gegevens gevraagd om hieraan te kunnen voldoen. De overige subsidies dienen aan de voorwaarden van de Algemene groepsvrijstellingsverordening te voldoen. Toelichting bij het besluit van gedeputeerde staten van 15 maart 2016 tot wijziging van de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Holland Algemeen De Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid Holland is gewijzigd vanwege afspraken die zijn gemaakt tussen het Rijk en de regio’s voor de MIT 2016. Zo is afgesproken voor het instrument R&D-samenwerkingsprojecten groot dat maximaal 50% van het totale subsidieplafond voor R&D-samenwerkingsprojecten, hieraan besteed kan worden. In dit verband vindt één rangschikking plaats. Deze rangschikking heeft zowel betrekking op de R&D-samenwerkingsprojecten klein als groot. Ook is afgesproken om een aantal wijzigingen door te voeren zodat er meer uniformiteit ontstaat tussende MIT-regelingen van Rijk en regio’s, zoals loting en termijnen. Daarnaast zijn twee artikelen toegevoegd om het mogelijk te maken, net als in andere regio’s, de aanvragen voor R&D-samenwerkingsprojecten voor te kunnen leggen aan een door GS in te stellen externe adviescommissie. Tenslotte zijn enkele tekstuele aanpassingen gedaan ter verduidelijking, zoals de aanpassingen in artikel 1.2. Artikelsgewijs Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Onderdeel g is aangepast om duidelijker te verwijzen naar de innovatieprogramma’s topsectoren. Artikel 1.2 Subsidiabele activiteiten Dit artikel is om redactionele redenen aangepast. Artikel 1.4 Weigeringsgronden Dit artikel is aangepast om het mogelijk te maken dat - conform de afspraken tussen rijk en regio’s voor de MIT 2016 - een aanvrager binnen één kalenderjaar op basis van deze subsidieregeling zowel één klein instrument (hetzij een innovatieadviesproject of een haalbaarheidsproject) gehonoreerd kan krijgen als één groot instrument (hetzij een R&D-samenwerkingsproject klein of een R&D-samenwerkingsproject groot). Om die redenen zijn ook de volgende artikelen toegevoegd: artikel 2.2 onderdeel c, artikel 3.2 onderdeel c, artikel 4.2 onderdeel e en artikel 5.2 onderdeel e. Artikel 1.5 Verantwoording Het derde lid is gewijzigd om duidelijker te maken dat een door een accountant afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid van het financieel verslag noodzakelijk is indien de verlening op het niveau van de deelnemer aan het R&D-samenwerkingsproject € 125.000,- of meer betreft. En dat dit dus niet op het niveau van de totale verleende subsidie voor het R&D- samenwerkingsproject geldt. Paragraaf 2 Innovatieadviesproject Artikel 2.5 Rangschikking Het derde lid is gewijzigd om redenen van uniformiteit. Door deze wijziging vindt net als in de MIT-subsidieregelingen van andere regio’s en het Rijk rangschikking plaats door middel van loting van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen indien het subsidieplafond op enige dag dreigt te worden overschreden. Artikel 2.7 Beslissing aanvraag Het eerste lid is gewijzigd om meer uniformiteit aan te brengen tussen de MIT-regelingen van andere regio’s en het Rijk. Paragraaf 3 Haalbaarheidsprojecten Artikel 3.3 Subsidievereisten Dit artikel is herschreven om duidelijk te maken dat een haalbaarheidsproject voor minimaal uit 60% dient te bestaan uit een haalbaarheidsstudie en voor het overige uit industriele ontwikkeling of experimenteel onderzoek. Dit betekent dat een haalbaarheidsproject dus ook alleen kan bestaan uit een haalbaarheidsstudie. Het is niet verplicht het haalbaarheidsproject ook uit een deel industriële ontwikkeling en/of experimenteel onderzoek te laten bestaan. Artikel 3.6 Rangschikking Zie de toelichting op de wijziging van artikel 2.5. Artikel 3.8 Beslissing aanvraag Zie de toelichting op de wijziging van artikel 2.7. Paragraaf 4 R&

Artikel 4

.1 Doelgroep Het derde lid is gewijzigd om het voor aanvragers van een R&D-samenwerkingsproject klein met één of meer partners van buiten Zuid-Holland duidelijker te maken in welke regio ze hun project moeten indienen. Door het percentage te verhogen van minimaal 40% van de projectkosten naar meer dan 50% van de subsidiabele kosten , is duidelijker dat het zwaartepunt van het R&D-samenwerkingsproject klein in Zuid-Holland dient te liggen. Deze kosten dienen voor rekening te komen van de penvoerder en de andere deelnemers aan het R&D-samenwerkingsproject klein met een vestiging in Zuid-Holland gezamenlijk. Artikel 4.3 Subsidiabele kosten Het tweede lid is gewijzigd zodat in de hele regeling consequent gesproken wordt van subsidiabele kosten. Artikel 4.5 en artikel 5.5 Rangschikking Artikel 4.5, eerste lid, onderdeel b en artikel 5.5, eerste lid, onderdeel b zijn gewijzigd omdat de subsidieregeling (met name) betrekking heeft op de Zuid-Hollandse economie. Artikel 4.5 Rangschikking Het vierde lid is gewijzigd om redenen van uniformiteit. Door deze wijziging vindt net als in de MIT-subsidieregelingen van andere regio’s en het Rijk rangschikking plaats door middel van loting van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen indien het subsidieplafond op enige dag dreigt te worden overschreden. Overigens vindt loting alleen plaats indien twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben verkregen en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toete kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt. Artikel 4.7 Adviescommissie Dit artikel is ingevoegd omdat de provincie Zuid-Holland de aanvragen voor R&D-samenwerkingsprojecten klein voor toetsting aan de weigeringsgronden (artikel 4.2) en voor rangschikking (artikel 4.5) voor advies wil voorleggen aan een externe adviescommissie. Paragraaf 5 R&D Samenwerkingsprojecten groot Artikel 5.1 Doelgroep Het derde lid is gewijzigd om het voor aanvragers van een R&D-samenwerkingsproject groot met een of meer partners van buiten Zuid-Holland duidelijker te maken in welke regio ze hun project moeten indienen. Door het percentage te verhogen van minimaal 40% van de projectkosten naar meer dan 50% van de subsidiabele kosten komen voor rekening van de penvoerder en de andere deelnemers met een vestiging in Zuid-Holland gezamenlijk, is duidelijker dat het zwaartepunt van het R&D-samenwerkingsproject groot in Zuid-Holland dient te liggen. Deze kosten dienen voor rekening te komen van de penvoerder en de andere deelnemers aan het R&D-samenwerkingsproject groot met een vestiging in Zuid-Holland gezamenlijk. Artikel 5.3 Subsidiabele kosten Zie de toelichting op de wijziging van artikel 4.3. Artikel 5.4 Subsidiehoogte Het eerste lid is gewijzigd om een duidelijker onderscheid te maken tussen de instrumenten ‘R&D- samenwerkingsproject klein’ en ‘R&D-samenwerkingsproject groot’. Het tweede lid is gewijzigd om ook € 25.000,- als minimale subsidie per deelnemer te hanteren voor het instrument R&D-samenwerkingsproject groot, conform het instrument R&D-samenwerkingsproject klein (in paragraaf 4). Hierdoor wordt de mogelijkheid geboden aan aanvragers om met meer deelnemers samen te werken in een R&D-samenwerkingsproject groot. Artikel 5.5 Rangschikking Zie de toelichting op de wijziging van artikel 4.5. Artikel 5.7 Adviescommissie Dit artikel is ingevoegd omdat de provincie Zuid-Holland de aanvragen voor R&D-samenwerkingsprojecten groot voor toetsing aan de weigeringsgronden (artikel 5.2) en voor rangschikking (artikel 5.5) voor advies wil voorleggen aan een externe adviescommissie.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.