Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz; Bijzondere bijstand Ridderkerk 2015 Beleidsregels Bijzondere bijstand Ridderkerk 2015 INLEIDING De gemeente Ridderkerk heeft een goed en uitgebreid armoedebeleid. Bij het lokale bestuur is er altijd het besef geweest dat een goed armoedebeleid nodig is om mensen met een laag inkomen de kans te geven om mee te doen in de samenleving. Mee kunnen doen betekent dat iemand voldoende middelen heeft om in zijn bestaan te kunnen voorzien, maar bijvoorbeeld ook om lid te worden van een sportvereniging en deel te nemen aan culturele en sociale activiteiten. Meedoen is vooral voor kinderen heel belangrijk. Kinderen moeten kunnen meedoen met hun leeftijdsgenoten. De situatie waarin hun ouders verkeren, mag daar geen belemmering in vormen. De bijzondere bijstand is een onderdeel van het sociaal domein. En dat sociaal domein van zorg, onderwijs, werk en inkomensondersteuning is volop in beweging. ‘Meedoen in de samenleving’ heeft een nieuwe betekenis gekregen. Participatie via werk wordt als het hoogste goed gezien. Maar ook de deelname aan de samenleving op allerlei andere terreinen is van wezenlijk belang. De gemeente is daarnaast niet langer vanzelfsprekend verantwoordelijk voor het oplossen van problemen en vragen van haar inwoners, en doet een beroep op de eigen kracht van mensen en de samenleving. Het Rijk geeft via de nieuwe wetgeving (Participatiewet) en het verstrekken van financiële middelen de gemeente meer ruimte om ondersteuning te geven aan verschillende doelgroepen met een laag inkomen. Waar bijvoorbeeld in de WMO sprake is van een “algemene voorziening” waarbij de kosten voor eigen rekening gaan komen van de zorgvrager, zal er een beroep moeten kunnen worden gedaan op de bijzondere bijstand als er sprake is van een laag inkomen. Deze ontwikkelingen vormen redenen om oude denkpatronen los te laten en tot nieuwe werkwijzen te komen. We bekijken samen met onze maatschappelijke partners hoe we mensen met een laag inkomen al in een vroeg stadium kunnen ondersteunen, zodat zij grip krijgen en houden op hun situatie om uiteindelijk weer zelfredzaam te kunnen zijn. In dit uitvoeringsbeleid is uitgewerkt hoe wij dat de komende jaren gaan doen. Bijzondere bijstand is maatwerk Generiek inkomensbeleid is de verantwoordelijkheid van het Rijk. Periodiek wordt door het ministerie van SZW het sociaal minimum vastgesteld. Deze bijstandsnorm geldt voor alle burgers van Nederland. Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat deze uitkeringsnorm niet volledig toereikend is om bepaalde noodzakelijke, bijzondere uitgaven te doen. Als een persoon voor dergelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening (zoals huurtoeslag of studiefinanciering), kan de gemeente bijzondere bijstand verstrekken. Hierbij moet worden vastgesteld of de uitgaven noodzakelijk zijn, daadwerkelijk gemaakt zijn en voortkomen uit bijzondere omstandigheden. Bij het vaststellen levert de gemeente maatwerk. Dit betekent dat de gemeente die voorziening biedt die past bij de hulpvraag van de burger, de hele situatie waarin de burger zich bevindt bekijkt en een inschatting maakt over wat het individu op dat moment nodig heeft. Gemeenten moeten dit efficiënt doen, geen willekeur laten bestaan en de juiste juridische kaders hanteren. Met de wet maatregelen WWB/Participatiewet 2015 wil de wetgever de bijstand meer activerend maken. Bijzondere bijstand is financieel en beleidsmatig gedecentraliseerd aan gemeenten, omdat op lokaal niveau – dichtbij de burger – maatwerk kan worden geboden rekening houdend met individuele en lokale omstandigheden. Dit vraagt redelijk en consistent beleid met een flexibele uitvoering waarin de dienstverlening telkens afgestemd wordt op de individuele situatie van de burger. UITGANGSPUNTEN EN NIEUWE ONTWIKKELINGEN IN EN RONDOM DE PARTICIPATIEWET Maatwerk Het Rijk wil dat gemeenten gerichtere inkomensondersteuning (maatwerk) gaan bieden zodat de middelen meer terecht komen bij de mensen die echt ondersteuning nodig hebben. Daarom komt de beleidsruimte voor de gemeente om categoriale regelingen te hanteren voor chronische zieken en gehandicapten, ouderen en ouders met schoolgaande kinderen per 1 januari 2015 te vervallen. Gemeenten kunnen deze regelingen vanaf deze datum niet meer hanteren. Voor de categoriale regelingen geldt wel een overgangsrecht van 6 maanden. Categoriale bijstand vanaf 1 januari 2015 Oude situatie Vanaf 1 januari 2015 ·Een instrument om een bepaalde groep te ondersteunen waarbij het aannemelijk is dat er meerkosten zijn. ·De kosten hoeven niet per se gemaakt te zijn of gemaakt te worden. ·Centrale inkomensnorm van maximaal 110%. Beschikbaar voor kinderen, ouderen en chronisch zieken en gehandicapten ·Een instrument om collectief maatwerk te leveren. ·Geen centrale inkomensnorm. ·Mag wel in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de premie van een dergelijke verzekering. ·Andere vormen van categoriale bijzondere bijstand zijn niet meer mogelijk. In het vergelijken van de oude en nieuwe situatie valt op dat gemeenten meer ruimte krijgen om maatwerk te bieden: centrale inkomensnormen vervallen, toetsingscriteria zijn algemeen geformuleerd en er is meer keuzevrijheid. Dit plaatst gemeenten voor belangrijke keuzes, bijvoorbeeld in de wijze waarop de maatwerkvoorziening voor chronisch zieken en gehandicapten wordt uitgevoerd, en hoe de criteria voor de individuele langdurigheidstoeslag te vertalen naar toetsingscriteria op de werkvloer. Maar maatwerk is ook een individuele afweging maken binnen de kaders die de wet geeft. Wijkgericht werken in de gemeente; Via de wijkteams wordt er laagdrempelige hulp geboden, wordt de eigen kracht en het sociaal netwerk van de hulpvrager optimaal ingezet en wordt er beter samengewerkt door de professionals. Collectieve zorgverzekering voor minima (CZM) De beleidsruimte voor de gemeente om een collectieve ziektekostenverzekering te bieden blijft bestaan en wordt verruimd. De inkomensgrens voor het bieden van een collectieve ziektekostenverzekering, die nu op 110% van het sociaal minimum is gesteld, vervalt. Dit geeft de gemeente de mogelijkheid om de collectieve ziektekostenverzekering aan te bieden aan een bredere doelgroep. Chronisch zieken Mensen met een chronische ziekte of handicap hebben vaak hogere zorgkosten door bijvoorbeeld medicijngebruik, extra waskosten of het gebruik van hulpmiddelen. Ter compensatie van die hogere zorgkosten ontvingen chronisch zieken en gehandicapten op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Regeling compensatie eigen risico (CER) tot 1 januari 2014 automatisch één of meerdere tegemoetkomingen van het Rijk. Deze tegemoetkomingsregelingen werden uitgekeerd door het Centraal Administratiekantoor (CAK). De Eerste Kamer heeft op 3 juni 2014 de Wet tot afschaffing van de Wtcg en CER aangenomen. Daarmee zijn de Wtcg en CER met terugwerkende kracht op 1 januari 2014 afgeschaft. Het Rijk veronderstelt dat gemeenten beter in staat zijn om gerichte inkomensondersteuning te leveren aan chronisch zieken en gehandicapten. Ter vervanging van de Wtcg en CER krijgen gemeenten daarom de bevoegdheid om een nieuwe compensatieregeling voor chronisch zieken en gehandicapten te organiseren. Zij krijgen daarvoor ongeveer één derde van het budget dat het CAK in 2013 kreeg voor de uitvoering van de Wtcg en CER. Op het beschikbare budget wordt dus een forse korting toegepast. Individuele inkomenstoeslag De langdurigheidstoeslag wordt per 1 januari 2015 vervangen door een individuele inkomenstoeslag. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor mensen tussen de 21 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen en gelet op hun individuele omstandigheden geen zicht hebben op verbetering van hun inkomen. Voor de individuele inkomenstoeslag geldt geen wettelijke inkomensgrens. Gemeenten mogen de hoogte van deze inkomensgrens zelf bepalen. Studietoeslag Nieuw onderdeel van de Participatiewet is de individuele studietoeslag. Dit is een inkomensondersteuning voor jongeren met een arbeidshandicap tijdens het volgen van een opleiding. De gemeente maakt een verordening waarin de hoogte en de frequentie van de betaling zijn vastgelegd. INDIVIDUELE BIJZONDERE BIJSTAND Eén van de belangrijkste gemeentelijke instrumenten voor inkomensondersteuning is de bijzondere bijstand. Bijzondere bijstandsverlening is geregeld in artikel 35 van de Participatiewet. Door bijzondere individuele omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat de toepasselijke bijstandsnorm (of een ander inkomen op dat niveau) niet toereikend is om noodzakelijke uitgaven te doen. Het gaat dan bijvoorbeeld om extra kosten door ziekte, verhuizing of een echtscheiding. Als de gemeente vindt dat deze uitgaven wel noodzakelijk zijn en niet uit de toepasselijke bijstandsnorm of andere middelen kunnen worden betaald, kan bijzondere bijstand worden verleend. De bijzondere bijstand gaat uit van maatwerk. De gemeente moet bij elke aanvraag vaststellen: Doen de kosten zich voor? Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden? Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, vermogen of het inkomen boven de bijstandsnorm? Is er geen sprake van een uitsluitingsgrond (artikel 13 Participatiewet)? Is er sprake van een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet)? Gemeenten toetsen aanvragen aan de hand van bovenstaande toetsingscriteria. Hierin heeft de gemeente beleidsvrijheid en kunnen er kaders worden gesteld voor maatwerk. Deze kaders moeten in de beleidsregels worden vastgesteld. Echter teveel kaders werken belemmerend op het uitgangspunt “maatwerk bieden” en moeten daarom zeer beperkt worden beschreven. De mogelijkheid tot het maken van een uitzondering moet altijd aanwezig zijn. Hiermee wordt duidelijk dat er sprake kan zijn van een dilemma: aan de ene kant duidelijke regels en geen willekeur, aan de andere kant vrijheid voor het leveren van maatwerk. In deze beleidsregels wordt getracht hier een middenweg in te vinden. Uit de memorie van toelichting van artikel 35 van de WWB/Participatiewet blijkt dat de volgende overwegingen een rol spelen bij het vaststellen van dergelijke criteria: de aard van de kosten, eventueel aanwezige buitengewone lasten en overige persoonlijke omstandigheden van de aanvrager. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1:Vorm van de bijstand Tenzij deze beleidsregels anders bepalen, wordt de bijzondere bijstand verstrekt als een uitkering om niet. De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt in de gevallen die genoemd worden in artikel 48 lid 2 Participatiewet, en indien het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft als bedoeld in artikel 51 Participatiewet. Artikel2:Tijdstip van de aanvraag Voor kosten, waarvan op voorhand de noodzaak niet vaststaat, dient voorafgaande aan het maken van de kosten, bijzondere bijstand te worden aangevraagd, om voor een mogelijke vergoeding van de kosten in aanmerking te kunnen komen. Voor kosten, waarvan de noodzaak op voorhand aangenomen kan worden, mag de aanvraag voor bijzondere bijstand na het maken van de kosten ingediend worden. Er wordt in geen geval bijstand verstrekt voor kosten die langer dan 6 maanden voor de bijstandsaanvraag zijn gemaakt. Artikel3:Hoogte bijzondere bijstand Bij het vaststellen van het bedrag van de bijzondere noodzakelijke kosten, wordt aangesloten bij normbedragen zoals opgenomen in de prijzengids van Nibud, tenzij in dit beleid anders is bepaald. Dit betekent dat de daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed tot een maximum als genoemd in de meest recente prijzengids van het Nibud, tenzij in dit beleid anders is bepaald. Artikel4:Algemeen gebruikelijke kosten Op de verstrekking van de bijzondere bijstand worden kosten die voor een ieder algemeen gebruikelijk zijn, in mindering gebracht. Artikel5:Drempelbedrag Artikel 35 lid 2 Participatiewet biedt de gemeente de mogelijkheid tot het hanteren van een drempelbedrag. Het college heeft besloten om geen gebruik van deze mogelijkheid te maken. De winst in de uitvoering is bij het hanteren van een drempelbedrag gering. Er moet nog steeds een beoordeling worden gemaakt of de kosten voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komen en op de aanvraag moet nog altijd beslist worden. Een andere reden is dat het zelf betalen van een drempelbedrag niet voor iedereen mogelijk is. Inwoners komen niet voor niets bij de gemeente met hun hulpvraag. Artikel6:Reserveringscapaciteit De reserveringscapaciteit wordt gesteld op 6% van de toepasselijke (theoretische) bijstandsnorm inclusief vakantiegeld per maand. Bij een inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke theoretische bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld per maand, wordt de reserveringscapaciteit gesteld conform de aflossingsregels van het beleid terugvordering. Artikel7:Draagkracht Uitgangspunt draagkracht Bij de vaststelling van de bijzondere bijstand dient rekening gehouden te worden met de aanwezige draagkracht in het inkomen of het vermogen. Bij de vaststelling van de aanwezige draagkracht wordt in ieder geval rekening gehouden met de draagkrachtperiode, het vermogen, het inkomen en de reserveringscapaciteit. Artikel8:Vaststelling draagkrachtperiode De draagkracht wordt telkens voor de periode van 12 maanden vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn gemaakt. De draagkracht kan voor een kortere of langere periode vastgesteld worden, indien de periode waarop de kosten waarvoor bijstand is aangevraagd betrekking hebben, daartoe aanleiding geeft. Artikel9:Vaststelling van het vermogen en draagkracht Het vermogen wordt op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand. Aangesloten wordt bij de vermogensgrens genoemd in artikel 34 lid 3 Participatiewet. Het vermogen boven die grens wordt volledig tot de draagkracht gerekend (100%). Indien sprake is geweest van sparen tijdens de bijstand, wat bijvoorbeeld bij personen die in een instelling verblijven, veelvuldig voorkomt, wordt ook het gespaarde vermogen tijdens de bijstand aangemerkt als draagkracht, voor zover dit boven de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 Participatiewet uitkomt. Artikel10:Vaststelling van het inkomen en draagkracht Inkomen: het inkomen zoals genoemd in artikel 32 Participatiewet inclusief toeslagen (zoals vakantietoeslag, overwerktoeslag, 13e maand), alsmede inkomen uit vermogen. Uit artikel 31 lid 1 vloeit voort dat alleen maar rekening gehouden kan worden met het inkomen waarover een belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. Bij de vaststelling van het draagkrachtinkomen bij vaste inkomsten wordt uitgegaan van de hoogte van het inkomen over de laatste periode voorafgaande aan de maand van aanvraag, maal twaalf maanden. (Bijvoorbeeld het inkomen in de maand of 4 weken voorafgaand aan de maand van aanvraag). Bij de vaststelling van het draagkrachtinkomen bij onregelmatige inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen van de zes maanden voorafgaand aan de maand van aanvraag, maal twaalf maanden. Bij de vaststelling van het draagkrachtinkomen van zelfstandigen die geen uitkering ontvangen op grond van het Besluit bijstand zelfstandigen (Bbz), wordt uitgegaan van: de som van de inkomsten over het jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de draagkrachtperiode aanvangt, waarbij een bruto-netto berekening wordt gehanteerd conform artikel 6 lid 2 Bbz: Van de som van de netto-inkomsten over het jaar voorafgaand, dient een bedrag van 20% in mindering gebracht te worden als zijnde de verschuldigde belastingen. Artikel11:Niet in aanmerking te nemen middelen bij vaststelling draagkracht Als draagkracht wordt in aanmerking genomen: het netto inkomen over een periode van 12 maanden, verlaagd met de volgende middelen en aftrekposten: Individuele studietoeslag; Individuele inkomenstoeslag, voor zover het niet gaat om een aanvraag bijzondere bijstand voor de aanschaf en/of vervanging van duurzame gebruiksgoederen bedoeld in artikel 51 Participatiewet; Het deel van een particuliere oudedagsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet; Het deel dat niet tot de middelen wordt gerekend, zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 Participatiewet; De verhoging van het kindgebondenbudget voor de alleenstaande ouder (ALO-kop); Buitengewone kosten in verband met wonen, als door het hogere inkomen geen volledige huurtoeslag wordt ontvangen; Buitengewone kosten in verband met zorg, als door het hogere inkomen geen volledige zorgtoeslag wordt ontvangen; Alle voorkomende wettelijke eigen bijdragen, waarvoor het recht op een voorliggende voorziening ontbreekt (bijvoorbeeld eigen bijdrage Wet Kinderopvang, eigen bijdrage WMO, eigen bijdrage AWBZ/Zvw/Wlz); Het (deel) van het inkomen waarop executoriaal beslag is gelegd, en waarover de belanghebbende dus redelijkerwijs niet kan beschikken, tenzij sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Indien een belanghebbende in de wettelijke schuldsaneringsregeling zit (WSNP), de middelen die binnen de boedel vallen. In de praktijk komt dit over het algemeen neer op een beschikbaar inkomen van 90% van de bijstandsnorm. Ad 5. Met de invoering van de Participatiewet en de Wet hervorming Kindregelingen komt de alleenstaande ouder niet meer in aanmerking voor een hogere bijstandsnorm ten opzichte van de alleenstaande, maar wel voor de ALO-kop van de Belastingdienst. Het stukje bijstand wat de alleenstaande ouder kwijtraakt per 1 januari 2015, wordt grotendeels gecompenseerd door de Belastingdienst. Het feitelijke inkomen van de alleenstaande ouder blijft dus nagenoeg gelijk aan de situatie voor 1 januari 2015. Ten opzichte van de bijstandsnorm die geldt voor de alleenstaande ouder, bestaat er echter direct draagkracht. Draagkracht die volgt uit de wetswijziging (normwijziging), maar niet op zich zelf staat. De feitelijke inkomenssituatie is immers nauwelijks gewijzigd. Vanaf 1 januari 2015 bedraagt het ‘extraatje’ aan ALO-kop ten opzichte van het voormalige Kindgebondenbudget maximaal € 3.050,00 op jaarbasis. Dit komt neer op een bedrag van € 254,17 per maand, wat nagenoeg overeenkomt met de 20% extra norm die alleenstaanden tot 1 januari 2015 vanuit de bijstand ontvingen. De door de normwijziging ontstane draagkracht die volgt uit de wet is is een ongewenst effect en het college heeft dan ook besloten om bij de beoordeling van de draagkrachtberekening bij een alleenstaande ouder, de ALO-kop buiten beschouwing te laten. Artikel12:Draagkrachtpercentages Onder de van toepassing zijnde bijstandsnorm, worden de bijstandsnormen, zoals bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 23 Participatiewet - zonder toepassing van de kostendelersnorm - verstaan. Onverminderd artikel 10 is in het inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm geen draagkracht aanwezig. Van het inkomen tussen 110% en 140% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt 35% als draagkracht in aanmerking genomen; Van het inkomen vanaf 140% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt 50% als draagkracht in aanmerking genomen; In geval van bijzondere bijstand voor woonkosten en kosten levensonderhoud: Van het inkomen hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm, zoals bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 23 Participatiewet, wordt het meerdere voor 100% als draagkracht in aanmerking genomen. Toelichting toepassing kostendelersnorm In de Participatiewet is de kostendelersnorm opgenomen (artikel 22a Participatiewet) Als gevolg daarvan is de geldende bijstandsnorm voor kostendelers lager dan voorheen, waardoor men bij toepassing van de kostendelersnorm in de draagkrachtberekening, ook sneller op ‘draagkracht’ uitkomt. De kostendelersnormen zijn bedoeld om optredende schaalvoordelen ten aanzien van de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan te verdisconteren. Met de toepassing van de kostendelersnorm voor de algemene bijstand worden die schaalvoordelen afdoende verrekend. Niet-uitkeringsgerechtigden die de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen met medebewoners, hebben eveneens te maken met dit schaalvoordeel, zonder dat hiermee echter rekening wordt gehouden in hun inkomen. Hierdoor houden ze feitelijk meer middelen over voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan. Ondanks dit hebben de colleges besloten om bij niet-uitkeringsgerechtigden, voor het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand, bij de draagkrachtberekening geen rekening te houden met het eventuele schaalvoordeel dat niet-uitkeringsgerechtigden hebben. Het wel toepassen van de kostendelersnorm bij niet-uitkeringsgerechtigden zou namelijk ten eerste leiden tot een grote belasting in de uitvoering van de aanvragen bijzondere bijstand. Ten tweede heeft het niet toepassen van de kostendelersnorm als voordeel dat het financieel nog aantrekkelijker wordt om uit te stromen uit de bijstand. Ten derde heeft het niet toepassen van de kostendelersnorm als voordeel dat hiermee de armoedeval verder beperkt wordt. Artikel13:Draagkrachtverrekening De draagkrachtruimte wordt in één keer met de bijzondere bijstand verrekend; In afwijking van het bovenstaande kan ingeval van periodieke bijzondere bijstand, de draagkracht verrekend worden naar rato van het aantal maanden van de periode waarop deze bijstand betrekking heeft. Artikel14:Aflossing leenbijstand De gebruikelijke duur van de aflossing van de geldlening voor duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting is gesteld op maximaal 36 maanden (zie artikel 11 lid 3 van het Terugvorderingsbeleid) In afwijking van het gestelde onder lid 1, dient de verstrekte leenbijstand volledig te worden terugbetaald: indien geconstateerd is dat de verstrekte leenbijstand niet (volledig) is besteed aan het doel waarvoor deze is verstrekt, ter hoogte van het bedrag dat niet is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt; indien de bijzondere bijstand is verstrekt op grond van artikel 48 lid 2 Participatiewet. De grondslag voor de afwijking van de gestelde termijn van 36 maanden in de in lid 2 genoemde gevallen ligt besloten in artikel 11 lid 5 van het Terugvorderingsbeleid. Artikel15:Terugvordering bijzondere bijstand Indien de bijstand die om niet is verstrekt, niet besteed wordt aan het doel waarvoor deze is verstrekt, besluit het college de bijstand terug te vorderen, ter hoogte van het bedrag dat niet is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt; SPECIFIEKE KOSTENSOORTEN BIJZONDERE BIJSTAND In deze beleidsregels wordt de mogelijkheid van bijzondere bijstand voor de meest voorkomende kosten nader uiteengezet. Het karakter van de bijzondere bijstand brengt echter met zich mee dat niet alle voorkomende kosten en situaties in beleid kunnen worden ondervangen. Er bestaat immers aanspraak op bijzondere bijstand, indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, waarin niet op andere wijze voorzien kan worden. Het betekent dus niet dat, als bepaalde kostensoorten niet in dit beleid zijn opgenomen, voor deze kosten nooit bijzondere bijstand verstrekt kan worden. In de situaties waarin dit beleid niet voorziet, gelden altijd de verplicht te beantwoorden vragen voor het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand, zoals hierboven ook reeds is vermeld: Doen de kosten zich voor? Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden? Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, vermogen of het inkomen boven de bijstandsnorm? Is er geen sprake van een uitsluitingsgrond (artikel 13 Participatiewet)? Is er sprake van een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet)? MEDISCHE KOSTEN De grondslag voor het verstrekken van bijzondere bijstand voor medische kosten is neergelegd in een aparte regeling, te weten de Regeling ‘Ziektekosten, huishoudelijke ondersteuning en verhuiskosten 2015’. Zoals ook in artikel 4.1 van de Regeling Ziektekosten, huishoudelijke ondersteuning en verhuiskosten 2015 is opgenomen, geldt dat voor medische kosten in principe geen bijzondere bijstand wordt verstrekt, omdat de Wlz, Zvw en een passende aanvullende zorgverzekering als passende en toereikende voorliggende voorzieningen worden aangemerkt, tenzij…. In bijzondere omstandigheden kan maatwerk worden geboden! Het is en blijft de verantwoordelijkheid van een ieder om een passende zorgverzekering en aanvullende verzekering te kiezen. De gemeente biedt voor mensen met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm een collectieve zorgverzekering met een uitgebreide aanvullende verzekering waarvan de premie ook deels wordt vergoed. Een bijzondere omstandigheid kan zijn dat een aanvrager voornemens is om over te stappen naar de collectieve zorgverzekering, maar sprake is van een wachttijd. Bijzondere bijstand is dan alleen mogelijk tijdens de wachttijd, tot maximaal 1 jaar. Eigen bijdragemedische kosten Indien er sprake is van vergoeding van medische kosten vanuit de Wet Langdurige Zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) maar wel een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht (niet zijnde het wettelijk eigen risico), is voor deze eigen bijdrage wel bijzondere bijstand mogelijk, voor zover er aan het opleggen van de eigen bijdrage geen besparingsmotief ten grondslag heeft gelegen. Denk bijvoorbeeld aan de eigen bijdrage die geldt voor orthopedisch schoeisel. De wetgever heeft hier een eigen bijdrage gehanteerd, omdat men – zou men geen orthopedisch schoeisel nodig hebben – wel kosten voor gewoon schoeisel moet maken. Omdat men orthopedisch schoeisel nodig heeft, ‘bespaart’ men dus op de kosten van gewoon schoeisel, waar geen vergoeding voor mogelijk is. Door het invoeren van een eigen bijdrage in verband met dit besparingsmotief, worden de normale algemene kosten van het bestaan (te weten de aanschaf van schoenen) dus buiten de vergoeding vanuit de Wlz en Zvw gehouden. De kosten van een dergelijke eigen bijdrage komen in principe niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Zie meer over dit onderwerp hieronder. Bij medische kosten kan onder andere gedacht worden aan: - kosten van brillen/lenzen; - kosten van diëten/voedingssupplementen; - kosten van geneesmiddelen; - kosten van tandheelkundige hulp; - kosten voor een hoortoestel; - kosten voor orthopedisch schoeisel; - kosten voor GGZ; - kosten voor fysiotherapie; Brillen/lenzen Door de wetgever is een bewuste keuze gemaakt door de kosten van brillen/lenzen niet in het verstrekkingenpakket van de Wlz en Zvw op te nemen, waardoor bijzondere bijstand voor deze kosten op grond van artikel 15 lid 1 niet mogelijk is, nu de kosten als ‘niet noodzakelijk’ zijn aangemerkt. Bril- en lens dragende personen worden om die reden geacht een passende en aanvullende verzekering voor deze kosten af te sluiten, waarbij ze kunnen kiezen voor de aanvullende verzekering vanuit de Collectieve Zorgverzekering voor Minima bij CZ (CZM). Indien er ondanks bovenstaande echter sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten die niet uit het inkomen of de voorliggende voorziening kunnen worden bekostigd, kan in het individuele geval bijzondere bijstand mogelijk zijn. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand, dient in dat geval uitgegaan te worden van de vergoedingen die gelden vanuit de ‘extra uitgebreide aanvullende verzekering’ van de Collectieve Zorgverzekering voor Minima bij CZ (CZM). Diëten/voedingssupplementen 1. Voor de kosten van dieetpreparaten en dieetadvisering is vergoeding mogelijk vanuit de Wlz en Zvw, welke voorzieningen als passend en toereikend worden aangemerkt. Deze kosten komen dan ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand (artikel 15 lid 1 Participatiewet). 2. Indien de kosten genoemd onder lid 1 niet voor vergoeding vanuit de voorliggende voorzieningen in aanmerking komen, omdat belanghebbende niet onder de doelgroep valt die voor vergoeding in aanmerking komt, worden de kosten als niet noodzakelijk aangemerkt, en komen ze dus eveneens niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. 3. Voor de meerkosten van een speciaal noodzakelijk dieet en voedingssupplementen gelden de Wlz en Zvw niet als voorliggende voorziening, omdat deze kosten niet behoren tot het zorgpakket van de wettelijke verzekering. Deze kosten kunnen in het individuele geval voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. 4. Om voor bijzondere bijstand voor de kosten van een dieet of voor voedingssupplementen in aanmerking te kunnen komen, dient het volgende vastgesteld te worden: a. Er bestaat een medische noodzaak voor het betreffende dieet, welke noodzaak vastgesteld dient te worden middels een medisch advies, op te vragen bij een door de gemeente gecontracteerde adviesinstantie; b. Het dieet dient meerkosten met zich mee te brengen ten opzichte van normale voeding, wat eveneens moet blijken uit het medisch advies; c. De kosten vloeien voort uit bijzondere individuele omstandigheden, en d. De kosten kunnen niet voldaan worden uit de aanwezige middelen. 5. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de meerkosten van een noodzakelijk dieet, dient aangesloten te worden bij de meest recente Prijzengids van Nibud. Geneesmiddelen Voor de kosten van geneesmiddelen is vergoeding mogelijk vanuit de Wlz en Zvw, welke voorzieningen als passend en toereikend worden aangemerkt. Bijzondere bijstand voor de kosten van medicatie is op grond van artikel 15 lid 1 Participatiewet dus niet mogelijk. Kosten van geneesmiddelen die niet vanuit de Wlz en Zvw worden vergoed, zijn bewust uit het verstrekkingenpakket van de Wlz en Zvw gehouden, en worden om die reden als ‘niet noodzakelijk’ aangemerkt. De eventuele eigen bijdrage die betaald moet worden voor medicatie, kan eveneens niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen, aangezien de eigen bijdrage wordt opgelegd op grond van het feit dat er een goedkoper alternatief aanwezig is voor de betreffende medicatie. Indien uit medische noodzaak gekozen wordt voor een duurdere variant, dan wordt er geen eigen bijdrage in rekening gebracht. Een aanvullende zorgverzekering, op grond waarvan voor deze kosten mogelijk wel een vergoeding kan worden verstrekt, geldt eveneens als voorliggende voorziening. Indien er ondanks bovenstaande echter sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten in het individuele geval die niet uit het inkomen of de voorliggende voorziening kunnen worden bekostigd, kan bijzondere bijstand mogelijk zijn. De hoogte van de bijzondere bijstand dient in dat geval gebaseerd te worden op de feitelijke kosten. Tandheelkundige hulp Voor de kosten van een tandheelkundige behandeling dient de Zvw in beginsel als een passende en toereikende voorliggende voorziening te worden beschouwd. In de gevallen waarin deze zorg niet voor vergoeding vanuit de Zvw in aanmerking komt, omdat deze is aangemerkt als ‘niet noodzakelijk’, is bijzondere bijstand voor deze kosten niet mogelijk op grond van artikel 15 lid 1 Participatiewet. Een aanvullende zorgverzekering, op grond waarvan voor deze kosten wel een vergoeding kan worden verstrekt, geldt eveneens als voorliggende voorziening. Voor de kosten die vanuit de Zvw wel als noodzakelijk worden aangemerkt, maar waarvoor een eigen bijdrage geldt, die niet vanuit de aanvullende verzekering wordt vergoed, kan voor de kosten van de eigen bijdrage wel bijzondere bijstand worden verstrekt (denk hierbij aan de eigen bijdrage die geldt voor een uitneembare volledige prothese). Indien er ondanks bovenstaande echter sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten in het individuele geval die niet uit het inkomen of de voorliggende voorziening kunnen worden bekostigd, kan in afwijking van het gestelde in lid 1 en 2 bijzondere bijstand mogelijk zijn. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand, dient in dat geval uitgegaan te worden van de vergoedingen die gelden vanuit de ‘extra uitgebreide aanvullende verzekering’ van de Collectieve Zorgverzekering voor Minima bij CZ (CZM). Hoortoestel De kosten van een hoortoestel komen in aanmerking voorvergoeding vanuit de Zvw, Besluit zorgverzekering en Regeling zorgverzekering, welke voorzieningen als passend en toereikend worden aangemerkt. Op grond van artikel 15 lid 1 Participatiewet is bijzondere bijstand voor deze kosten dan ook niet mogelijk, ondanks de mogelijkheid dat de zorgverzekering slechts een deel van de kosten vergoed. Een aanvullende zorgverzekering, op grond waarvan voor deze kosten wel een vergoeding kan worden verstrekt, geldt eveneens als voorliggende voorziening. Indien er echter sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten in het individuele geval die niet uit het inkomen of de voorliggende voorziening kunnen worden bekostigd, kan in afwijking van het gestelde in lid 1 bijzondere bijstand mogelijk zijn. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand, dient in dat geval uitgegaan te worden van de maximale vergoedingen die gelden vanuit de ‘extra uitgebreide aanvullende verzekering’ van de Collectieve Zorgverzekering voor Minima bij CZ (CZM). Orthopedisch schoeisel Voor de kosten van orthopedisch schoeisel worden de Zvw en de Regeling Zorgverzekering als passende en toereikende voorliggende voorziening aangemerkt, waardoor bijzondere bijstand voor deze kosten in principe niet mogelijk is (artikel 15 lid 1 Participatiewet). De eigen bijdrage die voor deze kosten vanuit de Zwv en Regeling Zorgverzekering in rekening wordt gebracht, is ingevoerd vanuit het besparingsmotief, en komt dus op grond van het feit dat dit algemene bestaanskosten zijn, in principe ook niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. In afwijking van het gestelde onder lid 2, besluit het college om desondanks bijzondere bijstand toe te kennen voor het verschil tussen de wettelijke eigen bijdrage, en de kosten die volgens de meest recente Prijzenlijst Nibud worden gerekend voor de aanschaf van ‘normaal’ schoeisel De bijzondere bijstand wordt gemaximeerd op het verschil tussen de wettelijke eigen bijdrage en de kosten van aanschaf van ‘normaal’ schoeisel, voor twee paar schoenen per kalenderjaar. Voorbeeld ad. 3 In 2015 gelden de volgende wettelijke eigen bijdragen voor orthopedisch schoeisel: - € 140,50 per paar voor iemand van 16 jaar en ouder - € 70,00 per paar voor iemand jonger dan 16 jaar Deze bedragen worden dus als eigen bijdrage in rekening gebracht, omdat mensen dit ook kwijt zouden zijn aan een paar ‘gewone’ schoenen. Voor mensen met een minimum inkomen zijn dit echter forse bedragen voor de aanschaf van schoeisel. Het college heeft dan ook besloten om aan te sluiten bij de bedragen die in de meest recente Prijzengids Nibud worden genoemd voor schoeisel. Voorbeeld Nibudnorm; In 2015 zijn die kosten voor herenschoenen gesteld op € 60,00, voor damesschoenen op € 40,00 en voor kinderschoenen op € 30,00. Een jongeheer van 16 jaar of ouder die bijzondere bijstand aanvraagt voor de kosten van de eigen bijdrage van orthopedisch schoeisel, kan een bedrag van € 140,50 - € 60,00 = € 80,50 aan bijzondere bijstand verstrekt worden voor één paar, met een maximum van twee paar schoenen per kalenderjaar. Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Voor de kosten van geestelijke gezondheidszorg geldt dat de AWBZ, Zvw en het besluit Zorgverzekering als toereikende voorliggende voorzieningen worden beschouwd, waardoor er geen recht bestaat op bijzondere bijstand (artikel 15 lid 1 Participatiewet). Een aanvullende zorgverzekering, op grond waarvan voor deze kosten mogelijk wel een vergoeding kan worden verstrekt, geldt eveneens als voorliggende voorziening. Indien er echter sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten in het individuele geval die niet uit het inkomen of de voorliggende voorziening kunnen worden bekostigd, kan in afwijking van het gestelde in lid 1 bijzondere bijstand mogelijk zijn. . Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand, dient in dat geval uitgegaan te worden van de vergoedingen die gelden vanuit de ‘extra uitgebreide aanvullende verzekering’ van de Collectieve Zorgverzekering voor Minima bij CZ (CZM). Fysiotherapie Voor de kosten van fysiotherapie gelden de Wlz en Zvw als passende en toereikende voorliggende voorzieningen, waardoor bijzondere bijstand voor deze kosten in beginsel is uitgesloten (artikel 15 lid 1 Participatiewet). Indien de kosten genoemd onder lid 1 niet voor vergoeding vanuit de voorliggende voorzieningen in aanmerking komen, omdat belanghebbende niet onder de doelgroep valt die voor vergoeding in aanmerking komt, worden de kosten als niet noodzakelijk aangemerkt, en komen ze dus eveneens niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Een aanvullende zorgverzekering, op grond waarvan voor deze kosten mogelijk wel een vergoeding kan worden verstrekt, dient ook als voorliggende voorziening te worden aangemerkt. Indien er ondanks bovenstaande echter sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten in het individuele geval die niet uit het inkomen of de voorliggende voorziening kunnen worden bekostigd, kan in afwijking van het gestelde in lid 1, 2 en 3 bijzondere bijstand mogelijk zijn. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand, dient in dat geval uitgegaan te worden van de vergoedingen die gelden vanuit de ‘extra uitgebreide aanvullende verzekering’ van de Collectieve Zorgverzekering voor Minima bij CZ (CZM). Chronisch zieken Per 1 januari 2015 is de tegemoetkoming voor chronisch zieken op grond van de Wet Tegemoetkoming Chronisch Zieken en Gehandicapten (WTCG) afgeschaft. Ook is per 1 januari 2015 de categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken komen te vervallen, als gevolg van de wijziging in artikel 35 in de Participatiewet. Vanaf 1 januari 2015 dient het recht op bijzondere bijstand voor chronisch zieken individueel vastgesteld te worden. De grondslag voor het verstrekken van bijzondere bijstand voor chronisch zieken ligt eveneens besloten in een aparte regeling, te weten de Regeling ‘Ziektekosten, huishoudelijke ondersteuning en verhuiskosten 2015’. Bij de kosten voor chronisch zieken moet onder andere gedacht worden aan: extra stookkosten extra bewassingskosten extra kledingkosten als gevolg van slijtage extra kosten van communicatie & signalering extra kosten voor maaltijdvoorziening Voor deze kosten is bijzondere bijstand in principe alleen mogelijk in de volgende gevallen: Belanghebbende heeft aangetoond daadwerkelijk extra kosten te hebben (gemaakt), en De zorgverzekering kan niet als passende en toereikende voorliggende voorziening worden aangemerkt voor de extra gemaakte kosten, en Middels een medisch advies, of anderszins verifieerbare medische gegevens, is vastgesteld dat er sprake is van noodzakelijke meerkosten als gevolg van een ziekte of handicap, en De extra kosten kunnen niet uit het inkomen worden betaald. Extra stookkosten Stookkosten behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan, waardoor bijzondere bijstand voor deze kosten in principe niet mogelijk is (artikel 35 lid 1 Participatiewet). In afwijking van het gestelde onder lid 1, kan in het geval van buitenproportioneel verbruik, als gevolg van een ziekte of handicap toch bijzondere bijstand mogelijk zijn voor de meerkosten. Van buitenproportioneel verbruik kan gesproken worden, als het verbruik aanzienlijk hoger ligt dan het gemiddelde verbruik voor het betreffende woningtype, zoals aangegeven in de meest recente Prijzengids Nibud. Het buitenproportionele verbruik moet bij aanvraag blijken uit bijvoorbeeld de meest recente eindafrekening. De medische noodzaak van de extra te maken kosten dient te blijken uit een op te vragen medisch advies bij een door de gemeente gecontracteerde adviesinstantie. Voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand, dient aangesloten te worden bij de meest recente Prijzengids Nibud, tabel 25 van het hoofdstuk Energieverbruik. De periodieke bijstand wordt voor de duur van één jaar verstrekt. In de beschikking dient te worden opgenomen dat de periodieke bijstand een voorwaardelijk karakter draagt, totdat de volgende eindafrekening is ontvangen, op welk moment de hoogte van de bijzondere bijstand definitief wordt vastgesteld. Kleding(slijtage) en bewassingskosten De kosten van bewassing en kleding behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan, waardoor bijzondere bijstand voor deze kosten in principe niet mogelijk is (artikel 35 lid 1 Participatiewet). In afwijking van het gestelde onder lid 1, kunnen lichamelijke gebreken leiden tot extra kosten van bewassing en daardoor versnelde slijtage van kleding, welke extra kosten niet tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden beschouwd. Denk hierbij aan personen die vanwege gezondheidsredenen niet meer zelf de was kunnen doen en zijn aangewezen op een wasserij, of aan personen die door bijvoorbeeld incontinentie veel vaker moeten wassen dan gebruikelijk. Indien er voor de situaties benoemd onder punt 2 sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten in het individuele geval die niet uit het inkomen of een voorliggende voorziening kunnen worden bekostigd, kan voor de extra kosten bijzondere bijstand mogelijk zijn. Bij het beoordelen van de bijzondere omstandigheden dient aandacht besteed te worden aan een mogelijk beroep wat gedaan kan worden op familieleden, indien sprake is van het zelf niet meer in staat zijn te wassen. Voor het beoordelen of sprake is van medisch noodzakelijke extra kosten kan gebruik gemaakt worden van het opvragen van een medisch advies bij een door de gemeente gecontracteerde adviesinstantie, tenzij op voorhand middels andere verificatiemiddelen duidelijk is dat er sprake is van enige aandoening, die logischerwijs extra kosten met zich meebrengt. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de meest recente GMD-lijst. De normale aanschaf/vervanging van kleding behoort tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit geldt voor zowel confectie- als maatkleding. Een afwijkende lichaamsbouw (bijv. dwerggroei) is op zich geen aanleiding voor bijstandsverlening. Bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot plotselinge vervanging van een garderobe kunnen dat wel zijn, bijvoorbeeld wanneer betrokkene vanwege ziekte/gebrek een andere garderobe aan moet schaffen vanwege een plotseling sterk gewijzigde lichaamsomvang. Wanneer het gewichtsverlies deel uitmaakt van een al dan niet op medisch advies gevolgd dieet, is er geen sprake van bijzondere omstandigheden. Dit geldt ook voor transseksualiteit. De wijziging van de garderobe vindt in deze gevallen immers geleidelijk plaats. Extra kosten van communicatie & signalering Onder de kosten van hulpmiddelen ter communicatie en alarmering worden geschaard: Alarmeringsapparatuur Telefoons en telefoneerhulpmiddelen Wek- en waarschuwingsinstallaties Voor de kosten van hulpmiddelen ter communicatie en alarmering gelden de Zvw en de Regeling zorgverzekering als passende en toereikende voorliggende voorzieningen, waardoor bijstand voor deze kosten niet mogelijk is (artikel 15 lid 1 Participatiewet). Indien er ondanks bovenstaande echter sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten in het individuele geval die niet uit het inkomen of de voorliggende voorziening kunnen worden bekostigd, kan in afwijking van het gestelde in lid 1 bijzondere bijstand mogelijk zijn. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand dient uitgegaan te worden van de daadwerkelijke extra kosten. Extra kosten voor maaltijdvoorziening Voor de extra kosten van gebruik van een maaltijdvoorziening kan geen beroep gedaan worden op een passende en voorliggende voorziening. Bijzondere bijstand voor deze kosten is in het individuele geval mogelijk, indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, die niet verwijtbaar zijn, en sprake is van noodzakelijke kosten in het individuele geval die niet uit het inkomen kunnen worden bekostigd. De noodzaak van het gebruik maken van een maaltijdvoorziening dient – voor zover dit niet duidelijk is - vastgesteld te worden middels een op te vragen medisch advies bij een door de gemeente gecontracteerde adviesinstantie. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de bijzondere bijstand dient aangesloten te worden bij de meest recente Prijzengids Nibud, waarbij de meerkosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen, worden berekend door op de kosten van de maaltijdvoorziening, de normale referentiekosten in mindering te brengen. Begrafenis/Crematiekosten De belanghebbende op wie volgens de bepalingen in het huwelijksgoederenrecht en het erfrecht de plicht rust de kosten van lijkbezorging van bloedverwanten te voldoen, heeft voor zover het zijn aandeel in de kosten betreft, recht op bijzondere bijstand indien hij geen draagkracht heeft om zelf in deze kosten te voorzien. De kosten die in aanmerking komen voor een bijdrage betreffen de kosten die verband houden met de begrafenis of crematie van een overledene in Nederland, gerekend naar de kosten van de meest goedkope adequate mogelijkheid voor de verzorging van de teraardebestelling. Het uitgangspunt is om de prijslijst van Nibud hierin te volgen, tot een maximum bedrag van € 5.000,00. Bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijke kosten zal individueel worden gekeken naar de te maken kosten. De volgende kosten kunnen in principe als noodzakelijk worden aangemerkt: crematie, dienst in aula, condoleanceruimte / begrafenis kosten algemeen graf akte van overlijden basistarief uitvaartverzorger 50 rouwkaarten overbrengen van overledene naar rouwcentrum of woonhuis laatste verzorging overledene eenvoudige kist opbaren standaard condoleanceregister laatste vervoer overledene per rouwauto eenvoudige grafbedekking / verstrooiing as bij crematorium / as-bus bewaren in algemene nis Op de bijzondere bijstand als bedoeld in lid 1 worden uitkeringen uit uitvaartverzekeringen, middelen uit de nalatenschap, slottermijnen en dergelijke volledig in mindering gebracht. Kosten Bewindvoering Bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind kan worden verstrekt aan de belanghebbende, waarvan door de kantonrechter de noodzaak van deze bewind voering is vastgesteld, voor zover de kosten van bewind voering niet uit het onder bewind gestelde vermogen kan worden voldaan. Uit de uitspraak van de kantonrechter moet blijken welke kosten als noodzakelijk worden aangemerkt. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de forfaitaire tarieven zoals vastgesteld in de Ministeriële regeling ‘Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren’. Voor kosten die nog voor 1 januari 2015 zijn gemaakt, dienen de tarieven van het LOVCK nog toegepast te worden. In afwijking van het gestelde onder lid 3, bedraagt de bijzondere bijstand in het geval de kantonrechter een afwijkend bedrag aan noodzakelijke kosten heeft vastgesteld, het door de kantonrechter vastgestelde bedrag. Voor de kosten van bewindvoerders WSNP (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen) is geen bijzondere bijstand mogelijk. Deze kosten dienen namelijk met voorrang uit de boedel betaald te worden. Is de boedel niet toereikend voor de kosten van de bewindvoerder, dan kan de bewindvoerder subsidie aanvragen, waardoor alsnog in de kosten is voorzien. De bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind wordt uitbetaald na het overleggen van: de beschikking van de kantonrechter; de factuur van de aangestelde bewindvoerder. Indien het tijdstip van benoeming van de bewindvoerder door de kantonrechter is ingegaan in de eerste helft van de maand, dan mag de bewindvoerder de beloning in rekening brengen ingaande de eerste dag van de maand. In dat geval kan het recht op bijstand ook – op zijn vroegst - ingaande de eerste dag van de maand toegekend worden. Indien het tijdstip van benoeming van de bewindvoerder door de kantonrechter is ingegaan in de tweede helft van de maand, dan mag de bewindvoerder de beloning in rekening brengen ingaande de 16e dag van de maand. In dat geval kan het recht op bijstand ook – op zijn vroegst – ingaande de 16e dag van de maand toegekend worden Kosten Mentorschap Bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap kan worden verstrekt aan de belanghebbende, waarvan door de kantonrechter de noodzaak van dit mentorschap is vastgesteld, voor zover belanghebbende onvoldoende draagkracht heeft om zelf in deze kosten te voorzien. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de forfaitaire tarieven zoals vastgesteld in de Ministeriële regeling ‘Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren’. Voor kosten die nog voor 1 januari 2015 zijn gemaakt, dienen de tarieven van het LOVCK nog toegepast te worden. In afwijking van het gestelde onder lid 2, bedraagt de bijzondere bijstand in het geval de kantonrechter een afwijkend bedrag aan noodzakelijke kosten heeft vastgesteld, het door de kantonrechter vastgestelde bedrag. De bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind wordt uitbetaald na het overleggen van: - de beschikking van de kantonrechter; - de factuur van de aangestelde mentor. Indien het tijdstip van benoeming van de bewindvoerder door de kantonrechter is ingegaan in de eerste helft van de maand, dan mag de bewindvoerder de beloning in rekening brengen ingaande de eerste dag van de maand. In dat geval kan het recht op bijstand ook – op zijn vroegst - ingaande de eerste dag van de maand toegekend worden. Indien het tijdstip van benoeming van de bewindvoerder door de kantonrechter is ingegaan in de tweede helft van de maand, dan mag de bewindvoerder de beloning in rekening brengen ingaande de 16e dag van de maand. In dat geval kan het recht op bijstand ook – op zijn vroegst – ingaande de 16e dag van de maand toegekend worden. Kosten Curatele Bijzondere bijstand voor de kosten van curatele kan worden verstrekt aan de belanghebbende, waarvan door de kantonrechter de noodzaak van deze curatele is vastgesteld, voor zover de kosten van curatele niet uit het onder bewind gestelde vermogen kan worden voldaan. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de forfaitaire tarieven zoals vastgesteld in de Ministeriële regeling ‘Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren’. Voor kosten die nog voor 1 januari 2015 zijn gemaakt, dienen de tarieven van het LOVCK nog toegepast te worden. In afwijking van het gestelde onder lid 2, bedraagt de bijzondere bijstand in het geval de kantonrechter een afwijkend bedrag aan noodzakelijke kosten heeft vastgesteld, het door de kantonrechter vastgestelde bedrag. De bijzondere bijstand voor de kosten van curatele wordt uitbetaald na het overleggen van: de beschikking van de kantonrechter; de factuur van de aangestelde curator. Indien het tijdstip van benoeming van de bewindvoerder door de kantonrechter is ingegaan in de eerste helft van de maand, dan mag de bewindvoerder de beloning in rekening brengen ingaande de eerste dag van de maand. In dat geval kan het recht op bijstand ook – op zijn vroegst - ingaande de eerste dag van de maand toegekend worden. Indien het tijdstip van benoeming van de bewindvoerder door de kantonrechter is ingegaan in de tweede helft van de maand, dan mag de bewindvoerder de beloning in rekening brengen ingaande de 16e dag van de maand. In dat geval kan het recht op bijstand ook – op zijn vroegst – ingaande de 16e dag van de maand toegekend worden. Kosten Budgetbeheer Het college beschouwt in het geval van budgetbeheer de dienstverlening die geboden wordt door de door de gemeente aangewezen schuldhulpverleningsinstantie als een passende voorliggende voorziening, waardoor bijzondere bijstand voor deze kosten niet mogelijk is. Kosten Rechtsbijstand De Wet op de rechtsbijstand (Wrb) is een aan de Participatiewet passende en toereikende voorliggende voorziening voor de kosten van rechtsbijstand (artikel 15 lid 1 Participatiewet), met uitzondering van de kosten van de eigen bijdrage en griffierechten. Een aanwezige rechtsbijstandverzekering wordt eveneens aangemerkt als een voorliggende voorziening voor de kosten van rechtsbijstand. De Wet griffierechten in burgerlijke zaken kent de mogelijkheid van een lager griffierecht voor onvermogen, welke regeling als een aan de Participatiewet voorliggende voorziening wordt aangemerkt. Voor de kosten van rechtsbijstand die niet vanuit de Wrb als noodzakelijk worden aangemerkt, kan op grond van artikel 15 Participatiewet geen bijzondere bijstand worden verleend, tenzij sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet. De noodzaak van de kosten van rechtsbijstand kan worden aangenomen, als de rechtsbijstand is verleend op grond van een Toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand. In afwijking van het gestelde onder lid 5 wordt er geen noodzaak voor bijzondere bijstand aangenomen in geval van een gerechtelijke procedure met betrekking tot de genoemde zaken in artikel 14 Participatiewet, met uitzondering van geleden lichamelijke schade. Het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand, strekt zich onder andere uit tot de volgende kosten: eigen bijdrage; griffierechten; kosten van uittreksels. Voor bijkomende kosten in een bestuursrechtelijke procedure (zoals bijvoorbeeld reiskosten voor het bijwonen van een zitting, kosten van uittreksels, kosten van een deskundige etc.) geldt bij herroeping van de uitspraak waartegen bezwaar is ingesteld, het Besluit Proceskosten Bestuursrecht als een passende en toereikende voorliggende voorziening, waardoor deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Indien de rechter in een procedure de wederpartij tot betaling van de proceskosten heeft veroordeeld, kan het college de eventueel verleende bijzondere bijstand voor deze kosten van belanghebbende terugvorderen, op grond van artikel 58 lid 2 sub f onderdeel 2 Participatiewet. Indien belanghebbende wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, dan is voor deze kosten bijzondere bijstand niet mogelijk (artikel 13 lid 1 sub g Participatiewet). De bijzondere bijstand wordt verstrekt om niet, ter hoogte van de daadwerkelijke kosten. Er wordt dus niet afgestemd op het niet benutten van de mogelijkheid tot het verkrijgen van een korting, door eerst naar het Juridisch Loket te gaan, alvorens doorverwezen te worden naar een advocaat. Kosten Babyuitzet De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Reservering voor deze kosten kan vanaf de 3e maand van de zwangerschap als redelijk worden beschouwd. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, kan van de hoofdregel in artikel 1 afgeweken worden. Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand en de hoogte hiervan, dient rekening gehouden te worden met eventueel nog aanwezige uitzet van eerdere kinderen. Indien er redelijkerwijs nog babyuitzet aanwezig had moeten zijn, maar er feitelijk niet meer is, dient een beoordeling van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid plaats te vinden. Het bedrag wat aan bijzondere bijstand kan worden verstrekt, bedraagt maximaal 70% van het bedrag wat in de Nibud-prijslijst voor een basispakket babyuitzet wordt aangehouden (tabel 18). De bijzondere bijstand voor babyuitzet wordt conform artikel 51 verstrekt in de vorm van een lening. Als er echter bijzondere omstandigheden zijn, waardoor het verstrekken van de bijstand in de vorm van een lening niet redelijk is, kan de bijstand om niet worden verstrekt. De kosten van aangepaste kleding voor de moeder behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, en komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Bijzondere bijstand levensonderhoud 18,19 en 20-jarigen Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van belanghebbende uitgaan boven de bijstandsnorm, én voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn, of de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht ten opzichte van zijn ouders niet te gelde kan maken. Bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Participatiewet wordt slechts dan verleend indien de jongere beschikt over zelfstandige huisvesting én zelfstandige huisvesting noodzakelijk is. Een noodzaak wordt aanwezig geacht indien: de belanghebbende ‘officieel’ uit huis is geplaatst; de belanghebbende al gedurende minimaal 12 maanden zelfstandig woont; de belanghebbende ouders heeft die in het buitenland wonen; de ouders van belanghebbende zijn overleden; er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de belanghebbende en zijn ouders. De aanvullende bijzondere bijstand bedraagt het verschil tussen de norm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder en de norm voor een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar. In geval van gehuwden die beide jonger zijn dan 21 jaar, wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de norm voor gehuwden waarvan één persoon jonger is dan 21 jaar. Is dit fair? Er wordt geen verhaal gepleegd op de ouders van jong meerderjarigen van 18 tot 21 jaar. Ouderbijdrage Jeugdwet Voor de kosten van de door het CAK vastgestelde ouderbijdrage voor uit huis geplaatste kinderen geldt de Algemene Kinderbijslag Wet (AKW) in principe als passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat de ouderbijdrage onderdeel uitmaakt van de onderhoudskosten voor het minderjarige kind. Indien belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.