Nota "Vergunningen, Toezicht en Handhavingsbeleid fysieke leefomgeving 2015-2019"De raad van de gemeente Brummen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 april 2015 met kenmerk RV15.0029; gehoord het behandeladvies van het forum Ruimte van 3 september 2015; heeft besloten: De nota "Vergunningen, Toezicht en Handhavingsbeleid fysieke leefomgeving 2015-2019" vast te stellen. 1.INLEIDING Voor u ligt het ‘Vergunningen, Toezicht en Handhavingsbeleid fysieke leefomgeving 2015 – 2019’ van de gemeente Brummen. Dit beleidsstuk vervangt de intregale handhavingsnota over de periode 2011-
(2)het typeren van de normadressaat. Ad. 1 De gevolgen van bevindingen beoordeelt de handhaver als: vrijwel nihil; of beperkt; of van belang – er is sprake van aanmerkelijk risico dat de bevinding maatschappelijke onrust geeft en/of milieuschade, natuurschade, waterverontreiniging en/of doden, zieken of gewonden (mens, plant én dier) tot gevolg heeft; of aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar – onder andere het geval als de overtreding maatschappelijke onrust en/of ernstige milieuschade, ernstige natuurschade, ernstige waterverontreiniging en/of doden, zieken of gewonden (mens, plant én dier) tot gevolg heeft. Ad. 2 De handhaver typeert de normadressaat als: goedwillend, proactief en geneigd om de regels te volgen, de bevinding is het gevolg van onbedoeld handelen; of onverschillig/reactief, neemt het niet zo nauw met het algemeen belang, heeft een onverschillige houding, de bevinding en de gevolgen van zijn handelen laten hem koud; of is opportunistisch en calculerend, er is sprake van het bewust belemmeren van controlerenden, er is sprake van mogelijkheidsbewustzijn, maar de gevolgen van het handelen worden op de koop toe genomen, bewust risico nemend; of bewust en structureel de regels overtredend en/of crimineel of deel uitmakend van een criminele organisatie, houdt zich bezig met fraude, oplichting of witwassen. Bij de typering van de normadressaat kijkt de handhaver dus verder dan de bevinding op zich en neemt hij diens gedrag en toezicht- en handhavingshistorie mee in beschouwing. Als de handhaver niet in staat is om de normadressaat te typeren, dan is typering B (onverschillig/reactief) het vertrekpunt. De handhaver bepaalt tot slot of er sprake is van verzachtende of verzwarende argumenten. Bij verzachtende argumenten wordt de in de interventiematrix gepositioneerde bevinding één segment naar links en vervolgens één segment naar onder verplaatst. Bij verzwarende argumenten, waaronder recidive, is de verplaatsing één segment naar rechts en vervolgens één segment naar boven. Als er meer verzachtende of verzwarende argumenten zijn, levert dit toch maar één verplaatsing op. Als legalisatie van de bevinding mogelijk is, is dat de aangewezen weg gelet op de hieruit voortvloeiende rechtszekerheid voor alle betrokkenen. Dit laat het toepassen van de landelijke handhavingstrategie en de interventiematrix onverlet, omdat er maatregelen nodig kunnen zijn om de overtreding te beëindigen en de gevolgen te beperken of weg te nemen. Bij het toepassen van de interventiematrix is de mogelijkheid van legalisatie een verzachtende omstandigheid. [6] Geldt enkel voor bevindingen die een overtreding zijn. Er kunnen tot slot omstandigheden zijn om bij een bevinding van handhaven af te zien op basis van een vastgestelde gedoogstrategie. Onder gedogen wordt verstaan het expliciete besluit van een bestuursorgaan om tegen een bepaalde overtreding niet handhavend op te treden. De nota ‘Gedogen in Nederland’[7] bevat het landelijke kader voor gedogen: een gedoogsituatie is van tijdelijke aard doordat het handelen binnen afziebare tijd ophoudt dan wel doordat waarschijnlijk een vergunning zal worden verleend. Ingeval tot gedogen wordt besloten dient het landelijke kader voor gedogen onverkort te worden gevolgd. Gedogen laat eventuele strafvervolging door het OM overigens onverlet. Stap 2: Bepalen verzwarende aspecten De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die moeten worden betrokken bij de afweging om het bestuurs- en/of strafrecht toe te passen. Hoe meer verzwarende aspecten, des te groter de reden om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk te handhaven. Vooral voor bevindingen die na stap 1 in de middensegmenten van de interventiematrix zijn gepositioneerd (A4, B3, B4, C2 en D2), kunnen de verzwarende aspecten reden zijn om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk op te treden. De volgende verzwarende aspecten worden afgewogen: Verkregen financieel voordeel (winst of besparing). De normadressaat heeft door zijn handelen financieel voordeel behaald of financieel voordeel halen was het doel. Status verdachte/voorbeeldfunctie. De normadressaat is: een regionaal of landelijk maatschappe-lijk aansprekende of bekende (rechts)persoon, een overheid, toonaangevend brancheonderdeel, een certificerende instelling, een persoon die een openbaar ambt bekleedt, de eigen organisatie. Financiële sanctie heeft vermoedelijk geen effect. Een bestuurlijke boete kan waarschijnlijk niet geïnd worden of is waarschijnlijk door de normadressaat als (bedrijfs)kosten ingecalculeerd. Combinatie met andere relevante delicten. Andere handelingen zijn gepleegd ter verhulling van de feiten, zoals valsheid in geschrift, corruptie of witwassen. Medewerking van deskundige derden. De normadressaat is bij zijn handelen ondersteund door deskundige derden, zoals vergunningverlenende of certificerende instellingen, keuringinstanties en brancheorganisaties. De handhaver moet onderbouwen op grond van welke aanwijzingen hij het vermoeden heeft dat de deskundige derde op de hoogte was en/of medewerking heeft verleend aan de geconstateerde bevinding(en). Normbevestiging. Bij dit aspect geldt dat het doel van de handhaving ligt in het onder de aandacht brengen van het belang van een bepaalde norm bij de branche of bij het bredere publiek. Strafrechtelijke handhaving vindt mede plaats in het kader van normhandhaving of normbevestiging met het oog op grotere achterliggende te beschermen rechtsbelangen. Hierbij speelt de openbaarheid van het strafproces een grote rol. Als in het openbaar, door middel van een onderzoek ter terechtzitting of de publicatie van een persbericht bij een transactie of strafbeschikking, verantwoording wordt afgelegd van gepleegde strafbare feiten krijgt de normhandhaving of normbevestiging het juiste effect. Waarheidsvinding. Soms kan strafrechtelijk optreden met toepassing van opsporingsbevoegdheden met het oog op de strafrechtelijke waarheidsvinding en afdoening aangewezen. Bijvoorbeeld als een controle of inspectie aanwijzingen aan het licht brengt dat er meer aan de hand is, maar de bestuursrechtelijke instrumenten ontoereikend zijn om de waarheid aan het licht te brengen. [7] Gedogen in Nederland 25085, nr 2, 1996 - 1997 Stap 3: Bepalen of overleg van het bestuur met politie en OM, dan wel van politie en OM met het bestuur, over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is De handhaver bepaalt of overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is op basis van de beoordeling van de bevinding met de interventiematrix (stap 1) en de afweging van verzwarende aspecten (stap 2). Dit overleg beoogt een weloverwogen inzet van het bestuursrecht, het bestuurs- én strafrecht of alleen het strafrecht. Dit overleg is derhalve tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien nodig het overleg op met politie en OM en omgekeerd. Overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht is altijd noodzakelijk als de handhaver de bevinding na stap 1 heeft gepositioneerd in de middensegmenten (A4, B3, B4, C2, D2 en D1) of zware segmenten (C3, C4, D3 en D4) van de interventiematrix. Overleg kan ook zinvol zijn bij bevindingen die de handhaver weliswaar heeft gepositioneerd in de lichte segmenten van de interventiematrix (A1, A2, A3, B1, B2 en C1), maar waarbij op grond van stap 2 sprake is van één of meer verzwarende aspecten. In situaties waarin een handhavinginstantie een BSBm oplegt is overleg met het OM niet geïndiceerd en is strafrechtelijk optreden door het OM niet aan de orde. Als de handhaver concludeert dat overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is, wordt gehandeld op basis van vooraf tussen bestuursrechtelijke handhavinginstanties, politie en OM gemaakte algemene afspraken over hun samenspel. Alleen zo kan accuraat en effectief optreden in voorkomende gevallen worden gewaarborgd, in het bijzonder als er sprake is van spoed en heterdaad. Situaties waarin de vooraf gemaakte algemene afspraken niet voorzien, zullen apart door handhavinginstantie, politie en OM worden beoordeeld, in een regulier overleg of door middel van ad hoc overleg als snelheid vereist is. Uit het overleg volgt hoe de betreffende bevinding wordt opgepakt: alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- én strafrechtelijk of alleen strafrechtelijk. Het laatste veelal startend met een opsporingsonderzoek onder leiding van de Officier van Justitie. Tenslotte is, afgezien van de interventiematrix, aangifte bij het OM standaard als toezichthouders de volgende ernstige bevindingen doen: Situaties waarin bewust het toezicht onmogelijk wordt gemaakt, zoals het weigeren van toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude, vernietiging van bewijs en poging tot omkoping. Situaties waarin de toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht, door onder andere: sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie. Stap 4: Optreden met de interventiematrix De LHS gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft. De handhaver gebruikt de interventiematrix van figuur 3 daarbij als volgt: De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van deze interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 (paragraaf 3.1) heeft gepositioneerd. De handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de in het betreffende segment opgenomen interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(
- s)in de betreffende situatie passender is. De interventies in de (segmenten van
- de)matrix lopen van beneden naar boven op in zwaarte.[8] In bijlage II staan alle interventies eveneens van licht naar zwaar toegelicht. Waar in de matrix van onderstaande figuur ‘PV’ staat betreft het de middelzware en zware segmenten die in stap 3 zijn afgestemd tussen handhavinginstantie en OM. Als in overleg is besloten dat het OM niet optreedt, zijn er in deze situaties de in de figuur3 aangegeven op herstel en/of op bestraffing gerichte Bestuursrechtelijke interventies om te overwegen, en ook de BSB als strafrechtelijke interventie. [8] Voor een toelichting op de begrippen wordt verwezen naar bijlage III. De handhaver zet de betreffende (combinatie van) interventie(
- s)in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de handhaver bepaalde termijn uitblijft, pakt de handhaver direct door, door middel van het inzetten van een zwaardere (combinatie van) interventie(s). In algemene zin geldt voor termijnen het volgende: Gedragsvoorschriften dienen direct in acht genomen te worden. Hiervoor dient geen of hooguit een zeer korte termijn te worden gesteld om de overtreding te beëindigen en/of herhaling ervan te voorkomen. In alle andere gevallen – waaronder ook plannen of voorzieningen waarvoor investeringen vereist zijn geldt: hoe urgenter de situatie des te korter de termijn. Daarbij rekening houdend met de technische en organisatorische realiseerbaarheid in die termijn. Het optreden in stap 4, zoals tot nu toe beschreven, heeft betrekking op gedane bevinding(
- en)die op grond van de interventiematrix worden aangepakt. Uiteraard kunnen handhavingsinstanties aanvullend ook hun toezichtstrategie bij het betreffende bedrijf als zodanig aanpassen, in de zin van bijvoorbeeld het verhogen/verlagen van de toezichtfrequentie, het initiëren van de herijking van de vergunningensituatie, et cetera. Stap 5: Vastlegging De doorlopen stappen en genomen beslissingen worden verifieerbaar en transparant vastgelegd volgens de binnen de handhavingsinstantie geldende administratieprocedures en -systemen, zodanig dat hieruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan: het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van misbruik van bevoegdheid. Richtlijn dwangsom Wij kennen een ruime mate van beleidsvrijheid bij het bepalen van de hoogte van dwangsommen en het stellen van een maximum aan het te verbeuren bedrag. In ieder geval moet de hoogte van de dwangsom tot doel hebben de overtreding tegen te gaan en/ of te beëindigen. Een dwangsom kan verder afhankelijk van het soort overtreding opgelegd worden per geconstateerde overtreding of per tijdseenheid. In een dwangsombesluit wordt daarom gemotiveerd de hoogte van de dwangsom per constatering opgenomen en het maximum bedrag dat de overtreder kan verbeuren. Bij iedere opgelegde dwangsom wordt een redelijke termijn gesteld, waarbinnen de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld de overtreding te beëindigen, zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Hierbij wordt rekening gehouden met de reële mogelijkheden die de overtreder heeft om de overtreding op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Om niet iedere keer de hoogte van een dwangsom te moeten berekenen en willekeur te voorkomen heeft de gemeente Brummen een richtlijn voor de hoogte van haar dwangsommen. Daarbij wordt ook een reële begunstigingstermijn genoemd. In bijlage IV is een overzicht per taakveld opgenomen. 6.3.3De gedoogstrategie De LHS gaat deels in op de gedoogstrategie. Zij omschrijft deze als een bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd in welke situaties en onder welke condities inzet van sancties tegenover overtreders tijdelijk achterwege kan blijven. In vaste jurisprudentie is bepaald dat de gemeente een beginselplicht tot handhaven heeft. Dit houdt in dat de gemeente niet alleen bevoegd is om tegen een overtreding van een wettelijk voorschrift handhavend op te treden, maar daartoe in beginsel zelfs verplicht is. Bijzondere omstandigheden kunnen een uitzondering op deze beginselplicht vormen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er concreet zicht op legalisatie is, of als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gemeente redelijkerwijs af zou moeten zien van handhaving. Gedogen is dus slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar. Van deze bevoegdheid dient daarom zeer terughoudend gebruik te worden gemaakt. Mantelzorgwoningen De gemeenteraad heeft op 22 januari 2015 de Beleidsregeling Mantelzorgwoning vastgesteld. In dit besluit is opgenomen een parapluherziening op te starten om uitvoering te kunnen geven aan de beleidsregeling Mantelzorgwoning. De raad heeft hiermee besloten om tot het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en in urgentiegevallen die voldoen aan de uitgangspunten opgenomen in de beleidsregeling, niet handhavend op te treden tegen deze tijdelijke mantelzorgwoningen. Er wordt wel handhavend opgetreden indien de noodzaak tot mantelzorg is komen te vervallen en de woning onrechtmatig wordt bewoond, of de aangebrachte voorzieningen niet worden verwijderd. Deze beleidsregeling is op 4 februari gepubliceerd en op 5 februari 2015 in werking getreden. 7.MONITORING EN EVALUATIE 7.1Monitoring en registratie Bij het opstellen van het jaarverslag kan monitoring plaatsvinden van wat er daadwerkelijk is uitgevoerd. Daarbij zal worden gekeken naar de uitgevoerde taken ten aanzien van vergunningen, toezicht en handhaving. Ook worden de gestelde doelen geëvalueerd. Door monitoring en registratie zijn deze taken meetbaar. Natuurlijk zeggen deze getallen niet alles over de processen. Wel maakt dit de processen inzichtelijk(
- er)en kunnen verschillende periodes met elkaar worden vergeleken. In het jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma worden de resultaten van de voorliggende periode kenbaar gemaakt. Voor het formuleren van indicatoren moeten eerst de doelstellingen bepaald worden. In dit kader kunnen in ieder geval de navolgende doelstellingen worden onderscheiden: inputdoelstellingen (hebben betrekking op de inzet van de organisatie); prestatiedoelstellingen (hebben betrekking op de geleverde prestaties van de organisatie); naleefdoelstellingen (hebben betrekking op de mate waarin wettelijke voorschriften worden nageleefd) De te benoemen indicatoren worden vervolgens, afhankelijk van de gestelde doelen, afgeleid uit het uitvoeringsprogramma en zijn (mede) afhankelijk van de uit te voeren toezichtvormen zoals beschreven in de toezichtstrategie van dit beleidsplan. 7.2Verslaglegging en verbeteringen doorvoeren De resultaten van het uitvoeringsprogramma worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van een monitoring- en registratiesysteem en worden vervolgens opgenomen in een jaarrapportage. Daarnaast worden deze resultaten, waar nodig, ook verwerkt in de risicomodule en capaciteitsmodule. Op grond hiervan worden conclusies getrokken en kan het eerder vastgestelde beleid (en uitvoeringsprogramma) gemotiveerd worden bijgesteld. Andere van belang zijnde invalshoeken of ontwikkelingen kunnen redenen zijn om het beleid of programma bij te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan nieuwe visies en inzichten op het gebied van de uit te voeren toezicht- en handhavingstaken. Ook kunnen wijzigingen in de regelgeving en aanpassing van de organisatie, redenen zijn om het beleid bij te stellen. De nota biedt overigens op een aantal punten behoorlijk wat rek en binnen de bandbreedte van het plan kunnen de accenten in de loop van de tijd verschuiven. Als gevolg daarvan kunnen in uitvoeringsprogramma’s de doelen concreter worden weergegeven. Het is daarom niet nodig / wenselijk om de beleidsnota gelijktijdig met het uitvoeringsprogramma jaarlijks te herzien. Verbeterpunten ten aanzien van de beleidsnota moeten geregistreerd worden, zodat ze periodiek in de nota kunnen worden verwerkt. 8.RECENTE EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 8.1Inleiding Het fysieke domein heeft de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen doorgemaakt en staat ook de komende jaren niet stil. Wetswijzigingen volgen elkaar snel op. Steeds vaker hebben deze wetswijzigingen ook impact op de organisatie van de werkzaamheden binnen overheid en markt. Met de inwerkingtreding van de Wabo in 2010 is de omgevingsvergunning geïntroduceerd, waarmee het mogelijk werd om één vergunning aan te vragen voor verschillende activiteiten. Er zijn echter ook steeds meer activiteiten waarvoor in het geheel geen vergunnig meer is vereist. Er zijn Kwaliteitscriteria vastgesteld en door de Rijskoverheid wordt onderkend dat gemeenten behoefte hebben aan praktische en flexibele instrumenten om maatschappelijke opgaven als demografische krimp, de stagnerende woningmarkt en kantorenleegstand op een goede manier aan te kunnen pakken. Bovendien moeten procedures eenvoudiger en sneller kunnen worden doorlopen en is een heldere bevoegdheidsverdeling tussen verschillende overheden nodig. Gelet hierop wordt gewerkt aan de Omgevingswet. Uiteindelijk zal de Wabo hierin opgaan. Voorts is met de introductie van de LHS een stap gezet in een zo efficiënt en effectief mogelijke handhaving van het omgevingsrecht. 8.2Besluit tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht Op 1 november 2014 is het ‘Besluit tot wijziging van het Besluit Omgevingsrecht’ in werking getreden. Hiermee zijn de mogelijkheden om tijdelijk of permanent van het bestemmingsplan af te wijken of om vergunningvrij te bouwen verruimd. Dit heeft onder andere gevolgen voor de realisering van mantelzorgwoningen en bijbehorende bouwwerken. De wijziging betreft in hoofdzaak drie veranderingen: er zijn nieuwe regels voor omgevingsvergunningen om af te wijken van het bestemmingsplan; er zijn mogelijkheden om (veelal) vergunningvrij een mantelzorgwoning te bouwen; er zijn mogelijkheden om bijbehorende bouwwerken zonder vergunning te realiseren. Tijdelijk afwijken van het bestemming van het bestemmingsplan tot een maximum van tien jaar kan nu via de reguliere procedure. De voorschriften die zien op het herstellen van de oorspronkelijke situatie bij tijdelijke vergunningen worden verduidelijkt. De mogelijkheden van het vergunningvrij bouwen worden voor veel situaties verruimd. De verruiming heeft vooral betrekking op de mogelijkheden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld aanbouw, uitbouw, schuur, garage) en op de realisatie van mantelzorgvoorzieningen. Een gevolg van de verruiming van vergunningsvrij bouwen is dat er nog meer een verschuiving van toezichttaken plaatsvindt van controle op uitvoering van vergunningen naar vergunningvrij bouwen. 8.3Wetsvoorstel Verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving Over de kwaliteit van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) is al jaren veel discussie. Om tot verbetering van de uitvoeringskwaliteit te komen hebben het Rijk, IPO en de VNG afspraken gemaakt om te komen tot een modernisering van het VTH-stelsel. Dit is de zogenaamde Package deal, die tot stand kwam in juni 2009. De afspraken die zijn gemaakt betreffen het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken, van de samenwerking en informatie-uitwisseling bij de handhaving in de bestuurlijke kolom enerzijds en tussen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke kolom anderzijds, het vereenvoudigen van de bevoegdheidsverdeling tussen de overheden door verdere decentralisatie en het verminderen van de bestuurlijke drukte door versobering van het interbestuurlijk toezicht. Tevens is afgesproken om de resultaten van bovenstaande afspraken wettelijk te borgen. Het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel Verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving[9] beoogt de uitvoering van de VTH-taken op het gebied van het omgevingsrecht structureel te verbeteren door fragmentatie te beperken, de vrijblijvendheid in de samenwerking en uitvoering te beëindigen en het verbeteren van de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving door het stellen van kwaliteitscriteria. In april 2014 heeft de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu een reactie gegeven op het wetsvoorstel. Ook de VNG en het IPO hebben gereageerd op het voorstel. Kritiek van deze partijen heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu doen besluiten het wetsvoorstel op onderdelen te wijzigen. Vervolgens is in bestuurlijk overleg tussen het Rijk, het IPO en de VNG het draagvlak gevonden voor een aantal aanpassingen van het wetsvoorstel. Een belangrijke wijziging met betrekking tot de kwaliteitscriteria is het maken van een scherper onderscheid tussen de stelselverantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de uitvoeringsverantwoordelijkheden van gemeenten en provincies, hetgeen er toe leidt dat gemeenten en provincies zelf volledig verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van een goede uitvoeringskwaliteit. Hierbij zal het stellen van kwaliteitseisen voor de benodigde deskundigheid en minimumbeschikbaarheid alleen als ultimum remedium bij algemene maatregel van bestuur plaatsvinden. In plaats daarvan wordt een meer algemeen wettelijk kader voorgesteld, waarbij het vertrouwen centraal staat dat de kwaliteit van de uitvoering en handhaving vanuit de eigen uitvoeringsverantwoordelijkheid goed wordt geborgd. In verband met de noodzakelijke uniformiteit van de gemeentelijke verordeningen en het behoud van de reeds bestaande kwaliteit is in bestuurlijk overleg afgesproken dat VNG en IPO samen modelverordeningen voor de gemeentelijke en provinciale verordeningen opstellen. Bij het opstellen van de modelverordeningen kan gebruik gemaakt worden van de bottom up ontwikkelde kwaliteitscriteria die onder andere minimumeisen van deskundigheid en beschikbaarheid bevatten. Een gemeente is niet verplicht om de modelverordening van VNG of IPO te volgen; een gemeente zou het bijvoorbeeld wenselijk kunnen vinden om meer waarborgen voor een goede kwaliteit in zijn verordening te regelen dan aanwezig zijn in de modelverordening. Naar aanleiding van de door de staatssecretaris voorgestelde wijzigingen heeft de vaste commissie op 5 februari 2015 besloten tot het uitbrengen van een nader verslag over het wetsvoorstel. Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit nader verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.[10] [9] Formele naam: Wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht(verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving), Kamerstuk 33 872. [10] http://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?id=2014Z02873&dossier=33872. 8.4Wet kwaliteitsborging voor het bouwen De in voorbereiding zijnde Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen heeft ook invloed op de VTH-taken. Het betreft de wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet in verband met de versterking van de positie van de bouwconsument en de invoering van een nieuw stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen. Deze stelselwijziging heeft grote gevolgen voor gemeenten. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel blijkt dat in het voorgenomen stelsel de toetsing door het bevoegd gezag aan de bouwtechnische voorschriften vervalt. Hiervoor in de plaats moet de vergunningaanvrager tijdens de bouw gebruik maken van een instrument voor kwaliteitsborging dat als doel heeft dat het bouwwerk voldoet aan de bouwtechnische voorschriften. De opdrachtgever moet hiervoor gebruik maken van een instrument voor kwaliteitsborging dat is getoetst aan daartoe vastgestelde wettelijke voorschriften. Instrumenten voor kwaliteitsborging worden door de markt zelf gemaakt en beheerd en door de toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw (hierna: toelatingsorganisatie) toegelaten indien deze voldaan aan de wettelijke voorschriften. In het kader van de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, toetst het bevoegd gezag of het gekozen toegelaten instrument voor kwaliteitsborging past bij het bouwwerk en of de vergunninghouder werkt met een kwaliteitsborger die gerechtigd is het instrument toe te passen. Voorgesteld wordt de Woningwet en de Wet algemene bepalingen hiertoe aan te passen. Naast de hierboven beschreven wijzigingen in de kwaliteitsborging tijdens de bouw, wordt de positie van de bouwconsument verbeterd door middel van enkele aanpassingen in het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de aansprakelijkheid van de aannemer voor verborgen gebreken, het opschortingsrecht van de opdrachtgever en de aanbieding van een verzekerde garantie door de aannemer.[11] In september 2014 heeft de VNG aan de minister laten weten het positief te vinden dat het duale stelsel in het voorstel is komen te vervallen. De VNG stelt echter dat het wetsvoorstel voor gemeenten nog veel onduidelijkheden oplevert en zij vraagt zich vooral af welk probleem dit wetsvoorstel oplost en of er niet juist meer problemen worden gecreëerd. Het huidige wetsvoorstel vinden zij dan ook onvoldoende uitgewerkt. Voor gemeenten is het van groot belang dat er goede afspraken worden gemaakt over de behandeling van het wetsvoorstel, dat volstrekt helder is wie bevoegd is en waar je voor wat moet zijn, dat het belang van (brand)veiligheid goed is geborgd, dat het stelsel financierbaar is voor gemeenten voor de achterblijvende taken en dat de bouwconsument in staat wordt gesteld om zijn sleutelrol te kunnen vervullen. Ook de Vereniging Bouw- en Toezicht Nederland heeft zich kritisch uitgelaten ten aanzien van het wetsvoorstel. De internetconsultatie voor het wetsvoorstel is inmiddels gesloten.[12] Het wetsvoorstel werd uiterlijk 3 oktober ter advies voorgelegd aan de Raad van State. De verwachting is dat de minister zijn wetsvoorstel begin 2015 naar de Tweede Kamer zal sturen. De invoeringsdatum is naar verwachting 1 januari 2016. [11] Memorie van Toelichting, wetsvoorstel (internetconsultatie) http://www.internetconsultatie.nl/wetkwaliteitsborgingvoorhetbouwen, punt 1.3 [12] http://www.internetconsultatie.nl/wetkwaliteitsborgingvoorhetbouwen. 8.5Omgevingswet Gelijktijdig aan de VTH- ontwikkeling is het Kabinet bezig met een ingrijpende stelselwijziging van het omgevingsrecht die uiteindelijk moet resulteren in de Omgevingswet. Onderwerpen die in de nieuwe wet worden geregeld verdwijnen uit de bestaande wetgeving, daartoe worden (delen van) bestaande wetten ingetrokken. De nieuwe wet zal daarmee een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels, wetten en regelingen op het terrein van de fysieke leefomgeving betekenen. De nieuwe wet regelt: het versnellen en verbeteren van besluitvorming in het brede fysieke domein; de integratie van plannen en toetsingskaders; het vergroten van bestuurlijke afwegingsruimte; het doelmatig uitvoeren van onderzoek. De term bestemmingsplan verdwijnt, maar de functies er van blijven behouden, onder meer in de omgevingsverordening. Op grond van de Omgevingswet dient elke gemeente , waterschap en provincie één gebiedsdekkende verordening voor de leefomgeving te maken. De omgevingsverordening vervangt de bestemmingsplannen en verordeningen voor zover deze zien op de leefomgeving. De bepalingen in de APV die zien op de leefomgeving dienen bijvoorbeeld te worden opgenomen in de omgevingsverordening. De verruiming van het vergunningsvrij bouwen gebeurt door aanpassing van het BOR. Het staat niet vast wanneer de Omgevingswet in werking treedt, dit zal in ieder geval niet voor 1 januari 2018 zijn. Wel is duidelijk dat deze wijziging gevolgen heeft voor de omvang van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving. 8.6APV Sinds 28 juni 2013 is de Algemeen Plaatselijke Verordening 2013 van kracht. In de APV staan gemeentelijke spelregels om onze directe leefomgeving voor iedereen prettig te houden. De APV 2013 is een stuk dunner dan zijn voorganger. Er is namelijk flink geschrapt in onze lokale regels. Iedereen heeft daarover mee kunnen denken, onder andere tijdens een themabijeenkomst. Samen hebben we kritisch gekeken welke artikelen konden vervallen. We hebben bijvoorbeeld geen regels opgesteld voor problemen die hier helemaal niet spelen. Of voor zaken die al goed geregeld zijn via andere regels en wetten. Het resultaat was een afgeslankte APV met minder regels. In 2015 wordt de APV geevalueerd en waar nodig aangepast. 9.BIJLAGE IPRIORITERING 10.BIJLAGE IITOELICHTING INTERVENTIES VAN LICHT NAAR ZWAAR Bestuursrecht herstellend Aanspreken/informeren Aanspreken/informeren is een informele interventie (geen wettelijke basis) naar aanleiding van een inspectie die ertoe moet leiden dat de normadressaat naleeft of in staat is na te leven. Aanspreken/informeren gebeurt mondeling, door het verstrekken van schriftelijke informatie of door verwijzing naar websites. Aanspreken/informeren is vooral aan de orde bij goedwillende normadressaten die onbedoeld niet naleven en die gemotiveerd zijn de niet naleving zo snel mogelijk zelf op te lossen. Waarschuwen – brief met hersteltermijn Waarschuwen betekent dat de normadressaat naar aanleiding van een inspectie een waarschuwings-brief ontvangt. Daarin is opgenomen welke maatregelen of voorzieningen getroffen moeten worden om na te leven en binnen welke (redelijke) termijn. In de brief staat ook dat de handhavinginstantie verdergaande bestuursrechtelijke interventies zal nemen (LOB, LOD), als blijkt dat de in de waarschuwingsbrief opgenomen maatregelen of voorzieningen niet zijn getroffen na het verstrijken van de termijn. Bestuurlijk gesprek Een bestuurlijk gesprek met (de leiding van) de normadressaat in kwestie is een aanvullende escalerende interventie op waarschuwen. Dit zal alleen plaatsvinden als de normadressaat hierom verzoekt. Verscherpt toezicht Verscherpt toezicht als interventie betreft het naar aanleiding van een inspectie meer of intensiever toezicht houden op de normadressaat. Een bestuurlijk gesprek zal hier vaak aan vooraf gaan. Verscherpt toezicht moet worden aangekondigd, als ook onder welke voorwaarden het verscherpt toezicht weer zal worden opgeheven. Last onder dwangsom – LOD Een last onder dwangsom is een op herstel gerichte interventie voor het ongedaan maken van over-tredingen en/of het voorkomen van verdere/herhaalde overtreding. De normadressaat krijgt een verplichting (een last) opgelegd om binnen een gegeven termijn de overtreding te beëindigen door iets te doen of na te laten op straffe van het verbeuren van een dwangsom wanneer de last niet tijdig wordt uitgevoerd. De op te leggen dwangsom moet voldoende hoog zijn om de overtreding te beëindigen. Een last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd als hiervoor een wettelijke bevoegdheid bestaat. Het opleggen van een last onder dwangsom gebeurt volgens zorgvuldig te volgen stappen. In het algemeen worden de volgende stappen doorlopen: Bestuurlijke waarschuwing, dat wil zeggen: het bekend maken van het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen met een hersteltermijn plus de termijn om zienswijzen bekend te maken. -> Indien niet tijdig hersteld: Sanctiebeschikking, dat wil zeggen: het opleggen van een last onder dwangsom met een hersteltermijn. -> Indien niet tijdig hersteld: Verbeuren en innen dwangsom. Last onder bestuursdwang – LOB Een last onder bestuursdwang is een op herstel gerichte interventie voor het ongedaan maken van een overtreding waarbij de handhavinginstantie, wanneer de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd, op kosten van de overtreder, een overtreding beëindigt door zelf daadwerkelijk in te (laten) grijpen. Een last onder bestuursdwang kan alleen worden toegepast als hiervoor een wettelijke bevoegdheid bestaat. Voor de last onder bestuursdwang gelden dezelfde zorgvuldig te doorlopen stappen als voor de last onder dwangsom. Ook hier kan, bijvoorbeeld in spoedeisende situaties, van deze stappen worden afgeweken: Bestuurlijke waarschuwing, dat wil zeggen: het bekend maken van het voornemen om een last onder bestuursdwang op te leggen met een hersteltermijn plus de termijn om zienswijzen bekend te maken. -> Indien niet tijdig hersteld: Sanctiebeschikking, dat wil zeggen: het opleggen van een last onder bestuursdwang met een hersteltermijn. -> Indien niet tijdig hersteld: Uitvoeren bestuursdwang. In spoedeisende situaties en bij ernstige overtredingen is de last onder bestuursdwang de meest geschikte bestuursrechtelijke interventie. De handhavingsinstantie kan verzoeken om onmiddellijke beëindiging van de overtreding. Als blijkt dat de normadressaat niet bereid is aan dit verzoek te voldoen, kan de handhavingsinstantie zelf en in spoedeisende gevallen zonder voorafgaande last feitelijk optreden. Wel moet de handhavingsinstantie zo spoedig mogelijk nadien alsnog een formele sanctiebeschikking uitvaardigen. Tijdelijk stilleggen Tijdelijk stilleggen betekent dat activiteiten of voertuigen als gevolg van de overtreding tijdelijk worden stilgelegd, tot de overtreding is hersteld en van naleving sprake is. Er kan aanleiding zijn om bij tijdelijk stilleggen beleid en/of politiek te informeren. Tijdelijk stilleggen kan onder de LOB vallen. Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke bestraffende sanctie die door een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het OM of een rechter kan worden opgelegd. Het CJIB verzorgt de inning en incasso van bestuurlijke boetes van diverse overheidsdiensten, waaronder de NVWA, de Inspectie SZW en de Inspectie Leefomgeving en Transport. Een bestuurlijke boete houdt de onvoorwaardelijke verplichting in tot betaling van een geldsom en kan naast een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang worden opgelegd. Het opstellen van het boeterapport gebeurt door de toezichthouder/handhaver, maar de kennisgeving, beschikking en inning gebeuren door het boetebureau (o.a. CJIB). De maxima en bandbreedtes van boetebedragen zijn veelal vastgelegd in de wetgeving. Een belangrijk verschil met de BSBm is dat bezwaar en beroep bij het bestuursorgaan dienen te worden aangetekend, terwijl de normadressaat tegen de BSBm in verzet kan komen bij het OM. Schorsen of intrekken vergunning, certificaat of erkenning Als de normadressaat houder is van een begunstigend besluit (vergunning of ontheffing), dan kan het geheel of gedeeltelijk intrekken van dat besluit een passende interventie zijn. Deze interventie is met name passend als de normadressaat niet in actie komt naar aanleiding van eerdere correctieve interventies, zoals een last onder dwangsom. Het geheel of gedeeltelijk intrekken van een begunstigend besluit is een vergaande interventie die zorgvuldig moet worden voorbereid. Exploitatieverbod, sluiting Voor niet vergunningplichtige normadressaten bestaat de mogelijkheid op basis van de Fraudewet om het bedrijf te sluiten of de exploitatie ervan te verbieden. Ook dit zijn vergaande interventies die zorgvuldig moeten worden voorbereid en waarbij het informeren van beleid en politiek noodzakelijk is. Strafrecht Bestuurlijke strafbeschikking milieu – BSBm De bestuurlijke strafbeschikking milieu is een op het strafrecht (artikel 257ba Wetboek van Strafvordering) gebaseerde interventie die daartoe bevoegde handhavingsinstanties zonder tussenkomst van het OM kunnen opleggen. Voor feiten uit het zogenoemde ‘Feitenboekje Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu- en Keurfeiten’ wordt een combibon uitgeschreven (geldboete) die ter afdoening wordt gezonden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). De BSBm kan los van (óf óf), parallel met (én én) of volgtijdelijk aan (eerst…dan…) op herstel gerichte interventies worden ingezet. De BSBm is bedoeld voor relatief eenvoudige overtredingen, waarbij er over de schuldvraag geen twijfel bestaat. De ‘Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten’ geeft in paragraaf 2.7 de beleidsvrijheid binnen gestelde grenzen aan en in paragraaf 2.8 de contra-indicaties voor het uitvaardigen van een BSBm. Als geen BSBm kan worden uitgevaardigd is in veel gevallen overleg met het OM noodzakelijk. Proces-verbaal (PV) BOA’s die een strafbaar feit vermoeden of constateren, kunnen een PV opmaken. Dit optreden valt onder het strafrechtelijk optreden dat in deze landelijke handhavingstrategie is geregeld. Een PV is de basis voor het verdere optreden van het OM dat kan leiden tot sancties als: een geldboete, een werkstraf, een gevangenisstraf, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, publicatie van het vonnis, stillegging van de onderneming en verbeurdverklarin.g 11.BIJLAGE IIIBEGRIPPEN LHS Begrip Toelichting Beginselplicht tot handhaven Uitgangspunt dat het bevoegd gezag verplicht is om op te treden bij een geconstateerde overtreding. De term ‘beginselplicht’ impliceert dat er omstandigheden kunnen zijn om van handhaven en/of het opleggen van een sanctie af te zien. Dit is in het recht geregeld via artikel 5:5 Awb (het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond) en artikelen 39 en verder van het Wetboek van strafrecht (strafuitsluitingsgronden). Uit de rechtspraak volgt voorts dat overwogen kan worden van handhaven af te zien als er concreet zicht op legalisatie bestaat, of wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Bestuurlijk handhavingsoverleg Een overleg onder coördinatie van de provincie waaraan de handhaving-partners deelnemen. Het BHO stelt uitgaande van de landelijke handhavings-prioriteiten de regionale / lokale handhavingsprioriteiten vast. Bestuurlijk Omgevingsberaad Centraal bestuurlijk overleg over het stelsel VTH o.l.v de Minister van IenM, gericht op afstemming van de verschillende taken en verantwoordelijkheden. Aan het Bestuurlijk omgevingsberaad doen in ieder geval mee: de ministers van I&M en V&J, drie vertegenwoordigers van de omgevingsdiensten, vertegenwoordigers van de bevoegde overheden en het OM. Bestuurlijke boete Een boete die door een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het OM of een rechter kan worden opgelegd. Het CJIB verzorgt de inning en incasso van bestuurlijke boetes van diverse overheidsdiensten, waaronder de NVWA, de Inspectie SZW en de Inspectie Leefomgeving en Transport. Bevinding Waarneming die ten aanzien van een bepaald onderwerp van onderzoek tijdens een inspectie wordt gedaan. Na beoordeling ervan kunnen bevindingen leiden tot de kwalificatie wel/geen overtreding. Functioneel Parket Specialistisch, landelijk opererend onderdeel van het OM, dat zich toelegt op de bestrijding van complexe fraude en milieucriminaliteit. Fysieke leefomgeving Specialistisch, landelijk opererend onderdeel van het OM, dat zich toelegt op de bestrijding van complexe fraude en milieucriminaliteit. Gedoogstrategie Een bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd in welke situaties en onder welke condities inzet van sancties tegenover overtreders tijdelijk achterwege kan blijven. Handhaving Het door toezicht bewerkstelligen en zo nodig met toepassing van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke middelen bereiken dat de regelgeving wordt nageleefd. Handhavingsprogramma Op onderkende risico’s en vastgestelde prioriteiten gericht handhaving-activiteitenprogramma, inclusief financiering en capaciteit. Interventie Actieve handeling om een geconstateerd probleem op te lossen. Legalisatietoets Toets om na te gaan of legalisatie van een overtreding mogelijk is. Motiveringsbeginsel In de Algemene wet bestuursrecht vastgelegd beginsel dat de overheid haar besluiten goed moet motiveren: de feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn. Nalevingstrategie Bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd met welke instrumenten naleving wordt gerealiseerd en welke rol handhaving daarbinnen speelt. Een nalevingstrategie bevat in ieder geval een toezichtstrategie, een sanctiestrategie en een gedoogstrategie. Normadressaat Natuurlijke of rechtspersoon voor wie een bepaalde norm of voorschrift geldt. OM Openbaar Ministerie Omgevingsdiensten Diensten van provincies en gemeenten voor de uitvoering van de VTH-taken. De Omgevingsdiensten werden eerder ook wel aangeduid als Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s). Rechtsgelijkheid Rechtsbeginsel dat bepaalt dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld en ongelijke verschillend naar de mate van het verschil. Rechtvaardigingsgrond Omstandigheid die de wederrechtelijkheid van een handeling bij nader inzien wegneemt. Mogelijke reden om uiteindelijk geen sanctie op te leggen. Sanctiestrategie Bestuurlijk vastgesteld document, waarin de basisaanpak voor het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden bij overtredingen is vastgelegd. De sanctiestrategie omvat ten minste: a. een op elkaar afgestemd bestuursrechtelijk – strafrechtelijk optreden tegen overtreding van de gestelde milieunormen; b. een passende reactie op geconstateerde overtredingen; c. een stringentere reactie bij voortduring van de overtreding; d. een regeling voor optreden tegen overtredingen door de eigen organisatie en andere overheden; e. transparantie over te stellen termijnen voor het opheffen van (standaard)overtredingen en over de zwaarte van sancties daarvoor. Schulduitsluitingsgrond Omstandigheid die de verwijtbaarheid van een handeling bij nader inzien wegneemt. Mogelijke reden om uiteindelijk geen sanctie op te leggen. Strafuitsluitingsgronden Er zijn twee categorieën strafuitsluitingsgronden: rechtvaardigheids-gronden en schulduitsluitingsgronden. Zie aldaar. Strategische milieukamer Overleg tussen het Functioneel Parket van het OM, de inspecteurs-generaal van de ILT, NVWA en de Inspectie SZW, de Nationale Politie, een vertegenwoordiging van de Omgevingsdiensten en het bestuurlijk bevoegd gezag. De SMK stelt de landelijke prioriteiten vast voor de strafrechtelijke handhaving en de afstemming van de strafrechtelijke handhaving op de bestuurlijke handhaving. Toezicht Het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd. Toezichtstrategie Bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is. VTH kwaliteitscriteria Kwaliteitscriteria die inzichtelijk maken welke kwaliteit burgers, bedrijven en instellingen, maar ook overheden onderling en opdrachtgevers mogen verwachten bij de uitvoering of de invulling van taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH taken). Zorgvuldigheidsbeginsel In de Algemene wet bestuursrecht vastgelegd rechtsbeginsel, dat de overheid een besluit zorgvuldig moet voorbereiden en nemen: correcte handeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgen en deugdelijke besluitvorming. 12.BIJLAGE IVRICHTLIJN SANCTIES EN TERMIJNEN Richtlijn voor het stellen van dwangsommen Bij het bepalen van de hoogte van een dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag komt het bestuursorgaan een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Het vastgestelde bedrag moet echter wel in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. (art. 5:32b lid 3 Awb) Onder het vastgestelde bedrag moet in dit verband niet alleen het bedrag ineens, per keer of per tijdseenheid, maar ook het maximumbedra