Gemeentewet en de Afdelingen 10.1.1 en 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht; b e s l u i t : vast te stellen het volgende Reglement van orde van de gemeenteraad. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Paragraaf1.Begripsomschrijvingen Artikel1.Begripsomschrijvingen In dit reglement wordt verstaan onder: amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen; griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een verordening of ander voorstel; motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen; voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering; voorzitter: de burgemeester of de plaatsvervanger voorzitter van de raad, dan wel de voorzitter van de betreffende commissie. Paragraaf2.Toelating raadsleden, fracties Artikel2.Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden 1.Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. 2.De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies. 3.Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen. 4.Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5.In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter in afwijking van het voorgaande een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. Artikel2a.Fracties 1.Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. 2.Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren. 3.De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter. 4.Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of als één of meer raadsleden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. 5.Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3 van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging. Paragraaf3.Benoeming wethouders Artikel3.Benoeming wethouders Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. De commissie onderzoekt of benoeming van de kandidaat voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. Paragraaf4.Instructie griffier Artikel4.De griffier 1.De griffier staat de raad, de voorzitter van de raad, de door de raad ingestelde commissies en de voorzitters van die commissies bij de uitoefening van hun taak ter zijde. 2.De griffier geeft leiding aan de griffie. 3.Bij een verhindering om het ambt te vervullen van meer dan twee dagen doet de griffier daarvan tijdig mededeling aan de raad. 4.Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad aangewezen plaatsvervanger. Artikel4a.Ondersteuning vergaderingen 1.De griffier is in de vergadering van de raad aanwezig en kan aanwezig zijn bij vergaderingen van door de raad ingestelde commissies en overlegorganen. Op uitnodiging van de voorzitter kan de griffier aan de beraadslagingen deelnemen. 2.De griffier staat de voorzitter van de raad ter zijde bij zijn zorg voor een goede voorbereiding en een goed verloop van de vergaderingen van de raad. De griffier draagt er zorg voor dat de voorzitters van door de raad ingestelde commissies op gelijke wijze ter zijde worden gestaan. 3.De griffier ondersteunt de raad en zijn commissies bij het opstellen van de agenda voor hun vergaderingen, een goed verloop van de vergaderingen en een goede en tijdige verslaglegging. Artikel4b.Ondersteuning raadsleden 1.De griffier draagt zorg voor een goede en doelmatige ondersteuning aan de leden van de raad. 2.De griffier draagt er, zo nodig in samenwerking met de secretaris, zorg voor dat de leden van de raad desgevraagd ambtelijke bijstand verkrijgen. Voorschriften hierover worden gesteld bij de verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning. Artikel4c.Communicatie 1.De griffier adviseert de raad over het communicatiebeleid van de raad en draagt zorg voor de uitvoering van interne en externe communicatie. 2.De griffier verzorgt de bekendmaking van agenda's en besluitenlijsten van vergaderingen van de gemeenteraad en de raadscommissies. 3.De griffier informeert inwoners en organisaties over de mogelijkheden om contact te leggen met de raad en verleent daarbij indien gewenst ondersteuning. Artikel4d.Mandaat aan de griffier De griffier neemt namens de raad de volgende besluiten. Alle rechtspositionele besluiten en handelingen m.b.t. het overige griffiepersoneel. Het doen van uitgaven ten behoeve van of in verband met werkzaamheden voor de raad, binnen de daarvoor beschikbaar gestelde budgetten. Besluiten ter uitvoering van de volgende artikelen van de Algemene wet bestuursrecht: 2:3, 6:15 en 7:1a (doorzendplichten), 4:5 en 4:6 (ontvankelijkheid c.q. buiten behandeling laten), 4:13 tot en met 4:20, 7:10 en 7:14, met betrekking tot beslistermijnen en dwangsommen. De uitvoering van de artikelen 4 tot en met 7 van de Wet openbaarheid van bestuur. Paragraaf5.Interne commissies Artikel5.Het fractievoorzittersoverleg 1.Er is een commissie als bedoeld in artikel 84 Gemeentewet, genaamd fractievoorzittersoverleg, bestaande uit de voorzitter van de raad en de fractievoorzitters in de raad. 2.De fractievoorzitters wijzen elk een raadslid aan dat hen bij afwezigheid in het fractievoorzittersoverleg vervangt. 3.Het fractievoorzittersoverleg kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn vergaderingen. 4.Het fractievoorzittersoverleg doet aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies voor zover het niet betreft de taken van de agendacommissie. 5.Op verzoek van de burgemeester behandelt het fractievoorzittersoverleg vertrouwelijke zaken, die zich niet lenen voor behandeling in een (eventueel besloten) raads- of commissievergadering. 6.Elke fractievoorzitter heeft één stem in het fractievoorzittersoverleg. 7.De vergaderingen van het fractievoorzittersoverleg zijn niet openbaar. Artikel5a.Mandaat aan het fractievoorzittersoverleg Het fractievoorzittersoverleg neemt namens de raad de volgende besluiten: Toekenning van de erepenning in goud als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Verordening ereburgerschap en erepenningen Nijkerk. Dit mandaat is niet van toepassing bij gelijktijdige toekenning van het ereburgerschap als bedoeld in artikel 3 van genoemde verordening. Vaststellen van de bedragen als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning. Deze besluiten worden openbaar bekendgemaakt door toezending aan de raad. Artikel6.De agendacommissie 1.Er is een commissie als bedoeld in artikel 84 Gemeentewet, genaamd agendacommissie, bestaande uit: de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de raad en ten minste vier door de raad aangewezen raadsleden, waaronder zo mogelijk de voorzitters van de raadscommissies. 2.De agendacommissie heeft de volgende taken: het voorbereiden en vaststellen van voorlopige agenda’s voor raadsvergaderingen, raadscommissievergaderingen en overige bijeenkomsten van de raad; het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en van de raadscommissies; het vaststellen van vergaderingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Gemeentewet en het derde lid van dit artikel. 3.In aanvulling op de raadscommissievergaderingen als bedoeld in het tweede lid, onder b, vergadert een raadscommissie voorts als haar voorzitter het nodig acht of als ten minste twee fracties schriftelijk, met opgaaf van redenen, daarom verzoeken. 4.De agendacommissie wijst uit haar midden een voorzitter aan. 5.De vergaderingen van de agendacommissie zijn openbaar. Artikel7.De werkgeverscommissie 1.Er is een commissie als bedoeld in artikel 83 Gemeentewet, genaamd werkgeverscommissie, ter uitvoering van de werkgeversrol van de raad. 2.Iedere fractie die in de gemeenteraad is vertegenwoordigd, kan één raadslid voordragen voor de werkgeverscommissie. 3.De commissie bestaat uit ten minste drie leden en ten hoogste uit zoveel leden als er fracties zijn. 4.De leden van de werkgeverscommissie worden door de raad op voordracht van de fracties benoemd. De werkgeverscommissie wijst uit haar midden een voorzitter aan. 5.Het lidmaatschap van de werkgeverscommissie eindigt bij het ontslag als lid van de raad, op schriftelijk verzoek van het commissielid of als de raad een commissielid ontslag verleent. De raad voorziet zo spoedig mogelijk in een tussentijdse vacature. 6.De werkgeverscommissie vergadert, op initiatief van de voorzitter, ten minste tweemaal per jaar. De vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar. 7.De werkgeverscommissie besluit bij meerderheid van stemmen. Besluiten worden door de voorzitter ondertekend. Artikel7a.Bevoegdheden van de werkgeverscommissie Aan de werkgeverscommissie worden de volgende bevoegdheden van de raad overgedragen: besluiten met betrekking tot de organisatie van de griffie. besluiten tot het vaststellen van rechtspositionele voorschriften en instructies voor de griffier en de medewerkers van de griffie. rechtspositionele besluiten en handelingen ten aanzien van de griffier, met uitzondering van benoeming, schorsing en ontslag. beslissingen op bezwaar ten aanzien van de overige medewerkers van de griffie. Hoofdstuk2.Raadsvergaderingen Paragraaf1.Voorbereiding Artikel8.Oproep en voorlopige agenda 1.De voorzitter zendt ten minste twee weken voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken. 2.Als een aanvullende agenda als bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt vastgesteld, wordt deze met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de raadsvergadering aan de leden gezonden. Artikel9.Aanvullende agenda; vaststellen agenda 1.In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende voorlopige agenda opstellen. De daarbij behorende stukken worden openbaar gemaakt. 2.Als omtrent de inhoud van de stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden op verzoek inzage. 3.De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld. Op voorstel van een raadslid of van de voorzitter kan de raad: - de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen; - onderwerpen aan de agenda toevoegen; - onderwerpen van de agenda afvoeren en deze eventueel verwijzen naar een raadscommissie of aan het college nadere inlichtingen vragen. Artikel10.Openbaarmaking, ter inzage leggen van stukken 1.Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een voorlopige agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep, openbaar gemaakt. Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken openbaar worden gemaakt, wordt hiervan mededeling gedaan aan de raadsleden. 2.Stukken als bedoeld in het eerste lid, die digitaal beschikbaar zijn, worden op de website van de gemeente geplaatst. Andere stukken worden ter inzage gelegd in het stadhuis. 3.Als omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden inzage. Artikel11.Openbare kennisgeving 1.Raadsvergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging in het elektronische gemeenteblad en op de website van de gemeente. 2.Daarbij wordt vermeld: datum, aanvangstijd en plaats van de vergadering; de voorlopige agenda en de vindplaats van de daarbij behorende stukken. Paragraaf2.Ter vergadering Artikel12.Presentielijst 1.De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen. 2.Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst. Aan het einde van elke raadsvergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld. Artikel12a.Ambtsgebed Voor het openen van de vergadering spreekt de voorzitter of één van de raadsleden het volgende gebed uit: "Almachtige God, Die door uw oneindige wijsheid het heelal regeert en ons hebt geroepen tot het besturen van deze gemeente. Wij bidden U ons, door Uwe Geest, te sterken en ons de nodige wijsheid, standvastigheid en verdraagzaamheid te schenken en onze arbeid te zegenen. Amen.” Artikel13.Aantal spreektermijnen 1.Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. 2.Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten. 3.Raadsleden mogen in een termijn niet meer dan éénmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel. 4.Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, ten aanzien van de beraadslaging over het door dat raadslid ingediende. 5.Bij de bepaling hoeveel malen een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde. Artikel13a.Beraadslaging in onderdelen; schorsing 1.De raad kan op voorstel van de voorzitter of een raadslid over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk beraadslagen. 2.Op verzoek van een raadslid of op voorstel van de voorzitter kan de raad de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is. Artikel14.Deelname aan de beraadslaging door anderen Onverminderd artikel 21 van de Gemeentewet kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. Artikel15.Voorstellen van orde Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier terstond over. Artikel15a.Spreekregels 1.De raadsleden en overige aanwezigen spreken vanaf hun plaats of van de spreekplaats en richten zich tot de voorzitter. 2.Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de raadsleden en de overige aanwezigen vanaf een andere plaats spreken. Artikel15b.Volgorde sprekers 1.Een raadslid voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben. 2.De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer een raadslid het woord vraagt over de orde van de vergadering. Artikel15c.Spreektijd en vergadertijd 1.De voorzitter en de raadsleden kunnen een voorstel doen over de spreektijd van de raadsleden en de overige aanwezigen. 2.De eindtijd voor een vergadering is 23.00 uur. Als de behandeling van de agenda op dat moment niet is voltooid, wordt de vergadering geschorst en voortgezet op de eerstvolgende maandag die geen algemeen erkende feestdag is, aanvang 20.00 uur, of op een door de raad te bepalen andere dag en tijd. 3.Het tweede lid wordt niet toegepast indien twee derde van de aanwezige raadsleden aangeeft de vergadering te willen voortzetten. Artikel15d.Handhaving orde; schorsing 1 Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren; een raadslid hem interrumpeert; de voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden. 2Als een spreker beledigende of onbetamelijke taal gebruikt, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Als de betreffende spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. 3De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en -als na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord- de vergadering sluiten. Paragraaf3.Stemmingen Artikel16.Stemverklaring Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag toelichten. Artikel17.Beslissing 1.De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. 2.Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing. Artikel18.Stemming; procedure hoofdelijke stemming 1.De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen. 2.Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming te hebben deelgenomen. 3.Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad. Vervolgens wordt overgegaan tot stemming bij handopsteken, dan wel tot hoofdelijke stemming. Alle ter vergadering aanwezig raadsleden brengen hun stem uit, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren te nemen. 4.Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid. Vervolgens geschiedt de oproeping op alfabetische volgorde. De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging. 5.Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen totdat het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming. 6.De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee. Deze doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit. Artikel19.Volgorde stemming over amendementen en moties 1.Als een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel. 2.Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft. 3.Als meerdere amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. 4.Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken. Artikel20.Stemming over personen 1.Bij stemming over personen voor voordrachten of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter twee raadsleden tot stembureau. 2.Aanwezige raadsleden zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren te nemen. 3.Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje. 4.Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal raadsleden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van het stembureau. 5.Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht de raadsleden die geen behoorlijk ingevuld stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan: een blanco stembriefje; een ondertekend stembriefje; een stembriefje waarop meer dan één naam per vacature is ingevuld; een stembriefje waarbij, als het een benoeming op voordracht betreft, een naam is ingevuld die niet is voorgedragen; een stembriefje waarop de naam van een andere persoon is ingevuld dan die waartoe de stemming is beperkt. 6.Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd. Artikel20a.Herstemming over personen 1.Als bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan. 2.Als ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen de twee personen die bij de tweede stemming de meeste stemmen hebben verkregen. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben. 3.Als bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot. Artikel20b.Beslissing door het lot 1.Als het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de griffier op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven. 2.Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud. 3.Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen. Paragraaf4.Verslaglegging en ingekomen stukken Artikel21.Verslag en besluitenlijst 1.Van openbare raadsvergaderingen wordt rechtstreeks via internet verslag gedaan in beeld en geluid. 2.Het beeld- en geluidsverslag is direct na de vergadering via internet raadpleegbaar en doorzoekbaar op spreker en onderwerp. 3.De griffier draagt zorg voor de totstandkoming van de internetuitzending en het beeld- en geluidsverslag. 4.Van openbare raadsvergaderingen wordt door de griffier een besluitenlijst opgesteld. 5.De besluitenlijst vermeldt: de namen van de voorzitter, de griffier, de wethouders en de ter vergadering aanwezige leden, alsmede van de leden die afwezig waren; de behandelde agendapunten en de daarbij door de raad genomen besluiten, gemaakte afspraken en toezeggingen; een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden. 6.De besluitenlijst wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend en zo spoedig mogelijk na afloop van de vergadering bekendgemaakt in het elektronische gemeenteblad en op de website van de gemeente, voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet. 7.De besluitenlijst wordt in de eerstvolgende raadsvergadering ter kennisname geagendeerd. De raadsleden, de voorzitter, de wethouders en de griffier hebben het recht een voorstel tot verandering aan de raad te doen, als de besluitenlijst naar hun mening onjuistheden bevat of niet duidelijk weergeeft hetgeen besloten is. Artikel22.Ingekomen stukken 1.Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst die aan de raadsleden wordt toegezonden en openbaar wordt gemaakt. 2.De raad stelt op voorstel van de agendacommissie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. Paragraaf5.Besloten raadsvergaderingen Artikel23.Toepassing reglement op besloten vergaderingen Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Artikel24.Verslag besloten vergadering 1.Conceptverslagen van besloten raadsvergaderingen worden niet verspreid, maar uitsluitend voor de raadsleden ter inzage gelegd bij de griffier. 2.Deze verslagen worden zo spoedig mogelijk in een besloten raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van het vastgestelde verslag. 3.De vastgestelde verslagen worden door de voorzitter en de griffier ondertekend. Artikel25.Opheffing geheimhouding Als de raad op grond van de artikelen 25, derde en vierde lid, 55, tweede en derde lid, of 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd. Paragraaf6.Toehoorders en pers Artikel26.Toehoorders en pers 1.Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen. 2.Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden. Artikel27.Geluid- en beeldregistraties Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. Hoofdstuk3.Bevoegdheden, instrumenten raadsleden Artikel28.Amendementen en subamendementen 1.Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben in bij de voorzitter. Dit gebeurt schriftelijk, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat. 2.Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben. 3.Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. Artikel29.Moties 1.Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter. 2.De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft. 3.De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld. 4.Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. Artikel30.Initiatiefvoorstel 1.Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de voorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college. 2.Het college kan binnen 14 dagen nadat het in kennis is gesteld van een voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot dat voorstel ter kennis van de raad brengen. 3.Een voorstel wordt nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. In dat geval wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst. Artikel31.Collegevoorstel 1.Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad. 2.Als de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug aan het college dient te worden gezonden, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt. Artikel32.Interpellatie 1.Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval de te stellen vragen. 2.De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders. 3.Als het verzoek ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering is ingediend of in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, wordt over het verzoek tijdens de eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering. 4.De behandeling van de aanvraag tot het houden van een interpellatie heeft plaats onmiddellijk na de opening van de vergadering. De raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden. 5.De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft. Artikel32a.Spoeddebat 1.Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een spoeddebat, niet zijnde een interpellatie als bedoeld in artikel 155, tweede lid, van de Gemeentewet, ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek is ondertekend door ten minste een vijfde van het aantal raadsleden en bevat een omschrijving van het onderwerp van debat en een motivering van de spoedeisendheid. 2.De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college. 3.Aan het begin van de raadsvergadering beslist de raad op het verzoek. Het verzoek wordt toegestaan als naar het oordeel van de raad: uitstel van de behandeling kan leiden tot onomkeerbare beslissingen van het college of anderszins tot maatregelen dan wel handelingen die onomkeerbaar zijn, of uitstel van de behandeling dwingt tot het nemen van besluiten dan wel het treffen van maatregelen om een politiek of maatschappelijk onaanvaardbare situatie te voorkomen. 4.Wordt het verzoek toegestaan, dan wordt het onderwerp van debat door de raad in dezelfde vergadering geagendeerd op voorstel van de voorzitter. Artikel33.Schriftelijke vragen 1.Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester in bij de griffier. Daarbij wordt aangegeven of er een voorkeur voor schriftelijke of mondelinge beantwoording bestaat. 2.De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester. 3.Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn ingediend. 4.In gevallen waarin om mondelinge beantwoording is verzocht, vindt mondelinge beantwoording plaats in de eerstvolgende raadsvergadering, mits de vragen ten minste een week voor aanvang van die raadsvergadering zijn ingediend. Wanneer dit onmogelijk is, stellen het college of de burgemeester de griffier daarvan gemotiveerd in kennis, waarbij tevens aangegeven wordt binnen welke termijn de mondelinge beantwoording kan plaatsvinden. 5.Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffier aan de raadsleden toegezonden. 6.De vragensteller kan bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering nadere inlichtingen vragen over het door de burgemeester of het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist. Artikel34.Inlichtingen 1.Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet, schriftelijk in bij de griffier. 2.De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester. 3.De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad verschaft, in ieder geval binnen twee weken nadat het verzoek is ingediend. Artikel35.Vragenuur 1.Eens per maand is er aan het begin van de raadsvergadering een vragenuur, tenzij er bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. In bijzondere gevallen kan de agendacommissie bepalen dat het vragenuur op een ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenuur eindigt. De totaal beschikbare spreektijd bedraagt 30 minuten. 2.Raadsleden die tijdens het vragenuur vragen willen stellen, melden dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste 24 uur voor aanvang van het vragenuur bij de voorzitter. De voorzitter kan na overleg met de agendacommissie weigeren een onderwerp tijdens het vragenuur aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt. 3.De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenuur aan de orde worden gesteld. 4.De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de overige raadsleden. 5.Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. 6.Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen. 7.Vervolgens kan de voorzitter aan andere raadsleden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. 8.Tijdens het vragenuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten. Hoofdstuk4.Slotbepalingen Artikel36.Uitleg reglement In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter. Artikel37.Intrekken oude reglement Het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere weerkzaamheden van de gemeenteraad, rbs. 2002-035 d.d. 14 maart 2002, zoals nadien gewijzigd, wordt ingetrokken. Artikel38.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Dit reglement treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het elektronische gemeenteblad waarin het wordt bekendgemaakt. 2.Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde van de gemeenteraad. Aldus vastgesteld in de openbare vergaderingvan de raad van de gemeente Nijkerk d.d. 26 maart 2015, de griffier, de heer O. VAN KOLCKde voorzitter, de heer mr. drs. G.D. RENKEMATOELICHTING Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. Artikel 2. Het fractievoorzittersoverleg Het fractievoorzittersoverleg heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). Men zou er voor kunnen kiezen de regie van enkele interne/organisatorische kwesties bij het fractievoorzittersoverleg neer te leggen. In artikel 2 is als aanvullende taak opgenomen dat het fractievoorzittersoverleg aanbevelingen doet aan de raad inzake de organisatie van de werkzaamheden van de raad en zijn commissies. Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het reglement van orde, het instrueren van de griffier en het bespreken van agenda-technische zaken. Het is van belang dat in het fractievoorzittersoverleg elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. De griffier is bij elke vergadering van het fractievoorzittersoverleg aanwezig (artikel 4, eerste lid), omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de secretaris kan ook gewenst zijn, omdat de secretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Overeenkomstig het derde lid kan de secretaris worden uitgenodigd. Artikel 2. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden Vooraf Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Eerste en tweede lid De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Derde lid Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen. Dit lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang om dat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot een dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een klein aantal (bijv. 3) stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit wel zijn. Vierde en vijfde lid Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd. Artikel 2a. Fracties Eerste en tweede lid De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In de Gemeentewet in artikel 33, tweede lid, wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee. Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de voorzitter van het stembureau). Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met de Gemeentewet en de Kieswet; personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractieafplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en –faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door burgerraadsleden. Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet). Vijfde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde. Indien de nieuwe fractie wil meedoen aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit ook gebeuren. Bij registratie als politieke groepering wordt getoetst aan hoofdstuk G van de Kieswet, waarin staat aangegeven in welke gevallen deze registratie geweigerd wordt. Artikel 3. Benoeming wethouders Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incomptabiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden. Bij de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode politieke ambtsdragers speelt hierbij een rol. Daarnaast kan een verklaring omtrent het gedrag (VOG) worden gevraagd. De raad kan aangeven dat zij deze procedure wil volgen bij de benoeming van wethouders. De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de integriteit van de aspirant bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw raadslid te benoemen. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is een risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd. Artikel 3a. De werkgeverscommissie Elke fractie heeft de mogelijkheid een raadslid plaats te laten nemen in de werkgeverscommissie. Taak van de werkgeverscommissie is de zaken te behartigen die de werkgeverspositie van de raad betreffen. Het gaat dan om de organisatie en de personeelszaken van de griffie. De handreiking ‘(rechts)positie van de griffie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.