← Nederland

Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland (Zuid-Holland)

Subsidieregeling mobiliteit Zuid-HollandGedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland, gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013; overwegende dat het wenselijk is uitvoering te geven aan het beleid ten aanzien van verkeer en vervoer op provinciaal niveau in samenhang met het beleid op landelijk niveau; besluiten: vast te stellen de Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland (prov. blad 2015, reg. nr. 6586) Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. aanmeerlocatie: wallocatie die dient als veerstoep of aanmeersteiger voor een veerdienst; b. Asv: Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013; c. autoveer: vaartuig dat geschikt en ingericht is voor het overzetten van motorvoertuigen, fietsen, snorfietsen, bromfietsen en voetgangers; d. Awb: Algemene wet bestuursrecht; e. bedrijfsvervoer: vervoer van werknemers door of vanwege de werkgever verzorgd: 1°. naar en van de werkplek, voorafgaand aan, onderscheidenlijk na afloop van de werkzaamheden; 2°. dat wordt verricht met bussen dan wel met auto’s ingericht voor vervoer van meer dan zeven personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; f. Bestedingsplan Mobiliteit: plan ten behoeve van de besteding en reservering van gelden voor het realiseren van mobiliteitsdoeleinden; g. bushaltelocatie: locatie waar een haltepaal aanwezig is, waar je in of uit de lijnbus kunt stappen; h. buurtbusproject: vorm van openbaar vervoer in een bepaald gebied waarbij de dienstregeling wordt uitgevoerd met buurtbussen door een vereniging met vrijwillige chauffeurs; i. buurtbusvereniging: vereniging van vrijwilligers die een dienstregeling met buurtbussen uitvoert; j. concessie: recht als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet personenvervoer 2000; k. concessiehouder: vervoerder aan wie door Gedeputeerde Staten concessie is verleend; l. gedragsbeïnvloeding: het beïnvloeden van het gedrag van de verkeersdeelnemer op het gebied van verkeersveiligheid; m. haltescan: geautomatiseerd systeem waarin de toegankelijk gemaakte bushaltelocatie systematisch en overzichtelijk kan worden ingevoerd en weergegeven; n. infrastructureel project: regionaal project of lokaal project dan wel regionaal openbaar vervoerproject betrekking hebbend op de verbetering van de verkeersveiligheid, bereikbaarheid of leefbaarheid; o. lokaal project: infrastructureel project ten behoeve van de verkeersveiligheid dat past binnen de categorisering die in bijlage 1 bij deze regeling is opgenomen; p. mobiliteitsmanagement: activiteiten en maatregelen om te komen tot structurele reductie van (solistisch) autogebruik om zo een bijdrage te leveren aan een betere bereikbaarheid en een betermilieu; q. regio: openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen of een gemeente die door herindeling is ontstaan en bestaat uit de gemeenten die voor de herindeling samenwerkten in een openbaar lichaam dat was ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen; r. regionaal openbaar vervoer project: infrastructureel project specifiek ten behoeve van het verbeteren van de doorstroming, betrouwbaarheid of kwaliteit van het openbaar vervoer waarvan de kosten hoger zijn dan € 25.000,00; s. regionaal project: infrastructureel project waarvan de kosten hoger dan € 200.000,00 zijn; t. reizigerskilometer: vervoersprestatie die gerealiseerd wordt door één werknemer over één kilometer Nederlands grondgebied te vervoeren; u. ROV-ZH: Regionaal Ondersteuningsbureau Verkeersveiligheid Zuid-Holland; v. RPV: Regionale Projectgroep Verkeersveiligheid; w. sociale veiligheid: (het gevoel van) veiligheid van een reiziger of personeel in trein of bus, alsmede in of in het directe toegangsgebied tot een station of halte; x. spaarproject: regionaal project waarvoor maximaal vijf jaar aaneengesloten wordt gespaard door subsidieverstrekking op grond van de Uitvoeringsregeling Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer, de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering verkeer en vervoer Zuid-Holland 2012, de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering verkeer en vervoer Zuid-Holland 2013 of deze regeling en dat uiterlijk in het zesde opeenvolgende jaar wordt gerealiseerd; y. veerdienst: het bedrijfsmatig vervoeren van personen of motorvoertuigen door middel van een veerpont; z. veerexploitant: degene die voor eigen rekening en verantwoordelijkheid een veerdienst exploiteert; aa. veerinfrastructuur: totaal van aanmeerlocaties, aanlegsteigers, wachtruimten, fietsenstallingenen reisinformatiesystemen; bb. veerinfrastructuurproject: verrichten van werkzaamheden aan de veerinfrastructuur; cc. veerpont: een autoveer of een voet- en fietsveer; dd. voet- en fietsveer: vaartuig dat uitsluitend geschikt is en ingericht is voor het overzetten van fietsen, snorfietsen, bromfietsen en voetgangers; ee. vrijvalproject: door een regio aangemeld infrastructureel project dat gerealiseerd kan worden met BDU-middelen die zijn vrijgevallen nadat subsidie is verstrekt op grond van de Uitvoeringsregeling Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer, de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering verkeer en vervoer Zuid-Holland 2012 of de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering verkeer en vervoer Zuid-Holland 2013; ff. Zuid-Holland: het grondgebied van de provincie Zuid-Holland met uitzondering van het grondgebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Artikel1.2Bestedingsplan Mobiliteit Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een Bestedingsplan Mobiliteit vast. Artikel1.3BDU verantwoording In afwijking van de prestatieverantwoording als bedoeld in de artikelen 2.10, 7.6, 8.8, 9.8, 10.8, 11.8 en 13.9, wordt bij de verstrekking van subsidie aan gemeenten en regio's uit middelen die de provincie heeft verkregen in het kader van de Wet BDU verkeer en vervoer in de beschikking tot subsidieverleningbepaald dat deze subsidie verantwoord dient te worden met toepassing van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. Paragraaf2Infrastructurele projecten Artikel2.1Subsidiabele activiteiten en prestaties

  1. Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van infrastructurele projecten.
  2. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
  3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een verbetering van de verkeersveiligheid, bereikbaarheid of leefbaarheid. Artikel2.2Doelgroep Subsidie, als bedoeld in artikel 2.1, wordt uitsluitend verstrekt aan gemeenten, waterschappen en regio’s. Artikel2.3Aanvraagperiode In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies, als bedoeld in artikel 2.1, worden ingediend binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling. Artikel2.4Subsidievereisten
  4. Om voor subsidie, als bedoeld in artikel 2.1, in aanmerking te komen, zijn de infrastructureleprojecten opgenomen in het laatst vastgestelde Bestedingsplan Mobiliteit.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op een vrijvalproject. Artikel2.5Subsidiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: a. kosten voor de aankoop van onroerende zaken ten behoeve van de uitvoering van het infrastructurele project; b. vergunningen en leges; c. materialen; d. uitvoeringskosten van de werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur; e. bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur na voltooiing van het werk zijn functiete laten vervullen; f. met het project samenhangende redelijk geachte schadevergoedingen aan derden; g. niet-verrekenbare en niet-compensabele omzetbelasting/BTW. Artikel2.6Niet subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 16 van de Asv komen de volgende kosten niet voor subsidie inaanmerking: a. kosten die redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers gebracht kunnen worden; b. kosten die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan achterstallig onderhoud; c. kosten voor vervanging van leidingen en verkeersregelinstallaties; d. kosten van algemeen bestuurlijke aard; e. kosten van voorbereiding, administratie en toezicht; f. kosten van onroerende zaken die reeds in eigendom zijn van de opdrachtgever, tenzij het onroerendgoed minder dan 10 jaren voorafgaand aan de aanleg van het project en speciaal voor de aanleg van het betreffende project is aangekocht. Artikel2.7Subsidiehoogte
  6. De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
  7. In afwijking van het eerste lid bedraagt voor regionale openbaar vervoer projecten de hoogte van de subsidie ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten.
  8. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen in bijzondere gevallen Gedeputeerde Staten besluiten om voor een infrastructureel project het subsidiepercentage verhogen indien de beschikbare middelen dit toelaten. Artikel2.8Intrekking
  9. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieverlening intrekken indien een infrastructureel project vervalt, dan wel aanbesteding en gunning van het werk niet hebben plaatsgevonden binnen zes maanden na de door de subsidieontvanger aangegeven datum van ingebruikname van het project.
  10. Op het eerste lid kan een uitzondering worden gemaakt indien vertraging tijdig bij Gedeputeerde Staten is gemeld, conform het bepaalde in artikel 18 van de Asv en daarbij een onderbouwing wordt gegeven van de oorzaken van de vertraging en waarom deze niet te voorzien waren op het moment dat de aanvraag werd ingediend. Artikel2.9Verplichtingen van de subsidieontvanger
  11. In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd: a. de subsidieontvanger realiseert het infrastructurele project binnen drie jaar na subsidieverlening, tenzij er sprake is van een spaarproject; b. de subsidieontvanger rapporteert jaarlijks vóór 1 november aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van het project; c. de subsidieontvanger werkt mee aan tussentijdse verzoeken tot nadere informatie.
  12. Gedeputeerde Staten kunnen op een gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger besluitende in het eerste lid onder a genoemde termijn met maximaal een jaar te verlengen. Artikel2.10Prestatieverantwoording
  13. Bij een subsidie van minder dan € 25.000,00 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal.
  14. Bij een subsidie vanaf € 25.000,00 maar minder dan € 125.000,00 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal.
  15. Bij een subsidie van € 125.000,00 of meer gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format. Artikel2.11Bevoorschotting
  16. Het voorschot voor subsidies van € 25.000,- en hoger bedraagt maximaal 80% van het verleende bedrag, indien gunning van het infrastructurele project naar aanleiding van een aanbesteding heeft plaatsgevonden.
  17. In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten een voorschot verstrekken van maximaal 30% van het verleende bedrag, indien nog grondverwerving noodzakelijk is voor realisatie van het infrastructurele project.
  18. Indien een voorschot is verleend op grond van het tweede lid, kan na overlegging van een bewijs van gunning van het infrastructurele project naar aanleiding van een aanbesteding een aanvullend voorschot worden verstrekt van maximaal 50% van het verleende bedrag. Paragraaf3Regionaal openbaar vervoer over weg en spoor Artikel3.1Subsidiable activiteiten en prestatie
  19. Subsidie kan worden verstrekt voor de exploitatie en ontwikkeling van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 1, onderdeel h van de Wet personenvervoer
  20. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een boekjaarsubsidie.
  21. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot algemeen toegankelijk openbaar vervoer over wegen spoor. Artikel3.2Doelgroep Subsidie, als bedoeld in artikel 3.1, wordt uitsluitend verstrekt aan concessiehouders. Artikel3.3Subsidievereisten
  22. Om voor subsidie, als bedoeld in artikel 3.1, in aanmerking te komen voert de concessiehouder de exploitatie en de ontwikkeling van het openbaar vervoer uit conform de verleende concessie.
  23. In afwijking van artikel 9 van de Asv wordt de concessiebeschikking aangemerkt als een aanvraag om een verlening van een subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 3.
  24. Artikel3.4Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag dat voortvloeit uit de concessie. Artikel3.5Subsidievaststelling
  25. In afwijking van artikel 29, tweede lid van de Asv, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen de in de concessiebeschikking bepaalde termijn.
  26. Indien de concessiebeschikking de gegevens noemt die bij de aanvraag tot subsidievaststelling overgelegd dienen te worden, gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie vergezeld vandeze gegevens.
  27. Indien in de concessiebeschikking geen gegevens worden genoemd die bij de aanvraag tot vastststelling overgelegd dienen te worden, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format, alsmede een winst- en een verliesrekening en een jaarverslag van de activiteiten. Artikel3.6Bevoorschotting
  28. Het voorschot bedraagt maximaal 100% van het verleende bedrag.
  29. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald. Paragraaf4Regionaal openbaar vervoer over water Artikel4.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  30. Subsidie kan worden verstrekt voor de exploitatie van het personenvervoer als bedoeld in artikel 7 van het Besluit personenvervoer
  31. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een boekjaarsubsidie.
  32. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per passagiersschip Artikel4.2Doelgroep Subsidie, als bedoeld in artikel 4.1, wordt uitsluitend verstrekt aan vervoerders, als bedoeld in artikel 7 van het Besluit personenvervoer
  33. Artikel4.3Subsidieaanvraag In afwijking van artikel 10 van de Asv, wordt de in artikel 7, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 bedoelde overeenkomst aangemerkt als een aanvraag om een verlening van een subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 4.
  34. Artikel4.4Subsidievereisten Om voor subsidie, als bedoeld in artikel 4.1, in aanmerking te komen voert de vervoerder het personenvervoer uit conform de in artikel 7, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 bedoelde overeenkomst. Artikel4.5Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag dat voortvloeit uit de in artikel 7, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 bedoelde overeenkomst. Artikel4.6Subsidievaststelling De aanvraag om een subsidievaststelling gaat vergezeld van een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format, alsmede een winst- en een verliesrekening en een jaarverslag van de activiteiten. Artikel4.7Bevoorschotting en betaling
  35. Het voorschot bedraagt maximaal 100% van het verleende bedrag.
  36. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald. Paragraaf5Collectief vraagafhankelijk vervoer Artikel5.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  37. Subsidie kan worden verstrekt voor de exploitatie van collectief vraagafhankelijk vervoer en de instandhouding van de stichtingen dan wel regio's die het collectief vraagafhankelijk vervoer verzorgen.
  38. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een boekjaarsubsidie.
  39. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot algemeen toegankelijk op maat gesneden openbaar vervoer. Artikel5.2Doelgroep Subsidie, als bedoeld in artikel 5.1, wordt uitsluitend verstrekt aan regio's of stichtingen die zijn ingesteld om overeenkomsten te sluiten met vervoerders die de exploitatie van het collectief vraagafhankelijkvervoer, als bedoeld in artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000, verzorgen. Artikel5.3Aanvraagperiode In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies, als bedoeld in artikel 5.1, worden ingediend binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling. Artikel5.4Subsidievereisten
  40. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.1 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. de subsidieaanvrager heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met Gedeputeerde Staten en de overige betrokken bestuursorganen; b. de subsidieaanvrager heeft een overeenkomst met een vervoerder gesloten voor de exploitatie van het collectief vraagafhankelijk vervoer.
  41. In afwijking van artikel 9 van de Asv geldt een daartoe ingediende begroting als aanvraag voor subsidie. Artikel5.5Subsiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende daadwerkelijk gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking: a. kosten voor exploitatie van het collectief vraagafhankelijke vervoer conform de overeenkomst, als bedoeld in artikel 5.4, onderdeel b; b. kosten voor het in stand houden van de subsidieontvanger. Artikel5.6Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van een prognose van de groei of afname van het reizigersvervoer, de op het moment van de subsidieaanvraag geldende tarieven, het aantal vervoerszones en de kosten voor het in stand houden van de subsidieontvanger. Artikel5.7Subsidievaststelling
  42. In afwijking van artikel 29, tweede lid van de Asv, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen de in de samenwerkingsovereenkomst bepaalde termijn.
  43. Indien de samenwerkingsovereenkomst de gegevens noemt die bij de aanvraag tot subsidievaststelling overgelegd dienen te worden, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van deze gegevens.
  44. Indien in de samenwerkingsovereenkomst geen gegevens worden genoemd die bij de aanvraag tot vastststelling overgelegd dienen te worden, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format, alsmede een winst- en een verliesrekeningen een jaarverslag van de activiteiten. Artikel5.8Bevoorschotting en betaling
  45. Het voorschot bedraagt maximaal 100% van het verleende bedrag.
  46. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald. Paragraaf6Oprichting buurtbusverenigingen Artikel6.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  47. In afwijking van artikel 11, eerste lid, onder d, van de Asv kan eenmalig subsidie worden verstrekt voor het oprichten van een buurtbusvereniging.
  48. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
  49. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een buurtbusvereniging. Artikel6.2Doelgroep Subsidie, als bedoeld in artikel 6.1, wordt uitsluitend verstrekt aan buurtbusverenigingen en buurtbusverenigingen in oprichting. Artikel6.3Weigeringsgronden
  50. In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie, als bedoeld in artikel 6.1, geweigerd indien de buurtbusvereniging of de buurtbusvereniging in oprichting kennelijk niet de intentie of capaciteiten heeft om een buurtbusproject uit te voeren.
  51. In afwijking van artikel 11, eerste lid, onder a van de Asv wordt een subsidie niet geweigerd indien de activiteit reeds in uitvoering is voordat de aanvraag is ingediend Artikel6.4Subsidievereisten Om voor subsidie, als bedoeld in artikel 6.1, in aanmerking te komen, toont de buurtbusvereniging of de buurtbusvereniging in oprichting aan dat ze in staat gesteld wordt een buurtbusproject uit te voeren. Artikel6.5Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie bedraagt € 2.000,
  52. Artikel6.6Prestatieverantwoording De subsidieontvanger toont desgevraagd door middel van een notariële akte en een verklaring van de concessiehoudende vervoerder aan dat de activiteit is verricht en de buurtbusvereniging een buurtbusproject kan gaan uitvoeren. Paragraaf7Instandhouding buurtbusverenigingen Artikel7.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  53. Subsidie kan worden verstrekt voor de instandhouding van de buurtbusvereniging.
  54. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een boekjaarsubsidie.
  55. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot de uitvoering van een buurtbusproject. Artikel7.2Doelgroep Subsidie, als bedoeld in artikel 7.1, wordt uitsluitend verstrekt aan buurtbusverenigingen. Artikel7.3Aanvraagperiode In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies, als bedoeld in artikel 7.1, worden ingediend binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling. Artikel7.4Subsidievereisten Om voor subsidie, als bedoeld in artikel 7.1, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. de buurtbusvereniging draagt zorg voor de uitvoering van een of meerdere buurtbusprojecten. b. een buurtbusproject is erkend door Gedeputeerde Staten op grond van de Regeling Vaststelling Kenmerken en Startvoorwaarden Buurtbusprojecten provincie Zuid-Holland
  56. Artikel7.5Subsidiehoogte
  57. De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste € 4.760,00 per buurtbusproject per jaar.
  58. In afwijking van het eerste lid wordt de hoogte van subsidie voor een periode van minder dan twaalf maanden berekend naar rato van het aantal maanden waarop de subsidie betrekking heeft. Artikel7.6Prestatieverantwoording De subsidieontvanger toont desgevraagd door middel van een activiteitenverslag en een verklaringvan de concessiehoudende vervoerder aan dat de activiteiten zijn verricht. Paragraaf8Toegankelijkheid bushaltelocaties Artikel8.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  59. Subsidie kan worden verstrekt voor het verbeteren van de toegankelijkheid van een bestaande bushaltelocatie.
  60. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
  61. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een groter aantal beter toegankelijke bushaltes. Artikel8.2Doelgroep Subsidie, als bedoeld in artikel 8.1, wordt uitsluitend verstrekt aan gemeenten en waterschappen. Artikel8.3Weigeringsgronden In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie, als bedoeld in artikel 8.1 geweigerd indien het de aanleg van een nieuwe bushalte betreft. Artikel8.4Subsidievereisten Om voor subsidie, als bedoeld in artikel 8.1, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. de bushaltelocatie wordt gebruikt voor regionaal openbaar vervoer waarvoor Gedeputeerde Staten op grond van artikel 20 van de Wet personenvervoer bevoegd zijn tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessie. b. de bushaltelocatie wordt aangepast conform de volgende specificaties: 1°. de hoogte perron: 18 cm; 2°. haltebreedte: minimaal 1,50 meter (tenzij dit fysiek onmogelijk is, dan kan worden volstaan met een bushaltebreedte van 1,0 meter); 3°. geleidelijnen met ribbelprofiel, als natuurlijke gidslijnen onvoldoende oriëntatie bieden; 4°. attentiemarkering, met noppenprofiel; en 5°. visuele blokmarkering perronrand. Artikel8.5Niet subsidiabele kosten De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: a. de kosten van regulier onderhoud aan een bushaltelocatie; b. het plaatsen en vervangen van een abri; c. kosten van voorbereiding, administratie en toezicht. Artikel8.6Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 10.000,00 per bushaltelocatie. Artikel8.7Verplichtingen van de subsidieontvanger Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd: a. de aanbesteding en gunning zijn afgerond binnen een jaar na de datum van subsidieverlening; b. de realisatie van de toegankelijke halte vindt plaats uiterlijk binnen achttien maanden na de datum van subsidieverlening; c. de subsidieontvanger vult na realisatie van de toegankelijk gemaakte bushaltelocatie de haltescan in en voegt aan de haltescan de foto’s toe van de betreffende toegankelijk gemaakte bushaltelocatie. Artikel8.8Prestatieverantwoording
  62. Bij een subsidie van minder dan € 25.000,00 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal.
  63. Bij een subsidie vanaf € 25.000,00 maar minder dan € 125.000,00 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal.
  64. Bij een subsidie van € 125.000,00 of meer gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format. Artikel8.9Bevoorschotting Het voorschot voor subsidies van € 25.000,00 en hoger bedraagt maximaal 50% van het verleende bedrag. Paragraaf9Sociale veiligheid Artikel9.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  65. Subsidie kan worden verstrekt aan activiteiten die zijn gericht op het sociaal veiliger maken van het openbaar vervoer.
  66. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
  67. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot meer veiligheid bij het reizen met het openbaar vervoer; zowel subjectief als objectief. Artikel9.2Doelgroep Subsidie als bedoeld in artikel 9.1, wordt uitsluitend verstrekt aan concessiehouders, vervoerders als bedoeld in artikel 7 van het Besluit personenvervoer 2000 en gemeenten. Artikel9.3Weigeringsgronden In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie, als bedoeld in artikel 9.1, geweigerd indien indien de activiteit waar de aanvraag betrekking op heeft al op grond van een verleende concessie dient te worden uitgevoerd. Artikel9.4Subsidievereisten Om voor subsidie als bedoeld in artikel 9.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. de activiteiten zijn gericht op het sociaal veiliger maken van: 1°. openbaar vervoer objecten die publiekelijk toegankelijk zijn zoals stations en haltes; 2°. het directe toegangsgebied zoals bestaande pleinen, straten en parkeerplaatsen, of 3°. bestaand en nieuw rijdend materieel; b. de activiteiten hebben tot doel: 1°. het terugdringen van feitelijke incidenten; 2°. het vergroten van de pakkans van personen die de veiligheid verstoren, of 3°. het vergroten van het veiligheidsgevoel van reizigers; c. indien de subsidie wordt aangevraagd door een gemeente, worden de activiteiten gecoördineerd door een platform voor sociale veiligheid. Artikel9.5Subsidiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in ieder geval de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: a. inhuur van extra personeel voor menselijk toezicht, vooral in de vorm van controle en service in of nabij voertuigen, stations en haltelocaties; b. technische hulpmiddelen en ICT, zoals camera’s en meld- of communicatiesystemen en de aanschaf en ontwikkeling van bijbehorende ICT-systemen; c. opleiding en training van rijdend, toezichthoudend en operationeel leidinggevend personeel ten behoeve van de sociale veiligheid; d. aanpassingen van voertuig of omgeving; e. voorlichting en communicatie gericht op breed publiek of specifieke doelgroepen; en f. samenwerkingsverbanden met onder andere politie, justitie, gemeentes en andere vervoerbedrijven. Artikel9.6Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag dat gereserveerd is voor de desbetreffende ontvanger in het Uitvoeringsprogramma sociale veiligheid openbaar vervoer 2016-
  68. Artikel9.7Verplichtingen van de subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv wordt aan de subsidieontvanger de verplichting opgelegd binnen zes maanden na het tijdstip van subsidieverlening te beginnen met de uitvoering van de activiteiten. Artikel9.8Prestatieverantwoording
  69. Bij een subsidie van minder dan € 25.000,00 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal.
  70. Bij een subsidie vanaf € 25.000,00 maar minder dan € 125.000,00 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal.
  71. Bij een subsidie van € 125.000,00 of meer gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format. Artikel9.9Bevoorschotting
  72. Het voorschot voor subsidies van € 25.000,00 en hoger bedraagt maximaal 80% van het verleende bedrag.
  73. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald. Paragraaf10Mobiliteitsmanagement (Bedrijfsvervoer Wet sociale werkvoorziening) Artikel10.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  74. Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van bedrijfsvervoer.
  75. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
  76. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een stimulering voor werkgevers om hun werknemers bedrijfsvervoer aan te bieden. Artikel10.2Doelgroep Subsidie als bedoeld in artikel 10.1 wordt uitsluitend verstrekt aan regio's. Artikel10.3Aanvraagperiode In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies, als bedoeld in artikel 10.1, worden ingediend binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling. Artikel10.4Weigeringsgronden In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie, als bedoeld in artikel 10.1, geweigerd indien: a. het bedrijfsvervoer een concurrerende werking heeft op voorzieningen voor lijngebonden en vraagafhankelijk openbaar vervoer; b. het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 5.000,00 bedraagt. Artikel10.5Subsidievereisten Om voor subsidie als bedoeld in artikel 10.1 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. het bedrijfsvervoer wordt verzorgd door of in opdracht van één of meer regio's; b. het bedrijfsvervoer is gericht op vervoer naar een werkplek in de provincie Zuid-Holland. Artikel10.6Subsidiehoogte
  77. De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 1,30 per deelnemende werknemer per dag die een minimumreisafstand van vijf kilometer per rijrichting heeft, of € 1,80 per 100 reizigerskilometers.
  78. De maximale subsidiehoogte die voortvloeit uit het eerste lid wordt met 10% verlaagd voor ziekte en verlof.
  79. Indien toepassing van dit artikel ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 5.000,00 wordt de subsidie geweigerd. Artikel10.7Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting het gebruik van het bedrijfsvervoer per dagen per werknemer bij te houden. Artikel10.8Subsidievaststelling
  80. Bij een subsidie van minder dan € 25.000,00 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag.
  81. Bij een subsidie vanaf € 25.000,00 maar minder dan € 125.000,00 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag.
  82. Bij een subsidie van € 125.000,00 of meer gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format. Artikel10.9Bevoorschotting Gedeputeerde Staten verlenen geen voorschot. Paragraaf11Gedragsbeinvloeding verkeersveiligheid Artikel11.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  83. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten op het gebied van gedragsbeïnvloeding verkeersveiligheid.
  84. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
  85. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, leiden tot verbetering van gedrag met betrekking tot verkeersveiligheid. Artikel11.2Doelgroep Subsidie als bedoeld in artikel 11.1, wordt uitsluitend verstrekt aan regio’s. Artikel11.3Aanvraagperiode In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies, als bedoeld in artikel 11.1, worden ingediend binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling. Artikel11.4Subsidievereisten
  86. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 11.1 in aanmerking te komen, zijn de activiteiten gericht op: a. planvorming; b. onderzoek en evaluatie; c. educatie en training; d. communicatie en publiciteit; e. het realiseren van kleine gedragsgerelateerde verkeersmaatregelen, of f. het instandhouden van een RPV.
  87. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel c komen personenautorijvaardigheidstrainingen voorpersonen van zestig jaar en ouder ('broemcursussen’) alleen voor subsidie in aanmerking indien de deelnemers aanwijsbaar een eigen bijdrage betalen. Artikel11.5Niet subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 16 van de Asv komen kosten niet voor subsidie in aanmerking indien zij samenhangen met: a. algemene bestuurslasten, als ambtenarensalarissen en kantoorinventaris; b. kosten die redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht; c. opleidingskosten voor het leren berijden van scootmobielen en e-bikes; d. opleidingskosten voor het leren berijden van fietsen door personen van zestig jaar en ouder; e. activiteiten op het gebied van educatie en training van 0-4 jarigen. Artikel11.6Subsidiehoogte
  88. De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
  89. In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten voor activiteiten die voldoen aan het vereiste genoemd in artikel 11.4, eerste lid, onder c, die zijn gericht op 4-25 jarigen, een subsidieverlenen van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten.
  90. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid bedraagt de subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, onder e, maximaal € 12.500,
  91. In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten indien het ROV-ZH daartoe adviseert het subsidiepercentage verhogen.
  92. In afwijking van het eerste lid bedraagt de hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, onderdeel f, € 5.000,00 per jaar. Artikel11.7Verdeling Indien door verstrekking van subsidie voor de aanvragen die zijn ontvangen het subsidieplafond wordt overschreden, bedraagt het deel van het totaal beschikbare bedrag dat per regio maximaal kan worden verstrekt voor Holland Rijnland 40%, voor Midden-Holland 17%, voor Goeree-Overflakkee 5%, voor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 11%, voor Drechtsteden 20% en voor Hoeksche Waard 7%. Artikel11.8Prestatieverantwoording
  93. Bij een subsidie van minder dan € 25.000,00 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal.
  94. Bij een subsidie vanaf € 25.000,00 maar minder dan € 125.000,00 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal.
  95. Bij een subsidie van € 125.000,00 of meer gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format. Artikel11.9Bevoorschotting
  96. Het voorschot voor subsidies van € 25.000,00 en hoger bedraagt maximaal 80% van het verleende bedrag.
  97. Gedeputeerde Staten kunnen de voorschotten in meer dan één termijn verstrekken. Paragraaf12Veerprojecten ArtikelGereserveerd Paragraaf13Veerinfrastructuur Artikel13.1Subsidiabele activiteiten en prestatie
  98. Subsidie kan worden verstrekt voor het verrichten van werkzaamheden aan de veerinfrastructuur.
  99. Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
  100. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot verbetering van de openbaar toegankelijke veerinfrastuctuur. Artikel13.2Doelgroep Subsidie, als bedoeld in artikel 13.1, wordt uitsluitend verstrekt aan veerexploitanten, wegbeheerders en de eigenaren van veerstoepen en toevoerwegen tot veerstoepen. Artikel13.3Weigeringsgronden Subsidie als bedoeld in artikel 13.1 wordt geweigerd indien: a. de financiële middelen van de verenvoorziening (Verenfonds) zijn uitgeput of door inwilliging van het verzoek de beschikbare financiële middelen worden overschreden; b. aannemelijk is dat de veerdienst waarvoor de veerinfrastructuur is bestemd binnen vijf jaar zal worden beëindigd Artikel13.4Subsidievereisten Om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. het gaat om veerinfrastructuur ten behoeve van veerdiensten die worden uitgevoerd in de provincie Zuid-Holland; b. het project voldoet aan eisen van soberheid en doelmatigheid; c. het project voldoet aan het verbeteren van de inrichting van de veerinfrastructuur. Artikel13.5Subsidiehoogte
  101. De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 13.1 bedraagt 80% van de subsidiabele kosten, tot een maximumbedrag van € 200.000,
  102. Onverminderd het eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten indien de beschikbare middelen dit toelaten, in uitzonderlijke gevallen besluiten om voor een veerinfrastructuurproject een hoger percentage vast te stellen. Artikel13.6Rangschikking
  103. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.
  104. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.
  105. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. Artikel13.7Bevoorschotting
  106. Het voorschot bedraagt voor subsidies van € 25.000,00 en hoger maximaal 80% van het verleende bedrag.
  107. In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten in bijzondere gevallen het voorschotpercentage verhogen.
  108. Gedeputeerde Staten kunnen de voorschotten in meer dan één termijn verstrekken. Artikel13.8Verplichtingen van de subsidieontvanger
  109. In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd: a. de subsidieontvanger realiseert het veerinfrastructuurproject uiterlijk binnen twee jaar nasubsidieverlening; b. de veerinfrastructuur, waarvoor subsidie is verleend, wordt ten minste vijf jaar in stand gehouden.
  110. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Awb kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is, indien het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming.
  111. De hoogte van de vergoeding bedoeld in het tweede lid bedraagt één zestigste gedeelte van het vastgestelde subsidiebedrag voor iedere maand, of gedeelte hiervan, die verstrijkt vanaf het moment dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb, tot het moment dat er zestig maanden zijn verstreken na het tijdstip van subsidieverlening. Artikel13.9Prestatieverantwoording Een subsidieontvanger verantwoordt een subsidie als bedoeld in artikel 13.1, als volgt: a. bij een subsidie van minder dan € 25.000,00 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal; b. bij een subsidie vanaf € 25.000,00 maar minder dan € 125.000,00 toont de subsidieontvanger bij het verzoek om subsidievaststelling aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag en beeldmateriaal; c. de aanvraag tot subsidievaststelling van projecten met een subsidie van € 125.000,00 of meer bevat een controleverklaring en een financieel verslag, die beiden zijn opgesteld overeenkomstig het door de provincie Zuid-Holland opgestelde format. Paragraaf14Overgangs- en slotbepalingen Artikel14.1Intrekking De Uitvoeringsregeling brede doeluitkering verkeer en vervoer Zuid-Holland 2013 wordt ingetrokken. Artikel14.2Overgangsrecht De Uitvoeringsregeling brede doeluitkering verkeer en vervoer Zuid-Holland 2013, zoals die luidde op dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van kracht voor subsidiesdie voor die datum zijn aangevraagd. Artikel14.3Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het ProvinciaalBlad waarin zij wordt geplaatst. Artikel14.4Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland. Den Haag, 29 september
  112. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, drs. J. Smit, voorzitter drs. J.H. de Baas, secretaris a.i. Bijlage1behorende bij de Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland: SUBSIDIABELE VERKEERSVEILIGHEIDSPROJECTEN Infrastructurele maatregelen in verblijfsgebieden Hiertoe wordt gerekend de omvorming van wegen en hun omgeving, met het oog op de verkeersveiligheid, waaronder: A. snelheidsbeheersing en attentieverhoging
  113. voetgangersgebied,
  114. (woon)erf,
  115. 30 km-gebied/weg,
  116. 60 km-gebied/weg,
  117. incidenteel B. regulering van het parkeren en stallen, respectievelijk laden en lossen; C. geleiding van verkeersstromen door middel van bijvoorbeeld:
  118. geheel of gedeeltelijk «doorknippen» van doorgaande routes,
  119. geheel of gedeeltelijk «doorknippen» van aansluitingen van/naar gebiedsontsluitingswegen; D. verbetering van de herkenbaarheid van de wegcategorie door middel van bijvoorbeeld:
  120. wegmarkering,
  121. aanduiding van in- en uitgangen (overgang naar wegen met andere maximumsnelheid); E. herinrichting van bermen buiten de bebouwde kom door middel van bijvoorbeeld:
  122. semi-verharding,
  123. afscherming of verwijdering van obstakels; F. aanpassing van het wegontwerp aan richtlijnen/aanbevelingen. Bovengenoemde werkzaamheden worden in de verantwoording onderscheiden naar de bestemmingvan de betrokken wegen in het categoriseringsplan van de betreffende wegbeheerder: ETW.bi beoogde erftoegangswegen binnen de bebouwde kom, ETW. bu beoogde erftoegangswegen buiten de bebouwde kom Infrastructurele maatregelen op (voorlopige) verkeersaders Hiertoe wordt gerekend de omvorming van wegen en hun omgeving, met het oog op de verkeersvei-ligheid, waaronder: A. rijbaanscheiding
  124. (moeilijk) overrijbaar,
  125. niet overrijbaar,
  126. het in dat verband aanbrengen van passeermogelijkheden; B. scheiding van verkeerssoorten door middel van bijvoorbeeld:
  127. aanleg van parallelwegen,
  128. aanleg van parallelfietspaden,
  129. aanleg van parallelvoetpaden,
  130. nieuwe ontsluiting van percelen via een andere route; C. herinrichting van kruisingen, aansluitingen en oversteekplaatsen, waaronder:
  131. aanleg van ongelijkvloerse kruising van wegen,
  132. aanleg van ongelijkvloerse kruising van fiets/voetpaden,
  133. omvorming tot rotonde,
  134. overige verbeteringen ter bescherming van overstekende (brom)fietsers en voetgangers,
  135. inperking van het aantal linksafbewegingen,
  136. verbetering van verkeerslichtinstallaties; D. herinrichting van wegvakken door middel van bijvoorbeeld:
  137. vermindering van het aantal wegaansluitingen voor autoverkeer,
  138. vermindering van het aantal erfaansluitingen voor autoverkeer,
  139. geleiding van (brom)fietsers en voetgangers naar veilige oversteekplaatsen
  140. snelheidsbeheersing,
  141. aanbrengen van fietsstroken,
  142. andere wijziging van de rijstrookindeling; E. regulering van het parkeren en stallen, respectievelijk laden en lossen; F. verbetering van de herkenbaarheid van de wegcategorie door o.a.:
  143. wegmarkering,
  144. aanduiding van de overgang naar wegen met andere maximum snelheid; G. herinrichting van bermen door middel van bijvoorbeeld:
  145. semi-verharding,
  146. pechvoorzieningen,
  147. afscherming, respectievelijk verwijdering van obstakels; H. aanpassing van het wegontwerp aan richtlijnen/aanbevelingen:
  148. aanpassing van de diameter van rotondes
  149. uniformering van de voorrang op rotondes (hoofdrijbaan),
  150. uniformering van de voorrang op rotondes (fietspaden),
  151. anderszins. Bovengenoemde werkzaamheden worden in de verantwoording onderscheiden naar de bestemmingvan de betrokken wegen in het categoriseringsplan van de betreffende wegbeheerder: SW.bi beoogde stroomwegen binnen de bebouwde kom, GOW.bi beoogde gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom, VV.bi voorlopige verkeersader binnen de bebouwde kom, SW.bu beoogde stroomwegen buiten de bebouwde kom, GOW.bu beoogde gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom, VV.bu voorlopige verkeersader buiten de bebouwde kom.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.