Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Gemeente De Bilt 2015Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning
(91)heeft dementieklachten. Ze woont in een zorgflat. Ze gaat elke eerste zondag van de maand naar haar familie in Loosdrecht. Voor het vervoer maakt ze altijd gebruik van een plaatselijk taxibedrijf. Dat kost wel wat, maar het is slechts één keer per maand en mevrouw kan het prima betalen. Ze is erg tevreden over de dienstverlening van het bedrijf en de chauffeurs kennen haar inmiddels. Johan (22 jaar) durft door een angststoornis niet naar drukke plaatsen te gaan. In een supermarkt is hij al maanden niet geweest. Hij volgt nu groepstherapie bij een GGZ-instelling. Daar leert hij met zijn angst om te gaan. Misschien kan hij binnenkort met zijn moeder, op een rustig moment van de dag, samen boodschappen gaan doen. 2.8.3.6 Particuliere aanschaf hulpmiddelen (Regulier en algemeen verkrijgbaar) Hulpmiddelen kunnen ook handig zijn om problemen op te lossen of te verminderen. Deze kunnen, in het kader van de Wmo, door de gemeente verstrekt worden, maar er zijn ook vele hulpmiddelen die particulier aangeschaft kunnen worden. De heer Meijer (77 jaar) woont alleen. Hij is altijd erg geïnteresseerd geweest in technische snufjes. Via zijn tabletcomputer onderhoudt hij contact met zijn kleinkinderen in Zuid-Afrika. En hij heeft er altijd erg veel plezier in om zijn nieuwe robotstofzuiger aan het werk te zien. Het is, in verband met zijn rugklachten, fijn dat hij niet meer zelf hoeft te stofzuigen. 9 Het onderzoeksverslag Van het gesprek wordt door de medewerker van het Mens op Maat Team altijd een onderzoeksverslag gemaakt volgens een vast format. Dit verslag wordt naar de inwoner gestuurd en opgeslagen in de administratie van het Mens op Maat Team. In het onderzoeksverslag wordt het volgende aangegeven: persoonlijke gegevens; informatie over het gesprek en de consulent (wanneer, waar, met wie); de zelfredzaamheidsmatrix, waaruit blijkt: de situatie van inwoner; de besproken problemen van inwoner; de te bereiken resultaten; de eigen kracht van inwoner en zijn omgeving; de oplossingen en de toegang daartoe; de afspraken die zijn gemaakt; de afspraken over de nazorg. Het ondertekende onderzoeksverslag kan gebruikt worden als aanvraag voor Wmo maatwerkvoorzieningen bij de gemeente. Nagekomen opmerkingen van of namens de inwoner worden als bijlage bij het verslag gevoegd. Het onderzoeksverslag met eventuele bijlagen wordt door het Mens op Maat Team in het digitale cliëntdossier opgeslagen. 2.10 De aanvraag 2.10.1 Hoe aanvragen 2.Als na het gesprek blijkt dat de inwoner een maatwerkvoorziening nodig heeft, kan een aanvraag worden ingediend bij de gemeente. Dit kan op verschillende manieren, afhankelijk van het voortraject: 2.Als een nieuwe cliënt direct een aanvraagformulier indient bij de gemeente, dan zal aan hem of haar wel een gesprek worden aangeboden. 2.10.2 Doorzendplicht 2.Als de aanvraag niet onder de Wmo, maar onder een andere wettelijke regeling (zoals de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet) valt, dan stuurt het Mens op Maat team of de gemeente de aanvraag door naar de juiste instantie. Als de aanvraag naar de verkeerde gemeente is gestuurd, dan wordt deze ook doorgezonden. En als het een melding is voor jeugdhulp, dan wordt deze in overleg aan het CJG overgedragen. 2.Aanvragen die betrekking hebben op beschermd wonen worden doorgezonden aan het college van burgemeester en wethouders van centrumgemeente Utrecht waar deze regeling wordt uitgevoerd. Dit gebeurt nadat er een gesprek met de professional van het Mens op Maat Team heeft plaatsgevonden. Op beschermd wonen is de verordening Wmo gemeente Utrecht van toepassing. 2.10.3 Inspelen op signalen 2.Het Mens op Maat Team heeft de mogelijkheid om naar aanleiding van een signaal uit de samenleving of een mondelinge aanvraag, acties in gang te zetten. Als er een signaal binnenkomt, dan wordt er aan de melder gevraagd wat hij zelf al heeft gedaan naar aanleiding van het signaal. Vervolgens worden er afspraken gemaakt over wat de melder zelf nog kan doen en wat het Mens op Maat Team oppakt. 3 Algemene zaken rondom Wmo-voorzieningen Voordat er dieper ingegaan wordt op de problematiek en de eventueel in te zetten maatwerkvoorzieningen, wordt er eerst een aantal algemene zaken beoordeeld: is de inwoner woonachtig in de gemeente De Bilt?; is de gevraagde voorziening al aangeschaft?; is de gevraagde voorziening gericht op het individu?; betreft het een voorziening ter vervanging van een eerder toegekende voorziening? 1 Woonachtig en hoofdverblijf 3.1.1 Woonachtig Het kan voorkomen dat er twijfel is over waar de inwoner woonachtig is. Voor het begrip “woonachtig”, zijn er de volgende criteria: het adres waar betrokkene woont volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA) en; het adres waar betrokkene voor meer dan de helft van het jaar feitelijk woont. 3.1.2 Hoofdverblijf De gemeente De Bilt neemt alleen aanvragen in behandeling van inwoners van de gemeente De Bilt. Dat betekent dat de aanvrager zijn hoofdverblijf in de gemeente De Bilt moet hebben. Het hoofdverblijf is een verblijfplaats die voor permanente bewoning geschikt is en die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene. Een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats bevat in ieder geval een keuken, een wasgelegenheid en een slaapgelegenheid. Het verschil tussen de begrippen “woonachtig” en “hoofdverblijf” is alleen relevant wanneer iemand twee adressen heeft binnen de gemeente De Bilt. Anders is het hoofdverblijf leidend. 2 Voor de aanvraag aangeschaft Als iemand een voorziening aanschaft voordat hij een aanvraag doet bij de gemeente, dan stelt hij de gemeente voor een voldongen feit. De gemeente kan dan meestal de situatie voorafgaand aan de aanpassing niet goed meer beoordelen en heeft geen invloed meer op de aanschaf van de voorziening. Als achteraf niet meer is vast te stellen of de voorziening noodzakelijk was, dan wordt de aanvraag afgewezen. De bewijslast ligt hierbij vooral bij de aanvrager. Alleen als achteraf objectiveerbaar is vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk is, dan kan de aanvraag mogelijk worden toegekend. De hoogte van de vergoeding wordt echter gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening, ook wanneer de inwoner een duurdere voorziening heeft aangeschaft. 3.3 Op het individu gericht Het verstrekken van een voorziening heeft het doel om de belemmeringen die de inwoner ondervindt op te heffen of te verminderen. In principe wordt er geen rekening gehouden met de belemmeringen die door mensen uit de omgeving van inwoner worden ondervonden. Het gaat om de vraag of de te verstrekken voorziening voor de inwoner zelf een adequate voorziening is. Deze bepaling houdt echter niet in dat er geen rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de inwoner en de afstemming met andere algemene en voorliggende voorzieningen. Het gaat hierbij puur om het feit dat iemand geen gemeenschappelijke voorziening kan aanvragen. 3.4 Aanvraag voor een al verstrekte voorziening Hier gaat het om een voorziening die eerder door de gemeente is verstrekt en waarvan de afschrijvingstermijn nog niet verlopen is. In dat geval wordt er geen nieuwe voorziening verstrekt. Behalve wanneer de voorziening waar het om gaat, buiten de schuld van de aanvrager om, niet meer functioneert (lees: niet meer adequaat te gebruiken is). De gemeente houdt de volgende afschrijvingstermijnen aan voor de verstrekte voorzieningen: sportrolstoelen: 6 jaar; vervoermiddelen en roerende woonvoorzieningen (bijvoorbeeld een scootmobiel, een rolstoel of een tillift: 7 jaar; niet-roerende woningaanpassingen (bijvoorbeeld een onderrijdbare keuken of een traplift): 10 jaar. Voorzieningen waarvan de financiële afschrijvingstermijn is verstreken, maar die nog goed functioneren, worden niet vervangen. De afschrijvingstermijnen worden zowel bij voorzieningen in natura als bij voorzieningen die in de vorm van een PGB zijn verstrekt, toegepast. Dat betekent dat van inwoners die een PGB krijgen om een voorziening aan te schaffen, verwacht wordt dat ze een voorziening kopen die in ieder geval de voor de categorie gestelde afschrijvingsperiode mee gaat. Soms blijken reparaties nodig aan voorzieningen die door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik kapot zijn gegaan. Als dit zich vaker voordoet bij dezelfde persoon, dan wordt er een aangetekende waarschuwing gestuurd waarin staat dat de de kosten van de reparatie voor eigen rekening komen. Bij grove nalatigheid geldt hetzelfde. Zolang de afschrijvingstermijn niet is verlopen, hoeft de gemeente geen nieuwe voorziening te verstrekken. Ook als iemand een PGB heeft, kan de gemeente op deze manier ingrijpen. Voor het meenemen van een elektrische voorziening naar het buitenland dient de gebruiker toestemming te vragen aan de gemeente. Dit voor het verkrijgen van de groene verzekeringskaart. Als de gemeente toestemming verleend om de elektrische voorziening mee te nemen naar het buitenland is de gebruiker zelf verantwoordelijk voor de eventueel te maken kosten voor reparatie in het buitenland. Raakt de voorziening onbruikbaar of zoek door het vervoer naar het buitenland of het gebruik in het buitenland dan is de gebruiker verantwoordelijk voor het vergoeden van de kosten voor de aanschaf van een gelijkwaardige voorziening. Het afsluiten van een reisverzekering wordt sterk aangeraden. 4 het voeren van een huishouden 4.1 Wat verstaan we hieronder? Onder het voeren van een huishouden verstaan we: De regie kunnen voeren over een zelfstandig huishouden; Het schoonmaken van het huis, zodat het schoon en leefbaar is; Het bereiden van maaltijden waaronder ontbijt, lunch en diner; Het doen van de was, zodat er schone en draagbare kleding voorhanden is. Ook het verzorgen van eventuele (jonge) kinderen hoort bij het huishouden, maar dat wordt in een apart hoofdstuk (hoofdstuk 7) besproken. 4.1.1 Regie voeren over een zelfstandig huishouden Onder regie voeren over een zelfstandig huishouden wordt verstaan dan iemand in staat is zelf inzicht te hebben in de noodzakelijke uitvoering van de werkzaamheden die nodig zijn om te komen tot een schoon en leefbaar huis. 4.1.2 Schoonmaken van het huis Tot het schoonmaken van het huis behoort het zware en lichte huishoudelijk werk. Het gaat daarbij concreet om het stofzuigen van de woning, het soppen van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het verder schoon en opgeruimd houden van de ruimten die bewoond worden. Het gaat om alle activiteiten om het huis, exclusief de tuin en het lappen van de ramen aan de buitenkant, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden. Deze ruimten zijn die ruimten die (op het niveau van sociale woningbouw) voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Het niveau van sociale woningbouw betekent dat dit niveau als uitgangspunt wordt genomen. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken. 4.1.3Maaltijden bereiden Voor het bereiden van maaltijden geldt dat er goede voorliggende mogelijkheden zijn, zoals maaltijdservices, open eettafels en kant-en-klaarmaaltijden. Als in een persoonlijke situatie blijkt dat het niet mogelijk is om van deze voorzieningen gebruik te maken dan kan gekeken worden of het toekennen van uren hulp bij het huishouden een maatwerkoplossing kunnen bieden. 4.1.4 De was doen De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat gereinigd worden. Dit betekent het wassen, drogen, eventueel strijken en opvouwen van kleding en linnengoed. En soms moet er klein verstelwerk worden gedaan, zoals het repareren van een los naadje of het vastzetten van een knoop. We spreken hierbij uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare (algemeen gebruikelijke) moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. 4.2 Afwegingskader 4.2.1 Voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen Het college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken en ook in staat wordt geacht om zelfstandig de voorziening in te zetten. Voorbeelden hiervan zijn: Een algemene voorziening voor het verkrijgen van hulp bij het huishouden voor licht en zware schoonmaakactiviteiten. een glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant; een boodschappenservice zoals het via internet bestellen van boodschappen. Boodschappenplusbus; een vrijwilliger die meegaat om boodschappen te doen; maaltijdvoorziening of kant en klare maaltijden; aanschaf van een droogtrommel; tuinman; hondenuitlaatservice. Deze lijst is niet limitatief. In de loop der tijd zullen voorzieningen die nu nog weinig voorkomen en/of duur zijn, steeds meer ingeburgerd raken en dan als voorliggend kunnen worden aangemerkt. Een robotstofzuiger is nu nog vrij prijzig, maar zal in de toekomst waarschijnlijk beter en goedkoper worden en daarmee voor meer mensen bereikbaar en bruikbaar. Bij het beoordelen of een voorziening als voorliggend beschouwd kan worden, moet onderzocht worden of de voorziening voor de persoon in kwestie beschikbaar is en past binnen zijn situatie. 4.2.2 Andere eigen mogelijkheden Ook beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de beperking, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen maatwerk nodig is, omdat het probleem al opgelost was. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er zodanige wijzigingen zijn dat het niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen. 4.2.3 Gebruikelijke zorg Gebruikelijke zorg, die huisgenoten geacht worden aan elkaar te verlenen, wordt ook als een voorliggende voorziening beschouwd. Het principe “gebruikelijke zorg” is gebaseerd op de gedachte dat een leefeenheid samen verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Er mag daarbij echter geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting van de huisgeno(o)t(en). Overbelasting of dreigende overbelasting moet objectief worden vastgesteld, bijvoorbeeld door medisch onderzoek. 4.2.3.1 Huisgenoot Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die, ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze, één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een partner, een inwonend kind, maar kan ook inwonende ouder zijn. Of er sprake is van inwonend, wordt beoordeeld op basis van de concrete feitelijke situatie. 4.2.3.2 Wie valt buiten de leefeenheid? Personen die een (pension)kamer huren, niet in enige familiebetrekking staan tot de aanvrager en een huurcontract hebben, worden niet gezien als onderdeel van de leefeenheid. Andere zaken waaruit blijkt dat er gescheiden huishoudens zijn, zijn bijvoorbeeld verschillende huisnummers, splitsing van de kosten voor nutsvoorzieningen en aparte voordeuren. 4.2.3.3 Rekening houden met de leeftijd van de huisgenoten Bij gebruikelijke zorg wordt er rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt er van huisgenoten verwacht dat zij (afhankelijk van hun leeftijd en mogelijkheden) hun bijdrage leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, et cetera. Van jonge kinderen wordt uiteraard niets of zeer weinig verwacht, terwijl kinderen van 16 en 17 jaar geacht worden om een substantiële bijdrage te leveren. Van (gezonde) jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat ze een eenpersoonshuishouden kunnen voeren. Van (gezonde) volwassenen vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze een volledig huishouden kunnen voeren. 4.2.3.4 Huishouden naast een baan Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een baan een huishouden te runnen. Iedereen die werkt moet naast zijn werk het huishouden doen of hier eigen oplossingen voor zoeken, zoals het inhuren van particuliere hulp. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor tweeverdieners. 4.2.3.5 Ver en lang van huis Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten, zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg wel voor geïndiceerd worden. In alle situaties van afwezigheid waarbij er sprake is van een eigen keuze, wordt hier geen rekening mee gehouden. De afwezigheid moet dus een verplichtend karakter hebben. Voorbeelden hiervan zijn: chauffeurs die op het buitenland reizen; medewerkers in de offshore; marinemensen en militairen die maanden achtereen van huis zijn. Het gaat te ver om deze mensen te dwingen om ander werk te zoeken. Vakantie heeft geen verplichtend karakter en wordt dus als eigen keuze gezien. 4.2.3.6 Niet willen of niet gewend Bij de indicatie wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat huisgenoten aangeven dat ze het huishoudelijke werk niet willen doen, of niet gewend zijn om te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan en dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp worden geboden bij het aanleren van huishoudelijke taken. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies aangeleerd. 4.2.3.7 Ouderen Ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen ook onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn om niet te vragen het huishoudelijke werk aan te leren. Vanaf 80 jaar wordt van een huisgenoot niet meer verwacht dat hij het huishoudelijke werk gaat aanleren. 4.2.4 Mantelzorg In de overweging wordt ook meegenomen of er sprake is van mantelzorg. Mantelzorg is niet afdwingbaar, maar als er taken zijn die door een mantelzorger worden gedaan, dan hoeven die natuurlijk niet door een hulp worden overgenomen. Als er sprake is van een latrelatie, dan zal de gemeente nagaan of en in hoeverre de partner bij kan dragen aan het huishouden. 4.3 Maatwerk voorzieningen Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het college een maatwerk voorziening inzetten. Over het algemeen bestaat deze voorziening uit hulp bij het huishouden. 4 Uitzonderingen: Hulp bij het huishouden wordt wel geleverd als iemand in staat is regie te voeren maar terminaal ziek is, waarbij het uitgangspunt is dat de hulp voor maximaal 6 maanden wordt ingezet. Hulp bij het huishouden wordt wel geleverd als er sprake is van een zeer beperkt zicht, waardoor de regie in het huishouden een probleem wordt. Hulp bij het huishouden wordt wel geleverd als iemand in staat is regie te voeren maar de omvang van de uren hulp bij het huishouden maandelijks dermate hoge kosten met zich mee brengt dat de hulp bij het huishouden naar de geldende maatschappelijke normen niet tot de gangbare gebruiksnormen behoort, waarbij de geldende maatschappelijke norm op 3 uur per week wordt gesteld. Uitgangspunt hierbij is dat iemand zelf geen enkele bijdrage aan het huishouden kan leveren. 5 Hulp bij het huishouden 4.5.1.Advies normtijden Bij het verstrekken van hulp bij het huishouden wordt een norm aangehouden (bijlage 1). Deze systematiek bestaat uit normtijden (in minuten) voor de verschillende over te nemen taken voor verschillende soorten huishoudens. Deze systematiek is indertijd tot stand gekomen in overleg met de toenmalige koepel van zorgaanbieders en is door de Centrale Raad van Beroep als niet-onredelijk aangemerkt. schoonmaakwerkzaamheden met ondersteuning binnen een ontregelde huishouding; psychosociale begeleiding gericht op huishoudelijke activiteiten; observeren; advies, instructie, voorlichting gericht op het voeren van een huishouding. 5 Begeleiding 5.1 Wat verstaan we hieronder? Begeleiding is gericht op het bevorderen en/of, het behoud van zelfredzaamheid van de inwoner. Begeleiding is bedoeld voor mensen die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een instelling of zouden verwaarlozen. Begeleiding kan individueel of in groepsverband worden ingezet. Bij zelfredzaamheid gaat het hier om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de inwoner in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. In de eerste plaats kan het gaan om het actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de inwoner, waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De grens tussen de persoonsgebonden sociale omgeving en participatie is niet altijd scherp te trekken. Daarom is er voor inwoners met matige en zware beperkingen binnen de begeleiding ook ondersteuning mogelijk in de vorm van het stimuleren tot en het voorbereiden van gesprekken met instanties op het terrein van wonen, school, werk, enzovoort. In de tweede plaats kan de begeleiding de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. 5.2 Afwegingskader Waarom begeleiding: sociale redzaamheid; bewegen en verplaatsen; probleemgedrag; psychisch functioneren; geheugen- en oriëntatiestoornissen. Het onderscheid tussen enerzijds lichte beperkingen en anderzijds matige tot zware beperkingen wordt op elk van de vijf terreinen onderzocht aan de hand van een aantal aspecten. Sociale redzaamheid Bij sociale redzaamheidgaat het om de volgende aspecten: begrijpen wat anderen zeggen; een gesprek voeren; zich begrijpelijk maken; initiëren en uitvoeren eenvoudige taken; kunnen lezen, schrijven en rekenen; dagelijkse bezigheden; problemen oplossen en besluiten nemen; dagelijkse routine regelen; initiëren en uitvoeren complexere taken; communicatiehulpmiddel gebruiken; zelf administratie zaken bijhouden. zelf geld beheren; Lichte beperkingenhouden dan in dat de inwoner lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen, vanuit gezin, het sociale netwerk, werk en/of school. De inwoner kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. Matige beperkingenhouden dan in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de inwoner niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de inwoner afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de inwoner soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing of opname. Zware beperkingenhouden dan in dat complexe taken voor de inwoner moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De verzekerde kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de inwoner afhankelijk van de hulp van anderen. Bewegen en verplaatsen Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: lichaamspositie handhaven; grove hand- en armbewegingen maken; fijne handbewegingen maken; lichtere voorwerpen tillen; gecoördineerd bewegingen maken met benen en voeten; lichaamspositie veranderen; trap op en af gaan zonder hulp(middelen); zich verplaatsen met hulp(middelen); voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen); gebruik maken van openbaar vervoer; eigen vervoermiddel gebruiken; voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen); korte afstanden lopen; zwaardere voorwerpen tillen. Lichte beperkingenhouden dan in dat de inwoner niet meer zelf kan fietsen of autorijden en zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bijvoorbeeld een rollator) kan voortbewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan de inwoner geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. De Inwoner kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving en zo nodig door de inzet van hulp bij het huishouden en/of andere voorzieningen uit de Wmo Matige beperkingenhouden dan in dat het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten soms problemen oplevert. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend, maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. De inwoner kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor de inwoner geworden, maar vanuit eigen middelen of de Wmo zijn hiervoor alternatieven mogelijk. Zware beperkingenhouden dan in dat de inwoner bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in- en uit bed komen volledig moet worden geholpen. Binnenshuis is de inwoner voor zijn verplaatsingen zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan de verzekerde de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven. Gedragsproblemen Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten: destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk); dwangmatig gedrag; lichamelijk agressief gedrag; manipulatief gedrag; verbaal agressief gedrag; zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag; grensoverschrijdend seksueel gedrag. Lichte beperkingenhouden dan in dat de inwoner lichte gedragsproblemen vertoont die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van de inwoner. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname noodzakelijk is. Matige beperkingenhouden dan in dat de inwoner gedrag vertoont dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. Het clientsysteem kan slechts gedeeltelijk in de bijsturing van de inwoner voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een deskundige professional. Als er geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie van de inwoner. Zware beperkingenhouden dan in dat de inwoner ernstig probleemgedrag vertoont en hierdoor ontstaan zelfredzaamheidproblemen. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico’s zijn voor veiligheid van de inwoner of zijn omgeving is er continu hulp of begeleiding nodig. Psychisch functioneren Bij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten: concentratie; geheugen en denken; perceptie van omgeving Lichte beperkingenhouden dan in dat de inwoner lichte problemen heeft met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, of prikkelgevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van de inwoner voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken. Matige beperkingenhouden dan in dat de verzekerde vaak zodanige problemen heeft met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als er niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart de inwoner in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid. Zware beperkingenhouden dan in dat de inwoner ernstige problemen heeft met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk. Oriëntatiestoornissen Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: oriëntatie in persoon; oriëntatie in ruimte; oriëntatie in tijd; oriëntatie naar plaats. Lichte beperkingenhouden dan in dat de inwoner lichte problemen heeft met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en de inwoner kan zich zelfstandig redden met hulp vanuit zijn netwerk. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want de verzekerde kan veel taken op basis van “gewoonte” zelfstandig uitvoeren. Matige beperkingenhouden dan in dat de inwoner problemen heeft met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van de verzekerde staat onder druk. De verzekerde heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als er geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt. Zware beperkingenhouden dan in dat de inwoner ernstige problemen vertoont in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesorienteerd en zijn zelfredzaamheid is aangetast. Ondersteuning bij dagstructurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk, ook is het overnemen van taken aan de orde. Als er geen deskundige begeleiding geboden wordt, is opname het enige alternatief. 5.2.2 Voorliggende voorzieningen 5.2.2.1 Jeugdwet Kinderen en jongeren tot 18 jaar vallen onder de Jeugdwet. Als zij begeleiding nodig hebben dan kunnen zij zich wenden tot het CJG voor een gesprek. 5.2.2.2 Behandeling Onder behandelingvallen activiteiten die gericht zijn op het verbeteren (tegengaan van verslechtering) van de aandoening, stoornis of beperking. Daarbij hoort het verbeteren van algemene competenties en vaardigheden (zoals beheersen van gedrag, verbeteren van fysieke vaardigheden als conditie, bewegingsvermogen, en/of mentale vaardigheden als oriëntatievermogen, concentratievermogen, enzovoort). Het gaat om gerichte professionele interventies, waarvoor expertise op het niveau van een specifiek medicus (specialist ouderengeneeskunde, arts verstandelijk gehandicapten, enzovoort), specifiek paramedicus (bijvoorbeeld ergotherapeut), vaktherapeut (bijvoorbeeld drama-/speltherapeut) of gedragswetenschapper (bijvoorbeeld orthopedagoog, gz-psycholoog) noodzakelijk is. Behandeling valt onder de Ziektekostenverzekering of onder de Wet langdurige zorg (Wlz) en is voorliggend op begeleiding, mits de behandeling beschikbaar is voor de cliënt. Het is ook mogelijk om tijdens de periode van behandeling begeleiding te indiceren, aanvullend op de behandeling en deze terwijl de behandeling vordert, af te bouwen. Aanleren en oefenen met een behandelaar Tot behandeling in de Wlz wordt ook de behandeling gerekend die gericht is op het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag (tot 2009 was dit tot de functie Activerende Begeleiding), als dit ten minste een specifieke en programmatische aanpak vereist waarvoor een Wlz-behandelaar nodig is. Het betreft een complex probleem dat een specifieke benadering vraagt om bepaalde, niet op zichzelf staande vaardigheden te kunnen aanleren. Naast de training behoort ook de herhaling tijdens de behandelperiode tot het aanleren. Het door oefenenrecent aangeleerde vaardigheden inslijten of bestaande vaardigheden in een andere situatie kunnen gebruiken, wordt niet gerekend tot behandeling, maar tot begeleiding. In geval van begeleiding heeft de behandelaar zich kunnen terugtrekken en kan de zorg na enige instructie worden overgenomen door een begeleider, niet zijnde een behandelaar. Oefenen in de zin van begeleiding kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en er op basis van deze beperkingen op zichzelf staande praktische vaardigheden en gedrag wordt aangeleerd die de zelfredzaamheid ten doel hebben. Denk hierbij aan het leren lopen met een taststok aan een visueel gehandicapte en/of het zich binnen en rondom de woning kunnen orienteren. De directe omgeving krijgt adviezen over de inrichting van de woonomgeving en de achtergrond hiervan. Ook kan worden gedacht aan het leren koken, wassen van kleding en dergelijke aan een verstandelijk gehandicapte, bijvoorbeeld bij het zelfstandig gaan wonen. Behandeling groep Als een inwoner is aangewezen op een dagprogramma en tijdens dit dagprogramma is behandeling noodzakelijk in de vorm van “behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag” of “CSLM-zorg”, dan is behandeling groep voorliggend op begeleiding groep. Behandelmijding Behandelmijding betekent dat de psychiatrische behandeling die nodig is vanwege de aandoening niet gezocht of geaccepteerd wordt. Vaak ligt de oorzaak hiervan in een gestoorde oordeelsvorming, het ontbreken van ziektebesef en/of ziekte-inzicht. Soms kan bij een inwoner door behandelmijding verwaarlozing optreden, doordat de inwoner onvoldoende voor zichzelf zorgt en er daardoor risico is op ziekte, ondervoeding en/of vervuiling. Veelal ontbreken de structuur en regie in het dagelijks leven. De verwaarlozing kan niet door een eigen netwerk of een voorliggende voorziening worden gecompenseerd. Indien de inwoner behandelmijder is en er risico is op verwaarlozing, kan er aanspraak zijn op begeleiding, ondanks dat behandeling mogelijk als voorliggende voorziening is aan te merken. Er kan in deze situatie minimale zorginzet worden geindiceerd ter voorkoming van verwaarlozing. Hiermee wordt de inwoner geprikkeld om zich (toch) te laten behandelen. 5.2.2.3 Hulp bij het huishouden In sommige gevallen kan hulp bij het huishouden, een andere en meestal goedkopere maatwerk voorziening voorliggend zijn op begeleiding. Dit als het gaat om het overnemen en eventueel aanleren van huishoudelijke taken al dan niet in combinatie met het overnemen van de organisatie van deze taken. 5.2.2.4 Bemoeizorg en (Openbare)Geestelijke Gezondheid Zorg (OGGZ) Zorgmijding betekent dat de zorg die nodig is om verwaarlozing te voorkomen niet gezocht of geaccepteerd wordt. Bemoeizorg is een onderdeel van de (O)GGZ in het kader van de Wmo/GGZ. Het bestaat onder meer uit het bereiken van zorgmijders, het contact leggen met deze doelgroep, zorgcoördinatie en praktische ondersteuning. Op het moment dat er bereidheid is om zorg te accepteren bijvoorbeeld in de thuissituatie of in een voorziening van Maatschappelijke Opvang, is er geen sprake meer van zorgmijding. De inwoner kan dan aanspraak maken op begeleiding als hij hierop is aangewezen op basis van een (vermoeden van) matige tot zware beperkingen op de vijf terreinen die toegang geven tot begeleiding. 5.2.2.5 Zorgverzekeringswet (ZVW) Zorg die medisch specialisten bieden, behoort tot de geneeskundige zorg die in het kader van de Zvw is verzekerd (Artikel 2.4 Besluit zorgverzekering). De zorg is gericht op behandeling van een stoornis en heeft als doel herstel of voorkomen van verergering van deze stoornis. De behandeling is niet beperkt tot de medische interventies, maar omvat, afhankelijk van de aard van de ingreep, tot de Zvw ook de nodige begeleiding. Het kan hier gaan om individuele begeleiding, maar ook om dagbesteding vanwege de psychiatrische behandeling. Deze begeleidingsactiviteiten zijn een onlosmakelijk onderdeel van de behandeling en hebben een geneeskundig doel. Als er sprake is van ambulante Zvw-behandeling dan is het van belang om te onderzoeken of deze behandeling de totale zorgbehoefte van de inwoner op het gebied van de zelfredzaamheid compenseert. Als dat niet het geval is, kan er aanspraak zijn op aanvullende begeleiding. De aanvullende zorgverzekering valt niet onder de Zorgverzekeringswet en is hiermee ook geen wettelijk voorliggende voorziening. Het staat mensen vrij zich aanvullend te verzekeren of niet. De inhoud van deze verzekering en het gebruik hiervan door de inwoner kan van invloed zijn op de soort en omvang van de indicatie. 5.2.2.6 Werk en school De Wajong en WAO/WIA zijn wetten met een ander doel dan een zorgdoel zoals de Wmo kent. Deze wetten bepalen de mate van arbeidsongeschiktheid en daaraan gekoppeld de hoogte van een uitkering. De Wsw is een regeling om aangepast werk te kunnen verrichten. Als een inwoner niet in staat is (aangepast) te werken of naar school te gaan, kan er aanspraak zijn op begeleiding groep ter vervanging van arbeid of school als de inwoner hierop is aangewezen. Dit betekent echter niet dat als de inwoner wel naar school kan gaan of kan werken, er geen aanspraak kan zijn op begeleiding groep anders dan ter vervanging van arbeid of school. Dit moet afzonderlijk worden afgewogen. 5.2.2.7 Mantelzorg Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit zijn omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt. Het gaat bij mantelzorg om niet-verplichte zorg. Als de mantelzorger aangeeft de bovengebruikelijke zorg niet (meer) vrijwillig te willen/kunnen leveren, bestaat er mogelijk aanspraak op bijvoorbeeld begeleiding. Bij mantelzorg staat het de inwoner vrij om de mantelzorg wel of niet te accepteren. Als een hulpbehoevende niet geholpen wil worden door een mantelzorger die dit aanbiedt, kan er aanspraak op professionele zorg bestaan. Mogelijke voorliggende voorzieningen via de Wojang, WAO/WIA en Wsw zijn: werken met ondersteuning van bijvoorbeeld een jobcoach; naar school gaan of studeren met ondersteuning; reintegreren met een reintegratieplan; werken in een beschermde omgeving (sociale werkvoorziening). 5.2.2.8 Overige voorliggende voorzieningen Niet bij wet gecreëerde voorzieningen kunnen het probleem ook oplossen en zijn in dat geval voorliggend. Voorbeelden hiervan zijn: alarmering; kinderopvang (anders dan bedoeld in de Wet Kinderopvang); vrijwilligers; Van inwoners die daartoe in staat zijn, wordt actie en initiatief verwacht om hun netwerk in te schakelen en zo te voorzien in hun vraag naar zorg en dienstverlening. 5.3 Wmo-voorzieningen begeleiding 5.5.3.1 Individuele begeleiding en/of groepsbegeleiding 5.Met betrekking tot de begeleiding wordt er onderscheid gemaakt tussen begeleiding individueel, begeleiding groep of een combinatie van beide. Of de inwoner is aangewezen op begeleiding individueel of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding in groepsverband is voorliggend op begeleiding individueel als hetzelfde doel wordt beoogd. 5.Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding groep de aangewezen vorm van begeleiding. Echter, wanneer de zorgbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is begeleiding individueel de aangewezen vorm om de zorgbehoefte van de verzekerde in te vullen. 5.Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding in groepsverband, kunnen de activiteiten in de vorm van de aanspraak begeleiding individueel worden geindiceerd. Een dagdeel begeleiding in groepsverband staat in die situatie niet gelijk aan vier uur begeleiding individueel, maar is afhankelijk van het zorgdoel. Het gaat dan om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen. Op basis van het zorgdoel voor de verzekerde kunnen begeleiding individueel en begeleiding in groepsverband gecombineerd zijn aangewezen. Bij de indicatiestelling wordt er rekening mee gehouden dat deze vormen van zorg niet op hetzelfde moment van de dag kunnen plaatsvinden. 5.5.3.2 Groepsbegeleiding 5.Groepsbegeleiding kan de volgende doelen hebben: Het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid (ook vrijwilligerswerk) of school te vervangen. Het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructurering dan arbeid of school (denk aan 65-plussers) en tevens zelfredzaamheid, cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren. 5.De gemeente onderscheidt 2 vormen van groepsbegeleiding: Reguliere dagbesteding; Gespecialiseerde dagbesteding. 5.3.2.1 Uitwerking vormen groepsbegeleiding De uitwerking van de verschillende vormen van groepsbegeleiding is opgenomen in bijlage II. 5.5.3.3 Individuele begeleiding 5.Individuele begeleiding heeft als doel het bevorderen en het behoud van zelfredzaamheid van de inwoner in kwestie, zodat hij of zij zelfstandig kan blijven wonen. Individuele begeleiding is maatwerk en kan bestaan uit het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. 5.De gemeente De Bilt onderscheidt 2 vormen van individuele begeleiding: Reguliere begeleiding; Gespecialiseerde begeleiding. 5.3.3.1 Uitwerking vormen individuele begeleiding De uitwerking van de verschillende vormen van individuele begeleiding is opgenomen in bijlage II. 5.5.3.4 Afspraken met landelijke aanbieders voor specifieke groepen 5.Voor sommige vormen van gespecialiseerde dagbesteding en begeleiding geldt dat deze landelijk worden ingekocht. Het betreft dagbesteding en begeleiding voor mensen met een zintuigelijke beperking (visueel en/of auditief). 5.Gemeenten zijn vrij om afspraken te maken met andere (bijvoorbeeld lokale/regionale) aanbieders. Het is echter goed om te beseffen dat deze vorm van begeleiding een specifieke expertise vereist. Deze expertise is in de afgelopen jaren opgebouwd bij de bij deze raamovereenkomst betrokken aanbieders: 5.Vroegdoven: Kentalis GGMD Noorderbrug Gelderhorst 5.Doofblinden: Kalorama Kentalis GGMD 5.Visueel gehandicapten: Bartimeus Robert Coppesstichting Visio 5.De toegang tot deze begeleiding gaat hetzelfde als die tot alle andere vormen van begeleiding, dus via het Mens op Maat Team en de gemeente. De gemeente kan inwoners via een Wmo-aanvraag doorgeleiden naar één van de landelijke aanbieders met verwijzing naar de landelijke inkoopafspraken specialistische begeleiding Zintuiglijk Gehandicapten. 5.5.3.5 Indicatie van begeleiding 5.Voor de indicatie van de omvang van de dagbesteding en de begeleiding wordt door de gemeente De Bilt voorlopig aansluiting gezocht bij de werkwijze die het CIZ tot 1 januari 2015 toepaste. Deze werkwijze is te vinden in de CIZ Indicatiewijzer, Toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 zoals vastgesteld door het ministerie van VWS, versie 7.1, juli
- Hoofdstuk 7 van dit document gaat over de dagbesteding en individuele begeleiding. 5.5.3.6 Vervoer 5.Inwoners met een indicatie voor groepsbegeleiding kunnen, als zij dat nodig hebben, in aanmerking komen voor vervoer naar en van de begeleidingslocatie. 5.Vervoer wordt alleen toegekend als: Er groepsbegeleiding is geïndiceerd; De inwoner in kwestie niet in staat is om de locatie waar de begeleiding plaatsvindt zelfstandig te bereiken; Er geen voorliggende oplossingen zijn, zoals een geschikte locatie dichter bij huis of vervoer door een vrijwilliger en/of mantelzorger (bijvoorbeeld de partner). 5.Een inwoner kan ook tijdelijk een indicatie voor vervoer krijgen, bijvoorbeeld omdat hij de af te leggen route nog onder begeleiding moet oefenen. 5.De gemeente De Bilt onderscheidt de volgende vormen van vervoer: Vervoer dagbesteding gehandicaptenzorg Vervoer dagbesteding gehandicaptenzorg rolstoel Vervoer dagbesteding geestelijke gezondheidszorg 5.Er kan vanuit de Wmo geen toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. Ook niet naar begeleiding in groepsverband. Er mag namelijk worden aangenomen dat het niveau van het vervoer (inclusief het toezicht) naar deze zorg is aangepast aan de cliënten die worden vervoerd. 5.Het betreft hier geen vervoer met de Regiotaxi maar vervoer geregeld door de zorgaanbieder. 5.4 Mantelzorg Respijtzorg doet zich voor in situaties waarin mantelzorger (de huisgenoot, partner of ouder die feitelijk gebruikelijke zorg op zich moet nemen) daartoe niet in staat is wegens (dreigende) overbelasting, die niet anders door hem is op te lossen. Alleen dan kan er via de Wmo aanspraak zijn op begeleiding. Het gaat dan om indiceerbare zorg alsof de inwoner zonder gebruikelijke zorger woont. Verwijzing: Alle documenten, overeenkomsten zorg (COB) en de Maatwerkovereenkomst staan gepubliceerd op de website www.zeist.nl/zorgomtafel 6 Kortdurend verblijf 6.1 Wat verstaan we hieronder? Kortdurend Verblijf omvat het logeren in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, waarbij de inwoner persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding krijgt of kan krijgen. Het gaat hierbij om cliënten met somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoeningen of beperkingen, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die permanent toezicht nodig hebben. Het zwaartepunt van de zorg ligt bij Kortdurend Verblijf vooral op logeren met als doel het overnemen van het permanente toezicht op de inwoner ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger (respijtzorg). Het verblijf is hier dus te karakteriseren als logeren ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. Tijdens het Kortdurend Verblijf is er geen sprake zijn van behandeling. 6.2 Afwegingskader Om in aanmerking te komen voor de functie Kortdurend Verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: dat de inwoner een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap heeft; dat de inwoner gezien de zorgbehoefte is aangewezen op zorg gepaard gaand met permanent toezicht; dat de inwoner hierop gedurende maximaal drie etmalen is aangewezen; en dat ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de inwoner levert, noodzakelijk is. 6.2.1 Permanent toezicht Permanent toezicht is: toezicht op regelmatige en onregelmatige momenten, zodat de zorgverlening goed kan inspelen op de (frequent voorkomende) al dan niet geëxpliciteerde zorgvraag; die geboden wordt op basis van actieve observatie, die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie vroegtijdig te signaleren, waardoor tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/gevaarlijke/ (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de inwoner kan worden voorkomen. Permanent toezicht omvat altijd bovengebruikelijk toezicht. Het is toezicht waarop de inwoner op basis van aandoeningen, stoornissen en beperkingen noodzakelijkerwijs is aangewezen op regelmatige en onregelmatige momenten en die geboden wordt op basis van actieve observatie. Permanent toezicht bij kinderen onderscheidt zich van gebruikelijk (ouderlijk) toezicht. Permanent toezicht kan verschillende aangrijpingspunten hebben en verschillen in intensiteit. Afhankelijk daarvan kan de toezichtfunctie op verschillende manieren vorm krijgen. Het toezicht kan gericht zijn op: het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte; en/of het verlenen van zorg op ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de verzekerde zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; en/of het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). 6.2.1.1 Het bieden van fysieke zorg Het gaat hier vooral om inwoners met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap. Actieve observatie van de hulpverlener is noodzakelijk om tijdig zorg te kunnen bieden. Als er zorg geboden moet worden, moet dat ook direct gebeuren. Voorbeelden zijn ouderen met dementie die willen opstaan en vergeten zijn dat ze niet meer mobiel zijn, mensen met niet goed instelbare epilepsie met een risico op een status epilepticus, verzekerden met ernstige hart- en/of longaandoeningen waarbij zuurstoftekort dreigt, en mensen met ernstige slikstoornissen en verslikrisico. 6.2.1.2 Het verlenen van zorg op ongeregelde en/of frequente tijden Het gaat hier bijvoorbeeld om inwoners met regieverlies die niet zelf om hulp of zorg vragen. Er is continu zorg nodig waarbij de hulpverlener actief moet observeren. Voorbeelden: continu sturing en structuur bieden om dagelijks voorkomende en door inwoner niet goed begrepen situaties uit te leggen/te verduidelijken zodat inwoner hiermee kan omgaan, of continu sturing en structuur bieden om problemen op te lossen. Er zijn dan zowel beperkingen in de sociale redzaamheid als stoornissen in de psychosociale functies (geheugen en denken, concentratie, perceptie van de omgeving en motivatie) of angststoornissen. Het kan ook gaan om cliënten die vanwege hun lichamelijke handicap zware fysieke beperkingen hebben die niet met hulpmiddelen te compenseren zijn
- Zij hebben frequente hulp en begeleiding nodig bij het uitvoeren van allerlei dagelijkse activiteiten en zijn zelf niet (meer) in staat om hulp in te roepen. 6.2.1.3 Het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen Het gaat hier om cliënten met gedragsproblemen, waarbij het ook kan gaan om zogenaamd internaliserend (naar binnen gericht) probleemgedrag. Dit kan voortkomen uit een psychiatrische of psychogeriatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, waarbij actieve observatie noodzakelijk is om tijdig te kunnen ingrijpen. Een ander voorbeeld: een inwoner die zich onvoldoende kan uiten/verstaanbaar maken (communicatienood) en daardoor probleemgedrag zal gaan vertonen (woede-uitbarstingen, frustratie) als er niet steeds hulp bij de communicatie geboden wordt. 6.2.2 Voorliggende voorzieningen Op de functie Kortdurend Verblijf zijn geen wettelijk voorliggende voorzieningen van toepassing. Wel zijn er een aantal niet-wettelijke voorliggende voorzieningen denkbaar. 6.2.2.1 Aanvullende verzekering op de Zvw De aanvullende verzekering valt niet onder de Zorgverzekeringswet en is hiermee ook geen wettelijk voorliggende voorziening. Het staat mensen vrij zich aanvullend te verzekeren of niet. Als mensen deze verzekering hebben dan heeft dit een algemeen gebruikelijk karakter. De inhoud van deze verzekering en het gebruik hiervan door een cliënt, kan van invloed zijn op de soort en omvang van de indicatie. Een voorbeeld van een aanvullende verzekering is vervanging voor mantelzorg. 6.2.2.2 Overige voorliggende voorzieningen Niet bij wet gecreëerde voorzieningen om in de zorgbehoefte te voorzien buiten de Wmo om, zijn voor Kortdurend Verblijf bijvoorbeeld: alarmering; vrijwilligers; aanvullende verzekering op de Zvw; mantelzorgondersteuning (bijvoorbeeld vanuit de gemeente). Deze voorzieningen gaan voor op Wmo-zorg als ze beschikbaar zijn en in redelijkheid een oplossing bieden voor de zorgbehoefte van een inwoner. Van cliënten die daartoe in staat zijn, wordt ook actie en initiatief verwacht om hun netwerk in te schakelen en zo te voorzien in hun vraag naar zorg en dienstverlening. 6.2.3 Mantelzorg Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt. Het gaat bij mantelzorg om het vrijwillig overnemen/uitvoeren van bovengebruikelijke zorg, waarop de inwoner kan zijn aangewezen. Het gaat bij mantelzorg om niet-verplichte zorg. Als de mantelzorger aangeeft de bovengebruikelijke zorg niet (meer) vrijwillig te willen leveren, bestaat aanspraak op professionele zorg. Wanneer voor de zorgvrager mantelzorg vrijwillig beschikbaar is, wordt voor dat deel van de zorgaanspraak niet geïndiceerd. Professionele zorg vanuit de Wmo is dan niet noodzakelijk of er is minder professionele zorg nodig. Bij mantelzorg is cliëntsoevereiniteit van toepassing. Het staat de inwoner vrij mantelzorg wel of niet te accepteren. Als een inwoner niet geholpen wil worden door een mantelzorger die dit aanbiedt, kan de inwoner dat weigeren. Er is dan aanspraak op professionele zorg. Een inwoner die is aangewezen op zorg met het leefklimaat “permanent toezicht”, komt in aanmerking voor een indicatie voor Verblijf. Als het de wens is van partner/ouders, in- of uitwonende kinderen, huisgenoten of andere mantelzorgers om dit permanente toezicht vrijwillig op zich te nemen in de thuissituatie, wordt geen indicatie voor Verblijf als bedoeld in de Wlz afgegeven als de inwoner hiermee instemt. Om de mantelzorger te kunnen ondersteunen (ontlasten) bij dit vrijwillig op zich genomen permanent toezicht, kan voor maximaal drie dagen per week Kortdurend Verblijf geïndiceerd worden. 6.3 Maatwerkvoorzieningen 6.6.3.1 Eén functie Kortdurend Verblijf 6.De gemeente De Bilt kent één functie Kortdurend verblijf: Hierin kunnen alle doelgroepen bediend worden die eerst onder de volgende NZA-codes vielen: Z992: ZZP geestelijke gezondheidszorg verblijfscomponent Z993: ZZP verstandelijk gehandicapten en lichamelijk gehandicapten verblijfscomponent Z994: ZZP zintuigelijk gehandicapten verblijfscomponent Z996: ZZP verblijf met behandeling (V&V) verblijfscomponent 6.Kortdurend Verblijf is geen integraal pakket. De Persoonlijke Verzorging, Verpleging en/of Begeleiding die noodzakelijk is tijdens het Kortdurend Verblijf wordt geïndiceerd. Dit met uitzondering van het toezicht. Tijdens het Kortdurend Verblijf kan er geen sprake zijn van Behandeling. Wel kan er tijdens Kortdurend Verblijf een aanspraak zijn op Begeleiding groep wanneer de inwoner niet zelfredzaam is bij het invullen van zijn dagstructuur. 6.6.3.2 Indicatie van kortdurend verblijf 6.Voor de indicatie van de omvang van het kortdurend verblijf wordt voorlopig aansluiting gezocht bij de werkwijze die het CIZ tot 1 januari 2015 toepaste. Deze werkwijze is te vinden in de CIZ Indicatiewijzer, Toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 zoals vastgesteld door het ministerie van VWS, versie 7.1, juli
- Hoofdstuk 10 van dit document gaat over het kortdurend verblijf. 6.4 Mantelzorg Kortdurend verblijf wordt gezien als een vorm van respijtzorg. Het doel van respijtzorg is de ontlasting van mantelzorgers. Als de persoon die zorg nodig heeft een indicatie voor kortdurend verblijf heeft, kan de mantelzorger af en toe vrijaf hebben en een adempauze nemen. 6.5 Beschermd wonen 6.6.5.1 Wat is beschermd wonen? 6.Een beschermende woonvorm biedt mensen met langdurige psychiatrische of verslavingsproblemen een combinatie van begeleiding en wonen. Personen die vanwege psychische problematiek er niet in slagen zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht en ondersteuning komen in aanmerking voor beschermd wonen. Het verblijf in de beschermde woonvorm kan een opstap zijn naar (begeleid) zelfstandig wonen. 6.Voorbeelden van beschermd in de regio Utrecht wonen zijn: De SBWU, die beschermd wonen biedt in de stad Utrecht, is een omslag aan het maken naar zoveel mogelijk wonen in (geclusterde) eenpersoonseenheden. Op deze manier kan de inwoner zoveel mogelijk zijn eigen huishouden voeren maar zo nodig gebruik kan maken van de voordelen van geclusterd wonen. De Tussenvoorziening heeft Housing First voor zware (multi)problematische daklozen ontwikkeld. Het direct zelfstandig huisvesten is voor een deel van de daklozen zeer geschikt omdat zij niet goed passen in een groepsvoorziening. Deze vorm van werken is goedkoper dan het reguliere beschermd wonen. Stumass focust op de specifieke ondersteuningsvraag van studenten met ASS. Dit biedt de mogelijkheid om de dienstverlening volledig hier op te richten en medewerkers te specialiseren op de specifieke ondersteuningsbehoefte van deze groep jongeren. Stichting de Grasboom heeft kleinschalige woonprojecten voor jongvolwassenen met een normale tot hoogbegaafde intelligentie en een autistische stoornis. Deze projecten zijn door de ouders opgezet en worden door hen beheerd waardoor de overhead minimaal is. De zorg wordt uitgevoerd door Kwintes en Reinaerde, betaald vanuit het PGB. Kwintes heeft een verhuurorganisatie opgezet om ervaringen op te doen met het gescheiden aanbod van wonen en zorg. Daarnaast heeft Kwintes fasegericht wonen ontwikkeld, waarbij cliënten stap voor stap zelfstandig worden. Een andere relevante ontwikkeling is de verdubbeling van de inzet van vrijwilligers. Umah-hai is een cliënteninitiatief voor voornamelijk mensen met een verleden in de psychiatrie en verslavingszorg. De organisatie biedt woon/werkgemeenschap met de inzet van professionele ervaringsdeskundigen onder het motto “Samen zorgen voor elkaar”. Het Leger des Heils heeft beschermd wonen geïntegreerd in het aanbod maatschappelijk opvang. Sinds kort is er een hostel plus waar, in samenwerking met Abrona, cliënten met een verstandelijke beperking in combinatie met verslaving en psychische problematiek worden begeleid. De aanpak is sterk gericht op doorstroom naar zelfstandigheid door middel van dagactiviteiten & werk en sport & vrije tijd. Plushome biedt zelfstandig wonen en begeleiding aan zorgmijders met dubbel en triple diagnostiek die vanwege hun problematiek niet in een intramurale setting passen of daar niet willen wonen. Er vindt multidisciplinaire afstemming plaats tussen alle ketenpartners. De Heem biedt een beschermde woonomgeving aan cliënten met zowel GGZ als VG. Deze groep komt veel voor in de maatschappelijke opvang en is niet goed plaatsbaar in de reguliere woonvormen. De natuurlijke beslotenheid van de boerderij biedt ruimte om op eigen terrein wonen, dagbesteding/werken en recreëren plaats te laten vinden 6.In de Wmo 2015 is beschermd wonen altijd een maatwerkvoorziening. 6.6.5.2 Centrumgemeente verantwoordelijk 6.Vanaf 2015 worden de centrumgemeenten verantwoordelijk voor beschermd wonen. Utrecht is centrumgemeente voor alle gemeenten in de Wmo-regio's Utrecht-west, Lekstroom, Utrecht-zuidoost en Utrecht-stad. In totaal maken 16 gemeenten onderdeel van dit centrum. 6.6.5.3 Toegang 6.De toegang tot beschermd wonen start bij het Mens op Maat Team. Als tijdens het gesprek met het Mens op Maat Team wordt geconcludeerd dat de inwoner beschermd wonen nodig heeft, dan wordt de aanvraag voor het beschermd wonen niet bij de gemeente De Bilt, maar bij de centrumgemeente Utrecht gedaan. 6.Het Sociaal Team dient samen met inwoner een voorstel in, voorzien van een advies over de beoogde maatwerkvoorziening. Vanuit de Centrale Toegang vindt toetsing en plaatsing plaats. Aan de centrale toegang is een “veldtafel” gekoppeld waar complexe casussen geagendeerd kunnen worden en overleg kan plaatsvinden over de juiste plaatsing. Deelnemers aan deze veldtafel zijn: toeleiders, aanbieders en de gemeente Utrecht (als centrumgemeente en voorzitter van de veldtafel). Het uiteindelijke besluit (toewijzing dan wel afwijzing) wordt genomen door de gemeente Utrecht. 6.Beschermd wonen is landelijk toegankelijk. Dat betekent dat burgers zich in principe tot iedere gemeente kunnen wenden voor opvang en beschermd wonen. 6.6.5.4 Beschermd wonen thuis 6.Het is voor cliënten ook mogelijk om het beschermd wonen thuis in te vullen. Dat gaat via een PGB of via een Volledig Pakket Thuis (VPT). De zorg thuis wordt anders dan de zorg n natura geïndiceerd door de Wmo-consulenten van de gemeente De Bilt. Bij de indicatie zal sterk geleund worden op de advisering van de Expertgroep (zie hoofdstuk 12) of de veldtafel van de gemeente Utrecht. 6.6 Doventolk in de leefsituatie 6.6.6.1 Wat is de doventolk in de leefsituatie? 6.De regeling Doventolk in de leefsituatie (dus niet voor werk of school) is onderdeel geworden van de Wmo. De doventolk in de leefsituatie is een voorziening waarbij doven en zeer slechthorenden een aantal uren per jaar hulp van een doventolk kunnen krijgen, bijvoorbeeld voor gesprekken met instanties en huisartsbezoek. 6.Vanuit de Landelijke politiek en cliëntorganisaties is er op aangedrongen om de doventolkvoorziening per 2015 als landelijke voorziening/inkoop overeind te houden. Ook de VNG vindt het, mede gezien de kleine doelgroep, beter om de doventolkvoorziening voorlopig landelijk te organiseren en uit te voeren. Dit is doelmatiger en kwaliteit blijft beter geborgd. 6.De opdracht voor de voorziening doventolk leefdomein is gegund aan Menzis. Tolknet is de partij die de bemiddeling uitvoert tussen tolk en tolkbehoevende. Bij de afspraken over de doventolk leefdomein, die vanuit de AWBZ overkomt, wordt ook de financiering en uitvoering van de doventolk vanuit de Participatiewet betrokken zodat één en ander efficiënt en doelmatig kan worden uitgevoerd. 6.6.6.2 Een aanvraag doen 6.De aanvraag voor een doventolk kan worden ingediend bij Menzis. Zij beoordelen de aanvraag en melden de inwoner aan bij Tolknet. Overigens is het zo dat een indicatie voor hulp bij Tolknet levenslang geldig is. Herindicatie is dus niet nodig. Er zullen daarom jaarlijks zeer weinig inwoners komen met een verzoek om in aanmerking te komen voor een doventolk. 7 wonen in een geschikt huis 7.1 Wat verstaan we hieronder? Dit hoofdstuk is geheel gewijd aan het wonen in een geschikt huis. Met betrekking tot het wonen is er een grote diversiteit aan oplossingen. Van goedkoop tot duur, van eenvoudig tot complex, materieel en immaterieel. Voor een maatwerkvoorziening van de gemeente is er een belangrijke voorwaarde: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedere (volwassen) Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keus van een woning wordt uiteraard rekening gehouden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende toekomstige beperkingen rekening moet worden gehouden. 7.2 Afwegingskader 7.7.2.1 Hoofdverblijf 7.De gemeente onderzoekt of de woning waar de inwoner de beperkingen ervaart, zijn of haar hoofdverblijf is. Het hoofdverblijf is de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft en waar het centrum van zijn dagelijkse sociale en economische activiteiten ligt. 7.In een enkel geval is er sprake van twee hoofdverblijven. Dat kan bijvoorbeeld wanneer het om een gehandicapt kind van gescheiden ouders gaat, dat in co-ouderschap wordt opgevoed. 7.7Co-ouderschap moet dan ook echt inhouden dat het kind de helft van de tijd bij de ene en de andere helft van de tijd bij de andere ouder woont. Alleen dan kunnen in allebei de huizen woonvoorzieningen worden toegepast. 7.Als de aanvrager bijvoorbeeld zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of meer dan de helft van de tijd bij één van de twee ouders verblijft, kan voor een woonruimte een voorziening worden getroffen om deze ruimte bezoekbaar te maken. 7..2.2 Bijzondere woonvormen 7.Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. Bijzondere woonvormen waarvoor er via de Wmo geen compensatieplicht geldt, zijn: hotels; pensions; trekkerswoonwagens; kloosters; tweede woningen; vakantiewoningen; recreatiewoningen; kamerverhuur. 7.Deze uitsluitingen betreffen woonvormen die niet als hoofdwoning dienst doen en die niet permanent bewoond worden. Natuurlijk kunnen bewoners van dergelijke woningen wel bij de gemeente terecht voor advies en informatie. 7.7.2.3 Op gehandicapten of ouderen gerichte woongebouwen 7.Voor specifiek op gehandicapten en/of ouderen gerichte woongebouwen ligt er geen verantwoordelijkheid voor aanpassingen bij de gemeente. Van de eigenaar van het gebouw mag immers verwacht worden dat als hij een gebouw aanduidt als geschikt voor gehandicapten of ouderen, hij daar ook de voorzieningen voor heeft getroffen. Voorzieningen en aanpassingen in deze woningen kunnen worden gezien als algemeen gebruikelijk en standaard aanwezig. Reguliere woningen die via de Wmo zijn aangepast, worden niet gezien als op gehandicapten en/of ouderen gericht. De woningen zijn immers in eerste instantie niet als zodanig gebouwd. 7.Voor wooncomplexen die niet specifiek op ouderen zijn gericht, geldt niet dat de eigenaar (of de vereniging van eigenaren) per definitie verantwoordelijk is voor algemene voorzieningen en aanpassingen in de gemeenschappelijke ruimtes van het gebouw. Wel mag van de eigenaar verwacht worden dat hij bij verbouwing en renovatie rekening houdt met de bewoners en hun behoeften. In bijzondere situaties is het mogelijk om als gemeente nadere afspraken met de woningbouwcorporaties te maken. 7.Personen met beperkingen die verhuizen van of naar een zorgwoning waarbij de functie “verblijf” van toepassing is, of die verhuizen van of naar een andere niet-zelfstandige woning, hebben in principe geen recht op woningaanpassingen. 7.7.2.4 Oorzaak van het probleem 7.De gemeente onderzoekt hoe het probleem is ontstaan. 7.7.2.4.1 De in de woning gebruikte materialen 7.De eigenaar van de woning is verantwoordelijk voor de in de woning gebruikte materialen. Als de problemen voortkomen uit de gebruikte materialen, dan dient de inwoner zich te wenden tot de woningeigenaar. Indien de inwoner zelf de woningeigenaar is, dient hij het probleem zelf op te lossen. 7.Voorbeelden van materialen die problemen kunnen veroorzaken, zijn: het gebruik van spaanplaat waarin deformaldehydegas zit; halfsteense muren op het westen die veel waterdoorslag geven, waardoor het binnen vochtig wordt. 7.7.2.4.2 Verhuizing naar een ongeschikte woning 7.Er zijn situaties waarbij de inwoner verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast/geschikt. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente heeft alleen een verantwoordelijkheid voor het aanpassen van de woning als er voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat en van de inwoner niet verwacht mag worden dat hij of zij zelfredzaam is in het oplossen van het probleem. 7.Een belangrijke reden kan bijvoorbeeld zijn dat de inwoner een baan heeft gekregen op grote afstand van zijn woning, waardoor verhuizen noodzakelijk is. Maar ook een echtscheiding kan een reden zijn dat de inwoner moet verhuizen. In al dit soort gevallen verwacht de gemeente wel dat de inwoner van tevoren contact opneemt, zodat de gemeente kan meedenken over de goedkoopst compenserende oplossing. 7.Ook als iemand met (dreigende) beperkingen verhuist vanuit een voor hem of haar ongeschikt huis, dan verwacht de gemeente dat hij of zij deze gelegenheid aangrijpt om naar een geschikte woning te verhuizen. Hierbij wordt ook van de inwoner verwacht dat hij of zij rekening houdt met de toekomst. 7.Natuurlijk staat het iedereen vrij om zijn eigen nieuwe woning uit te kiezen. De gemeente zal bij de aanvraag van woonvoorzieningen via de Wmo echter altijd overwegen in hoeverre de aanvrager met de ontstane problemen rekening had kunnen houden op het moment dat hij naar de huidige woning is verhuisd. Dus in welke mate waren de nu ontstane problemen toen voorzienbaar. Had de aanvrager op dat moment bijvoorbeeld al kunnen weten dat de trap over enkele jaren een onneembaar obstakel zou zijn? Dan is er geen verantwoordelijkheid vanuit de Wmo. De aanvrager heeft zelf immers het risico genomen dat zijn woning (in de toekomst) niet geschikt zou zijn. 7.7.2.5 Eigen oplossingen 7.Onderzocht wordt in hoeverre eigen oplossingen kunnen leiden tot een oplossing voor het probleem. Hierbij wordt ook overwogen of er volstaan kan worden met voorzieningen die relatief goedkoop en/of algemeen gebruikelijk zijn. Dit zijn bijvoorbeeld: 7.Algemeen gebruikelijk: het aanbrengen van beugels en handgrepen; het laten aanleggen van een verhoogd toilet. het aanschaffen van een toiletverhoger; het aanschaffen van een toiletstoel; het aanschaffen van een eenvoudige niet kantelbare douchestoel; het laten aanleggen van eenvoudige drempelhulpen. 7.7.2.6 Verhuizen 7.Ook wordt afgewogen in hoeverre verhuizen een oplossing biedt. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing; de termijn waarop een geschikte woning kan worden gevonden (in verband met de medische verantwoorde termijn); de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene; argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. 7.7oorbeelden van situaties waarbij er sprake is van voorzienbaarheid, zijn: inwoner heeft een progressieve aandoening waarbij redelijkerwijs te verwachten is dat hij of zij op termijn niet meer in zijn of haar woning kan blijven wonen; bij inwoner gaat het traplopen niet meer zo goed. Dit komt door ouderdomsklachten. Te verwachten is dat het traplopen op termijn helemaal niet meer gaat, zodat er een traplift of een verhuizing naar een gelijkvloerse woning nodig is. 7.Bij het toetsen van het begrip “voorzienbaarheid” gaat de gemeente uit van de vraag of de inwoner circa vijf jaar voordat de woonproblemen ontstaan, logischerwijs had kunnen weten of vermoeden dat de woonproblemen zouden kunnen gaan ontstaan en daar dus rekening mee had kunnen houden. 7..2.7 Rekening houden met afschrijving 7.Als gemeente houden wij rekening met de algemeen gebruikelijke levensduur van een voorziening. Wij moeten hierbij echter rekening houden met de aard van de voorziening en de situatie van de cliënt. 7.7Voor de algemene gebruikelijke afschrijvingstermijnen van badkamers en keukens zoeken wij aansluiting bij de afschrijvingstermijnen die door de vereniging Overleg Voorzitters Huurcommissie zijn vastgesteld in het Beleid Huurverhoging na Woonverbetering. .3 Wmo-voorzieningen 7.3.1 Roerende woonvoorzieningen De meest gebruikte roerende woonvoorzieningen zijn over het algemeen tegen redelijke prijzen verkrijgbaar bij thuiszorgwinkels en via internet. Om die reden is het voor de inwoner niet altijd gunstiger om deze voorzieningen via de Wmo geleverd te krijgen in verband met de eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen. Vooraf kan berekend worden hoe hoog de eigen bijdrage voor de voorziening zal zijn. Als de inwoner de voorziening via de eigen bijdrage uiteindelijk helemaal zelf betaalt, dan is hij misschien sneller en/of goedkoper geholpen met een zelf aangeschafte voorziening. De keus is aan de aanvrager. 7.3.2 Complexere onroerende woonvoorzieningen Als blijkt dat het aanpassen van de woning of woonruimte de goedkoopst compenserende oplossing is, moet worden aangegeven hoe hieraan invulling wordt gegeven. In deze paragraaf wordt een aantal voorbeelden van bouwkundige aanpassingen genoemd. Een bouwkundige aanpassing of woontechnische ingreep aan een woonruimte wordt op grond van de Wmo door het college toegekend aan de inwoner. De gemeente kan, in het geval er sprake is van een huurwoning, er voor kiezen om de kosten voor de voorziening direct aan de eigenaar uit te betalen. De beschikking wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de woningeigenaar. 7.3.2.1 Programma van eisen Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werken wij altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. 7.3.2.2 In de keuken Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk als sprake is van beperkingen bij het uitvoeren van keukenactiviteiten waarvoor belanghebbende grotendeels verantwoordelijk is. Verder worden de volgende criteria gehanteerd: de al aanwezige keuken wordt beoordeeld op levensduur en afschrijving. Mocht de aanwezige keuken al afgeschreven zijn, is de eigenaar van de woning verantwoordelijk voor een andere, wellicht al gedeeltelijk aangepaste, keuken. Wel kunnen meerkosten die een relatie hebben tot de beperkingen van de inwoner voor compensatie in aanmerking komen; er wordt vanuit gegaan dat aanvrager, indien van toepassing, een adequate zitvoorziening in de keuken heeft, zoals een kruk of trippelstoel; de aanvrager moet in staat zijn de activiteiten te verrichten waarvoor compensatie wordt gevraagd; de aanpassingskosten moeten in redelijke verhouding staan met de activiteiten die de aanvrager in de keuken verricht; er wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van andere voorzieningen, zoals hulp bij het huishouden. Mogelijke aanpassingen in de keuken zijn: een onderrijdbaar aanrechtblad; het aanpassen van het werkblad (hoog laag, mechanisch of elektrisch, behandeling oppervlakte); aanpassen van opbergruimten, werklicht, et cetera. Uitgegaan wordt van een standaard keuken met vijf kastjes. 7.3.2.3 Aan de trap Als iemand vraagt om zijn beperkingen in het traplopen op te lossen, dan wordt gekeken naar de mate van normaal gebruik van de woning, zoals in deze beleidsregels besproken. In eerste instantie wordt er gekeken of er, door het anders gebruiken van gebruiksruimten, mogelijkheden zijn om op de begane grond te gaan slapen en/of gebruik te kunnen maken van een natte cel. Is deze mogelijkheid er niet dan zal aanpassingen aan de trap in de regel bestaan uit het aanbrengen van een tweede trapleuning of een traplift. Tweede leuningen worden gezien als algemeen gebruikelijk en niet via de Wmo vergoed. Trapliften worden in bruikleen verstrekt. Elementen die hierbij betrokken worden, zijn: de mate van veilig gebruik van de trap; het aantal malen dat de trap per dag (noodzakelijk) gebruikt wordt; de bouwkundige mogelijkheden voor het aanpassen van de tra7.3.2.4 Van het toilet Het aanpassen van het toilet bestaat voornamelijk uit het opheffen van beperkingen in gebruik en toegankelijkheid van het toilet. Algemeen gebruikelijk (en dus niet vergoed), zijn wandbeugels en een verhoogd toilet. Een zogenaamde spoel/föhn installatie, bedoeld voor mensen die niet in staat zijn zichzelf te reinigen na de toiletgang, kan worden verstrekt. Een tweede toilet, bijvoorbeeld op de bovenverdieping, wordt in principe niet verstrekt. Er is een uitzondering hierop mogelijk in het geval dat: een losse toiletstoel of chemisch toilet niet geleegd en/of schoongemaakt kan worden door de cliënt, een huisgenoot, vrijwilliger of hulpverlener; en de gang naar beneden, voornamelijk in de nacht, niet of niet op tijd mogelijk is. 7.3.2.5 Aan de natte cel Met de natte cel wordt bedoeld de ruimte in de woning waar iemand zich wast, douchet en eventueel naar het toilet kan: de badkamer. Ook hier worden aanpassingen aangebracht om eventuele beperkingen in het gebruik en de toegankelijkheid mogelijk te maken. Hierbij kan gedacht worden aan: opklapbare douchezit (als een losse douchestoel niet mogelijk is); anti-slipvloer; aanpassingen aan de wastafel bij rolstoelafhankelijkheid. 7.3.2.6 Bereikbaarheid/toegankelijkheid woning Mogelijke aanpassingen zijn: verbreden van toegangsdeuren en -paden; aanbrengen van automatische deuropeners; aanbrengen van drempelhulpen; verwijderen van drempels; bereikbaar maken van tuin of balkon.Het gaat dan alleen om de ruimtes die door de inwoner veelvuldig worden gebruikt, zoals de woonkamer, keuken, slaapkamer en badkam 7.3.2.7 Aanbouw Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiezen wij bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en hebben wij aandacht voor de omgevingsvergunning. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning, zal het college allereerst beoordelen wat iemands eigen mogelijkheden zijn. Ook zal er gekeken worden of het verhuizen naar een geschikte woning een oplossing kan bieden. Soort vertrek Aantal m2 aanbouw nieuw vertrek Aantal m2 uitbreiding bestaand vertrek Woonkamer 30 m2 6 m2 Keuken 10 m2 4 m2 Eenpersoons slaapkamer 10 m2 4 m2 Tweepersoons slaapkamer 18 m2 4 m2 Toiletruimte 2 m2 1 m2 Badkamer wastafelruimte 2 m2 1 m2 Badkamer doucheruimte 3 m2 2 m2 Entree/gang/hal 5 m2 2 m2 Berging 6 m2 4 m2 7.3.2.8 Tuin en terras Als de aanleg van een verhard terras, direct aansluitend aan de woonruimte, of de aanpassing van een bestaand terras noodzakelijk is, dan geldt hiervoor een maximum totaaloppervlakte van 6 m2.Als de aanleg van een verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, of tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort noodzakelijk is, geldt een maximum oppervlakte van 20 m
- 7.3.2.9 Mogelijk te vergoeden kosten De kosten voor woningaanpassingen die meewegen bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming en getoetst worden op goedkoopst compenserend, zijn: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Als de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling Woning- en Utiliteitsbouw (RWU 1991). De offerte moet minimaal 3 maanden van kracht te zijn; het architectenhonorarium. Dit mag maximaal tien procent bedragen van de aanneemsom. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld, worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpendere woningaanpassingen; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, als dit noodzakelijk is, tot een maximum van twee procent van de aanneemsom; de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald. Dit alleen voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; de door de gemeente (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet waren te voorzien; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; de administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte: tien procent van die kosten (inclusief BTW) met een maximum van € 500,- inclusief BTW. Deze kosten kunnen worden gezien als onderhandelingsfactor waarmee de medewerking van de verhuurder eerder kan worden verkregen. 7 De offertes kunnen worden getoetst door het team Gebouwen van de gemeente. Als er een omgevingsvergunning noodzakelijk is, dan moet vooraf een onderzoek worden ingesteld. .3.2.10 Hoger uitrustingsniveau dan sociale woningbouw Iedereen woont naar zijn inkomen. Iemand met een hoog inkomen kan in een groter huis wonen dan iemand met een laag inkomen. Bij de toekenning van voorzieningen is het niet mogelijk hier rekening mee te houden. Bij de toekenning van voorzieningen wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. Het hiervoor geldende niveau is vastgelegd in het “Bouwbesluit 2003”. 7Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit. Duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Als iemand een zwembad in de kelder van zijn huis heeft laten aanleggen, dan krijgt hij hier geen hulp bij het huishouden voor. Heeft iemand aanpassingen in zijn garage nodig, dan zal hij dit in principe zelf moeten oplossen. Behalve wanneer de garage bijvoorbeeld dienst doet als stalling voor een scootmobiel. .3.2.11 Maximale vergoeding woonwagens Als de technische levensduur van een woonwagen minder dan vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, bedraagt de vergoeding voor bouwkundige en niet-bouwkundige woonvoorzieningen, uitraasruimten en verwijdering van in bruikleen verstrekte voorzieningen maximaal € 1.000,-. 7.3.2.12 Opstalverzekering De gemeente eist dat de eigenaar van de woning bij het vergroten van de woning zelf zorgt voor de aanpassing van de opstalverzekering en de betaling. 7.3.2.13 Anti-speculatiebeding Bij het verstrekken van woningaanpassingen en in het bijzonder dure woningaanpassingen in de vorm van een aanbouw, is er soms sprake van een waardestijging van de woning. Voor dure woningaanpassingen is een anti-speculatiebeding voor 10 jaar van toepassing waarbij het anti-speculatiebeding jaarlijks met 10% afneemt. 7Op grond van de verordening en het besluit wordt voor woonvoorzieningen een terugbetalingsverplichting gehanteerd. De terugbetaling bedraagt in het eerste jaar na definitieve toekenning van de woonvoorziening honderd procent en wordt vervolgens jaarlijks verminderd met een afschrijvingspercentage van tien procent van de kosten van de aanpassing. De meerwaarde van de woning is gelijk aan de kosten van de woningaanpassing die voor vergoeding in aanmerking komen. Bij een meerwaarde van minder dan € 7000,- wordt afgezien van een eventuele terugbetaling. .3.2.14 Gereedmelding woningaanpassing Een woningaanpassing, niet zijnde het aanbrengen van een traplift, moet uiterlijk binnen drie maanden na het verlenen van de voorziening gereed zijn. Als niet aan deze termijn wordt voldaan, kan het college besluiten om de eerder verleende voorziening in te trekken. Als de voorziening gereed is, moet er door de inwoner aan de gemeente een schriftelijke gereedmelding worden overlegd. 7.3.3 Vervangen vloerbedekking in verband met longklachten 7.3.3.1 Financiële tegemoetkoming voor vervanging vloerbedekking De cliënten met allergie of astma kunnen in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor het vervangen van de vloerbedekking als dat noodzakelijk is. Dit is alleen mogelijk wanneer een arts een duidelijke diagnose heeft gesteld. Of een voorziening noodzakelijk is, wordt mede beoordeeld aan de hand van het levenspatroon, de gehele woninginrichting, de ventilatiemogelijkheden en het ventilatiegedrag. De gemeente kan hierover advies inwinnen, bijvoorbeeld door het inschakelen van een gespecialiseerde astma/COPD-verpleegkundige. De inwoner moet zich bij de aanschaf van nieuwe materialen voortaan wel aan het programma van eisen voor de wooninrichting houden. Van de inwoner wordt verwacht dat hij zelf ook maatregelen neemt om klachten te voorkomen. In de regel krijgt de inwoner een vergoeding als: hij of zij bij de aanschaf van de oude materialen niet had kunnen weten dat hij longklachten zou krijgen of dat deze erger zouden worden; de vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Er wordt geen vergoeding verstrekt als: de voorziening niet tot verbetering van de situatie van de inwoner leidt; de inwoner bij aanschaf van de oude materialen redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig is voor bepaalde stoffen. In principe gaat het bij woningsanering om het vervangen van de vloerbedekking in de slaapkamer. De woonkamer kan ook worden gesaneerd, maar alleen als de aanvrager jonger dan vier jaar is. Voor het vervangen van gordijnen of behang in de slaap- of woonkamer worden geen saneringskosten verstrekt. Het nut hiervan is volgens het Longfonds nauwelijks aantoonbaar. 7.3.3.2 Afschrijvingstermijn De inwoner komt alleen in aanmerking voor een vergoeding voor het vervangen van de vloerbedekking als de te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven waarbij de afschrijvingstermijn van vloerbedekking wordt vastsgesteld op 5 jaar. 7.3.3.3 Maximale vergoeding saneringskosten. De maximale vergoeding voor saneringskosten is vastgesteld op € 1000,- Als het artikel ouder dan acht jaar is, dan krijgt de inwoner geen vergoeding. Binnen de acht jaar worden de volgende afschrijvingen gehanteerd: 0% als het te vervangen artikel nieuwer is dan twee jaar; 25% als het te vervangen artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50% als het te vervangen artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 75% als het te vervangen artikel tussen de zes en acht jaar oud is. De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor zeil of linoleum is € 50,- per meter, uitgaande van een gemiddelde breedte van 4 meter en inclusief legkosten en egalisatie. 7.3.4 Verhuizing Bij verhuizing komt de inwoner niet in aanmerking voor een saneringsvergoeding. Bij een verhuizing is het immers gebruikelijk dat iemand zijn woning opnieuw inricht en stoffeert. Hierbij kan de inwoner alvast rekening houden met zijn klachten. Van de ouders of begeleiders van de inwoner kan worden verwacht dat zij continu toezicht houden op de cliënt. Dit betekent zeven dagen per week, 24 uur per dag. In veel gevallen kan de slaapkamer van de inwoner voldoen als ruimte zonder prikkels van buitenaf en is geen speciale uitraaskamer nodig. Een inwoner kan soms zo gewelddadig zijn dat hij het risico loopt zichzelf wat aan te doen. Een uitraaskamer moet dan aan bepaalde veiligheidseisen voldoen. Te denken valt aan: een verankerd bed; veiligheidsglas of tralies voor de ramen; afsluitbare deuren; een zachte wand en vloerbedekking. Buiten de verstrekkingen voor uitraaskamers vallen: meubels; rustgevende muziek en muziekinstallaties; spreek- en luisterverbindingen; videobewakingssystemen; inrichtingselementen zoals ballenbaden, knuffelmuren, lichtprojectors en mobielen. Een uitraasruimte moet het belang van de persoon met de psychische beperkingen dienen. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen om de belangen van anderen, bijvoorbeeld hinder, of het tot rust komen van de ouders of verzorgers, dan is er geen sprake van een uitraasruimte in de zin van de Wmo. 7.3.5 Verhuiskostenvergoeding Iemand die vanwege zijn beperkingen niet meer in zijn eigen woning kan wonen en daarom moet verhuizen, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming: de verhuiskostenvergoeding. Deze bedraagt maximaal € 3.000,- (prijspeil 2015). 7.3.5.1 Mogelijke situaties Te denken valt vooral aan de volgende drie situaties: de inwoner gaat naar een nieuwe geschikte zelfstandige woning, omdat hij in zijn oude woning niet meer op een normale manier kan functioneren; de inwoner vraagt om een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt dat een verhuizing de goedkoopste en meest adequate oplossing is voor zijn probleem. Het kan ook zijn dat de huidige woning van de inwoner zich niet leent voor een aanpassing. Ook dan is verhuizing de meest voor de hand liggende oplossing; iemand zonder beperkingen die in een aangepaste woning woont, maakt deze op verzoek van de gemeente vrij. Een verhuiskostenvergoeding, onder a. en b. dient als alternatief voor een woningaanpassing als dit de goedkoopste en meeste adequate oplossing is voor het woonprobleem van de cliënt. 7.3.5.2 Afwijzingsgronden Er zijn vier mogelijke afwijzingsgronden: algemeen gebruikelijk; geen onverwacht optredende noodzaak; verhuizing naar een zorginstelling/niet zelfstandige woonruimte; verhuizing heeft al plaatsgevonden. 7.3.5.3Algemeen gebruikelijk Een verhuiskostenvergoeding wordt alleen toegekend als de verhuizing voor de inwoner in kwestie, in zijn specifieke situatie, niet algemeen gebruikelijk is. Een verhuizing kan algemeen gebruikelijk zijn voor bijvoorbeeld: jongeren die op zichzelf gaan wonen; jonge gezinnen die groter gaan wonen; ouderen die naar een kleinere woning of seniorenwoning verhuizen; bewoners van een Wlz-instelling die op een zeker moment zelfstandig gaan wonen. 7.3.6 Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimte worden alleen aangebracht als er geen nadelig invloed is van extreme slijtage door weer en wind of vandalisme. Ook wordt er een zorgvuldige afweging gemaakt bij het aanbrengen van de voorziening of de voorziening geen belemmeringen oplevert voor het gebruik van de gemeenschappelijke ruimte voor medebewoners. 7.3.7 Bezoekbaar maken woning Als de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of bij gehandicapte kinderen die door een echtscheiding waarbij er geen sprake is van co-ouderschap het hoofdverblijf hebben bij één ouder dan kan er een voorziening worden getroffen om één woning bezoekbaar te maken. Daarbij gaat het alleen om de volgende zaken: het kunnen bereiken en gebruiken van de woonruimte; het kunnen bereiken en gebruiken van de woonkamer; het kunnen bereiken en gebruiken van het toilet. Hierbij gaat het dus alleen om op bezoek gaan en niet over logeren. De hoogte van de financiële vergoeding om een woning bezoekbaar te maken bedraagt maximaal € 3.000,- (prijspeil 2015). 7 De aanpassingen kunnen bestaan uit: het verbreden van toegangsdeuren en toegangspaden; het aanbrengen van drempelhulpen en vlonders; het aanbrengen van sanitaire aanpassingen om toilet te kunnen gebruiken. .3.8 Verwijderen van voorzieningen Voorzieningen worden zo min mogelijk verwijderd. Daar waar het onontkoombaar is om de voorziening niet te verwijderen zijn de kosten van het verwijderen voor de aanvrager van de voorziening tenzij de aanvrager anders is overeengekomen met de eigenaar van de woning. De gemeente is niet verantwoordelijk voor de kosten van het verwijderen van de voorziening. 7.3.9 Huurderving 7.3.9.1 Huurderving in verband met het vrijhouden van aangepaste woningen Woningen die voor meer dan € 7.000,- zijn aangepast en waarvan de bewoner de woning verlaat, worden door de woningbouwcorporatie tot 6 maanden vrijgehouden voor een andere bewoner met beperkingen. De periode van zes maanden kan éénmalig met een periode van maximaal drie maanden verlengd worden als bekend is dat binnen deze drie maanden een persoon met beperkingen de woning zal betrekken. De gemeente vergoedt de eerste maand van leegstand niet aan de woningbouwvereniging, omdat het bij reguliere verhuur ook regelmatig voorkomt dat een woning een dergelijke periode leeg staat. Voor de overige maanden waarin de woning op verzoek van de gemeente leegstaat, wordt de kale huur aan de woningbouwvereniging vergoed. 7.4 Mantelzorg Ook bij mantelzorgers die helpen bij de verzorging van de inwoner, kan er sprake zijn van problemen. Dit is dan het gevolg van de zorgtaak van de mantelzorger, waardoor hij of zij (te) zwaar belast wordt. In zo’n geval kan compensatie ook een optie zijn. Een tillift is een duidelijk voorbeeld van een hulpmiddel waar de mantelzorger ook veel baat bij heeft. 8 verplaatsen in en om de woning 8.1 Wat verstaan we hieronder? In het kader van het verplaatsen in en om de woning gaat het om een rolstoel die iemand nodig heeft voor dagelijks zittend gebruik in en om de woning. Sportrolstoelen en rolstoelen voor incidenteel gebruik horen daar niet bij. Hiervoor verwijzen we naar hoofdstuk
- 8.2 Afwegingskader 8.8.2.1 Niet anti-revaliderend 8.Er wordt geen rolstoel verstrekt als het gebruik van een rolstoel in strijd is met een behandelplan van de aanvrager en nadelig is voor de revalidatie (oftewel: de voorziening mag niet antirevaliderend werken). 8.8.2.2 Voorliggende voorzieningen 8.Inwoners met een blijvende zorgbehoefte (Wlz indicatie) krijgen een integraal pakket aan zorg. Integraal betekent dat alles wat iemand nodig heeft in het pakket zit. Dit pakket bestaat uit: verblijf, persoonlijke verzorging, verpleging, behandeling, het individueel gebruik van hulpmiddelen voor mobiliteit (zoals een rolstoel of een scootmobiel) en vervoer. 8.2015 is een overgangsjaar. Daarom zijn in 2015 gemeenten nog verantwoordelijk voor hulpmiddelen en woningaanpassingen voor mensen met een Wlz-indicatie vanuit de Wmo
- Vanaf 2016 zijn zorgkantoren verantwoordelijk voor hulpmiddelen en woningaanpassingen voor mensen met een Wlz-indicatie. Het maakt daarbij niet uit of de Wlz indicatie verzilverd is. 8.8.2.3 Goedkoopst-adequaat 8.Als er meerdere soorten rolstoelen geschikt zijn voor de cliënt, dan wordt er gekozen voor de goedkoopste variant. 8.8.2.4 Tweede rolstoel 8.Als één rolstoel niet volstaat voor de verplaatsingsbehoefte van de cliënt, dan kan eventueel een tweede (elektrische) rolstoel worden verstrekt. Dit gebeurt in de volgende gevallen: bij voornamelijk gebruik van elektrische rolstoelen kan een handbewogen of duwrolstoel worden verstrekt om mee te nemen in de auto en/of om bij anderen op bezoek te kunnen gaan. als de woonsituatie geen gecombineerde elektrische binnen-/buitenrolstoel toelaat en met een combinatie van andere voorzieningen zoals een looph