Beleidskader Welzijn, Zorg en Maatschappelijke ondersteuning, Bladel 2008-2011 De raad van de gemeente Bladel; overwegende dat de gemeente op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning verplicht is iedere vier jaar een relevant beleidsplan vast te stellen; gezien het voorstel van de raadswerkgroep; Inleiding Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) moet de gemeente een beleidsplan met een looptijd van 4 jaar vaststellen. Voor u ligt het eerste beleidsplan welzijn, zorg en maatschappelijke ondersteuning. Gezien het maatschappelijke belang van het beleidsplan en de daaraan evenredige politieke belangstelling voor dit onderwerp heeft de gemeenteraad ervoor gekozen om bij de ontwikkeling van het beleidsplan zelf een actieve rol te vervullen. De gekozen werkvorm was die van de raadswerkgroep. In de werkgroep had elke raadsfractie met één vertegenwoordiger zitting. De werkgroep werd ondersteund door de raadsgriffier en een beleidsmedewerker welzijn. De wethouder welzijn trad op als adviseur van de werkgroep. De raadswerkgroep had als taak ten behoeve van de gemeenteraad het beleidsplan voor te bereiden. In toelichtingen op de Wmo worden de taken van de gemeente meestal gepresenteerd in negen prestatievelden. De gemeente moet beleid maken dat bijdraagt aan de in de prestatievelden genoemde prestaties. Het staat de gemeente vrij om zelf te bepalen hoe ze dat doet. Tot op heden was het belangrijkste beleidskader op het terrein van welzijn het Welzijnsplan 2007 –
- Op grond van de Wmo zijn we verplicht een nieuw beleidsplan op te stellen. Het welzijnsplan en het nieuwe beleidsplan gaan grotendeels over dezelfde beleidsterreinen maar dekken elkaar niet volledig. Omdat het niet wenselijk is dat er overlappende beleidsplannen naast elkaar blijven bestaan is ervoor gekozen om één beleidsplan op te stellen voor het brede welzijnsterrein. In dit beleidsplan zijn naast de bestaande welzijnstaken alle nieuwe Wmo-taken opgenomen. Omdat de indeling in negen prestatievelden niet het hele terrein van welzijn, zorg en maatschappelijke ondersteuning dekt is er gekozen voor een indeling in vier programma’s. Deze indeling dekt wel het hele terrein. Deze indeling sluit beter aan bij de situatie in de gemeente Bladel. De programma’s zijn: Sociale samenhang en leefbaarheid Jeugd en gezin Maatschappelijke participatie Preventie en opvang Deze programma’s omvatten meerdere beleidsonderdelen die allemaal een bijdrage kunnen leveren aan de negen prestatievelden van de Wmo. Het doel van deze ordening is dat de verschillende beleidsvelden in onderlinge samenhang met elkaar worden bezien waardoor het beter mogelijk wordt om samenhangend beleid uit te voeren. In hoofdstuk 1 komt de algemene inhoud van de Wmo aan de orde: wat zijn de achtergronden, uitgangspunten en doelstellingen van de wet. Daarna wordt aandacht besteed aan de gevolgen van de komst van de Wmo voor het huidige welzijnsbeleid in Bladel. In hoofdstuk 2 wordt stilgestaan bij maatschappelijke ondersteuning in Bladel. Wat verandert er door de Wmo, wat zijn onze visie, doelstelling en uitgangspunten voor beleid. De komst van de Wmo brengt ook een aantal procesverplichtingen met zich mee. Deze worden uiteengezet in hoofdstuk
- De gemeente moet de participatie van burgers en cliënten regelen en de resultaten van beleid meten door middel van prestatiegegevens, een tevredenheidsonderzoek en een jaarverslag. De verschillende rapportages maken duidelijk waar maatschappelijke ondersteuning goed gaat en waar het niet goed gaat. Als zodanig zijn het instrumenten voor de gemeenteraad en het college van B&W om sturing te geven aan maatschappelijke ondersteuning. Hierdoor kan de kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning worden bewaakt. In hoofdstuk 4 wordt voor elk van de vier programma’s beschreven wat de doelstellingen zijn en welke resultaten de gemeente wenst te behalen in de periode die het plan bestrijkt. In dit hoofdstuk worden ook aandachtpunten bij de herijking van beleid benoemd en de subdoelstellingen per beleidsonderdeel geformuleerd. In de bijlage is gedetailleerde informatie te vinden over de verschillende beleidsonderdelen die samen het brede terrein van welzijn, zorg en maatschappelijke ondersteuning vormen. In de bijlage wordt per onderdeel ingegaan op: bestaand beleid, nieuwe ontwikkelingen, kwalitatieve doelstellingen en voorgenomen activiteiten. Samenvatting Sinds 1 januari 2007 is de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) van kracht. De Wmo is in zijn oorspronkelijke opzet een brede participatiewet die tot doel heeft meedoen mogelijk te maken voor iedereen. De individuele verstrekkingen (rolstoelen, woningaanpassingen, hulp bij het huishouden) maken onderdeel uit van de Wmo. Mensen met een beperking kunnen rekenen op ondersteuning in hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Concreet moet ondersteuning van burgers met een beperking door de gemeente deze burgers in staat stellen om: een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Het mee laten doen van burgers is dat wat de gemeente Bladel voor ogen heeft. De gemeente Bladel stelt zich ten doel een zo goed en breed mogelijk pakket van ondersteuning en zorg aan de burger aan te bieden waarbij er een goede balans zal zijn tussen eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van de burger en verantwoordelijkheid van de overheid. De gemeente Bladel heeft in oktober 2006 een nieuw welzijnsplan vastgesteld. Dit plan heeft een looptijd van 2007 tot en met
- Op grond van de Wmo zijn we ook verplicht een beleidsplan op te stellen. Het welzijnsplan en het Wmo beleidsplan gaan grotendeels over dezelfde beleidsterreinen maar dekken elkaar niet volledig. Het is niet wenselijk dat beide plannen naast elkaar blijven bestaan. Uiteindelijk moet er één beleidsplan komen voor het brede welzijnsterrein waarin alle nieuwe Wmo-taken zijn opgenomen en dat voldoet aan de eisen die de Wmo stelt. Voorgesteld wordt om een beleidsplan te maken dat wat breder is dan de negen prestatievelden van de Wmo. Ook wonen, onderwijs en gezondheid moeten of kunnen onderdeel zijn van dit plan. Deze beleidsvelden hebben veel met de Wmo te maken, en daarom is het zinvol ze er van het begin af aan bij te betrekken. Wij stellen voor om te kiezen voor een onderverdeling die logischer en meer werkbaar is dan de indeling in prestatievelden. We kunnen zo 4 programma’s onderscheiden: Sociale samenhang en leefbaarheid Jeugd en gezin Maatschappelijke participatie Preventie en opvang Deze programma’s omvatten meerdere beleidsonderdelen die allemaal een bijdrage kunnen leveren aan de negen prestatievelden van de Wmo. Sociale samenhang en leefbaarheid Hier gaat het om voorzieningen die bij kunnen dragen aan sociale samenhang en leefbaarheid: sport, recreatie, scholen, gemeenschapshuizen, bibliotheken, verenigingen etc. Ook de gebouwde omgeving (huizen, en de inrichting van de woonomgeving) en de aanwezigheid van gebouwelijke voorzieningen vormen randvoorwaarden om goed samen te kunnen leven in de wijk. De Wmo gaat ook uit van eigen verantwoordelijkheid van burgers en de maatschappelijke netwerken waarvan zij deel uitmaken. Vanuit dit perspectief dienen de onderdelen van dit programma te worden herijkt. Wanneer mensen voor elkaar en hun omgeving zorgen, hoeven zij minder snel een beroep te doen op individuele voorzieningen en de ondersteuning en zorg die wordt geboden door de gemeente en professionele zorg- en welzijnsorganisaties. Het is ook mede een taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat burgers die verantwoordelijkheid kunnen nemen. Aandachtpunten bij de herijking van beleid zijn: Betrokkenheid Een samenhangend voorzieningenaanbod op het gebied van wonen, zorg en welzijn Eenzaamheid/sociaal isolement voorkomen Kleinschalige buurtprojecten op maat Meer inzet burgers voor een schone, leefbare en veilige wijk Armoedebeleid Doelstelling op programmaniveau: Een woon- en leefomgeving waar inwoners zich zo zelfstandig en veilig mogelijk kunnen verplaatsen, en waar zij gebruik kunnen maken van letterlijk en figuurlijk laagdrempelige voorzieningen en faciliteiten. Op deze manier kan de gemeente de inwoners daadwerkelijk laten meedoen in de samenleving. Ten opzichte van de bestaande situatie willen we in 2011 bereiken dat: mensen in kernen en buurten actiever betrokken zijn bij elkaar; inwoners en organisaties actiever betrokken zijn bij hun woon- en leefomgeving; inwoners hun kernen en buurten als schoon, veilig en leefbaar ervaren; algemene voorzieningen en infrastructuur voor zoveel mogelijk mensen bereikbaar, veilig, toegankelijk, betaalbaar en passend zijn; instellingen de vraag van buurtbewoners met een “oplossing op maat” beantwoorden in plaats van met een algemeen aanbod; aanwezige voorzieningen aansluiten bij de behoeften, activiteiten en leefpatronen van de inwoners; integratiebeleid is gericht op ondersteuning en facilitering van nieuwkomers in de gemeente; het huisvestingsbeleid inspeelt op behoeften van inwoners (inclusief die met een beperking), zodat er een gedifferentieerd aanbod aan huisvesting is, dat keuze biedt. het voorzieningenaanbod wordt gehandhaafd op het huidige peil en dat daar waar mogelijkheden en kansen liggen deze worden benut (good practice). Jeugd en gezin Als gemeente willen we werken aan een toekomst waarin burgers zoveel mogelijk zelfstandig en zelfredzaam zijn en hun verantwoordelijkheid nemen in de samenleving. Jonge burgers kunnen daar niet vroeg genoeg mee geconfronteerd en in begeleid worden. We richten ons dus niet alleen op jeugd en gezinnen met een verhoogd risico of problemen, maar op alle jeugd en gezinnen. Dit is overigens niet iets dat we nu, met de introductie van de Wmo, voor het eerst doen. We doen dit al jaren via het integrale jeugdbeleid en onder die noemer zullen we dat ook blijven doen, alleen zullen we op onderdelen de verbinding met de filosofie achter de Wmo nadrukkelijker gaan leggen. Aandachtspunten bij de herijking van beleid zijn: Vroege signalering van problemen Coördinatie van zorg op lokaal niveau Weten waar je moet zijn met opvoedingsvragen Gezondheidsproblemen bij kinderen en jongeren Sport en vrije tijd Doelstelling op programmaniveau: Een gemeente waar kinderen, jongeren en hun ouders/verzorgers binnen en buiten de gezinssituatie ondersteund worden om met belemmeringen in hun persoonlijke situatie om te gaan op een manier die voor henzelf en hun omgeving adequaat en veilig is. Een gemeente waar de kinderen en jongeren de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen, gebruik makend van eigen talenten en capaciteiten. Een gemeente waar jongeren gebruik kunnen maken van letterlijk en figuurlijk laagdrempelige voorzieningen en faciliteiten. Ten opzichte van de bestaande situatie willen we in 2011 bereiken dat: de jeugd gebruik maakt van de mogelijkheden die de samenleving te bieden heeft om hun eigen kracht te ontwikkelen en te versterken; we jeugd en jongeren vroeg bewust maken van het feit dat ze deel uit maken van de samenleving en daar mede verantwoordelijk voor zijn; ouders en gezinnen goed toegerust zijn voor hun verantwoordelijke opvoedingstaak; de gemeentelijke taken op het terrein van de preventieve jeugdzorg zodanig zijn ontwikkeld dat jongeren waarmee iets dreigt mis te gaan vroeg in beeld komen zodat grotere problemen kunnen worden voorkomen; voorzieningen en ontmoetingsplekken voor jongeren aanwezig, betaalbaar, veilig en toegankelijk zijn en voorzien in de behoefte van deze doelgroep; jongeren worden betrokken bij beleidsvorming; zorg, onderwijs, hulpverlening en jongerenwerk binnen de gemeente aantoonbaar op elkaar is afgestemd; het voorzieningenniveau op peil wordt gehouden en daar waar mogelijk wordt aangepast en uitgebreid. Maatschappelijke participatie Dit programma heeft de meest directe relatie met de Wmo en betreft de taak die de gemeente heeft om burgers die niet op eigen kracht mee kunnen doen hierbij te ondersteunen. Aandachtspunten bij de herijking van beleid zijn: Het compensatiebeginsel Balans en samenhang tussen algemene en individuele voorzieningen Ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers in de zorg Doelstelling op programmaniveau: Burgers door middel van individuele voorzieningen (hulpmiddelen en diensten) zodanig ondersteunen zodat het mogelijk is om een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel, medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Ten opzichte van de bestaande situatie willen we in 2011 bereiken dat: dat burgers van Bladel met hun hulp- en zorgvragen terecht kunnen in een kwalitatief hoogwaardig loket, waarin ketenpartners en de gemeente efficiënt en effectief samen werken. algemene en individuele voorzieningen snel en eenvoudig kunnen worden verstrekt aan burgers die daar recht op hebben; er een zodanig aanbod van samenhangende algemene voorzieningen is zodat meedoen maximaal wordt bevorderd en het gebruik van individuele voorzieningen beheersbaar blijft; er zoveel mogelijk mensen bereid zijn vrijwilligerswerk te doen; mantelzorgers en vrijwilligers zich gewaardeerd en gesteund weten in hun belangrijke werk; er sprake is van een kwalitatief goede invulling van het compensatiebeginsel voor mantelzorgers en zorgvragers, alsmede preventieve ondersteuning van mantelzorgers en zorgvragers. mantelzorgers deze ondersteuning ook weten te vinden; mensen zolang als mogelijk “gewoon” in hun wijk of kern kunnen blijven wonen, ook als daar ondersteuning of zorg voor nodig is; voorzieningen en hulpmiddelen bijdragen aan het zelforganiserend vermogen van de burger; mantelzorgers en vrijwilligers daar ondersteund worden waar het nodig is om hun werk als vrijwilliger of mantelzorger te kunnen blijven voortzetten; maatschappelijke ondersteuning integraal wordt benaderd (budgetten bundelen, samenwerkingsverbanden stimuleren, investeren in beleidsmedewerkers); Preventie en opvang Het maatschappelijke doel van de Wmo is meedoen. Deelname van álle burgers aan álle facetten van de samenleving, al of niet geholpen door vrienden, familie of bekenden. En als meedoen dreigt te worden belemmerd of niet meer kan, is er ondersteuning van de gemeente door middel van preventie en opvang. De wet die de taken van de gemeente met betrekking tot preventie van gezondheidsproblemen regelt is de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv). In algemene zin kunnen preventie van gezondheidsproblemen, het doel van de Wcpv, en maatschappelijke participatie, de belangrijkste doelstelling van de Wmo, elkaar versterken. Gemeenten fungeren als vangnet voor groepen die op een of andere wijze buiten de boot dreigen te vallen: zorgmijders, slachtoffers van vervuiling, verwaarlozing of mishandeling; verslaafden, dak- en thuislozen en illegalen. Deze taak maakt deel uit van de Openbare geestelijke gezondheidszorg (Oggz). Vanwege de relatie met maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang, een prestatieveld in de Wmo, is de Oggz overgeheveld van de Wcpv naar de Wmo. Aandachtspunten bij de herijking van beleid zijn: Regionale samenwerking en afstemming De vraag in beeld Hiaten en knelpunten in het aanbod Doelstelling op programmaniveau: Door preventie bijdragen aan de psychische en lichamelijke gezondheid van burgers omdat gezonde mensen beter in staat zijn om volwaardig aan de maatschappij deel te nemen. Daar waar door psychische of sociale problemen maatschappelijke deelname niet meer mogelijk is zorgen voor een vangnet om verslechtering te voorkomen. Ten opzichte van de bestaande situatie willen we in 2011 bereiken dat: meer mensen gezonder leven door verantwoord te eten, meer te bewegen, minder alcohol te drinken en minder te roken; mensen zich meer bewust zijn van hetgeen ze zelf kunnen doen om langer gezond te leven; het voorkomen in plaats van genezen de boventoon voert; het brede veld van partners in dit terrein elkaar beter weet te vinden en in goede samenwerking ontwikkelingen en uitdagingen, zoals de vermaatschappelijking van de zorg en vergrijzing, het hoofd kunnen bieden; Aanpak en werkwijze Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning van kracht geworden. Om te komen tot een zorgvuldige implementatie hebben de vijf Kempengemeenten samengewerkt om de Wmo op een aantal onderdelen gezamenlijk in te voeren. De belangrijkste producten van deze samenwerking zijn: Kadernotitie Wet maatschappelijke ondersteuning in de Kempen Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bladel 2007 Deelnotitie Hulp in het huishouden Deelnotitie Financiën Beleidsregels individuele voorzieningen WMO Besluit Maatschappelijke Ondersteuning Deelnotitie Participatie Deelnotitie ondersteuning mantelzorg en vrijwilligers Deze stukken vormen de kaders en randvoorwaarden voor dit beleidsplan. Gezien het maatschappelijke belang van het beleidsplan en de daaraan ook evenredige politieke belangstelling voor dit onderwerp, wilde de gemeenteraad bij de ontwikkeling van het beleidsplan zelf een actieve rol vervullen. Voor de ontwikkeling van het beleidskader welzijn, zorg en maatschappelijke ondersteuning is een raadswerkgroep ingesteld. De raadswerkgroep had tot taak om een ontwerp beleidsplan ten behoeve van de gemeenteraad op te stellen. In de gemeente wordt op verschillende momenten en op verschillende niveaus beleid ontwikkeld. Zo zijn daar het raadsprogramma, het collegeprogramma, de programmabegroting en inhoudelijke beleidsplannen op de vele terreinen waar de gemeente verantwoordelijkheid voor draagt. Deze verschillende beleidsplannen kennen veelal een eigen dynamiek en cyclus. Sommige plannen worden jaarlijks aangepast, andere plannen worden eens in de vier jaar herzien en er zijn ook plannen die geen vaste herzieningstermijn kennen. Aan de deze veelheid van plannen wordt nu naar aanleiding van de Wmo het Beleidskader Welzijn, Zorg en Maatschappelijke ondersteuning toegevoegd. Dit is een kaderstellend plan dat elke vier jaren moet worden herzien en vastgesteld. De uitdaging waar het bestuur en het management van de gemeente Bladel voor staan is om de visie, uitgangspunten en doelstellingen die in dit plan worden geformuleerd een plek te geven in de reeds bestaande plannen. Door middel van een jaarlijks tevredenheidsonderzoek en een jaarverslag wordt gemeten in hoerverre en op welke wijze gestelde beleidsdoelen worden gerealiseerd. Hoofdstuk 1 Focus op maatschappelijke ondersteuning 1.1 Welzijnsbeleid en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning Sinds 1 januari 2007 is de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) van kracht. De invoering van de Wmo is onderdeel van een bredere herziening van het zorgstelsel. Het centrale themain de Wmo is de zelfredzaamheid van mensen bevorderen en ondersteuning te bieden daar waar dit niet goed lukt, waarbij de nadruk wordt gelegd op de eigen verantwoordelijkheid. De Wet geeft gemeenten een sturende en regisserende rol om maatschappelijke ondersteuning te stimuleren en faciliteren. De Wmo is een kaderwet waarin een aantal oude wetten is opgegaan: de Welzijnswet de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), delen van de Awbz, diverse specifieke subsidieregelingen. De Wmo is in zijn oorspronkelijk opzet een brede participatiewet die tot doel heeft meedoen mogelijk te maken voor iedereen. De individuele verstrekkingen (rolstoelen, woningaanpassingen, hulp bij het huishouden) maken onderdeel uit van de Wmo. Mensen met een beperking kunnen rekenen op ondersteuning in hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Gemeenten krijgen de vrijheid om te kijken welke voorzieningen zij daarvoor inzetten. Het beoogde resultaat ligt dus vast (zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie), de weg ernaar toe (de voorziening) is nader te bepalen op grond van het beleid dat de gemeente voert. Bij het vaststellen welke voorzieningen adequaat zijn om zo gewoon mogelijk mee te doen, moet de gemeente rekening houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de financiële mogelijkheden die iemand heeft om zelf in maatregelen te voorzien. Concreet moet ondersteuning van burgers met een beperking door de gemeente deze burgers in staat stellen om: a. een huishouden te voeren; b. zich te verplaatsen in en om de woning; c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Soms wordt de indruk gewekt dat wat de Wmo brengt nieuw en anders is. Dit is ten dele waar. De Wmo is immers een kaderwet waarin in aantal oude wetten is opgegaan. Op basis van die wetten werd er al beleid ontwikkeld en dat blijven we onder de Wmo ook doen. Het is wel zo dat de Wmo een aantal uitgangspunten heeft die niet eerder zo expliciet werden genoemd: Minder overheidsregels Betrokkenheid van burgers bij beleidsvorming Grote eigen verantwoordelijkheid van burgers en civil society Overheidsverantwoordelijkheid primair bij gemeenten Maatschappelijke participatie voor mensen met beperkingen Goede zorg voor mensen met beperkingen Gewoon waar het kan en speciaal waar dat moet Betaalbaarheid van de Awbz Mede op basis van de uitgangspunten zijn voor de Wmo de volgende doelstellingen geformuleerd: De Wmo schept een omgeving en het reikt instrumenten en voorzieningen aan die ervoor zorgen dat mensen aan de samenleving kunnen (blijven) deelnemen en die hun zelfredzaamheid herstellen of bevorderen. De Wmo bevordert de eigen verantwoordelijkheid van de burger en de netwerken waarvan hij of zij deel uitmaakt (civil society). Deze twee doelstellingen zijn het wezenlijk nieuwe dat de Wmo brengt: de nadrukkelijke aandacht voor maatschappelijke participatie en eigen verantwoordelijkheid. Dit zijn dan ook de twee elementen waar door de gemeenteraad bij kaderstelling aandacht aan moet worden besteed. 1.2 Heroriëntatie welzijnsbeleid: focus op maatschappelijke ondersteuning Van het welzijnsplan naar 4 programma’s De Wmo kent een onderverdeling in negen prestatievelden. De gemeente moet beleid uitvoeren dat bijdraagt aan de in de prestatievelden genoemde prestaties. Deels is dit beleid reeds gemaakt en deels moet dit nog gemaakt worden. Dit is met ingang van 1 januari 2008 verplicht. De gemeente Bladel heeft in oktober 2006 een nieuw welzijnsplan vastgesteld. Dit plan heeft een looptijd van 2007 tot en met
- In het welzijnsplan worden de volgende beleidsonderdelen beschreven: sport recreatieve welzijnsvoorzieningen gemeenschaps- en dorpshuizen openbare bibliotheken cultuurbeleid vormings- en ontwikkelingswerk: muzikale en kunstzinnige vorming vormings- en ontwikkelingswerk: maatschappelijke vorming jeugd- en jongerenwerk (preventieve) jeugdzorg kinderopvang en peuterspeelzaalwerk jeugdgezondheidszorg ouderen, chronisch zieken en gehandicapten/wonen zorg welzijn maatschappelijk werk vrijwilligersbeleid gezondheidsbeleid Op grond van de Wmo zijn we tevens verplicht een beleidsplan op te stellen. Het welzijnsplan en het Wmo beleidsplan gaan grotendeels over dezelfde beleidsterreinen maar dekken elkaar niet volledig. Het is niet wenselijk dat beide plannen naast elkaar blijven bestaan. Uiteindelijk moet er één beleidsplan komen voor het brede welzijnsterrein waarin alle nieuwe Wmo-taken zijn opgenomen en dat voldoet aan de eisen die de Wmo stelt. Voorgesteld wordt om een beleidsplan te maken dat wat breder is dan de negen prestatievelden van de Wmo. Ook wonen, onderwijs en gezondheid moeten of kunnen onderdeel zijn van dit plan. Deze beleidsvelden hebben veel met de Wmo te maken, en daarom is het zinvol ze er van het begin af aan bij te betrekken. Wij stellen voor om te kiezen voor een onderverdeling die logischer en meer werkbaar is dan de indeling in prestatievelden. We kunnen zo 4 programma’s onderscheiden: Sociale samenhang en leefbaarheid Jeugd en gezin Maatschappelijke participatie Preventie en opvang Deze programma’s omvatten meerdere beleidsonderdelen die allemaal een bijdrage kunnen leveren aan de negen prestatievelden van de Wmo. Het doel van deze ordening moet zijn dat, zeker op termijn, de verschillende beleidsvelden en onderdelen meer in onderlinge samenhang met elkaar worden bezien en telkens de vraag wordt gesteld hoe de verschillende onderdelen gezamenlijk kunnen bijdragen aan de filosofie en doelstellingen van de Wmo. Het streven zal dan zijn om het bestaande welzijnsplan zo om te vormen en indien nodig aan te passen dat bestaande kaders en beleidslijnen worden gehandhaafd en dat tevens wordt voldaan aan de eisen die de Wmo aan het beleidsplan stelt. De indeling van het brede welzijnsbeleid ziet er dan als volgt uit: Programma Tot dit programma behoren de beleidsonderdelen: De beleidsonderdelen leveren een bijdrage aan de prestatievelden: Sociale samenhang en leefbaarheid -sport -recreatieve welzijnsvoorzieningen -gemeenschaps- en dorpshuizen -openbare bibliotheken -cultuurbeleid -vormings- en ontwikkelingswerk: muzikale en kunstzinnige vorming -vormings- en ontwikkelingswerk: maatschappelijke vorming -vluchtelingen en allochtonenbeleid -onderwijs 1.Bevorderen van sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten Jeugd en gezin -jeugd- en jongerenwerk -(preventieve) jeugdzorg -kinderopvang en peuterspeelzaalwerk -jeugdgezondheidszorg 2.Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en ouders met problemen met opvoeden; Maatschappelijke participatie -ouderen, chronisch zieken en gehandicapten/wonen zorg welzijn -maatschappelijk werk -vrijwilligersbeleid -Individuele WMO voorzieningen en het zorgloket 3.Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning; 4.Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers; 5.Bevorderen van deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem; 6.Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem t.b.v. behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer; Preventie en opvang -Lokaal gezondheidsbeleid 7.Het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang; 8.Het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen; 9.Het bevorderen van verslavingsbeleid. Hoofdstuk 2 Visie op maatschappelijke ondersteuning 2.1 Wat verandert er door de Wmo De komst van de Wmo heeft voor de gemeente niet geleid tot een sterke toename van wettelijke verplichtingen en nieuwe taken: alle negen prestatievelden behoorden al deels of geheel tot het gemeentelijke domein. Voor dit gemeentelijke domein gelden wel nieuwe procesverplichtingen. Hieraan wordt in hoofdstuk drie meer aandacht besteed. De toename in verantwoordelijkheden voor de gemeente concentreren zich vooral op drie prestatievelden (en daarmee ook op het programma Maatschappelijke participatie): het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning; het ondersteunen van vrijwilligers en mantelzorgers (inclusief de ondersteuning bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen uitvoeren). Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem t.b.v. behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer. De grootste verandering door de Wmo zit niet zozeer in de toename van wettelijke verplichtingen en taken maar die zit meer in de wijze waarop er naar het gemeentelijke welzijnsbeleid wordt gekeken en de wijze waarop verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen de lokale overheid en burgers. Met de komst van de Wmo is integrale maatschappelijke ondersteuning de focus van het gemeentelijke welzijnsbeleid geworden met als doel deelname aan de maatschappij door iedereen. Verantwoordelijkheden worden gehorizontaliseerd. De kern van de verandering die met de Wmo wordt beoogd is: “mee laten doen”. De rol van de gemeentelijke overheid verschuift van verstrekkend, controlerend, bepalend en organiserend naar faciliterend en regisserend. Dit maakt de Wmo vernieuwend en hier liggen nieuwe kansen. Gemeenten dragen de beleidsverantwoordelijkheid voor de lokale invulling van de Wmo. Bij de invulling van beleid moeten burgers vooraf worden betrokken en ook de verantwoording over het gevoerde beleid moet aan de burger worden afgelegd. Van de burger wordt verwacht dat deze zelf de verantwoordelijkheid neemt en draagt voor het eigen meedoen aan de maatschappij. Om de horizontalisering van verantwoordelijkheden mogelijk te maken wordt de positie van de burger op verschillende manieren versterkt. De stem van de burger speelt een belangrijke rol bij de beleidsvorming, bij het ontvangen van zorg en bij de verantwoording achteraf. Bij de beleidsontwikkeling moeten de verschillende cliëntgroepen worden betrokken (burger- en cliëntparticipatie). Wanneer burgers zorg ontvangen kunnen zij via klachtenregelingen (Wet klachtrecht cliënten zorgsector) eventuele problemen aankaarten. Verder kunnen burgers hun mening uiten in het jaarlijkse tevredenheidsonderzoek dat de gemeente moet houden. Tot slot legt de gemeente door middel van een jaarverslag verantwoording aan de burger af over het gevoerde beleid. 2.2 Visie Het mee laten doen van burgers is dat wat de gemeente Bladel voor ogen heeft. Dit moet worden gerealiseerd door te opereren als een zorgzame gemeente die verantwoordelijkheid van burgers voor het eigen welzijn en dat van medeburgers bevordert. Daarnaast is er zorg voor diegenen die te kwetsbaar zijn om zorg voor zichzelf te bewerkstelligen. De rol van de gemeente is ondersteunend, voorwaardenscheppend en regisserend. Randvoorwaarden hierbij zijn: bevordering van maatschappelijke participatie in een individualiserende samenleving, waarborging door de rijksoverheid en de gemeenten van voldoende middelen voor de groep kwetsbare burgers, en kwalitatieve waarborging van de brede leefomgeving en concrete maatregelen tot bevordering van integrale toegankelijkheid. Elke behoefte aan voorzieningen wordt dan ook getoetst aan de vraag 'Wat draagt deze voorziening bij aan het zelforganiserend vermogen van mijn inwoners in relatie tot de leefomgeving?' De gemeente Bladel investeert in maatschappelijke dynamiek om optimaal tegemoet te komen aan de eigen verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van de burgers. 2.3 Doelstelling De gemeente Bladel stelt zich ten doel een zo goed en breed mogelijk pakket van ondersteuning en zorg aan de burger aan te bieden waarbij er een goede balans zal zijn tussen eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van de burger en verantwoordelijkheid van de overheid. 2.4 Uitgangspunten voor beleid Voor het brede welzijnsbeleid (inclusief de Wmo) moeten beleidsuitgangspunten worden gehanteerd. Hieronder zijn de beleidsuitgangspunten opgesomd zoals deze zijn vastgelegd in de door de gemeenteraad vastgestelde kadernotitie Wet Maatschappelijke Ondersteuning in de Kempen (februari 2006). Deze uitgangspunten geven richting aan de wijze waarop beleid moet worden ingevuld en zijn als zodanig kaderstellend. -Versterking van de gemeenschap Het voorwaardenscheppende beleid is gericht op versterking van de gemeenschap en van de sociale samenhang. Algemene voorzieningen voor iedereen mogen niet lijden onder de specifieke voorzieningen en verstrekkingen voor zorgbehoevenden. -Preventie Het doel van de Wmo is dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen deelnemen aan de samenleving. Middels preventief beleid waar dat mogelijk is kunnen factoren die kunnen leiden tot maatschappelijke uitval worden beïnvloed. Het beleid kan in verschillende opzichten preventief werken, bijvoorbeeld: Aanpasbaar en levensloopbestendig bouwen voorkomt kostbare woningaanpassingen in een later stadium. Versteviging van de sociale samenhang, met name binnen wijk en buurt, voorkomt sociaal isolement van mensen. Gezondheidsvoorlichting en het stimuleren van breedtesport bevorderen het welbevinden en de gezondheid -Meedoen De gemeenten streven beleid na dat gericht is op het zoveel mogelijk wegnemen van fysieke, sociale, geestelijke en financiële beperkingen voor mensen met een ziekte, handicap of zorgbehoefte, zodat zelfstandige deelname aan de samenleving realiseerbaar is. Deelnemen aan de samenleving betekent een bijdrage leveren aan de samenleving in de zin van werk, winkelen of sporten, meedoen aan sociale, culturele of maatschappelijke activiteiten. -De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten De gemeenten geven ondersteuning aan die mensen die het zelf financieel niet op kunnen brengen om de benodigde zorg zelf te betalen. Door een inkomensafhankelijke eigen bijdrage bij individuele voorzieningen te hanteren dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten. -Eigen verantwoordelijkheid van de burger Er is een balans nodig tussen de eigen verantwoordelijkheid en civil society enerzijds, en de ondersteuning die de lokale overheid kan bieden anderzijds. Veel zorg wordt verleend door mantelzorgers. Voor een goede balans is aandacht voor dan wel ondersteuning van mantelzorgers van belang. -Gelijkheid van burgers in de Kempen De implementatie van maatschappelijke ondersteuning moet zodanig worden gerealiseerd dat er zoveel mogelijk gelijkheid voor de burger in de Kempen is en waarbij de voordelen van samenwerking zo volledig mogelijk gewaarborgd worden. Om het proces te kunnen sturen en beheersen moet tevens een aantal meer instrumentele uitgangspunten worden vastgesteld: -Houdbaar, dus sober en doeltreffend Het financiële risico van de uitvoering van de Wmo komt bij de gemeenten. Een sober en doelmatig geformuleerd beleid waarborgt dat het beleid ook op lange termijn financieel uitvoerbaar blijft. Dit is ook bij de herijking van beleid en vormgeving van de uitvoeringsorganisatie een belangrijk aandachtspunt. -Vraaggericht Bij de ondersteuning moet de zorgbehoevende burger een zekere vrijheid hebben bij de keuze voor de vorm van die ondersteuning: zorg in natura, een persoonsgebonden budget bij dienstverlening of een financiële tegemoetkoming bij een materiële verstrekking. Bij vraagsturing hoort een bestuurlijke afweging van de vraag waaraan wij willen voldoen en waaraan niet. Helder beleid is daarom onontbeerlijk om vraagsturing binnen de juiste kaders en met realistische verwachtingen van de vragende burger mogelijk te maken. Hoofdstuk 3 Procesverplichtingen 3.1 Burger- en cliëntparticipatie Met de komst van de Wmo, heeft participatie een nog belangrijkere rol gekregen in het beleidsproces. In de Wmo gaat het om meedoen, meedoen aan de samenleving, maar ook meedoen bij de beleidsvorming en uitvoering. Wanneer er in de Wmo wordt gesproken over participatie, gaat het in eerste instantie om cliënt- en burgerparticipatie. Hierbij gaat het niet alleen om belangenbehartiging maar ook om betrokkenheid van inwoners, belanghebbenden en aanbieders bij een bredere visie op maatschappelijke ondersteuning. Participatie is daarmee meer dan het inventariseren wat inwoners en cliënten willen. De Wmo bevat in artikel 11 en 12 bepalingen over het betrekken van burgers en belanghebbenden bij de beleidsvoorbereiding en uitvoering van de Wmo. Deze verplichtingen zijn: inspraak op de plannen conform de gemeentelijke inspraakverordening personen en organisaties gelegenheid geven om zelf beleidsvoorstellen te doen. informatie verschaffen voor inspraak en het doen van beleidsvoorstellen zich bij beleidsvoorbereiding vergewissen van belangen en behoeften van ingezetenen die deze niet goed kenbaar kunnen maken. Voor vaststelling door de gemeenteraad advies vragen aan gezamenlijke vertegenwoordigers van representatieve organisaties van vragers van maatschappelijke ondersteuning. motivering in beleidsplan van het college de weging van door personen en organisaties gedane beleidsvoorstellen jaarlijks klanttevredenheidsonderzoek Gezien het bovenstaande heeft het college dus de verplichting om, in ieder geval, de betrokkenen en belanghebbenden te betrekken bij de voorbereiding van beleid. Vervolgens voordat het beleid door de gemeenteraad kan worden vastgesteld, wordt het ter advisering voorgelegd aan vertegenwoordigers van representatieve organisaties van de vragers. Voorgesteld wordt om de participatie in de gemeente Bladel vorm te geven door middel van de instelling van 2 organen, de Clientenraad ISD De Kempen en het Platform Ondersteuning en Participatie. Hieronder volgt een korte beschrijving van de verschillende organen. Naast deze ‘nieuwe’ organen zullen de bestaande organisaties de mogelijkheid blijven krijgen om hun specifieke belangen naar voren te brengen en zij zullen dan ook voorafgaand aan besluitvorming om advies/commentaar worden gevraagd. Cliëntenraad ISD De Kempen De participatie van vragers van individuele voorzieningen wordt ondergebracht in een cliëntenraad ISD De Kempen. Deze cliëntenraad wordt een regionale raad, voor de 5 Kempengemeenten die samenwerken binnen de ISD. Hierin zijn zowel cliënten, of hun belangenbehartigers, van de individuele Wmo-voorzieningen als cliënten WWB vertegenwoordigd . Met het instellen van een cliëntenraad is de participatie op prestatieveld 6 van de Wmo gewaarborgd. De cliëntenraad ISD zal vanuit de ISD De Kempen worden opgezet. Platform Ondersteuning en Participatie (POP) Naast de cliëntenraad ISD De Kempen zal voor de burgerparticipatie op de andere onderdelen van de Wmo een lokaal Wmo-platform worden opgericht. Dit Wmo-platform zal vanuit de bestaande overleg- en participatiestructuren worden opgebouwd, en advies uitbrengen op de verschillende prestatievelden van de Wmo. Het platform is alert op ontwikkelingen en knelpunten binnen de prestatievelden en geeft de signalen door aan de gemeente. Het platform polst, informeert en oriënteert zich actief op belemmeringen die ervaren worden in de Bladelse samenleving waar het maatschappelijke participatie betreft. Als basis kan de in Bladel goed functionerende cliëntenraad sociale zaken worden genomen aangevuld met organisaties die lokaal/regionaal actief zijn op het brede terrein van de WMO. Met het instellen van een lokaal Wmo-platform wordt invulling gegeven aan de wettelijke verplichting voor het betrekken van vragers van maatschappelijke ondersteuning. Om de nieuwe start te markeren is het goed om te kiezen voor een nieuwe naam. Daarmee wordt tevens recht gedaan aan de totale doelstelling van de WMO. 3.2 Prestatiegegevens, tevredenheidsonderzoek en jaarverslag Prestatiegegevens Om na te kunnen gaan of beleidsdoelen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd is onderzoek en monitoring nodig. Om te kunnen monitoren zijn prestatiegegevens nodig. Nagaan of beleidsdoelen ook gerealiseerd worden vraagt om onderzoek en monitoring. Dit is niet gemakkelijk. Daarom is het belangrijk al bij de formulering van het beleid aan te geven op basis van welke prestatiegegevens de voortgang en resultaten worden beoordeeld. Concrete formulering van doelen maakt resultaten (beter) meetbaar. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Wmo-beleid is vaak voorwaarden scheppend, het resultaat is afhankelijk van een ingewikkeld samenspel van factoren. Zijn de middelen juistingezet en zijn de juiste middelen ingezet? Prestatie-indicatoren die het eerste meten zijn eenvoudig, het tweede is lastiger. Je kunt bijvoorbeeld vaststellen of middelen volgens afspraak zijn ingezet, of voldoende leden van de doelgroep bereikt zijn en of het aanbod aan de wensen van de doelgroep voldoet. Maar dit houdt niet automatisch een garantie in dat de doelgroep daardoor ook meer is gaan participeren of zelfredzamer is geworden. Bovendien vergen duurzame en structurele verbeteringen tijd - een jaar kan dan te kort zijn om veranderingen zichtbaar te maken. Voorgesteld wordt om aan de hand van prestatiegegevens te bepalen of middelen juist zijn ingezet, het jaarverslag en het tevredenheidsonderzoek moeten dan een indruk geven of de juiste middelen zijn ingezet. Op grond van artikel 9 lid 1b van de Wmo moeten gemeenten bepaalde prestatiegegevens over de maatschappelijke ondersteuning in het voorgaande kalenderjaar registreren en publiceren. Deze gegevens zijn vastgelegd in de Regeling maatschappelijke ondersteuning en uitgewerkt in een overzichtelijke vragenlijst. Er zijn grote voordelen om deze vragenlijst ook voor het meten van het eigen Wmo-beleid te gebruiken: de vragenlijst biedt bij elk gevraagd prestatie-item een heldere vraagstelling, antwoordcategorieën, en indien nodig definities en een toelichting. De gemeente hoeft hierdoor niet zelf te verzinnen hoe de prestatiegegevens zichtbaar moeten worden gemaakt; het gebruik van de vragenlijst zorgt voor een goede vergelijkbaarheid tussen gemeenten. Dit vergroot de waarde voor de gemeente en de burgers van de landelijke rapportage waarin de gegevens van gemeenten met elkaar worden vergeleken; door het gebruik van de vragenlijst worden mogelijke verschillen in interpretatie van de gevraagde gegevens verkleind. Tevredenheidsonderzoek De gemeente moet jaarlijks een tevredenheidsonderzoek (laten) uitvoeren onder gebruikers van maatschappelijke ondersteuning met betrekking tot de uitvoering van de Wmo. Over de methode moet overlegd worden met organisaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. De resultaten van het tevredenheidsonderzoek moeten jaarlijks voor 1 juli worden gepubliceerd. Jaarverslag In het jaarverslag wordt door het college van B&W verantwoording afgelegd aan burgers en raad over de prestaties die de gemeente heeft geleverd en de tevredenheid van de klanten hierover. Onderdelen die verplicht in het jaarverslag moeten worden opgenomen zijn de prestatiegegevens en de resultaten van het klanttevredenheidsonderzoek. In de wet zijn verder geen vormeisen voor het jaarverslag opgenomen. Dit betekent dus dat de gemeente een grote mate van vrijheid heeft in het opstellen en samenstellen van het jaarverslag. Uiteindelijk zijn het de burgers en de raad die bepalen of de verantwoording die het college aflegt voldoende is. Met het opnemen van de prestatiegegevens en de resultaten van het klanttevredenheidsonderzoek in het jaarverslag voldoet de gemeente aan de wettelijke verplichting. Het is echter de vraag of dit de burgers en de raad voldoende informatie geeft over de uitvoering van de Wmo. Om de raad en met name ook de burgers een goed beeld te kunnen geven van de uitvoering van de Wmo zou het college nog andere (aanvullende) informatie op kunnen nemen in het jaarverslag. Hierbij valt dan te denken aan informatie over zaken waar de burgers vooral mee in aanraking komen of (beleids)prioriteiten die de raad heeft aangegeven. Voor burgers kan bijvoorbeeld informatie over het aantal verstrekte voorzieningen, afgewezen aanvragen, klachten, doorlooptijdaanvraag in combinatie met de resultaten van het klanttevredenheidsonderzoek interessant zijn om de dienstverlening van de gemeente te meten. Wat verder nog aandacht kan krijgen in het jaarverslag is bijvoorbeeld de burger- en cliëntparticipatie. Dit is een nieuwe en belangrijke verplichting in de Wmo, aangezien zij de belangen van vooral de (potentiële) vragers behartigen. Welke rol zij hebben gespeeld en welke inbreng zij hebben gehad bij de totstandkoming van het beleid kan voor de burgers en de vragers van maatschappelijke ondersteuning aangeven hoe de gemeente omgaat met de signalen. Hoofdstuk 4 Beleidskader 2008-2010 4.1 Inleiding Uit de voorgaande hoofdstukken komt naar voren dat denken en werken in de geest van de Wmo een belangrijke cultuuromslag zal vergen van politici, bestuurders, ambtenaren, uitvoerende professionals en burgers. Deze opsomming begint met politici omdat zij de voorwaarden kunnen scheppen die nodig zijn voor de anderen om te kunnen volgen. Deze cultuuromslag is niet binnen één of zelfs vier jaar te realiseren. Dit eerste beleidskader na de komst van de Wmo is dan ook slechts een begin, een eerste aanzet voor “Wmo-bestendig” beleid. De cultuuromslag die we met elkaar de komende jaren moeten gaan maken kan als volgt worden uitgebeeld: We gaan dan van vier programma’s die allemaal een relatie hebben met de Wmo, maar onderling nog bijna geen relatie naar vier programma’s met een onderling sterke samenhang. Door deze sterke samenhang dragen ze bij aan de realisering van de Wmo visie en filosofie. In de gemeente Bladel hebben we de indeling van de Wmo in negen prestatievelden en het bestaande welzijnsplan omgevormd naar een werkbare en overzichtelijke indeling in 4 programma’s: sociale samenhang en leefbaarheid jeugd en gezin maatschappelijke participatie preventie en opvang In de gemeente wordt op verschillende momenten en op verschillende niveaus beleid ontwikkeld. Zo zijn daar het raadsprogramma, het collegeprogramma, de programmabegroting en inhoudelijke beleidsplannen op de vele terreinen waar de gemeente verantwoordelijkheid voor draagt. Deze verschillende beleidsplannen kennen veelal een eigen dynamiek en cyclus. Sommige plannen worden jaarlijks aangepast, andere plannen worden eens in de vier jaar herzien en er zijn ook plannen die geen vaste herzieningstermijn kennen. Aan de deze veelheid van plannen wordt nu naar aanleiding van de Wmo het Beleidskader Welzijn, Zorg en Maatschappelijke ondersteuning toegevoegd. Dit is een kaderstellend plan dat elke vier jaren moet worden herzien en vastgesteld. De uitdaging waar het bestuur en het management van de gemeente Bladel voor staat is om de visie, uitgangspunten en doelstellingen die in dit plan worden geformuleerd een plek te geven in de reeds bestaande plannen. Dit proces zal enige jaren in beslag nemen omdat pas bij de eerstvolgende herziening van een beleidsplan de nieuwe visie en uitgangspunten vanuit de Wmo kunnen worden meegenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk geven we aan hoe deze programma’s zich verhouden tot de Wmo, wat de aandachtpunten zijn bij de herziening en ontwikkeling van beleid en wat we willen bereiken. Tot slot willen we per beleidsonderdeel aangeven wat de speerpunten zijn naar aanleiding van de Wmo. Hierbij zijn we nadrukkelijk uitgegaan van de realiteit dat zowel onze maatschappelijke partners als de gemeente niet alles tegelijk in een korte periode kunnen doen. Dat moeten we ook niet willen. Een cultuuromslag en blijvende veranderingen kun je niet realiseren door alles met alles te verbinden en dat tegelijk aan te willen pakken. Het is beter om ons te richten op een aantal speerpunten en deze één voor één goed aan te pakken. 4.2 Sociale samenhang en leefbaarheid Programma Sociale samenhang en leefbaarheid - sport en recreatie - gemeenschaps- en dorpshuizen - openbare bibliotheken - cultuurbeleid - vormings- en ontwikkelingswerk; muzikale en kunstzinnige vorming - vormings- en ontwikkelingswerk; maatschappelijke vorming - vluchtelingen en allochtonenbeleid - onderwijs De beleidsonderdelen leveren een bijdrage aan prestatieveld 1.Bevorderen van sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten De prestaties binnen dit programma worden gemeten aan de hand van de volgende gegevens - De mate van burgerparticipatie bij lokale activiteiten - De mate van stimulering van eigen initiatieven van burgers - De aanwezigheid van burgerplatforms (zoals wijk- en dorpsraden) - De beschikbaarheid van goede buurtinformatie en buurtvoorlichting - De aanwezigheid van (vrijwilliger) buurtbeheer en buurttoezicht - Buurt- en straatcontactactiviteiten - De uitkomsten van het leefbaarheidsonderzoek 4.2.1 Relatie tussen de Wmo en dit programma Sociale samenhang en leefbaarheid vormen de onderwerpen van prestatieveld 1: Het bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid in kernen en wijken. Hierbij kan het gaan om alle voorzieningen die kunnen bijdragen aan samenhang en leefbaarheid: sport, recreatie, scholen, gemeenschapshuizen, bibliotheken, verenigingen etc. Ook de gebouwde omgeving (huizen, en de inrichting van de woonomgeving) en de aanwezigheid van gebouwelijke voorzieningen vormen randvoorwaarden om goed samen te kunnen leven in de wijk. De Wmo gaat uit van een grote eigen verantwoordelijkheid van burgers en de maatschappelijke netwerken waarvan zij deel uitmaken. Vanuit dit perspectief dienen de onderdelen van dit programma te worden herijkt. Goed samenleven in buurt en wijk is een randvoorwaarde voor mensen om zo gewoon mogelijk mee te kunnen doen in de samenleving. Bovendien is dit noodzakelijk voor een goed functionerende Civil Society. Wanneer mensen voor elkaar en hun omgeving zorgen, hoeven zij minder snel een beroep te doen op individuele voorzieningen en de ondersteuning en zorg die wordt geboden door de gemeente en professionele zorg- en welzijnsorganisaties. Het bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid heeft de meeste kans van slagen op het kleinschalige niveau van buurten en wijken. Daarom dient kleinschaligheid nadrukkelijk meegenomen te worden als uitgangspunt bij de herijking van dit programma. 4.2.2 Aandachtspunten voor herijking van beleid Betrokkenheid Als we willen dat mensen naar elkaar omzien, is het nodig dat zij elkaar kennen. Wanneer mensen elkaar kennen zullen ze elkaar eerder helpen of een beroep durven doen op een buurtgenoot. Betrokkenheid is moeilijk “te organiseren”, en bijna niet te meten. De gemeente kan wel proberen betrokkenheid te faciliteren door de buurt zo in te richten dat het makkelijker wordt om elkaar te ontmoeten. Een samenhangend voorzieningenaanbod op het gebied van wonen, zorg en welzijn Er moet voor worden gewaakt dat meer mensen níet worden bereikt door voorzieningenaanbod dan wél. Tevens moet er voor worden gewaakt dat het aanbod te algemeen is en daardoor voor weinig mensen passend. Aanbieders moeten zich bezinnen op nieuwe manieren om hun diensten zo in te richten dat zij iedereen in hun werkgebied op een passende wijze kunnen bereiken. Zorg moet naar de mensen toe en niet de mensen naar de zorg. Meer keuzevrijheid in woonlocaties, ruimte voor keuzes van zorgvrager als persoon zijn in dit verband belangrijk. Bij de verdere ontwikkeling van een samenhangend voorzieningenaanbod op het gebied van wonen, zorg en welzijn moet ook nadrukkelijk worden gekeken naar hetgeen er in het verleden al is afgesproken over woon-zorg-zones. Het is belangrijk dat de gemeente op dit terrein goed zicht heeft op de vraag die bestaat vanuit de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Hetzelfde wordt verlangd van instellingen die op dit terrein moeten zorgen voor Awbz-voorzieningen. Verschillende partijen hebben verantwoordelijkheden op dit terrein. Gewaakt moet worden voor de substitutie van Awbz-voorzieningen door Wmo-voorzieningen en omgekeerd. Eenzaamheid/sociaal isolement voorkomen Eenzaamheid kan de keerzijde zijn van het langer zelfstandig wonen van ouderen. De gemeente en organisaties moeten samen werken aan het voorkomen van sociaal isolement. Een op maat gesneden voorzieningenaanbod voorkomt eenzaamheid. Instanties en bewoners signaleren mogelijke eenzaamheid en zoeken mensen actief op. Hierbij moet niet worden vergeten dat het niet alleen ouderen zijn die eenzaam kunnen zijn. Er moet ook aandacht zijn voor andere mensen die om uiteenlopende redenen niet deelnemen in sociale verenigingsverbanden en netwerken. Kleinschalige buurtprojecten op maat Verbindingen worden makkelijker gelegd op buurtniveau dan op gemeenteniveau. Door kleinschaligheid is het ook makkelijker om maatwerk te leveren, zodat echt een oplossing wordt gevonden voor problemen in een specifieke buurt. Verbetering van sociale samenhang en leefbaarheid dienen daarom een buurtgerichte aanpak of uitwerking te krijgen. De gemeente heeft hier een duidelijke preventieve, faciliterende en regisserende rol. Meer inzet burgers voor een schone, leefbare en veilige wijk De gemeente, woningcorporaties en instellingen werken samen om de problemen op het gebied van samenhang en leefbaarheid aan te pakken. Naast de inzet van de gemeente en professionele instellingen, is het wenselijk dat burgers zelf ook energie steken in een schone, veilige en leefbare wijk. Het initiatief voor wijkacties moet meer bij de bewoners komen te liggen en minder bij professionals. Initiatiefrijke bewoners moeten hierbij wel worden gefaciliteerd en ondersteund. Armoedebeleid Ter versterking van de sociale samenhang en om gezondheidsverschillen die worden veroorzaakt door verschillen in de sociaal economische status (SES) te verkleinen is de implementatie van een gericht gemeentelijk armoedebeleid noodzakelijk. 4.2.3 Wat willen we bereiken? Doelstelling op programmaniveau Een woon- en leefomgeving waar inwoners zich zo zelfstandig en veilig mogelijk kunnen verplaatsen, en waar zij gebruik kunnen maken van letterlijk en figuurlijk laagdrempelige voorzieningen en faciliteiten. Op deze manier kan de gemeente de inwoners daadwerkelijk laten meedoen in de samenleving. Ten opzichte van de bestaande situatie willen we in 2011 bereiken dat: mensen in kernen en buurten actiever betrokken zijn bij elkaar; inwoners en organisaties actiever betrokken zijn bij hun woon- en leefomgeving; inwoners hun kernen en buurten als schoon, veilig en leefbaar ervaren; algemene voorzieningen en infrastructuur voor zoveel mogelijk mensen bereikbaar, veilig, toegankelijk, betaalbaar en passend zijn; instellingen de vraag van buurtbewoners met een “oplossing op maat” beantwoorden in plaats van met een algemeen aanbod; aanwezige voorzieningen aansluiten bij de behoeften, activiteiten en leefpatronen van de inwoners; integratiebeleid is gericht op ondersteuning en facilitering van nieuwkomers in de gemeente; het huisvestingsbeleid inspeelt op behoeften van inwoners (inclusief die met een beperking), zodat er een gedifferentieerd aanbod aan huisvesting is, dat keuze biedt. het voorzieningenaanbod wordt gehandhaafd op het huidige peil en dat daar waar mogelijkheden en kansen liggen deze worden benut (good practice). Subdoelstellingen per beleidsonderdeel Sport en recreatie De gemeente Bladel wenst vanuit haar voorwaardenscheppende rol in nauwe samenwerking met de sportverenigingen en andere partners invulling te geven aan een sportbeleid dat gericht is op vergroting van de sportdeelname, en optimale benutting van de sociaal maatschappelijke waarde van sport. Gemeenschapshuizen Het streven is om in élke kern van de gemeente Bladel het lokale gemeenschapshuis zodanig vorm te geven dat de ruimten multifunctioneel gebruikt kunnen worden, waardoor optimaal invulling wordt geboden van de behoefte aan voldoende en passende zaal- / oefen- / vergader- en sportruimten in de eigen kern, zonder daarmee op de schaal van de betreffende kern te overvragen. De gemeenschapshuizen dienen letterlijk en figuurlijk het hart van het dorp te vormen, dé plaats waar de lokale gemeenschap elkaar treft, waar het overgrote deel van de sociale / maatschappelijke, culturele en sportieve activiteiten én economische ontmoetingen plaatsvinden. Openbare bibliotheken Het bibliotheekbeleid is erop gericht burgers en organisaties toegang te bieden tot de kernfuncties: kennis en informatie; ontwikkeling en educatie; kunst en cultuur; lezen en literatuur; ontmoeting en debat; en van die functies gebruik te maken om te voorzien in eigen behoeften of om er gebruik van te maken ten dienste van de sociale samenhang en leefbaarheid. De bibliotheek onderscheidt een drietal niveaus van dienstverlening. De kernbibliotheek is de voorziening waar alle vijf de kernfuncties worden aangeboden. De servicebibliotheek is een voorziening met drie of vier kernfuncties. Een servicepunt is een voorziening met diensten voor twee kernfuncties, waaronder in ieder geval lezen en literatuur. In het dorp Bladel willen wij een kernbibliotheek handhaven. Voor het dorp Hapert willen wij onderzoeken of we ons ook hier moeten richten op een bibliotheek waar alle kernfuncties worden aangeboden, of dat de praktijk meer aansluit bij de servicebibliotheek. Voor de kleine kernen Casteren, Hoogeloon en Netersel wordt de realisering van servicepunten nagestreefd. Voor de vestiging Bladel wordt vervangende nieuwbouw voorbereid als onderdeel van de herstructurering van de oostelijke pleinwand van de Markt. Cultuurbeleid De doelstellingen van het gemeentelijke cultuurbeleid zijn: het op positieve wijze beïnvloeden van de “levensstijl” van de gemeente Bladel; het tenminste in stand houden van dat wat we aan kunst en cultuur in de gemeente hebben; behoud en onderhoud van voor de gemeenschap waardevolle culturele objecten en voorzieningen; stimuleren en faciliteren van de culturele verscheidenheid; het toegankelijk maken en houden van cultuur voor zoveel mogelijk inwoners van de gemeente Bladel; ondersteunen en stimuleren van innovatieve particuliere initiatieven. Vormings- en ontwikkelingswerk: muzikale en kunstzinn i ge vorming Het beleid voor de muzikale en culturele vorming is gericht op de volgende doelstellingen: aan alle leerlingen uit het primair onderwijs een aanbod van muzikale basisvorming geven waarmee zij desgewenst toegang kunnen krijgen tot instrumentale of vocale vorming; inwoners tussen de 6 en 21 jaar stimuleren tot deelname aan deelname aan vormende activiteiten op het gebied van muziek, dans en drama door bij te dragen in de kosten van deelname middels individuele subsidie. Vormings- en ontwikkelingswerk: maatschappelijke vo r ming Tot maatschappelijke vorming rekenen wij activiteiten die mensen handvatten bieden om zelfstandig deel te nemen aan het maatschappelijke verkeer. De verantwoordelijkheid voor de organisatie en bekostiging van deze activiteiten ligt primair bij de mensen zelf en de organisaties waarin zij zich verenigd hebben. Het subsidie-instrument wordt ingezet voor activiteiten die georganiseerd en uitgevoerd worden door vrijwilligers die zelf niet primair tot de doelgroep behoren. Vluchtelingen en allochtonenbeleid De gemeente trekt zich het lot van vluchtelingen aan en vervult in de opvang een actieve rol. De gemeente bevordert dat vluchtelingen over de juiste materiële hulp en immateriële ondersteuning kunnen beschikken om goed te kunnen inburgeren in onze gemeente. Onderwijs: Kinderen en volwassenen kennis en vaardigheden bijbrengen die nodig zijn om als zelfstandige burgers in onze democratische samenleving te kunnen functioneren, zowel in sociaal-economisch als in sociaal-cultureel opzicht. 4.3 Jeugd en gezin Programma Jeugd en gezin - jeugd- en jongerenwerk - (preventieve) jeugdzorg - kinderopvang en peuterspeelzaalwerk - jeugdgezondheidszorg De beleidsonderdelen leveren een bijdrage aan prestatieveld
- Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en ouders met problemen met opvoeden. De prestaties binnen dit programma worden gemeten aan de hand van de volgende gegevens - de beschikbaarheid van voorlichting - de aanwezigheid van een (fysieke) plek voor opvoedingsvragen - de beschikbaarheid van opvoedencursussen - de beschikbaarheid van individuele begeleiding en ondersteuning - de beschikbaarheid van school- / Jeugd- en gezinsmaatschappelijk werk - de beschikbaarheid van kinderwerk en jongerenwerk - de beschikbaarheid van zorg advies team(s) - de beschikbaarheid van zorgcoördinatie 4.3.1 Relatie tussen de Wmo en dit programma Dit programma omvat in ieder geval prestatieveld 2: Op preventiegerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden. Met het oog op toekomstbestendige en evenwichtige maatschappelijke ondersteuning is het belangrijk om dit programma te verbreden. Als gemeente willen we werken aan een toekomst waarin burgers zoveel mogelijk zelfstandig en zelfredzaam zijn en hun verantwoordelijkheid nemen in de samenleving. Jonge burgers kunnen daar niet vroeg genoeg mee geconfronteerd en in begeleid worden. We richten ons dus niet alleen op jeugd en gezinnen met een verhoogd risico of problemen, maar op alle jeugd en gezinnen. Dit is overigens niet iets dat we nu, met de introductie van de Wmo, voor het eerst doen. We doen dit al jaren via het integrale jeugdbeleid en onder die noemer zullen we dat ook blijven doen, alleen zullen we op onderdelen de verbinding met de filosofie achter de Wmo nadrukkelijker gaan leggen. 4.3.2 Aandachtspunten voor herijking van beleid Vroege signalering van problemen Vroeg lichte hulp is beter dan later zware hulp. Als kleine problemen bij jeugd en jongeren en in gezinnen niet worden aangepakt, kunnen ze uitgroeien tot grotere problemen. Dat is vooral voor de betrokkenen zelf niet goed, maar heeft ook zijn weerslag op de samenleving. Overlast kan een gevolg zijn en het vraagt vaak duurdere oplossingen. De functie vroegsignalering moet in de komende periode verder worden versterkt. Coördinatie van zorg op lokaal niveau Als er sprake is van de samenloop van meerdere problemen in één gezin dan moeten verschillende hulpinstanties afgestemd samenwerken. Dit is moeilijk en vraagt de wil tot goed samenwerken. Vanuit de preventieve jeugdzorg heeft de gemeente een coördinatiefunctie te vervullen. De gemeente moet ervoor zorgen dat lokale instellingen afspraken maken over het bij elkaar brengen van afzonderlijke signalen van/over probleemgezinnen en het onderling afstemmen van de hulpverlening. Het versterken van deze coördinatiefunctie is een belangrijk aandachtspunt. Weten waar je moet zijn met opvoedingsvragen Zowel de Wmo als de Wet op de jeugdzorg maken de gemeente verantwoordelijk voor informatie en advies. Afhankelijk van de leeftijd van het kind moeten ouders met opvoedingsvragen naar verschillende loketten. Dit komt de kwaliteit van integrale opvoedingsondersteuning niet ten goede. Om de kwaliteit en bekendheid van opvoedingsondersteuning te verbeteren moet er één plek komen waar ouders met vragen en problemen terecht kunnen. Gezondheidsproblemen bij kinderen en jongeren Schadelijk alcoholgebruik en overgewicht onder kinderen en jongeren zijn sterk toenemende problemen. De gezondheidsproblemen die hierdoor (kunnen) ontstaan kunnen jongeren sterk belemmeren in de ontwikkeling en in de deelname aan de maatschappij. Binnen het lokaal gezondheidsbeleid vormen daarom drankmisbruik en overgewicht belangrijke aandachtspunten in de komende beleidsperiode. Sport en vrije tijd Sport bevordert een gezonde geest in een gezond lichaam. Sport bevordert bij jongeren de gezondheid maar zeker ook de sociale contacten. Het sporten door volwassenen en ouderen moet worden gefaciliteerd. De sportmogelijkheden voor gehandicapten moeten regionaal aandacht krijgen, waarbij de eventuele kosten van vervoer geen onoverkomelijke belemmering mogen vormen. In algemene zin is vrijetijdsbesteding een persoonlijke zaak en een verantwoordelijkheid van het individu. De gemeente heeft wel een taak in het faciliteren van het verenigingsleven. Een actief en rijk verenigingleven in de gemeente levert een directe bijdrage aan sociale samenhang en leefbaarheid en daarmee ook aan de maatschappelijke participatie van verschillende groepen burgers. 4.3.3 Wat willen we bereiken? Doelstelling op programmaniveau: Een gemeente waar kinderen, jongeren en hun ouders/verzorgers binnen en buiten de gezinssituatie ondersteund worden om met belemmeringen in hun persoonlijke situatie om te gaan op een manier die voor henzelf en hun omgeving adequaat en veilig is. Een gemeente waar de kinderen en jongeren de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen, gebruik makend van eigen talenten en capaciteiten. Een gemeente waar jongeren gebruik kunnen maken van letterlijk en figuurlijk laagdrempelige voorzieningen en faciliteiten. Ten opzichte van de bestaande situatie willen we in 2011 bereiken dat: de jeugd gebruik maakt van de mogelijkheden die de samenleving te bieden heeft om hun eigen kracht te ontwikkelen en te versterken; we jeugd en jongeren vroeg bewust maken van het feit dat ze deel uit maken van de samenleving en daar mede verantwoordelijk voor zijn; ouders en gezinnen goed toegerust zijn voor hun verantwoordelijke opvoedingstaak; de gemeentelijke taken op het terrein van de preventieve jeugdzorg zodanig zijn ontwikkeld dat jongeren waarmee iets dreigt mis te gaan vroeg in beeld komen zodat grotere problemen kunnen worden voorkomen; voorzieningen en ontmoetingsplekken voor jongeren aanwezig, betaalbaar, veilig en toegankelijk zijn en voorzien in de behoefte van deze doelgroep; jongeren worden betrokken bij beleidsvorming; zorg, onderwijs, hulpverlening en jongerenwerk binnen de gemeente aantoonbaar op elkaar is afgestemd; het voorzieningenniveau op peil wordt gehouden en daar waar mogelijk wordt aangepast en uitgebreid. Subdoelstellingen per beleidsonderdeel Jeugd- en jongerenwerk Het integraal preventief jeugdbeleid van de gemeente Bladel beoogd zodanig flexibel te zijn dat snel en adequaat kan worden ingespeeld op de voortdurend wijzigende behoeften in de leefwereld van jongeren. Hiertoe willen we continueren wat goed gaat, bij te stellen wat beter kan en additioneel beleid ontwikkelen om hiaten in het (voorzieningen-)aanbod op te vullen. Via een sluitende keten van voorzieningen moeten jongeren / ouders en intermediairs dicht bij huis een beroep op ondersteuning bij het opgroeien / het opvoeden kunnen doen. We streven hierbij naar integrale afstemming en duidelijke communicatie met de doelgroep. Preventieve jeugdzorg Op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning is het de taak van de gemeente om lokaal opgroei- en opvoedingsondersteuning te organiseren voor jeugdigen en ouders met lichtere op voed- en opgroeiproblemen. Deze opvoedondersteuning wordt gerealiseerd door middel van de volgende functies: Informatie en advies: ongevraagde informatie over opgroeien en opvoeden en het beantwoorden van specifieke vragen van ouders en jeugdigen; Signalering: het vroegtijdig signaleren van problemen van jeugdigen en opvoeders; Toeleiding naar het hulpaanbod; Licht pedagogische hulp: kortdurende advisering en lichte hulpverlening op momenten dat de opvoeding dreigt te stageneren; Coördinatie van zorg op lokaal niveau: de gemeente moet ervoor zorgen dat lokale instellingen afspraken maken over het bij elkaar brengen van afzonderlijke probleemsignalen van/over het gezin en het onderling afstemmen van de hulpverlening. Kinderopvang Het scheppen van de randvoorwaarden die nodig zijn om binnen onze gemeente een passend aanbod van kinderopvang te kunnen bieden. Op grond van de nieuwe “Wet kinderopvang” is de gemeente belast met het toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang, registreert zij welke aanbieder binnen de gemeentegrenzen aan deze eisen voldoet én wordt een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang verstrekt aan aantal bij de wet genoemde doelgroepen. Daarnaast heeft de gemeente een regisserende taak waar het gaat om het samenspel tussen kinderopvangvoorzieningen en welzijns-, jeugd-, onderwijs- en sportvoorzieningen. Peuterspeelzaalwerk Het algemene streven is om een zodanig aanbod mogelijk te maken dat ieder kind in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar gedurende twee dagdelen per week de peuterspeelzaal kan bezoeken. Het aanbod moet toegankelijk zijn voor iedereen, moet betaalbaar zijn ( acceptabele ouderbijdrage ) en garant staan voor kwaliteit ( deskundigheid leidsters en veiligheid accommodatie ). Jeugdgezondheidszorg De gezondheid, groei en ontwikkeling van jeugdigen bevorderen en beschermen. 4.4 Maatschappelijke participatie Programma Maatschappelijke participatie - ouderen, chronisch zieken en gehandicapten/wonen zorg welzijn - maatschappelijk werk - vrijwilligersbeleid - Individuele WMO voorzieningen en het zorgloket De beleidsonderdelen leveren een bijdrage aan de prestatievelden
- Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;
- Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers;
- Bevorderen van deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;
- Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem t.b.v. behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer; De prestaties binnen dit programma worden gemeten aan de hand van de volgende gegevens - Welke diensten worden aangeboden in het zorgloket: informatie, advies, cliëntondersteuning, bemiddeling, doorverwijzing, aanvragen (van voorzieningen), besluitvorming (over de toekenning van voorzieningen), indicatiestelling - Welke faciliteiten worden geboden m.b.t. cliëntondersteuning: informatie en adviesverstrekking, vraagverheldering, bemiddeling, verwijzing naar een indicatieorgaan, verwijzing naar een door de gemeente gefinancierde ondersteunende organisatie of MEE-organisatie, kortdurende ondersteuning, ondersteuning bij crisis, monitoring en evaluatie van externe dienstverlening, hulp bij klachten, bezwaar en beroep, faciliteren van lotgenoten contact, geven van voorlichting en cursussen in groepen, groepsgewijze ondersteuning bij participatie in de samenleving - Ondersteuning en/of faciliteiten voor mantelzorgers: respijtzorg thuis, respijtzorg buitenshuis, kinderopvang, cursussen, faciliteiten (parkeerkaarten, kortingspassen etc.), vrijstelling sollicitatieplicht, lotgenotencontact, nazorg, begeleiding / ondersteuning, activiteiten gericht op ontspanning - Ondersteuning en/of faciliteiten voor vrijwilligers zorg: kinderopvang, deskundigheidsbevordering, faciliteiten (parkeerkaarten, kortingspassen etc.), vrijstelling sollicitatieplicht, verzekering, waardering (onderscheiding, prijzen etc.) - Ondersteuning en/of faciliteiten voor overige vrijwilligers: kinderopvang, deskundigheidsbevordering, faciliteiten (parkeerkaarten, kortingspassen etc.), vrijstelling sollicitatieplicht, verzekering, waardering (onderscheiding, prijzen etc.) - Afstemming HbH met zorgfuncties in het kader van de Awbz: afspraken met het CIZ, afspraken met aanbieders, afspraken met transferpunt ziekenhuis, afspraken met zorgkantoor - Eigen bijdrage bij individuele voorzieningen: hulp bij het huishouden, roerende zaken (niet zijnde een individuele vervoersvoorziening), onroerende woonvoorziening, individuele vervoersvoorziening 4.4.1 Relatie tussen de Wmo en dit programma Dit programma heeft de meest directe relatie met de Wmo en betreft de taak die de gemeente heeft om burgers die niet op eigen kracht mee kunnen doen hierbij te ondersteunen. We hebben het dan met name over de prestatievelden 3,4,5 en
- 4.4.2 Aandachtspunten voor herijking van beleid Het compensatiebeginsel Het compensatiebeginsel houdt in dat de gemeente de plicht heeft om oplossingen te bieden aan burgers met beperkingen via het treffen van voorzieningen die hem in staat stellen: een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan Het resultaat van het compensatiebeginsel ligt vast (zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie), de weg ernaartoe (de voorziening) is een keuze van de gemeente. De gemeente moet randvoorwaarden creëren voor volwaardige maatschappelijke participatie. Bij het vaststellen van de voorziening heeft de gemeente vrijheid, maar zij moet wel op een bepaalde manier rekening houden met de ‘persoonskenmerken en behoeften’ van de aanvrager. Bij de invulling van het compensatiebeginsel kan de gemeente een afweging maken tussen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen, of tussen diensten en materiële voorzieningen. In de wet is de exacte invulling van het compensatiebeginsel niet vastgelegd. Jurisprudentie moet op termijn bepalen wat nu de precieze verplichtingen van de gemeente zijn met betrekking tot het compensatiebeginsel. Balans en samenhang tussen algemene en individuele voorzieningen Het compensatiebeginsel houdt in dat de gemeente compensatie biedt voor wat mensen tekort komen om volwaardig mee te kunnen doen in de maatschappij. Dit tekort wordt zo objectief mogelijk vastgesteld via indicatiestelling. Om de uitvoering van de Wmo doeltreffend en doelmatig te houden moet het uitgangspunt zijn dat eerst algemene voorzieningen moeten worden gebruikt ter compensatie van gebreken alvorens individuele voorzieningen worden verstrekt. Om dit goed te kunnen doen moet er een goede balans en samenhang zijn tussen algemene en individuele voorzieningen. Ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers in de zorg Door de toenemende vergrijzing en de aandacht in de Wmo op de eigen verantwoordelijkheid van de burger bij de zorg voor elkaar kan de druk op mantelzorgers en vrijwilligers toenemen. Vanwege het toenemende belang van mantelzorg moet het gemeentelijk beleid op dit terrein worden herijkt en daar waar nodig worden aangepast. 4.4.3 Wat willen we bereiken? Doelstelling op programmaniveau: Burgers door middel van individuele voorzieningen (hulpmiddelen en diensten) zodanig ondersteunen zodat het mogelijk is om: een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan Ten opzichte van de bestaande situatie willen we in 2011 bereiken dat: dat burgers van Bladel met hun hulp- en zorgvragen terecht kunnen in een kwalitatief hoogwaardig loket, waarin ketenpartners en de gemeente efficiënt en effectief samen werken. algemene en individuele voorzieningen snel en eenvoudig kunnen worden verstrekt aan burgers die daar recht op hebben; er een zodanig aanbod van samenhangende algemene voorzieningen is zodat meedoen maximaal wordt bevorderd en het gebruik van individuele voorzieningen beheersbaar blijft; er zoveel mogelijk mensen bereid zijn vrijwilligerswerk te doen; mantelzorgers en vrijwilligers zich gewaardeerd en gesteund weten in hun belangrijke werk; er sprake is van een kwalitatief goede invulling van het compensatiebeginsel voor mantelzorgers en zorgvragers, alsmede preventieve ondersteuning van mantelzorgers en zorgvragers. mantelzorgers deze ondersteuning ook weten te vinden; mensen zolang als mogelijk “gewoon” in hun wijk of kern kunnen blijven wonen, ook als daar ondersteuning of zorg voor nodig is; voorzieningen en hulpmiddelen bijdragen aan het zelforganiserend vermogen van de burger; mantelzorgers en vrijwilligers daar ondersteund worden waar het nodig is om hun werk als vrijwilliger of mantelzorger te kunnen blijven voortzetten; maatschappelijke ondersteuning integraal wordt benaderd (budgetten bundelen, samenwerkingsverbanden stimuleren, investeren in beleidsmedewerkers); Subdoelstellingen per beleidsonderdeel Ouderen, chronisch zieken en gehandica p ten/wonen zorg welzijn Ouderen, chronisch zieken en gehandicapten zijn doelgroepen in de samenleving die meer dan gemiddeld, afhankelijk zijn van ondersteuning bij de zelfstandige en actieve deelname aan het maatschappelijk leven. Na de inventarisatiefase in de eerste jaren na de eeuwwisseling, is het concept van de woonzorgzone als te realiseren doelstelling geformuleerd. Daarbij is het begrip woonzorgzone als volgt omschreven: Een woonzorgzone is een gebied (een buurt; een wijk; of zelfs een heel dorp) waar door bijzondere aandacht voor fysieke woonkwaliteiten (zowel in de woning als in de woonomgeving) in combinatie met een dienstencentrum, waar zorg- en welzijnsdiensten worden verleend, een leefklimaat geschapen wordt waarin het ook voor ouderen, gehandicapten en chronisch zieken, verantwoord is om daar zelfstandig te blijven wonen, zelfs als de zelfredzaamheid afneemt. Dit beleid dient te worden opgenomen in de op te stellen woonvisie. In de periode 2003-2007 is een groot aantal initiatieven ontwikkeld en (voor een deel al) gerealiseerd, waarmee inhoud gegeven is aan de praktische invulling van het begrip woonzorgzone. Voor de doelgroep zijn woningen gebouwd waarbij in het ontwerp rekening is gehouden met zorgverlening aan huis en aandacht voor sociale veiligheid in de woonomgeving. De fysieke infrastructuur voor de dienstencentra is in Netersel en Casteren al gerealiseerd. En in alle dorpen is een heel pallet van zorg- en welzijndiensten operationeel. Voor de jaren tot 2011 is nu een heroriëntatie actueel. Wat hadden we in 2003 voor ogen; wat is daarvan gerealiseerd; wat zit er in de pijplijn; zijn er onderwerpen blijven liggen die nog steeds de moeite waard zijn om na te streven; zijn er nieuwe inzichten en nieuwe doelen; komen de uitgewerkte oplossingen voldoende tegemoet aan eventuele verschillen in ondersteuningsbehoeften van de onderscheiden doelgroepen, ouderen, gehandicapten en chronisch zieken. Maatschappelijk werk Maatschappelijk werk is een vorm van eerstelijns psychosociale hulp die raakvlakken heeft met vrijwel alle taakvelden van de Wmo. Aan de behoefte aan eerstelijns psychosociale hulp wordt invulling gegeven door een professioneel aanbod van algemeen maatschappelijk werk. Indien door de aard van de problematiek of de aard van de doelgroep de kwaliteit of de effectiviteit van de hulpverlening gebaat zijn bij de inzet van specifieke vormen van maatschappelijk werk, wordt de inzet van specifiek maatschappelijk werk bevorderd. Specifiek maatschappelijk werk wordt onder andere ingezet in de vorm van slachtofferhulp, schoolmaatschappelijk werk (zowel in het primair als het voortgezet onderwijs), jeugdpreventieprogramma, aanpak huiselijk geweld. Vrijwilligersbeleid Het leveren van een wezenlijke bijdrage aan de instandhouding en verdere ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardig vrijwilligerswerk ten behoeve van de totale gemeenschap door het scheppen van goede voorwaarden en condities en geven van stimulansen. Zorgloket Het loket is een laagdrempelige voorziening. In het loket wordt op professionele wijze informatie en advies, verstrekt en ondersteuning en bemiddeling geboden op het gebied van wonen, welzijn, zorg. Daarbij is het loket tevens de toegangspoort voor de voorzieningen op het terrein van wonen, welzijn en zorg. Door deze doelstelling maakt het loket geen onderscheid in doelgroepen. Alle burgers met een vraag / probleem op genoemde terreinen, kunnen bij het loket terecht. De informatie en adviesfunctie staat niet alleen ter beschikking aan de individuele hulpvrager maar ook aan mantelzorgers, vrijwilligers en hulpverleners en instellingen. Individuele WMO voorzieningen De gemeente Bladel stelt zich ten doel een zo goed mogelijk pakket van individuele WMO voorzieningen aan de burger aan te bieden waarbij er een goede balans zal zijn tussen voorliggende algemene voorzieningen en individuele voorzieningen en eigen verantwoordelijkheid van de burger en verantwoordelijkheid van de overheid. 4.5 Preventie en opvang Programma Preventie en opvang - Lokaal gezondheidsbeleid - maatschappelijke opvang - openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ) - verslavingsbeleid De beleidsonderdelen leveren een bijdrage aan de prestatievelden
- Het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang;
- Het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen;
- Het bevorderen van verslavingsbeleid. De prestaties binnen dit programma worden gemeten aan de hand van de volgende gegevens - Welke voorzieningen zijn er voor maatschappelijke opvang: (voldoende) plaatsen voor maatschappelijke en vrouwenopvang - Activiteiten ter bevordering van vrouwenopvang en het tegengaan van huiselijk geweld: beschikbaarheid van opvangvoorzieningen, ketensamenwerking, casusoverleg, er wordt gewerkt met casemanagers, steunpunt huiselijk geweld, voorlichting ter preventie van huiselijk geweld - Activiteiten ter bevordering van de OGGz: vroegsignalering en preventie, meldpunt voor signalen van (dreiging van) crisis, opsporen van kwetsbare personen en deze toeleiden naar zorg / hulpverlening, bij terugval / uitval mensen weer opnieuw opsporen, een OGGz-platform / overleg met de betrokken partijen onder regie van de gemeente, afspraken met organisaties over de uitvoering van de OGGz (ketensamenwerking), Bureau schuldhulpverlening, Meldpunt overlast, Informatieloket voor dak- en thuislozen, afspraken met woningbouwcorporaties over huisuitzettingen, individuele trajectplannen voor dak- en thuislozen - Ondersteuning en faciliteiten voor maatschappelijke zorg voor verslaafden: opvanglocatie, activering, vangnet bemoeizorg, toeleiding naar zorg, time-out voorziening, universele verslavingspreventie, selectieve verslavingspreventie, gebruiksruimte 4.5.1 Relatie tussen de Wmo en dit programma Het maatschappelijke doel van de Wmo is meedoen. Deelname van álle burgers aan álle facetten van de samenleving, al of niet geholpen door vrienden, familie of bekenden. En als meedoen dreigt te worden belemmerd of niet meer kan, is er ondersteuning van de gemeente door middel van preventie en opvang. De wet die de taken van de gemeente met betrekking tot preventie van gezondheidsproblemen regelt is de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv). In algemene zin kunnen preventie van gezondheidsproblemen, het doel van de Wcpv, en maatschappelijke participatie, de belangrijkste doelstelling van de Wmo, elkaar versterken. De belangrijkste raakvlakken tussen de Wmo en taken uit de Wcpv zijn: De uitvoering van de jeugdgezondheidszorg (Wcpv) en prestatieveld 2 van de Wmo: op preventie gerichte ondersteuning bieden aan jongeren met opgroeiproblemen en ouders met opvoedproblemen. Gezondheidsvoorlichting en -opvoeding (Wcpv) en prestatieveld 3 (Wmo): het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning (lokale loketten). Epidemiologisch onderzoek (Wcpv) levert belangrijke beleidsinformatie op, ook voor de uitvoering van de Wmo. Bevorderen van afstemming tussen preventie, cure en care (Wcpv) en de prestatievelden 5 (bevorderen maatschappelijke participatie en zelfstandig functioneren van mensen met een beperking) en 6 (verlenen van voorzieningen aan mensen met beperkingen) van de Wmo. Gemeenten fungeren als vangnet voor groepen die op een of andere wijze buiten de boot dreigen te vallen: zorgmijders, slachtoffers van vervuiling, verwaarlozing of mishandeling; verslaafden, dak- en thuislozen en illegalen. Deze taak maakt deel uit van de Openbare geestelijke gezondheidszorg (Oggz). Vanwege de relatie met maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang, een prestatieveld in de Wmo, is de Oggz overgeheveld van de Wcpv naar de Wmo. 4.5.2 Aandachtspunten voor herijking van beleid Regionale samenwerking en afstemming De maatschappelijke opvang en verslavingszorg zijn jarenlang het terrein van de centrumgemeenten geweest. Ook voor de OGGZ lag het primaat duidelijk bij de centrumgemeenten. De Wmo geeft echter alle gemeenten een taak op het terrein van de maatschappelijke opvang, verslavingszorg en de OGGZ. Bij de uitvoering van deze taak moet de centrumgemeente overleggen met de regiogemeenten. Voor adequate uitvoering van taken op dit terrein moet een structuur voor regionale samenwerking en afstemming worden vormgegeven. De vraag in beeld Om op het terrein van de maatschappelijke opvang, de verslavingszorg en de OGGZ een adequaat aanbod te kunnen realiseren van voldoende kwaliteit en kwantiteit is inzicht nodig in de vraag. Gemeenten hebben dit inzicht nog niet of niet voldoende. Hiaten en knelpunten in het aanbod Hoewel een goed zicht op de vraag op het terrein van de maatschappelijke opvang, de verslavingszorg en de OGGZ nog ontbreekt zijn er wel indicaties voor bepaalde hiaten en knelpunten. Deze hiaten en knelpunten zijn te vinden bij de onderdelen bemoeizorg, wonen met begeleiding en sociale netwerken en maatschappelijke steunsystemen. 4.5.3 Wat willen we bereiken? Doelstelling op programmaniveau: Door preventie bijdragen aan de psychische en lichamelijke gezondheid van burgers omdat gezonde mensen beter in staat zijn om volwaardig aan de maatschappij deel te nemen. Daar waar door psychische of sociale problemen maatschappelijke deelname niet meer mogelijk is zorgen voor een vangnet om verslechtering te voorkomen. Ten opzichte van de bestaande situatie willen we in 2011 bereiken dat: meer mensen gezonder leven door verantwoord te eten, meer te bewegen, minder alcohol te drinken en minder te roken; mensen zich meer bewust zijn van hetgeen ze zelf kunnen doen om langer gezond te leven; het voorkomen in plaats van genezen de boventoon voert; het brede veld van partners in dit terrein elkaar beter weet te vinden en in goede samenwerking ontwikkelingen en uitdagingen, zoals de vermaatschappelijking van de zorg en vergrijzing, het hoofd kunnen bieden; Subdoelstellingen per beleidsonderdeel Lokaal gezondheidsbeleid De gemeente Bladel streeft met het lokaal gezondheidsbeleid naar het voorkómen en het vroegtijdig opsporen van gezondheidsproblemen onder de bevolking en naar bescherming en bevordering van het lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden van de bevolking, waarbij leefstijl en gedrag, sociale en fysieke omgeving en zorgvoorzieningen mede van invloed zijn.” Maatschappelijk opvang, OGGZ en verslavingszorg Het bieden van hulp op maat, aan de inwoners die dit nodig hebben, op de terreinen maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. De gemeente Bladel werkt hierbij samen met de gemeenten in de SRE regio. Hoofdstuk 5 Organisatie en middelen 5.1 Aanpak en werkwijze Regionale samenwerking invoering Wmo Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning van kracht geworden. Om te komen tot een zorgvuldige implementatie hebben de vijf Kempengemeenten samengewerkt om de Wmo op een aantal onderdelen gezamenlijk in te voeren. In de samenwerking kwamen de navolgende beleidsstukken tot stand: Projectplan Wmo De Kempen: besluit B&W januari 2006 Kadernotitie Wet maatschappelijke ondersteuning in de Kempen: besluit gemeenteraad 2 februari 2006 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bladel 2007: besluit gemeenteraad 14 september 2006 Deelnotitie Hulp in het huishouden: besluit gemeenteraad 14 september 2006 Deelnotitie Financiën: besluit gemeenteraad 14 september 2006 Beleidsregels individuele voorzieningen WMO: besluit B&W d.d. december 2006 Besluit Maatschappelijke Ondersteuning: besluit B&W d.d. december 2006 Communicatieplan in- en uitvoering Wmo Kempengemeenten: besluit B&W d.d. december 2006 Deelnotitie Participatie: besluit gemeenteraad 21 juni 2007 Deelnotitie ondersteuning mantelzorg en vrijwilligers: besluit gemeenteraad 20 september 2007 Met de voornoemde beleidsstukken is het instrumentele deel –waarop regionaal kan worden samengewerkt- van de invoering van de Wmo afgerond. Deze stukken vormen de kaders en randvoorwaarden voor dit beleidsplan. Raadswerkgroep Op grond van de Wmo moet de gemeente een beleidsplan met een looptijd van 4 jaar vaststellen. In het beleidsplan worden de in de kadernotitie WMO vastgestelde visie, uitgangspunten en doelstellingen verder uitgewerkt. Gezien het maatschappelijke belang van het beleidsplan en de daaraan ook evenredige politieke belangstelling voor dit onderwerp, wilde de gemeenteraad bij de ontwikkeling van het beleidsplan zelf een actieve rol vervullen. De voorbereiding van beleidskaders geschiedt normaliter in de raadscommissies. In de regel beperkt de voorbereidende rol zich tot reageren op en standpunt bepalen over concrete voorstellen van het college. Het is moeilijk om in commissieverband zelf actief een kaderstellende rol te vervullen. Het formele en openbare karakter van de raadscommissie leent zich klaarblijkelijk minder goed voor het houden van “werkvergaderingen”. Ook de grootte van de groep en de lage vergaderfrequentie van de raadscommissie werken belemmerend voor een actief kaderstellende rol. In het verleden is daarom de actief kaderstellende rol opgedragen aan raadswerkgroepen (vrijwilligersbeleid – prioritering welzijnsbeleid – raadsprogramma). Ook voor de ontwikkeling van het Wmo-beleidsplan is een raadswerkgroep ingesteld. De raadswerkgroep heeft tot taak om een ontwerp beleidsplan ten behoeve van de gemeenteraad op te stellen. In de werkgroep heeft elke raadsfractie met één vertegenwoordiger zitting. Dit is een raadslid of een burgerlid van de raadscommissie inwoners. De raadswerkgroep wordt ondersteund door de raadsgriffier (organisatorisch/procedureel) en een beleidsmedewerker van de afdeling Welzijn (inhoudelijk). De portefeuillehouder Welzijn treedt op als adviseur van de werkgroep. Vaststellingsprocedure september 2007 – februari 2008 voorbereiden en opstellen beleidsplan door de raadswerkgroep maart-april 2008 advisering concept beleidsplan door het Platform Ondersteuning en Participatie 14 maart tot 25 april 2008 inspraakperiode 10 juni 2008 behandeling beleidsplan in raadscommissie inwoners 3 juli behandeling / vaststelling beleidsplan in gemeenteraad Welzijnsplan 2007 – 2010 In oktober 2006 heeft de gemeenteraad het Welzijnsplan 2007 – 2010 vastgesteld. Het welzijnsplan en dit beleidsplan naar aanleiding van de Wmo gaan grotendeels over dezelfde beleidsterreinen maar dekken elkaar niet volledig. Omdat het (op termijn) niet wenselijk is dat er twee beleidsplannen over welzijn, zorg en maatschappelijke ondersteuning naast elkaar bestaan is ervoor gekozen om de nog actuele onderdelen van het Welzijnsplan 2007 – 2010 te laten opgaan in dit Beleidskader Welzijn, Zorg en Maatschappelijke Ondersteuning 2008 –
- Omdat de inhoud van het Welzijnsplan 2007 – 2010 is opgenomen in het Beleidskader Welzijn, Zorg en Maatschappelijke Ondersteuning 2008 – 2011 kunnen deze plannen tot en met 2010 naast elkaar blijven bestaan. Na 2010 wordt er geen nieuw Welzijnsplan meer vastgesteld. 5.2 Middelen Het Beleidskader Welzijn, Zorg en Maatschappelijke Ondersteuning 2008 – 2011 is een inhoudelijk beleidskader. De raad geeft hierin de inhoudelijke richting en de prioriteiten aan, waarmee het college jaarlijks een praktische invulling geeft aan de begroting, het jaarprogramma welzijn en de afdelingsplannen. Het financiële kader wordt jaarlijks door de gemeenteraad met de vaststelling van de begroting gegeven. Onder invloed van landelijk beleid, treden er wijzigingen op in de gemeentelijke verantwoordelijkheden voor diverse terreinen. Soms gaat dat gepaard met een verruiming van de financiële middelen die de gemeente ter beschikking staan. In andere gevallen wordt van de gemeente verwacht dat de dekking van de kosten plaatsvindt door herschikking van bestaande geldstromen. De prioriteitstelling van de gemeenteraad kan leiden tot verschuiving van budgetten ten opzichte van de bestaande situatie. Om deze reden is het niet zinvol om in deze kadernota gedetailleerd aandacht te besteden aan de middelen voor de uitvoering van het brede welzijns- en zorgbeleid. Voor de uitvoering van de nieuwe taken in het kader van de Wmo ontvangt de gemeente extra Rijksmiddelen. Omdat op voorhand niet duidelijk is hoe de voor de nieuwe taken te maken kosten in relatie staan tot de te ontvangen extra Rijksmiddelen is reeds besloten voor de eerste beleidsperiode niet bestede Wmo-middelen te reserveren. De gemeenten ontvangen voor de volgende nieuwe taken middelen: Hulp bij het huishouden inclusief persoonsgebonden budget Voormalige Subsidieregelingen AWBZ Diensten bij wonen met zorg Zorgvernieuwingsprojecten GGZ Coördinatie vrijwillige thuiszorg en mantelzorg en vorming, training en advies Aanpassing bestaande ADL-clusters Collectieve GGZ-preventie Specifieke uitkeringen WVG Dure woningaanpassingen Besluit bijdrage AWBZ gemeenten (Bbag) Uitvoeringskosten WMO Omdat sommige taken worden gefinancierd via de centrumgemeenten ontvangt de gemeente Bladel niet voor alle taken middelen. In 2008 ontvangt de gemeente Bladel voor de nieuwe Wmo-taken € 1.257.
- Bijlage 1: De vier programma’s in detail In deze bijlage worden de verschillende onderdelen van de vier programma’s nader toegelicht. Voor de bestaande onderdelen zijn deze teksten gebaseerd op het Welzijnsplan 2007-2010, beleidsnota’s en het raadsprogramma 2006-
- Daar waar nodig zijn deze teksten aangevuld met recente ontwikkelingen. Onder het kopje Speerpunten 2008 – 2011: wat gaan we doen? worden nieuwe activiteiten genoemd die voorkomen in beleidsnota’s, het raadsprogramma 2006 – 2010 en vastgestelde begrotingen. Reguliere en structurele activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van bestaand beleid worden niet afzonderlijk genoemd. Programma 1: sociale samenhang en leefbaarheid Programma Sociale samenhang en leefbaarheid - sport - recreatieve welzijnsvoorzieningen - gemeenschaps- en dorpshuizen - openbare bibliotheken - cultuurbeleid - vormings- en ontwikkelingswerk: muzikale en kunstzinnige vorming - vormings- en ontwikkelingswerk: maatschappelijke vorming - vluchtelingen en allochtonenbeleid - onderwijs 1.1 Sport Wat doen we? In het nieuwe sportbeleid zijn 4 uitgangspunten benoemd; Investeren in verenigingen; Een leven lang sporten en bewegen; Accommodaties en Subsidies en tarieven. Onder ‘een leven lang sport en bewegen’ valt onder andere de sportstimulering en het doelgroepenbeleid gericht op jeugd, ouderen en gehandicapten. De gemeente is verantwoordelijk voor het realiseren en instandhouden van accommodaties volgens de verantwoordelijkheidsverdeling op basis van de basissport(voorzieningen). Ontwikkelingen Combinatie sport en onderwijs: Er wordt onderzoek gedaan naar mogelijkheden van combineren van sport en buitenschoolse opvang. Ook de combinatie sport en (bewegings)onderwijs heeft landelijk steeds meer aandacht, met name de inzet van combinatiefuncties. Basissport en basissportvoorzieningen: De nieuwe sportnota geeft een definitie van basissport. Het al dan niet benoemen van sporten als basissport schept duidelijkheid richting verenigingen over de verantwoordelijkheid van de gemeente. Voor de benoemde basissporten heeft de gemeente een verantwoordelijkheid ten aanzien van het realiseren en/of instandhouden van de basissportvoorzieningen. Subsidie: De waarderingssubsidie en de subsidie voor jeugdleden blijft bestaan. De subsidie voor sportstimulering zal verdwijnen. Door de strenge subsidieregels wordt met deze subsidie niet bereikt wat was bedoeld, er wordt weinig gebruik van gemaakt en van de aanvragen voldoet een groot deel niet aan de voorwaarden. De middelen voor sportstimulering zullen op een andere wijze ingezet gaan worden. Tarievenbeleid: Het tarievenbeleid uit de kadernota sport uit 2000 wordt voor de daarin genoemde sporten voortgezet. Voor de overige sporten en accommodaties, waarvoor nog geen geharmoniseerde tarieven gelden, worden de mogelijkheden hiertoe onderzocht. Bij het onderzoek naar de harmonisatie van tarieven zullen mogelijkheden tot privatisering meegenomen worden als die zich aandienen. Kwalitatieve doelstellingen De gemeente Bladel wenst vanuit haar voorwaardenscheppende rol in nauwe samenwerking met de sportverenigingen en andere partners invulling te geven aan een sportbeleid dat gericht is op vergroting van de sportdeelname, en optimale benutting van de sociaal maatschappelijke waarde van sport. Speerpunten 2008 -2011: wat gaan we doen? Ontwikkelen nieuwe acties op basis van de sportnota “Samenwerken aan een sportief en gezond Bladel” waaronder doelgroepenbeleid (2008 – 2009). Nieuwe mogelijkheden sportstimulering onderzoeken (ook voor specifieke doelgroepen)
(2009). 1.2 Recreatieve welzijnsvoorzieningen Wat doen we? In de beleidsnota Speelruimtebeleid wordt uitgegaan van handhaving en waar nodig verbetering van het huidige kwaliteitsniveau van bestaande recreatieve voorzieningen en het realiseren van een aanbod van speelmogelijkheden dat aansluit bij de wensen van onze inwoners (ook bij nieuwe bestemmingsplannen). Daarnaast wordt uitgegaan van een aanbod van recreatieve voorzieningen door middel van het doelmatig (laten) beheren van onder andere een dierenparkje, visvijvers en een trimbaan. Ook de ontwikkeling van natuurlijke speelplekken wordt voorgestaan. Tenslotte wordt aandacht geschonken aan ouderen door te zorgen voor voldoende jeu de boulesbanen. Kwalitatieve en kwantitatieve doelstelling De prioriteiten uit de beleidsnota Speelruimtebeleid zijn eind 2007 geëvalueerd. Hieruit blijkt dat de openbare speelterreinen, na de inhaalslag, zowel kwalitatief als kwantitatief voldoen. Hierbij is het van belang dat de veiligheid gewaarborgd blijft. Naast afspraken over periodieke controle is een logboek ontwikkeld waarin alle wijzigingen, klachten, reparaties enz. worden opgenomen. Deze taken liggen bij eigen gemeentelijke medewerkers die ook het toezicht hebben op het dierenparkje (met aanvulling van vrijwilligers) en trimbaan. Handhaving van het bestaande niveau is uitgangspunt voor het beleid in de periode 2008-2012. Speerpunten 2008 -2011: wat gaan we doen? -Door te kiezen voor onderhoudsarm materiaal zullen de onderhoudskosten in de toekomst gaan afnemen. Hiernaar wordt een nader onderzoek ingesteld. 1.3 Gemeenschapshuizen Wat doen we? Het accommodatiebeleid is gebaseerd op de “beleidsnota gemeenschapshuizen”. Voor de gebruikers van deze accommodaties is het belangrijkste onderdeel van dit beleid, het standpunt om voor verenigingsactiviteiten en niet commerciële activiteiten door inwoners van onze gemeente, het gebruik om niet te laten plaatsvinden. Voor commerciële activiteiten, verenigingsactiviteiten met een commerciële inslag alsmede voor verenigingsactiviteiten van verenigingen van buiten de gemeente Bladel wordt wel huur in rekening gebracht. Naar aanleiding van capaciteitsproblemen en de ontwikkeling van woon-zorg zones zijn in de kernen Netersel, Casteren en Hoogeloon multifunctionele accommodaties gerealiseerd. Op schaal van de betreffende kern worden daarmee afdoende oplossingen geboden voor de in het verleden ervaren beperkingen. Via een gecombineerd gebruik van ruimten wordt onder één dak invulling gegeven aan meerdere functies, zoals de gemeenschapshuisfunctie, het binnensportgebeuren en de ontmoetingsfunctie (+ het aanbod van lichte zorg) via een wijkdienstencentrum voor ouderen. In 2007 heeft de gemeenteraad besloten tot het decentraal (per kern) vormgeven van activiteiten en voorzieningen voor jongeren. Hierbij zal jongeren lokaal de mogelijkheid worden geboden een beroep te doen op ondersteuning / begeleiding / advies door een professionele jongerenwerker. Bezien zal worden in hoeverre het lokale gemeenschapshuis mogelijkheden kan bieden aan de behoefte onder 12-15 jarigen om elkaar in de eigen kern te ontmoeten en activiteiten te organiseren. Jongeren van 16 jaar en ouder zullen hiertoe in eerste instantie verwezen worden naar het gemeenschapshuis in Bladel. Ontwikkelingen. Welzijnsaccommodatie locatie Kempenland Bladel De locatie Kempenland is het terrein in de zuidwesthoek van het dorp Bladel, waar al decennia lang het RK Kempisch Verpleeghuis en Zorgcentrum Kempenland gevestigd zijn. Hier verrijst, rond de in 2006 gereed gekomen nieuwbouw van het verpleeghuis Floriaan, een woonwijk met circa 250 wooneenheden. Het gaat voor een deel om gewone gezinswoningen maar in grote mate om woonruimte voor mensen met een beperking. Mensen met verstandelijke beperkingen, lichamelijke beperkingen en beperkingen die met ouderdom samenhangen. De mensen die nu in het verzorgingshuis wonen, krijgen straks zelfstandige woonruimte of een appartement in een groepswoning. Volgens de jongste inzichten verdwijnen niet alle intramurale verzorgingsplaatsen. Er komt een kleine intramurale unit (circa 24 verzorgingsplaatsen) voor zwaar zorgbehoevende ouderen. Vanwege de beperkte actieradius van een groot deel van de bewoners van deze nieuwe woonwijk is de bouw van een welzijnsaccommodatie onderdeel van de plannen. Tot nu toe gingen wij ervan uit dat het dienstencentrum annex buurtcentrum in het plan Kempenland zou functioneren binnen de kaders van het beleid voor de gemeenschapshuizen en dat een zelfstandige beheerstichting er de scepter zou zwaaien. Momenteel bestaat er echter onduidelijkheid welke status die welzijnsaccommodatie in het plan Kempenland krijgt. De leiding van RSZK ziet de welzijnsaccommodatie op dit moment vooral als een gebouw dat nodig is voor het aanbieden van welzijnsactiviteiten aan de cliënten van RSZK. Op uren dat het gebouw niet voor dat doel benut wordt, zijn derden welkom om er welzijnsactiviteiten voor doelgroepen uit het dorp te organiseren. RSZK bouwt en exploiteert de accommodatie primair voor eigen gebruik en voert er zelf de regie. Als RSZK aan dat standpunt vasthoudt, voorzien wij dat de Stichting Dienstencentrum Bladel de gemeente zal vragen om zich op een andere locatie te oriënteren voor het realiseren van een dienstencentrum. Kwalitatieve doelstellingen In elke kern van onze gemeente wordt een gemeenschapshuis in stand gehouden, met een op de maat en specifieke eigenschappen / samenstelling van die kern toegesneden capaciteit en faciliteiten. De beherende instellingen worden financieel in staat gesteld de accommodaties zodanig te beheren en exploiteren dat in principe alle sociale / maatschappelijke, culturele (en sportieve) activiteiten én economische ontmoetingen van de betreffende kern in het lokale gemeenschapshuis kunnen plaatsvinden. Speerpunten 2008 -2011: wat gaan we doen? huurovereenkomst aangaan voor te bouwen welzijnsaccommodatie/dienstencentrum Kempenland of zoeken naar een andere locatie voor de realisering van een dienstencentrum in Bladel
(2011)evaluatie beleidsnota gemeenschapshuizen
(2008)integreren ontmoetingsfunctie voor 12-15 jarigen (per kern) Integreren ontmoetingsfunctie voor jongeren van 16+ in Bladel onderzoek naar mogelijkheden om het multifunctioneel gebruik te verruimen 1.4 Openbare bibliotheken Wat doen we? Het bibliotheekbeleid wordt in sterke mate beïnvloed door de doelstellingen die op landelijk niveau zijn geformuleerd. Die doelstellingen zijn verwoord in De Richtlijn voor Basisbibliotheken en uitgewerkt in vijf samenhangende kernfuncties: -De basisbibliotheek als warenhuis van kennis en informatie De bibliotheek biedt met de collectie als basis, mogelijkheden tot uitlenen, raadplegen, vraagbemiddeling. In het bijzonder kan hierbij overheidsinformatie betrokken worden en informatiepunten op het gebied van bijvoorbeeld jeugd, opvoeding, zorg en gezondheid. -De basisbibliotheek als centrum voor ontwikkeling en educatie De bibliotheek stelt projectcollecties samen, biedt studiemogelijkheden voor scholieren, studenten en autodidacten met bijbehorende voorzieningen, ondersteunt het onderwijs, in de eerste plaats met de mediatheek, maar ook door lessen in informatievaardigheden. Informatievaardigheden worden ook overgebracht aan andere doelgroepen. -De basisbibliotheek als encyclopedie van kunst en cultuur De bibliotheek presenteert uitingen van en materialen over intellectuele en artistieke activiteiten. Historische of anderszins belangwekkende collecties worden bewaard en beschikbaar gesteld. De bibliotheek sluit aan op de lokale en provinciale culturele tradities. Door samenwerking met andere culturele instellingen geeft de bibliotheek informatie over de achtergronden van museale presentaties en tentoonstellingen, over muziek- en toneeluitvoeringen. De bibliotheek verbindt professionele en amateurkunst door lezingen, specifieke collecties bij kunstuitingen, en door het bieden van gerichte dienstverlening zoals programma-informatie en kaartverkoop. -De basisbibliotheek als inspiratiebron voor lezen en literatuur De bibliotheek biedt voor jeugd en jongeren van 0 tot 18 jaar een doorlopende leeslijn en een daarop aansluitende collectie. De collectie voor volwassenen sluit aan op het leesgedrag van de lokale bevolking (gedifferentieerd naar doelgroepen en behoeften) maar biedt ook een eenvoudige toegang tot de totale collectie van de Nederlandse openbare bibliotheken. Literaire lezingen en voordrachten behoren tot de standaardactiviteiten op het gebied van leesbevordering. -De basisbibliotheek als podium voor ontmoeting en debat De bibliotheek is de neutrale, objectieve, niet partijdige ontmoetingsplaats waar alle groepen uit de samenleving elkaar kunnen tegenkomen. De bibliotheek biedt ruimte als vrijplaats voor lokale initiatieven, voor debat over maatschappelijke thema’s, voor voorlichting over complexe onderwerpen, en discussie over onderwerpen van lokaal, regionaal, landelijk en mondiaal belang. Om aan die landelijke doelstellingen een bijdrage te leveren hebben wij de realisering mede mogelijk gemaakt van basisbibliotheek De Kempen. De bibliotheken in Bladel en Hapert maken deel uit van die organisatie, samen met nog twaalf andere bibliotheken in acht andere gemeenten. De gemeente treedt op als opdrachtgever voor de lokale bibliotheekvoorziening. Dat wil zeggen dat de gemeente aangeeft hoe zij beleidsmatig vorm gegeven wil zien aan de vijf kerntaken van de bibliotheek. Het instrument dat daarvoor beschikbaar is, is de vernieuwingsagenda die tot en met 2007 jaarlijks moest worden vastgesteld en daarna elke vier jaar. Ontwikkelingen In de kern Bladel doet zich de mogelijkheid voor om de wens van het bibliotheekbestuur tot vernieuwing van de accommodatie voor de plaatselijke bibliotheek te matchen met de ontwikkeling van de oostelijke pleinwand van de Markt te Bladel. De ontwikkelovereenkomst met een projectontwikkelaar biedt het perspectief op de realisering van een nieuwe accommodatie voor de bibliotheek, met een oriëntatie op de Markt en geënt op het programma van eisen van Bibliotheek De Kempen. In de kernen Casteren Hoogeloon en Netersel verzorgt Bibliotheek De Kempen door middel van de bibliobus de uitleen van boeken aan de basisschooljeugd. De kosten van die voorziening wordt voor 40% gedekt uit subsidie van de Provincie Noord-Brabant. De provincie trekt zich in 2008 terug als financier van de bibliobussen. De kosten moeten dan door de bibliotheek zelf gedragen worden. Omdat dit binnen het bestaande budget onmogelijk is, bezint de bibliotheek zich op alternatieven. Kwalitatieve doelstellingen De bibliotheek moet in de eerste plaats een voorziening zijn waar alle inwoners van de gemeente terecht kunnen om informatiebronnen te raadplegen of te lenen, ongeacht of het om informatiedragers in gedrukte vorm gaat of om audiovisuele materialen of om virtuele informatiebronnen. De bibliotheek moet de gebruiker behulpzaam zijn bij het vinden, ontsluiten en gebruiken van betrouwbare informatie. Media-educatie, informatie-educatie en leesbevorderingsactiviteiten worden daarbij methodisch ingezet. De bibliotheek moet een bijdrage leveren aan de sociale samenhang en leefbaarheid (sociale cohesie) in de dorpen. Aandachtspunten daarbij zijn: dienstverlening zo dicht mogelijk bij de gebruiker; ruimte geven aan vrijwilligers (lokale verankering) bij de uitvoering van additionele taken (voorlezen, exposities, leesclubs, etcetera). De bibliotheek moet een bijdrage leveren aan de culturele infrastructuur, door ruimte, kennis en kunde die de instelling ter beschikking staan, beschikbaar te stellen aan andere culturele instellingen. Wezenlijk onderdeel is deelname aan het provinciale en landelijke netwerk van bibliotheekvoorzieningen. De bibliotheek realiseert mogelijkheden voor on-line dienstverlening, raadpleegmogelijkheden voor publiek toegankelijke databanken en kennissystemen. De bibliotheek zet zich, in samenwerking met (lokale) culturele partners, in voor de vergroting van het cultuurbereik door haar klanten te informeren over en te stimuleren tot deelname aan culturele activiteiten. Speerpunten 2008 -2011: wat gaan we doen? meedenken over alternatieven voor de bibliobus in de kleine kernen
(2008)realisering van een nieuwe bibliotheekaccommodatie in de kern Bladel (2009 – 2010) 1.5 Cultuur Wat doen we? De reikwijdte van gemeentelijk cultuurbeleid wordt in belangrijke mate bepaald door de omvang van een gemeente. Gezien de omvang van de gemeente Bladel is het zinvol om aandacht en middelen te concentreren op de kern van het gemeentelijk cultuurbeleid. Voor de eigen burgers is het interessanter wanneer het gemeentelijk cultuurbeleid zich richt op de eigenheden van de lokale gemeenschap, dan wanneer er middelen worden besteed aan zaken die men 10 kilometer verder ook kan aantreffen. Voor het voeren van een kernachtig cultuurbeleid zijn in principe weinig regelingen nodig. Volstaan kan worden met subsidieverstrekking aan cultuurmakers en adequate ondersteuning van cultuurdragers. Vaak ligt het initiatief voor het starten van nieuwe culturele projecten of activiteiten bij particuliere personen en organisaties. Het doel van kernachtig gemeentelijk cultuurbeleid moet zijn dat deze initiatieven worden gestimuleerd en ondersteund. Het cultuurbeleid van de gemeente concentreert zich daarom op het faciliteren van een basisinfrastructuur van voorzieningen door het beschikbaar stellen van accommodaties en budgetsubsidies. Stimulering vindt voornamelijk plaats door middel van project- en waarderingssubsidies. Belangrijke aandachtspunten in het cultuurbeleid zijn: vernieuwing cultuureducatie cultuurdeelname voorwaarden en subsidiering kunst Vernieuwing In het kader van het gemeentelijke cultuurbeleid wordt onder vernieuwing verstaan het ontplooien van initiatieven die afwijken van de bestaande praktijk met als doel een bijdrage te leveren aan de doelstellingen van gemeentelijk en/of provinciaal cultuurbeleid. Vernieuwing maakt onderdeel uit van het reguliere beleid van verenigingen en andere cultuurmakers, het is geen taak van de gemeentelijke overheid om deze rol over te nemen. Gemeentelijk cultuurbeleid moet vernieuwing niet opleggen, maar wel stimuleren. Cultuureducatie Cultuureducatie is het ontwikkelen van kennis, beoordelingsvermogen en belangstelling voor cultuur. Aandacht voor cultuureducatie in het gemeentelijk beleid is belangrijk. Door aandacht voor cultuureducatie kan immers op termijn het cultuurbereik worden vergroot. Met name op provinciaal niveau is er veel aandacht voor cultuureducatie. De provincie en het Rijk hebben ook financiële mogelijkheden om initiatieven op het terrein van cultuureducatie te ondersteunen. Met betrekking tot cultuureducatie moet de gemeente niet het voortouw nemen. Bestaande budgetten worden wel gehandhaafd en kunnen als cofinanciering worden ingezet. Cultuurdeelname Een aanzienlijk deel van de maatschappelijke waarde van kunst en cultuur ligt in haar vermogen verbindingen te leggen in en met de samenleving. Door te streven naar een grotere cultuurdeelname kan dit vermogen worden vergroot en wordt daarmee het maatschappelijk effect van cultuur groter. Cultuur levert een bijdrage aan de vorming en ontwikkeling van individuen en de gemeenschap. Voorwaarden en subsidiering Verenigingen en andere cultuurmakers formuleren hun eigen beleid en voeren dit uit, dit is geen taak van de gemeente. Je kunt als gemeente echter wel faciliteren en stimuleren door te subsidiëren. Omdat het hier gaat over gemeenschapsgeld moet je er op toezien dat middelen worden aangewend voor het doel waarvoor zij bestemd waren. Om voor een gemeentelijke subsidie in aanmerking te komen moet een cultuuruiting een zekere maatschappelijke relevantie hebben. Hieronder wordt verstaan dat de uiting ten goede moet komen aan de gemeenschap en er moet een behoefte aan bestaan. Uitvoeringen en voorstellingen moeten toegankelijk zijn voor iedereen die daar interesse in heeft. De enige uitzondering op deze voorwaarde wordt gemaakt voor activiteiten die gericht zijn op cultuureducatie. Het is een individuele keuze van mensen om cultuur te maken en te genieten als vorm van vrijetijdsbesteding en ontspanning. Cultuurmakers en –genieters dienen daarom een redelijke eigen bijdrage te leveren aan de uitvoering van hun hobby. Deze voorwaarde is niet van toepassing op jeugd. Beeldende kunst Onder beeldende kunst worden materiële kunstuitingen verstaan, over het algemeen in openbare ruimten. Hierbij kan worden gedacht aan beeldhouwkunst, schilderkunst, tekenkunst, graveerkunst en fotografie. De directe (financiële) bijdrage van de gemeente aan beeldende kunst is beperkt. Kwalitatieve doelstellingen De doelstellingen van het gemeentelijke cultuurbeleid zijn: het op positieve wijze beïnvloeden van de “levensstijl” van de gemeente Bladel; het tenminste in stand houden van dat wat we aan kunst en cultuur in de gemeente hebben; behoud en onderhoud van voor de gemeenschap waardevolle culturele objecten en voorzieningen; stimuleren en faciliteren van de culturele verscheidenheid; het toegankelijk maken en houden van cultuur voor zoveel mogelijk inwoners van de gemeente Bladel; ondersteunen en stimuleren van innovatieve particuliere initiatieven. Speerpunten 2008 -2011: wat gaan we doen? Onderzoek ruimtelijke mogelijkheden voor en consequenties voor beveiliging, verzekering, etc. van beschikbaarstelling gemeentehuis als expositieruimte voor beeldende kunst Periodieke uitreiking gemeentelijke cultuurprijs Alle basisscholen doen een beroep op de beschikbare middelen voor culturele projecten Ondersteuning van minimaal 3 projecten die gericht zijn op innovatieve cultuuruitingen per kalenderjaar 1.6 Vormings- en ontwikkelingswerk: muzikale en kunstzinnige vorming Wat doen we? Decennia lang hebben wij de muzikale en dansante vorming van jeugdige inwoners gestimuleerd door de instandhouding, respectievelijk de subsidiëring van de muziekschool. Hoewel daarmee jaarlijks enkele honderden leerlingen werden bereikt, was er ook sprake van een grote groep jeugdigen met belangstelling voor muzikale vorming, die niet bij de muziekschool terecht kon. Voor een deel werd dit opgevangen door de eigen opleidingsactiviteiten van de lokale muziekverenigingen. Daarnaast vond een onbekend aantal leerlingen zijn weg in het particuliere circuit. In overleg met de muziekschool en de verenigingen hebben wij serieus gezocht naar oplossingen voor deze problematiek. We hebben daarbij moeten constateren dat het institutionele muziekonderwijs sterk aan regels en conventies gebonden is, terwijl juist flexibiliteit noodzakelijk is om op de vraag naar muzikale en culturele vorming te kunnen antwoorden zonder dat het kostenniveau explodeert. In 2007 is daarom een totaal nieuwe koers uitgezet. Er wordt afscheid genomen van het beleid waarmee de muzikale en culturele vorming wordt gestimuleerd via de subsidiëring van de uitvoerende instellingen. Daarvoor in de plaats komt een model waarmee de muzikale basisvorming wordt geïntegreerd in het lesaanbod van de basisscholen en voor de deelname aan instrumentale/vocale opleidingsactiviteiten wordt een regeling ingevoerd voor individuele subsidiëring van de deelnemer. De deelnemer maakt zelf afspraken met een aanbieder over de inhoud en de kosten van zijn opleiding. Die aanbieder kan een bevoegde docent zijn die als zelfstandige werkt, maar ook een instelling die bereid is om met dit systeem te werken. De deelnemer kan vervolgens bij de gemeente subsidie aanvragen in de kosten van de opleiding. Deze nieuwe beleidslijn sluit goed aan bij de filosofie van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Burgers dragen zelf verantwoordelijkheid voor deelname aan het maatschappelijk verkeer en krijgen daarbij ondersteuning binnen de kaders van het gemeentelijke beleid. Ontwikkelingen In 2007 is door de raad een nieuwe beleidslijn voor de muzikale en culturele vorming uitgezet. De nieuwe beleidslijn heeft de volgende kenmerken: leerlingen hebben de mogelijkheid hebben om te kiezen uit meerdere aanbieders; aanbieders opereren in een meer open markt, concurrerend op kwaliteit, flexibiliteit en prijs; er is geen sprake van nieuwe gemeentelijke verplichtingen in het kader van de Wet gemeenschappelijke regelingen en/of gemeentelijke subsidieverplichtingen aan private onderwijsinstellingen; er wordt niet bijgedragen in de exploitatiekosten van muziekonderwijsinstellingen, maar er worden financiële tegemoetkomingen verstrekt aan leerlingen voor de door hen aan muziekonderwijsaanbieders verschuldigde lesgelden. Hoewel het de intentie van de raad was om het nieuwe beleid met ingang van 1 augustus 2007 te effectueren, vereist de zorgvuldigheid dat voor de afbouw van de subsidierelatie met de muziekschool meer tijd wordt genomen. Gedurende het schooljaar 2007-2008 zal daarom het traditionele aanbod via de muziekschool in stand blijven. Tegelijkertijd zal al ervaring opgedaan worden met het nieuwe systeem van individuele subsidiëring van deelname aan muzikale en culturele vorming. Kwalitatieve doelstellingen Muzikale vorming moet een bijdrage leveren aan de persoonlijke ontwikkeling van jeugdige inwoners in de leeftijdsgroep van 6 tot 21 jaar. De muzikale vorming moet op een professioneel niveau worden uitgevoerd. Dat geldt zowel voor de muzikale basisvorming als voor de instrumentale opleiding. Culturele vorming moet een bijdrage leveren aan de persoonlijke ontwikkeling van jeugdige inwoners in de leeftijdsgroep van 6 tot 21 jaar. Speerpunten 2008 -2011: wat gaan we doen? invoering muzikale basisvorming op de basisscholen (augustus 2008) beëindiging subsidierelatie met de muziekschool (augustus 2008) harmonisering subsidienormen muziekverenigingen (januari 2008) invoering individuele subsidiëring voor deelname aan muzikale en culturele vorming (schooljaar 2007 -2008) 1.7 Vormings- en ontwikkelingswerk: maatschappelijke vorming Wat doen we? De gemeentelijke ondersteuning van activiteiten op dit terrein heeft zich geruime tijd gericht op doelgroepen waarvan wij nu vinden dat die zelf verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de organisatie en bekostiging van de activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om vormende en emancipatoire programma’s van diverse vrouwenorganisaties. De verantwoordelijkheid voor organisatie en bekostiging van deze activiteiten is teruggelegd bij de deelnemers, respectievelijk de instellingen waarin zij zich georganiseerd hebben. De activiteiten die nog wel gesubsidieerd worden, zijn activiteiten die georganiseerd en uitgevoerd worden door vrijwilligers die zelf niet primair tot de doelgroep behoren en van wie dus niet verwacht mag worden dat zij persoonlijk verantwoordelijkheid dragen voor de noodzakelijk te maken kosten. Kwalitatieve doelstellingen Maatschappelijke vorming moet mensen een handreiking bieden om zelfstandig te functioneren en deel te nemen aan het maatschappelijke verkeer. De verantwoordelijkheid voor de organisatie en bekostiging ligt primair bij de mensen zelf en de organisaties waarin zij zich georganiseerd hebben. Speerpunten 2008 -2011: wat gaan we doen? -vrijwilligers(organisaties) die activiteiten op het gebied van maatschappelijke vorming uitvoeren zonder zelf tot de doelgroep te behoren, kunnen voor niet door deelnemers gedekte kosten een beroep doen op subsidie (2008 – 2011) 1.8 Onderwijs Wat doen we? Algemeen. Het lokaal onderwijsbeleid is opgenomen in de “Nota lokaal onderwijsbeleid gemeente Bladel 2004”, waarin onder andere prioriteiten worden gesteld bij: de zorg voor kwalitatief goede huisvesting van alle scholen in elke kern van de gemeente. het, daar waar mogelijk, meewerken aan de uitvoering van de zgn. brede school gedachte. de zorgplicht om leerlingen in de leeftijd van 5 tot en met 17 jaar te laten voldoen aan de verplichtingen uit de Leerplichtwet 1969 en initiëren dat zij een startkwalif