Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Tubbergen 2015De raad van de gemeente Tubbergen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 mei 2015; gelet op het advies van de commissie Samenleving en Bestuur van 8 juni 2015; gelet op de artikelen 6, tweede lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, van de Participatiewet; B E S L U I T: vast te stellen de navolgende Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Tubbergen 2015 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begrippen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Participatiewet; doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; cliëntenraad: het op grond van artikel 47 van de wet en de daaruit voortvloeiende verordening cliëntenparticipatie ingestelde overlegorgaan met personen uit de doelgroep of hun vertegenwoordigers; Hoofdstuk2.Beleid en financiën Artikel2.Evenwichtige verdeling en financiering 1.Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aanbieden. 2.Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. Het vastgestelde re-integratietraject wordt in ieder geval voor jongeren tot 27 jaar vastgelegd in een plan van aanpak conform artikel 44a van de wet. 3.Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4.Het college biedt drie keer per jaar de raad voortgangsrapportages aan met betrekking tot de resultaten van het re-integratiebeleid. Deze rapportages worden ook aangeboden aan de cliëntenraad. Artikel3.Budget- en subsidieplafonds 1.Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. 2.Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. 3.Het college kan lopende het jaar besluiten middelen tussen de verschillende budgetten over te hevelen. Hoofdstuk3.Algemene bepalingen over voorzieningen Artikel4.Algemene bepalingen over voorzieningen 1.Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan en/of jaarlijks uitvoeringsprogramma vaststellen, waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2.Het college kan bij uitvoeringsbesluit, ter uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op: de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; de aanvraag van en de besluitvorming over voorzieningen, subsidies en premies; nadere criteria voor het vaststellen van de doelgroep loonkostensubsidie en de doelgroep beschut werken; de noodzakelijkheid van scholing, de duur daarvan en de maximaal te vergoeden kosten; het opleggen van een eigen bijdrage aan niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet; 3.Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. Hoofdstuk4.Voorzieningen gericht op uitstroom naar regulier werk Artikel5.Proefplaats 1.Het college kan een persoon, die behoort tot de doelgroep een proefplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden voor zover dit gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is. 2.Het doel van een proefplaats is het beoordelen of een persoon voldoende competenties heeft voor een beoogde arbeidsplaats. 3.De duur van de proefplaatsing is maximaal 3 maanden. 4.Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde werkgever en de persoon die op de proefplaats wordt geplaatst. In de overeenkomst worden de invulling van de proefplaats en de wijze van begeleiding vastgelegd. 5.Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de persoon zijn afgedekt. Artikel6.Werkstage 1.Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: behoort tot de doelgroep, en nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.De duur van de werkstage is maximaal drie maanden en kan éénmalig met maximaal drie maanden bij dezelfde werkgever worden verlengd. 4.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5.Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de werkgever die de werkstage aanbiedt en de persoon die de werkstage gaat verrichten. In de overeenkomst worden het doel van de werkstage en de wijze van begeleiding vastgelegd. 6.Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de persoon zijn afgedekt. Artikel7.Detacheringsbaan 1.Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een detacheringsbedrijf of uitzendbureau, die als werkgever optreedt. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel8.Loonkostensubsidie 1.Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2.Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: een persoon moet behoren tot de doelgroep conform artikel 7 lid 1 onderdeel a van de wet; die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3.Het college kan bij de vaststelling of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort zich laten adviseren door een externe deskundige. Deze adviseur neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. 4.Het college stelt de loonwaarde van een persoon vast aan de hand van het Koninklijk Besluit Loonkostensubsidie Participatiewet d.d. 6 oktober 2014 en de daarop gebaseerde Regeling Loonkostensubsidie Participatiewet d.d. 10 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.