Algemene voorschriften riool- of poldergemalen in grondwaterbeschermingsgebiedenAlgemene toelichting Handhaving In dit besluit zijn geen aparte bepalingen opgenomen in verband met de handhaving. Het niet-nakomen van de voorschriften is een strafbaar feit op grond van artikel 9.2, onder b van de P.M.V. De Wet economische delicten is van toepassing. Toelichting bodemonderzoek Het doel van een bodemonderzoek is het onderzoeken van de bodem op de aanwezigheid van verontreinigende stoffen die nu of in de toekomst in de bodem zijn geraakt of kunnen geraken. Het bodemonderzoek is voorgeschreven bij de nieuwplaatsing of herplaatsing van de opvangbakken, die nodig zijn bij de opslag van K1-, K2- en K3-vloeistoffen, chemicaliën en aardolieproducten om te voorkomen dat deze opvangbakken op een verontreinigde bodem worden geplaatst. Door het uitvoeren van het bodemonderzoek staat vast, dat een nieuwgeplaatste of herplaatste opvangbak in ieder geval niet op een verontreinigde bodem wordt geïnstalleerd. Indien later toch een verontreiniging wordt gevonden, staat tevens vast dat de verontreiniging na de plaatsing is ontstaan door verkeerd functioneren van de installatie, hetgeen voor alle betrokkenen zekerheid met zich meebrengt omtrent de aansprakelijkheid voor de eventuele schade. Er bestaan twee typen bodemonderzoek: - het zogenaamde BSB/nulsituatie onderzoek, dat volgens bepaalde richtlijnen en normen (Bodem- en onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek, NVN 5740) moet worden uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige, waarbij een grondig onderzoek plaatsvindt en - het zogenaamde organoleptische onderzoek, waarbij aan de hand van twee grondboringen op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of er een verontreiniging aanwezig is. Er is afgezien van het op voorhand vastleggen in deze algemene voorschriften welke vorm van bodemonderzoek in een bepaalde situatie uitgevoerd moet worden, omdat dit beter aan de hand van de concrete voorgenomen activiteit kan worden bepaald. In plaats daarvan is aangegeven dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen. Indien er geen aanwijzingen zijn, dat een BSB/nulsituatie-onderzoek nodig is, kan worden volstaan met het organoleptische onderzoek, dat veelal door de betrokken waterleidingmaatschappij wordt uitgevoerd, zodat daaraan voor de betrokkene verder geen kosten zijn verbonden. Burgemeester en wethouders bepalen, welke vorm van onderzoek nodig is. Daarbij gelden ten aanzien van de beide vormen van onderzoek de volgende richtlijnen, waarbij nog nadere invulling mogelijk is in de vorm van nadere eisen: BSB/nulsituatie-onderzoek: 1. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd ter plaatse van de te plaatsen opvanbak(ken). 2. De instantie die het onderzoek verricht behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag. 3. Het bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de norm "Bodem- en Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek", NVN 5740, waarbij de volgende punten aan de orde moeten komen: alle mogelijke bronnen van verontreiniging van de bodem en het grondwater in het verleden (historisch onderzoek); huidige en toekomstig gebruik van het terrein; beschrijving van het veldwerk (boorlokaties en analyses); analyseresultaten; conclusies en aanbevelingen. 4. Naast de uit het historisch onderzoek naar voren komende verdachte deellokaties, dienen in elk geval de volgende lokaties als verdacht te worden beschouwd: opslagplaats van chemicaliën; opslagplaats van oliën. 5. Voordat het onderzoek wordt uitgevoerd, dient de onderzoeksstrategie gemeld te worden aan het bevoegd gezag. 6. De resultaten van het bodemonderzoek dienen schriftelijk te worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Organoleptisch onderzoek: 1. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd ter plaatse van de te plaatsen opvangbak(ken). 2. De instantie die het onderzoek verricht behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag. 3. Het bodemonderzoek dient te bestaan uit: een beoordeling van de oppervlakte op zichtbare verontreiniging met aardolieproducten; 2 grondboringen tot een diepte van minimaal 0,6 meter onder het maaiveld dan wel tot onder het grondwaterniveau indien dit hoger ligt; een organoleptische (zintuigelijke) beoordeling van de opgeboorde grond op kleur, geur en afwijkende samenstelling. 4. Indien het onderzoek reden geeft om te vermoeden dat de bodem is verontreinigd met aardolieproducten, dient een mengmonster te worden samengesteld dat in een laboratorium onderzocht moet worden op het voorkomen van minerale olie. 5. De resultaten van het bodemonderzoek en, indien uitgevoerd, het laboratoriumonderzoek, dienen schriftelijk te worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Inhoud Artikel 1 1[Toelichting: Voor niet-vergunningplichtige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden biedt bepaling 3.1.4 in samenhang met bepaling 5.1 van onderdeel B van de Provinciale milieuverordening Overijssel 1995 (P.M.V.) gedeputeerde staten de mogelijkheid om algemene voorschriften vast te stellen. Het gaat hier om inrichtingen, die onder een Algemene maatregel van bestuur (Amvb) op basis van de Wet milieubeheer vallen en daarom geen vergunning nodig hebben. Burgemeester en wethouders zijn vaak bevoegd gezag op grond van de Amvb. In bijlage 10.B.2 van de P.M.V. is een lijst van Amvb-inrichtingen opgenomen waarvoor gedeputeerde staten algemene voorschriften kunnen opstellen, in aanvulling op de regels uit de betreffende Amvb.De aanvullende voorschriften hebben tot doel het risico van aantasting van de grondwaterkwaliteit te beperken.De Wet milieubeheer heeft als uitgangspunt dat een inrichting zoveel mogelijk met één bevoegd gezag te maken krijgt voor alle voorschriften. Daarom hebben gedeputeerde staten ervoor gekozen zowel de uitvoering als de handhaving van dit besluit aan burgemeester en wethouders over te laten. ] In dit besluit en in de bijlage bij dit besluit wordt verstaan onder: - riool- of poldergemaal: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder a van het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer; - P.M.V.: Provinciale milieuverordening Overijssel 1995; - grondwaterbeschermingsgebied: een als grondwaterbeschermingsgebied nader aangeduid milieubeschermingsgebied als bedoeld in bijlage 6 van de P.M.V.; - bevoegd gezag: het gezag dat overeenkomstig artikel 8.2 van de Wet milieubeheer bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het riool- of poldergemaal te verlenen; - gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Overijssel; - waterleidingbedrijf: het waterleidingbedrijf ten behoeve waarvan het grondwaterbeschermingsgebied waarin het riool- of poldergemaal is gelegen, wordt beschermd; - kennisgeving: een kennisgeving als bedoeld in artikel 4 van het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer. Artikel 2 2[Toelichting: De op het moment van inwerkingtreding van dit besluit bestaande riool- of poldergemalen beschikken in de meeste gevallen over een ontheffing in het kader van de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Overijssel, de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Overijssel 1991 of de Provinciale milieuverordening Overijssel 1993. Aan de ontheffing zijn voorschriften verbonden voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de openbare drinkwaterwinning. Door inwerkingtreding van de P.M.V. is de ontheffing komen te vervallen. Bestaande riool- of poldergemalen moeten nu voldoen aan de bij dit besluit gestelde voorschriften. Deze algemene voorschriften komen qua inhoud overeen met de ontheffingsvoorschriften. Burgemeester en wethouders zullen betrokkenen op de hoogte stellen van de algemene voorschriften. ] Degene die een riool- of poldergemaal drijft dat gelegen is in een grondwaterbeschermingsgebied, dient te voldoen aan de algemene voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit, alsmede aan de krachtens die voorschriften door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen. Artikel 3 3[Toelichting: Wanneer u voornemens bent een riool- of poldergemaal op te richten, uit te breiden, te wijzigen of de werking ervan te veranderen dient u hiervan een kennisgeving op grond van de Amvb in te dienen bij het bevoegd gezag, veelal burgemeester en wethouders van uw gemeente. Burgemeester en wethouders beoordelen of de algemene voorschriften voor grondwaterbescherming van toepassing zijn. Als dat het geval is stellen zij u op de hoogte van de bij dit besluit gestelde aanvullende eisen, waaraan u moet voldoen.Wanneer zij van oordeel zijn dat de algemene voorschriften niet van toepassing zijn, kan de betrokkene alsnog een vergunning op basis van de Wet milieubeheer aanvragen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de maximaal toegestane hoeveelheid vloeistoffen wordt overschreden.De provincie is verantwoordelijk voor het beleid voor Amvb-inrichtingen binnen grondwaterbeschermingsgebieden. De provincie stelt de algemene voorschriften voor deze inrichtingen op. In de meeste gevallen zorgen burgemeester en wethouders voor de uitvoering en handhaving van deze voorschriften. Om enig zicht te blijven houden op Amvb-inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden, o.a. met het oog op het eventueel bijstellen van de voorschriften, moeten burgemeester en wethouders een afschrift van de ontvangen kennisgevingen bij gedeputeerde staten indienen. Gezien hun betrokkenheid dient ook een afschrift daarvan aan het betrokken waterleidingbedrijf te worden toegestuurd.Over de werking van de voorschriften zal tussen provincie en gemeenten overleg worden gevoerd in de bestaande milieu-overleggen op regionaal niveau. Daarbij zullen de waterleidingbedrijven worden betrokken. ] 1. Degene die voornemens is een riool- of poldergemaal op te richten, uit te breiden, te wijzigen of de werking ervan te veranderen, dient te voldoen aan de algemene voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit, alsmede aan de krachtens die voorschriften door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen. 2. Indien het bevoegd gezag een kennisgeving ontvangt, stelt het degene die voornemens is een riool- of poldergemaal op te richten, uit te breiden, te wijzigen of de werking ervan te veranderen, in kennis van de algemene voorschriften en de nadere eisen als bedoeld in het eerste lid. 3. Het bevoegd gezag dient binnen een maand na ontvangst van een kennisgeving die betrekking heeeft op een riool- of poldergemaal die gelegen is in een grondwaterbeschermingsgebied, een afschrift daarvan in bij gedeputeerde staten en bij het waterleidingbedrijf. Artikel 4 4[Toelichting: Aan de inwerkingtreding van het besluit is terugwerkende kracht verleend, zodat het aansluit op de inwerkingtreding van de PMV-1995.Zou dit achterwege zijn gelaten, dan gold voor de inrichtingen, waarom het hier gaat gedurende de periode tussen 28 maart 1995 en de plaatsing van dit besluit in het Provinciaal Blad een verbod om de inrichting in werking te hebben, conform artikel 3.1.4 van bijlage 10, onderdeel B van de PMV-1995.Doordat het opstellen en vaststellen van dit besluit langere tijd vergde dan aanvankelijk was voorzien, kon dit besluit op 28 maart 1995 nog niet in werking treden.Door aan de inwerkingtreding terugwerkende kracht te verlenen, wordt voorkomen dat de bestaande riool- en poldergemalen enige tijd illegaal in werking zijn geweest. ] Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking op 28 maart 1995. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit algemene voorschriften riool- of poldergemalen in grondwaterbeschermingsgebieden. Bijlage In deze algemene voorschriften worden dezelfde begrippen gehanteerd als in het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer (Brp). De nummering van de bepalingen komt overeen met de nummering uit het Brp. Indien aan die nummering een A is toegevoegd, houdt deze bepaling een aanvulling in ten opzichte van dezelfde bepaling uit het Brp. Indien een lettertoevoeging ontbreekt, komt de bepaling in plaats van hetzelfde nummer van het Brp. Indien extra voorschriften worden gesteld staat dit ook duidelijk vermeld. 2. Afvalstoffen 2.4A De opslag van een beperkte hoeveelheid afvalstoffen (niet zijnde gevaarlijk afval), ontstaan bij een normale bedrijfsvoering, is toegestaan. De opslag van afvalstoffen dient plaats te vinden op een speciaal hiervoor ingerichte bewaarplaats, waarbij bodembeschermende voorzieningen zijn getroffen welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen geraken. (Zoals een vloeistofdichte verharding, deze dient voorzien te zijn van opstaande randen van minimaal 5 centimeter.) De vloer moet zijn voorzien van een afvoer naar de interne riolering. 3. Bodembescherming 3.1A Lozingen van afvalwater Lozingen van koelwater en overige vloeistoffen alsmede omvangrijke lozingen van huishoudelijk afvalwater zijn verboden. n.b.: voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater geldt het Lozingenbesluit bodembescherming. 9. Bewaren van bestrijdingsmiddelen, K1-, K2-, en K3-vloeistoffen en chemicaliën in emballage. Extra voorschriften: 9.4 De opslag van bestrijdingsmiddelen, K1-, K2-, en K3-vloeistoffen en chemicaliën moet plaatsvinden op/in een duurzaam vloeistofdichte bodem- en grondwaterbeschermende voorziening conform CPR 15-1. Indien de opslag plaatsvindt in een vloeistofdichte opvangbak, dient deze voldoende groot te zijn om de daarin opgeslagen produkten op te kunnen vangen. 9.5 Een opvangbak mag niet zijn geplaatst op verontreinigde grond. Indien een bestaande opvangbak wordt verplaatst of vernieuwd of indien een of meer opvangbakken worden bijgeplaatst dient deze wijziging een maand voor de aanvang van de werkzaamheden te worden gemeld bij het bevoegd gezag teneinde het bevoegd gezag in staat te stellen te bezien of er een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Met betrekking tot dit bodemonderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen. 9.6 Het vullen of aftappen uit de opslagmiddelen dient zonder morsen te geschieden. 9.7 Lege, niet gereinigde emballage, moet worden bewaard als gevulde emballage. 10 en 11 Aanvullende voorschriften voor de onderdelen 10 en 11 - opslag aardolieproducten. 1. Ondergrondse tanks voor aardolieproducten 1.1 De vervanging van een bestaande ondergrondse tank is toegestaan. Alle ondergrondse, van staal vervaardigde, tank(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.