lege van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van de wethouder Financiën, Bestuur, Organisatie en Volksgezondheid van 29 mei 2012, kenmerk: 954051; gelet op afdel
Artikel 125c
, tweede lid, met uitzondering van het stellen
Artikel 125c
, derde lid, met uitzondering van het stellen
Artikel 125d
Artikel 125h, tweede lid (Overige) wetten in formele zin Besluiten op grond van: De Wet flexibel werken De Wet arbeid en zorg De Wet op de ondernemingsraden De Wet van 2 december 1993 betreffende informatie van de werknemer over de arbeidsverhouding Overige bevoegdheden Gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)tijdens collectieve acties; Overplaatsing naar een andere functie binnen hetzelfde cluster; Terugvordering van te veel genoten salaris en salaristoelage(
- n)als bedoeld in artikel 115, eerste lid, van de Ambtenarenwet; Vergoeding van renteverlies; Vergoeding van kosten van rechtsbijstand; Vergoeding van materiële en immateriële schade tot ten hoogste € 9.100,- per schadegeval; Uitvoering van het Sociaal Statuut Rotterdam 2005, het Sociaal Statuut Rotterdam 2010 en het Sociaal Statuut Rotterdam 2013; Aanvragen voor internationale dienstreizen door ambtenaren, met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel f; Overplaatsing naar een functie binnen een cluster vanuit een ander cluster. Toelichting In de Regeling mandaat en volmacht P&O 2012 geeft het college aan voor welke van zijn bevoegdheden op P&O-gebied het aan de Algemeen Directeur en anderen mandaat dan wel volmacht verleent. Het besluit betreft dus alleen bevoegdheden van het college. Het college is niet bevoegd om mandaat of volmacht te verlenen ten aanzien van bevoegdheden van andere bestuursorganen binnen de gemeentelijke organisatie, zoals de raad, de deelgemeentebesturen en de besturen van de bestuurscommissies; hiertoe is een besluit van deze organen zelf vereist. De Regeling mandaat en volmacht P&O 2012 heeft hierdoor alleen betrekking op de takken van dienst die aan het college ondergeschikt zijn, en niet op andere organisatieonderdelen van de gemeente (zoals: de griffie, deelgemeenten en bestuurscommissies). De regeling heeft voorts alleen betrekking op bevoegdheden op het gebied van personeel en organisatie. Op de overige bevoegdheden van het college zijn het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2012 alsmede enige specifieke besluiten van toepassing. Voor zover bevoegdheden op het gebied van personeel en organisatie worden gemandateerd en gevolmacht, gebeurt dit alleen aan de Algemeen Directeur en aan Gemeentelijke Ombudsman en de directeur Rekenkamer Rotterdam. Met betrekking tot het mandaat van de Algemeen Directeur wordt opgemerkt dat het aan hem is om deze bevoegdheid verder onder te verdelen. Dit gebeurt in het Besluit ondermandaat en ondervolmacht P&O 2012. Met betrekking tot de Gemeentelijke Ombudsman en de directeur Rekenkamer Rotterdam is van belang dat deze functionarissen een bijzondere positie hebben: zij zijn zelf niet ondergeschikt aan het college en staan hiërarchisch niet onder de Algemeen Directeur, maar voor het aan hen ter beschikking gestelde personeel geldt dat wel. Nu wordt in artikel 5 buiten twijfel gesteld, dat de Gemeentelijke Ombudsman en de directeur van de Rekenkamer bevoegd zijn om namens het college rechtspositionele besluiten te nemen jegens het aan hen beschikbaar gestelde personeel. Met betrekking tot topkaderfunctionarissen wordt nog het volgende opgemerkt. Het eerste en tweede lid van artikel 4 bevatten een belangrijke uitzondering op het mandaat en de volmacht van de Algemeen Directeur. Hij is niet bevoegd om besluiten op grond van discretionaire bevoegdheden (dat zijn besluiten met een zekere beslissingsruimte) ten aanzien van zichzelf, concerndirecteuren of de algemeen directeur Rotterdamse Service Organisatie te nemen; hetzelfde geldt voor private rechtshandelingen. Voor dergelijke besluiten en rechtshandelingen is vanuit een oogpunt van integriteit een besluit van het college zelf vereist. Verder zondert het derde lid een aantal besluiten ten aanzien van andere topkaderfunctionarissen dan de Algemeen Directeur zelf, concerndirecteuren of de algemeen directeur Rotterdamse Service Organisatie uit van het mandaat en de volmacht. De reden voor deze uitzonderingen is, dat het college zelf wil sturen op de bezetting en belangrijkste arbeidsvoorwaarden van de ambtelijke top van het concern. Dit wordt als een concernaangelegenheid gezien.