← Nederland

Beheersverordening 'Venlo Noord' (Venlo)

Obsah (14)Artikel3Artikel4Artikel5Artikel6Artikel7Artikel8Artikel9Artikel10Artikel11Artikel12Artikel13Artikel14Artikel15Artikel16

lege van 21 juli 2015, registratienummer 15-4741; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; mede gelet de actualiseringsplicht van bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke o

Artikel3

.2.1Gebouwen, niet zijnde gebouwen ter plaatse van de aanduiding nutsvoorziening, woningen of bijgebouwen bij woningen Voor het bouwen van gebouwen, niet zijnde gebouwen ter plaatse van de aanduiding nutsvoorziening, woningen of bijgebouwen bij woningen, gelden de volgende regels: a. een gebouw wordt uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd; b. het bebouwingspercentage bedraagt per bouwperceel niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven; de goot- en bouwhoogte van een gebouw bedragen niet dan ter plaatse van de c. aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. Artikel3.2.2Voorzieningen van algemeen nut Voor het bouwen van voorzieningen van algemeen nut ter plaatse van de aanduiding nutsvoorziening, gelden de volgende regels: a. een gebouw wordt uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd; b. de oppervlakte van een gebouw bedraagt niet meer bedragen dan 15 m²; c. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt niet meer dan 3 m. Artikel3.2.3Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat: a. de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer dan 1 m bedraagt; b. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt niet meer dan 3 m, met dien verstande dat deze binnen het bouwvlak wordt opgericht en het bebouwingspercentage als bedoeld in artikel 3.2.1 onder b niet wordt overschreden; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 m bedraagt. Artikel3.3Nadere eisen Artikel3.3.1Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampen bestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. Artikel3.3.2Externe veiligheid Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake: a. het uitvoeren van de gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten; b. het voorzien van de gebouwen van brandwerende gevels en ramen; c. het aanbrengen van de beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen; d. de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen; e. het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen; f. het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen; g. het creëren van vluchtwegen; h. de centrale ventilatie; i. het alarmeringssysteem. Artikel3.4Afwijken van de bouwregels Artikel3.4.1Afwijking situering bedrijfsgebouw Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.1 en kan worden toegestaan dat een bedrijfsgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits: a. de maximale oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de afstand tot op de perceelgrens niet minder dan 3 m bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt, met dien verstande dat indien de maximale bouwhoogte van gebouwen gelegen op hetzelfde bouwperceel als bedoeld in lid 3.2.1 onder b minder bedraagt dan 4 m, de maximale bouwhoogte niet meer dan deze hoogte bedraagt. Artikel3.5Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en de gronden voor: a. wonen, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'wonen' als bedoeld in lid 3.1; b. detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel als bedoeld in lid 3.1; c. opslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn; d. afvalverwerkende en recycling bedrijven alsmede sloperijen. Artikel3.6Afwijken van de gebruiksregels Artikel3.6.1Afwijken Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van: a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die zijn opgenomen in een hogere categorie dan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.1 indien deze gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.1, maar niet in de Staat voorkomt; b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.1, maar niet in de Staat wordt genoemd. Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de navolgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitwerp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking. Artikel3.6.2Afwegingskader Een in 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid. Artikel4Dienstverlening Artikel4.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Dienstverlening' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dienstverlening; b. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; c. bovenwoningen; met daaraan ondergeschikt: d. wegen en paden; e. groenvoorzieningen; f. parkeervoorzieningen. Er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein conform de CROW Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie d.d. oktober 2012, publicatie 317. Artikel4.

Artikel4.2.1Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a.

een gebouw wordt uitsluitend in een bouwvlak gebouwd; b. er mogen geen nieuwe woningen worden opgericht met uitzondering van vervangende nieuwbouw ter plaatse van bestaande woningen; c. het bebouwingspercentage bedraagt per bouwperceel niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven; d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. Artikel4.2.2Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m bedraagt; b. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt niet meer dan 3 m, met dien verstande dat slechts één overkapping per bouwperceel wordt gerealiseerd, de oppervlakte niet meer dan 30 m² bedraagt en deze achter de naar de weg gekeerde gevel wordt opgericht; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 m bedraagt; d. in afwijking van het bepaalde onder c bedraagt de bouwhoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m. Artikel4.3Nadere eisen Artikel4.3.1Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampen bestrijding; f. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater tengevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. Artikel4.3.2Externe veiligheid Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake: a. het uitvoeren van de gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten; b. het voorzien van de gebouwen van brandwerende gevels en ramen; c. het aanbrengen van de beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen; d. de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen; e. het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen; f. het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen; g. het creëren van vluchtwegen; h. de centrale ventilatie; i. het alarmeringssysteem. Artikel4.4Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder a en kan worden toegestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: a. de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de afstand tot de perceelgrens niet minder dan 3 m bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt, met dien verstande dat indien de maximale bouwhoogte van gebouwen gelegen op hetzelfde bouwperceel als bedoeld in lid 4.2.1 onder b minder bedraagt dan 4 m, de maximale bouwhoogte niet meer dan deze hoogte bedraagt. Artikel5Gemengd Artikel5.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel, met uitzondering van supermarkten en perifere detailhandel; b. dienstverlening met baliefunctie; c. consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten; d. aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis, zoals vermeld in Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden bedrijven; e. wonen in de vorm van gestapelde woningen; f. ter plaatse van de aanduiding 'horeca': horeca; g. ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt': een supermarkt; h. waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: i. wegen en paden; j. groenvoorzieningen; k. parkeervoorzieningen. Er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein conform de CROW Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie d.d. oktober 2012, publicatie 317. Artikel5.

Artikel5.2.1Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a.

een gebouw wordt uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd; b. er mogen geen nieuwe woningen worden opgericht met uitzondering van vervangende nieuwbouw ter plaatse van bestaande woningen; c. het bebouwingspercentage bedraagt per bouwperceel niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven; d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. Artikel5.2.2Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m bedraagt; b. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt niet meer dan 3 m, met dien verstande dat slechts 1 overkapping per bouwperceel wordt gerealiseerd, de oppervlakte niet meer dan 30 m² bedraagt en deze achter de naar de weg gekeerde gevel wordt opgericht; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 m bedraagt. Artikel5.3Nadere eisen Artikel5.3.1Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampen bestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. Artikel5.3.2Externe veiligheid Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake: a. het uitvoeren van de gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten; b. het voorzien van de gebouwen van brandwerende gevels en ramen; c. het aanbrengen van de beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen; d. de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen; e. het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen; f. het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen; g. het creëren van vluchtwegen; h. de centrale ventilatie; i. het alarmeringssysteem. Artikel5.4Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.1 onder a en kan worden toegestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: a. de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de afstand tot de perceelgrens niet minder dan 3 m bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt, met dien verstande dat indien de maximale bouwhoogte van gebouwen gelegen op hetzelfde bouwperceel als bedoeld in lid 5.2.1 onder b minder bedraagt dan 4 m, de maximale bouwhoogte niet meer dan deze hoogte bedraagt. Artikel5.5Specifieke gebruiksregels Artikel5.5.1Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. prostitutie en/of seksinrichtingen; b. coffeeshops. Artikel5.5.2Detailhandel Detailhandel is toegestaan met een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 150 m2 per vestiging, met uitzondering van: a.de gronden gelegen aan de Van Postelstraat waar ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt' een supermarkt met een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 1.365 m2 is toegestaan; b. de gronden gelegen rondom het Gelreplein waar detailhandel met een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 750 m2 is toegestaan en waar ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt' een supermarkt met een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 1.500 m2 is toegestaan. Artikel5.5.3Dienstverlening met baliefunctie Dienstverlening met baliefunctie is toegestaan met een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 150 m2 per vestiging. Artikel5.5.4Horeca Horeca is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'horeca' tot maximaal 150 m2 bedrijfsvloeroppervlak. Artikel5.5.5Consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten Consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan tot maximaal 150 m2 bedrijfsvloeroppervlak. Artikel5.6Afwijken van de gebruiksregels Artikel5.6.1Afwijken Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1 ten behoeve van: a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die zijn opgenomen in een hogere categorie dan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 5.1 indien deze gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 5.1, maar niet in de Lijst voorkomen; b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 5.1, maar niet in de Lijst worden genoemd. Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf worden de navolgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling betrokken: geluid, geurproductie, stofuitwerp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking. Artikel5.6.2Afwegingskader Een in 5.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid. Artikel6Groen Artikel6.1Bestemmingsomschrijving De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. speelvoorzieningen; c. bermen en beplanting; d. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: e. paden; f. verhardingen; g. parkeervoorzieningen; h. hondenuitlaatplaatsen; i. kunstwerken; met de daarbijbehorende: j. voorzieningen van algemeen nut. Artikel6.

Artikel6.2.1Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a.

op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m; c. de oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut bedraagt niet meer dan 15 m². Artikel6.2.2Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 5 m; b. overkappingen zijn niet toegestaan; c. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de hoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m, met uitzondering van de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen die niet meer dan 2 m bedraagt en voor zover de erf- en terreinafscheiding vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan is gelegen niet meer dan 1 m bedraagt. Artikel6.3Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; f. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. Artikel6.4Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste en vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Artikel7Maatschappelijk Artikel7.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van activiteiten gericht op de (medisch-)sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, culturele functies en sportvoorzieningen, met uitzondering van religie en opvang van speciale groepen (zoals crisisopvang en opvang van dak- en thuislozen en asielzoekers); b. ter plaatse van de aanduiding 'religie': religieuze voorzieningen; c. wonen in de vorm van een woonzorgcomplex; d. waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: e. wegen en paden; f. groenvoorzieningen; g. parkeervoorzieningen. Er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein conform de CROW Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie d.d. oktober 2012, publicatie 317. Artikel7.

Artikel7.2.1Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a.

een gebouw wordt uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd; b. het bebouwingspercentage bedraagt per bouwperceel niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven; c. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. Artikel7.2.2Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m bedraagt; b. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt niet meer dan 3 m, met dien verstande dat slechts één overkapping per bouwperceel wordt gerealiseerd, de oppervlakte niet meer dan 30 m² mag bedragen en deze achter de naar de weg gekeerde gevel wordt opgericht; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3 m; d. in afwijking van het bepaalde onder c bedraagt de bouwhoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m. Artikel7.3Nadere eisen Artikel7.3.1Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampen bestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater tengevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. Artikel7.3.2Externe veiligheid Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake: a. het uitvoeren van de gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten; b. het voorzien van de gebouwen van brandwerende gevels en ramen; c. het aanbrengen van de beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen; d. de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen; e. het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen; f. het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen; g. het creëren van vluchtwegen; h. de centrale ventilatie; i. het alarmeringssysteem. Artikel7.4Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.2.1 onder a en kan worden toegestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: a. de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de afstand tot de perceelgrens niet minder dan 3 m bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt, met dien verstande dat indien de maximale bouwhoogte van gebouwen gelegen op hetzelfde bouwperceel als bedoeld in lid 7.2.1 onder b minder bedraagt dan 4 m, de maximale bouwhoogte niet meer dan deze hoogte bedraagt. Artikel7.5Specifieke gebruiksregels Artikel7.5.1Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. een ambachtelijk, industrieel, handels en/of horecabedrijf; b. prostitutie en/of seksinrichtingen; c. coffeeshops; d. detailhandel. Artikel7.5.2Horeca Horeca is als zelfstandige functie niet toegestaan. Horeca is uitsluitend toegestaan indien het verband houdt met de ter laatste gevestigde maatschappelijke functies en het qua aard en omvang van ondergeschikte betekenis is Artikel7.5.3Kantoor Kantoren zijn als zelfstandige functie niet toegestaan (echter wel als ondergeschikte functie). Artikel8Verkeer Artikel8.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie; b. voet- en rijwielpaden; c. groenvoorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; e. parkeervoorzieningen; waarbij wordt gestreefd naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; met daaraan ondergeschikt: f. bermen en beplanting; g. straatmeubilair; h. kunstwerken met de daarbijbehorende: i. voorzieningen van algemeen nut; j. waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen, voorzieningen ten behoeve van veerdiensten, e.d.). Artikel8.

Artikel8.2.1Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a.

er worden uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut en/of wegbeheer gebouwd; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 3 m; c. oppervlakte van gebouwen bedraagt niet meer dan 15 m². Artikel8.2.2Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 5 m; b. overkappingen zijn niet toegestaan; c. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de bouwhoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m. Artikel8.3Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampen bestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater tengevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. Artikel8.4Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. standplaats voor kampeermiddelen; b. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste en vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Artikel9Wonen Artikel9.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ≤ 60 m2': bedrijven met een bedrijfsvloeroppervlak kleiner of gelijk aan 60 m2; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - > 60 m2': bedrijven met een bedrijfsvloeroppervlak groter dan 60 m2; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten': consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfs- activiteiten' met een bedrijfsvloeroppervlak kleiner of gelijk aan 60 m2; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - klusbedrijf': een klusbedrijf'; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - elektrobedrijf': een elektrobedrijf; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - adviesbureau': een adviesbureau; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van dienstverlening - beautysalon'; een beautysalon; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - fysiopraktijk': een fysiopraktijk; j. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel': detailhandel; k. ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening': dienstverlening; l. ter plaatse van de aanduiding 'horeca'; horeca; m. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor': een kantoor; n. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk': maatschappelijke voorzieningen; o. ter plaatse van de aanduiding 'gemengd': gemengde doeleinden, te weten detailhandelsbedrijven, consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten, maatschappelijk doeleinden of dienstverlening; p. ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats': woonwagenstandplaatsen; q. aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis, zoals vermeld in Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden bedrijven; r. tuinen, erven en onbebouwde erven; s. waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met de daarbijbehorende: t. hoofd- en bijgebouwen, aan- en uitbouwen; u. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Artikel9.

Artikel9.2.1Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a.

gebouwen worden uitsluitend gebouwd binnen de aangeduide bebouwingsgrens en bijgebouwengrens; b. het bebouwingspercentage van het bouwperceel bedraagt niet meer dan 50%. Artikel9.2.2Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. toegestaan zijn grondgebonden woningen, gestapelde bebouwing (boven- benedenwoningen) is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld'; b. er mogen geen nieuwe woningen worden opgericht met uitzondering van vervangende nieuwbouw ter plaatse van bestaande woningen; c. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; d. hoofdgebouwen dienen in of maximaal 3 m achter en evenwijdig aan de voorgevelrooilijn geplaatst te worden; e. de bebouwingsdiepte van het hoofdgebouw bedraagt bij:

  1. aaneengesloten woningen niet meer dan 10 m in meerdere bouwlagen en in één bouwlaag niet meer dan 13 m;
  2. halfvrijstaande woningen niet meer dan 12 m in meerdere bouwlagen en in één bouwlaag niet meer dan 15 m;
  3. vrijstaande woningen niet meer dan 15 m in meerdere bouwlagen en in één bouwlaag niet meer dan 18 m; f. de inhoud van een hoofdgebouw bedraagt bij:
  4. grondgebonden woningen niet minder dan 250 m3 en niet meer dan 1.000 m3;
  5. gestapelde woningen niet minder dan 150 m3 en niet meer dan 600 m3; g. in afwijking van het bepaalde in sub b mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nieuwbouw' niet meer dan 12 woonzorgeenheden worden gebouwd. Artikel9.2.3Woonwagenstandplaats Ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats' gelden de volgende regels: a. het aantal standplaatsen bedraagt niet meer dan 4; b. de woonwagen dient in de voorgevelrooilijn te worden geplaatst, waarbij de breedte van de woonwagen niet meer dan 7 m bedraagt en de diepte niet meer dan 13 m bedraagt; c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 4 m en de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 7,5 m; d. de afstand van een woonwagen tot de bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 2,5 m. Artikel9.2.4Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden achter de voorgevelrooilijnen en achter op de verbeelding aangegeven bijgebouwenlijn gebouw; b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden tenminste 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of het verlengde daarvan - gebouwd; c. in hoeksituaties worden aan- en uitbouwen en bijgebouwen, aan de perceelszijde van het hoofdgebouw die direct grenst aan de weg, op een afstand van tenminste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of het verlengde daarvan - gebouwd; d. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voorzover ze zijn gelegen buiten het maximale bouwvlak van het hoofdgebouw, zoals hiervoor onder 9.2.2 is aangegeven, bedraagt niet meer dan:
  6. 70 m² bij een bouwperceel van maximaal 500 m²;
  7. 100 m² bij een bouwperceel groter dan 500 m²; met dien verstande dat het maximum bebouwingspercentage als bedoeld in lid 9.2.1 onder b niet wordt overschreden; e. in afwijking van het bepaalde onder a tot en met d, bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij woonwagens niet meer dan 20 m2, met dien verstande dat:
  8. de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de voorgevelrooilijn niet minder mag bedragen dan 13 m;
  9. het maximum bebouwingspercentage als bedoeld in lid 9.2.1 onder b niet wordt overschreden; f. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer dan 3,3 m bedraagt en de bouwhoogte niet meer dan 6 m bedraagt; g. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een plat dak niet meer dan 3,3 m bedraagt; h. in afwijking van het bepaalde onder a t/m e van dit lid, mogen aan een hoofdgebouw erkers, luifels en dergelijke worden aangebouwd, met een diepte van maximaal 1,5 m, een oppervlakte van maximaal 6 m² en een hoogte van maximaal 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping. Artikel9.2.5Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. erf en terreinafscheidingen hoger dan 1 m, maar maximaal 2 m, alsmede overkappingen worden tenminste 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of in het verlengde daarvan - gebouwd; b. in hoeksituaties worden erf - en terreinafscheidingen hoger dan 1 m alsmede overkappingen, aan de perceelszijde van het hoofdgebouw die direct grenst aan de weg, op een afstand van tenminste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of het verlengde daarvan - gebouwd; c. de bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 m, met uitzondering van: - vlaggenmasten, waarvan de hoogte niet meer dan 5 m bedraagt; - speeltoestellen, waarvan de hoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt; - erf- en terreinafscheidingen, waarvan de hoogte niet meer dan 2 m bedraagt. d. Het in 9.2.1 onder b aangegeven bebouwingspercentage wordt tengevolge van het oprichten van andere bouwwerken welke hoger zijn dan 1 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet overschreden. Artikel9.3Nadere eisen Artikel9.3.1Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering en/of afmetingen van bouwwerken; b. de kapvorm van gebouwen; c. de aanleg en omvang van parkeergelegenheid op eigen terrein; d. de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) e. waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. Artikel9.3.2Afwegingskader De toepassing van nadere eisen als bedoeld in 9.3.1 onder a t/m c door burgemeester en wethouders is gericht zijn op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie (wooncomfort kwaliteit woongenot van de directe omgeving); c. de gebruiksmogelijkheden (op eigen terrein en op aangrenzende gronden); d. de milieusituatie; e. de verkeersveiligheid; f. de parkeerruimte op eigen terrein; g. de sociale veiligheid; h. de brandveiligheid. Artikel9.3.3Externe veiligheid Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake: a. het uitvoeren van de gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten; b. het voorzien van de gebouwen van brandwerende gevels en ramen; c. het aanbrengen van de beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen; d. de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen; e. het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen; f. het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen; g. het creëren van vluchtwegen; h. de centrale ventilatie; i. het alarmeringssysteem. Artikel9.4Afwijken van de bouwregels Artikel9.4.1Afwijking situering hoofdgebouwen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2.3 onder b en kan worden toegestaan dat hoofdgebouwen gedeeltelijk buiten de aangegeven maatvoering van 7 bij 13 m worden gebouwd, mits: a. de oppervlakte buiten buiten de aangegeven maatvoering van 7 bij 13 m niet meer bedraagt dan 45 m2 per bouwperceel; b. de aangegeven maatvoering van 7 bij 13 m aan de zij- of achterzijde niet meer dan 3 m wordt overschreden, mits de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens minimaal 2,5 m bedraagt; c. de goothoogte niet meer dan 4 m bedraagt en de bouwhoogte niet meer dan 7,5 m. Artikel9.4.2Afwijking afstand zijdelingse perceelsgrens Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2.3 onder d en kan worden toegestaan dat hoofdgebouwen op een kleinere afstand dan 2,5 m tot de zijdelingse bouwperceelgrens worden gebouwd, mits de brandveiligheid anderszins wordt gewaarborgd. Artikel9.4.3Afwijking situering bijgebouwen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2.4 onder e voor de realisatie van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tussen de voorgevelrooilijn en 13 m achter de voorgevelrooilijn, met een maximum oppervlakte van 7 m
  10. Artikel9.5Specifieke gebruiksregels Artikel9.5.1Strijdig gebruik Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in elk geval gerekend het gebruik van: a. vrijstaande bijgebouwen voor permanente of tijdelijke bewoning; b. gebouwen en gronden als kamerverhuurbedrijf; c. gebouwen en gronden voor bed and breakfast; d. gronden voor de voorgevel bij aaneengesloten woonbebouwing; om te parkeren; e. gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutie en/seksinrichtingen. Artikel9.5.2Aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis Het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis is toegestaan in combinatie met het wonen, mits: a. het bedrijven betreft welke genoemd zijn in Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden bedrijven alsmede bedrijven welke niet in de lijst zijn vermeld, doch naar het oordeel van burgemeester en wethouders, waar het gaat om de verwachting omtrent te vrezen gevaar, schade of hinder of overlast voor de (woon)omgeving, daarmee gelijk te stellen zijn. De in Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden bedrijven genoemde bedrijven vallen onder milieucategorie 1 of
  11. Bedrijven in een hogere milieucategorie zijn vanwege de mogelijke hinder voor de omgeving in dit verband niet toegestaan; b. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; c. de beroeps- en/of bedrijfsoppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en de bijgebouwen, met een maximum van 50 m²; d. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk door de bewoner(s) van het hoofdgebouw zelf worden uitgeoefend; e. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten het woon- en leefklimaat niet onevenredig aantasten; f. de woning en de bij de woning behorende bijgebouwen aan het Bouwbesluit c.q. de Bouwverordening blijven voldoen; g. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geen parkeeroverlast voor de directe (woon)omgeving veroorzaken of dat hierdoor geen extra parkeervoorzieningen noodzakelijk zijn; h. geen (overig) gevaar schade, hinder of overlast voor de (woon)omgeving ontstaat; i. geen detailhandel wordt uitgeoefend, met uitzondering van detailhandel die ondergeschikt is aan en verband houdt met de ter plekke uitgeoefende kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; j. geen horeca-activiteiten worden uitgeoefend; k. geen prostitutiebedrijf, seksinrichting of aanverwante activiteiten op erotisch en/of pornografisch gebied wordt/worden uitgeoefend. Artikel9.5.3Consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten a. De uitoefening van bestaande consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten of bestaande bedrijfsdoeleinden kleiner dan of gelijk aan 60 m² bedrijfsvloeroppervlak, op de verbeelding aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijf - consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten' of als 'specifieke vorm van bedrijf - ≤ 60 m2' mag worden gehandhaafd. b. Bestaande bedrijfsdoeleinden groter dan 60 m² bedrijfsvloeroppervlak en op de verbeelding aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijf - > 60 m2' mogen worden gehandhaafd doch mogen niet worden uitgebreid. Artikel9.5.4Detailhandel Detailhandelsdoeleinden zijn op de verbeelding aangeduid door middel van de aanduiding 'detailhandel'. De bestaande functies mogen worden gehandhaafd het bedrijfsvloeroppervlak mag niet worden uitgebreid. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 1' is detailhandel toegestaan tot een maximum bedrijfsvloeroppervlak van 100 m2 uitsluitend op de begane grond. Artikel9.5.5Horeca Horecadoeleinden zijn op de verbeelding aangeduid door middel van de aanduiding 'horeca' ten dienste van bestaande horecabedrijven. Deze bedrijven mogen worden gehandhaafd doch mag het bedrijfsvloeroppervlak niet worden uitgebreid. Artikel9.6Afwijken van de gebruiksregels Artikel9.6.1Afwijking bed and breakfast Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels ten behoeve van een bed and breakfast, mits: a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft; b. het gebruik geen hinder voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt; c. het gebruik geen belemmering voor de omliggende bedrijven oplevert; d. het gebruik naar de aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming is; e. degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is; f. er geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaat; g. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van verkeer; h. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; i. de bed and breakfast-voorziening in bestaande bebouwing wordt gerealiseerd; j. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van een bed and breakfast in gebruik is, zulks met een absoluut maximum van 60 m². Artikel9.6.2Afwijking consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 9.5.3 mits: a. voor de uitoefening van consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten onder de voorwaarden dat:
  12. de woonfunctie in de betreffende woning in overwegende mate gehandhaafd blijft;
  13. er geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat, met dien verstande dat beperkte verkoop inherent aan de betreffende activiteit is toegestaan; Artikel10Leiding - Gas Artikel10.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en bescherming van een ondergrondse gasleiding. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Leiding - Gas' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het, gehoord de leidingbeheerder, verenigbaar is met het belang van de leiding(en). Artikel10.

Artikel10

.2.1Bouwverbod In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming. Artikel10.2.2Geen gebouwen Op of in deze gronden worden geen gebouwen gebouwd. Artikel10.2.3Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt. Artikel10.3Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 10.2.1 en kan worden toegestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leiding. Artikel10.4Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel10.4.1Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. diepploegen; f. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven en daarmee verband houdende constructies; g. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen. Artikel10.4.2Toegestane werkzaamheden Het in lid 10.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. Artikel10.4.3Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 10.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. Artikel11Leiding - Riool Artikel11.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en bescherming van een rioolleiding. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Leiding - Riool' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het, gehoord de leidingbeheerder, verenigbaar is met het belang van de leiding(en). Artikel11.

Artikel11

.2.1Bouwverbod In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming. Artikel11.2.2Geen gebouwen Op of in deze gronden worden geen gebouwen gebouwd. Artikel11.2.3Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m. Op de in lid 11.1 genoemde gronden worden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bedoelde leiding gebouwd. Artikel11.3Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 11.2 en kan worden toegestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leiding. Artikel11.4Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel11.4.1Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Riool' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. diepploegen; f. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven en daarmee verband houdende constructies; g. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen. Artikel11.4.2Toegestane werkzaamheden Het in lid 11.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. Artikel11.4.3Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 11.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. Artikel12Leiding – Water Artikel12.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en bescherming van een ondergrondse hoofdwatertransportleiding. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Leiding - Water' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het, gehoord de leidingbeheerder, verenigbaar is met het belang van de leiding(en). Artikel12.

Artikel12

.2.1Bouwverbod In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen wordt niet gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming. Artikel12.2.2Geen gebouwen Op of in deze gronden worden geen gebouwen gebouwd. Artikel12.2.3Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen. Artikel12.3Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 12.2 en kan worden toegestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits: geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leiding. Artikel12.4Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel12.4.1Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Water' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. diepploegen; f. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving g. aangegeven, en daarmee verband houdende constructies; h. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen. Artikel12.4.2Toegestane werkzaamheden Het in lid 12.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. Artikel12.4.3Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 12.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. Artikel13Waarde – Cultuurhistorie 1 Artikel13.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde – Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende: a. cultuurhistorische waarden; b. archeologische hoge waarden. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie 1' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, het verenigbaar is met het belang van het cultuurhistorisch waardevol gebied. Artikel13.

Artikel13.2.1Bouwen Er mag slechts worden gebouwd indien: a.

bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en; b. het bouwplangebied de oppervlakteondergrens van 500 m² van het betreffende archeologische waardegebied niet overschrijdt; c. bij overschrijding van de onder b bedoelde ondergrenzen, de bebouwing aantoonbaar niet leidt tot verstoring van archeologische waarden. Artikel13.2.2Verstoring archeologisch materiaal Geen verstoring van archeologisch materiaal in de zin van 13.2.1 onder c vindt plaats indien: a. de ingre(e)p(

  1. en)word(t)(
  2. en)verricht op minder dan 40 cm onder het maaiveld; b. het bouwplan of bouwplannen uitsluitend betrekking heeft of hebben op verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte blijft gehandhaafd en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid; c. op basis van een archeologisch rapport zoals gesteld in de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldige cultuurhistorische beleid van de gemeente is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Artikel13.2.3Voorwaarden archeologisch verstoring Indien uit het onder lid 13.2.2 onder c bedoelde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek, waaronder opgravingen conform de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Artikel13.2.4Voorwaarden vergunning De regels als bedoeld in lid 13.2.3 kunnen alleen aan de omgevingsvergunning worden verbonden indien: a. de bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen een gebied dat een omvang heeft van minimaal 500 m². Artikel13.3Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 13.2.1 indien: a. de archeologische waarden niet worden aangetast; b. de nieuwbouw binnen de archeologische waarden past dan wel een kwalitatieve bijdrage levert aan de genoemde waarden; c. de archeologische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld tot nihil. Artikel13.4Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel13.4.1Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in gronden welke zijn bestemd als van 'Waarde – Cultuurhistorie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; b. het vellen, rooien of aanleggen van diepwortelende beplantingen en/ of bomen, inclusief het verwijderen van stobben; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; f. het graven, aanleggen, verbreden, vergroten of dempen van sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten; g. slopen van bestaande opstallen beneden de 30 cm boven maaiveld, en het verwijderen van funderingen. Artikel13.4.2Toegestane werkzaamheden Het verbod als bedoeld in lid 13.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. minder diep reiken dan 0,40 meter onder het maaiveld en waarbij geen grond blijvend wordt afgevoerd en het grondoppervlak van de aanlegwerken minder is dan 500 m²; e. archeologisch onderzoek betreffen. Artikel13.4.3Afwegingskader De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 13.4.1 zijn slechts toelaatbaar mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 13.1 genoemde doeleinden; b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog. Artikel13.5Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Artikel13.5.1Algemene voorwaarden In het belang van de archeologisch monumentenzorg kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan een omgevingsvergunning op of in gronden met een te slopen oppervlak van meer dan 500 m². Artikel13.5.2Specifieke voorwaarde Aan de omgevingsvergunning voor de gronden, als bedoeld lid 13.5.1, kunnen burgemeester en wethouders de voorwaarde verbinden dat de sloopwerken vanaf 30 cm boven het maaiveld en dieper worden begeleid door een gekwalificeerd archeologisch deskundige. Artikel13.5.3Melding archeologische vindplaats Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken roerende of onroerende archeologische vindplaatsen worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij burgemeester en wethouders die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de omgevingsvergunning aanvullende voorwaarden kunnen verbinden. Artikel14Waarde – Cultuurhistorie 2 Artikel14.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde – Cultuurhistorie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende: a. cultuurhistorische waarden; b. archeologische vindplaatsen. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie 2' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, het verenigbaar is met het belang van het cultuurhistorisch waardevol gebied. Artikel14.

Artikel14.2.1Bouwen Er mag slechts worden gebouwd indien: a.

bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en; b. het bouwplangebied de oppervlakteondergrens niet overschrijdt. Voor archeologische vindplaatsen én gebieden gelegen binnen een straal van 50 meter van een archeologische vindplaats geldt geen ondergrens; c. bij overschrijding van de onder b bedoelde ondergrenzen, de bebouwing aantoonbaar niet leidt tot verstoring van archeologische waarden. Artikel14.2.2Verstoring archeologisch materiaal Geen verstoring van archeologisch materiaal in de zin van 14.2.1 onder c vindt plaats indien: a. de ingre(e)p(

  1. en)word(t)(
  2. en)verricht op minder dan 40 cm onder het maaiveld; b. het bouwplan of bouwplannen uitsluitend betrekking heeft of hebben op verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte blijft gehandhaafd en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid; op basis van een archeologisch rapport zoals gesteld in de op het moment van c. ter inzage legging van vaststelling van de beheersverordening geldige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldige cultuurhistorische beleid van de gemeente is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Artikel14.2.3Voorwaarden archeologisch verstoring Indien uit het onder lid 14.2.2 onder c bedoelde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek, waaronder opgravingen conform de op het moment van ter inzage legging van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de op het moment van van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Artikel14.2.4Voorwaarden vergunning De regels als bedoeld in lid 14.2.3 kunnen alleen aan de omgevingsvergunning worden verbonden indien: de bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen een straal van 50 meter van een bekende archeologische vindplaats. Artikel14.3Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 14.2.1indien: a. de archeologische waarden niet worden aangetast; b. de nieuwbouw binnen de archeologische waarden past dan wel een kwalitatieve bijdrage levert aan de genoemde waarden; c. de archeologische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld tot nihil. Artikel14.4Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel14.4.1Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in gronden welke zijn bestemd als van 'Waarde – Cultuurhistorie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; b. het vellen, rooien of aanleggen van diepwortelende beplantingen en/ of bomen, inclusief het verwijderen van stobben; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; f. het graven, aanleggen, verbreden, vergroten of dempen van sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten; g. slopen van bestaande opstallen beneden de 30 cm boven maaiveld, en het verwijderen van funderingen. Artikel14.4.2Toegestane werkzaamheden Het verbod als bedoeld in lid 14.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. minder diep reiken dan 0,40 meter onder het maaiveld en waarbij geen grond blijvend wordt afgevoerd; e. archeologisch onderzoek betreffen. Artikel14.4.3Afwegingskader De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 14.4.1 zijn slechts toelaatbaar mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 14.1 genoemde doeleinden; b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog. Artikel14.5Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Artikel14.5.1Algemene voorwaarden In het belang van de archeologisch monumentenzorg kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan een omgevingsvergunning op of in gronden in een straal van 50 meter van een bekende archeologisch vindplaats. Artikel14.5.2Specifieke voorwaarde Aan de omgevingsvergunning voor de gronden, als bedoeld lid 14.5.1, kunnen burgemeester en wethouders de voorwaarde verbinden dat de sloopwerken vanaf 30 cm boven het maaiveld en dieper worden begeleid door een gekwalificeerd archeologisch deskundige. Artikel14.5.3Melding archeologische vindplaats Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken roerende of onroerende archeologische vindplaatsen worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij burgemeester en wethouders die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de omgevingsvergunning aanvullende voorwaarden kunnen verbinden. Artikel15Waarde – Cultuurhistorie 3 Artikel15.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde – Cultuurhistorie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende: a. cultuurhistorische waarden; b. archeologische zeer hoge waarden. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie 3' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, het verenigbaar is met het belang van het cultuurhistorisch waardevol gebied. Artikel15.

Artikel15.2.1Bouwen Er mag slechts worden gebouwd indien: a.

bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en; b. het bouwplangebied de oppervlakteondergrens van 100 m² van het betreffende archeologische waardegebied niet overschrijdt; c. bij overschrijding van de onder b bedoelde ondergrenzen, de bebouwing aantoonbaar niet leidt tot verstoring van archeologische waarden. Artikel15.2.2Verstoring archeologisch materiaal Geen verstoring van archeologisch materiaal in de zin van 15.2.1 onder c vindt plaats indien: a. de ingre(e)p(

  1. en)word(t)(
  2. en)verricht op minder dan 40 cm onder het maaiveld; b. het bouwplan of bouwplannen uitsluitend betrekking heeft of hebben op verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte blijft gehandhaafd en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid; c. op basis van een archeologisch rapport zoals gesteld in de op het moment van ter inzage legging van vaststelling van de beheersverordening geldige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldige cultuurhistorische beleid van de gemeente is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Artikel15.2.3Voorwaarden archeologisch verstoring Indien uit het onder lid 15.2.2 onder c bedoelde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek, waaronder opgravingen conform de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Artikel15.2.4Voorwaarden vergunning De regels als bedoeld in lid 15.2.3 kunnen alleen aan de omgevingsvergunning worden verbonden indien: a. de bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen een gebied dat een omvang heeft van minimaal 100 m². Artikel15.3Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 15.2.1 indien: a. de archeologische waarden niet worden aangetast; b. de nieuwbouw binnen de archeologische waarden past dan wel een kwalitatieve bijdrage levert aan de genoemde waarden; c. de archeologische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld tot nihil. Artikel15.4Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel15.4.1Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in gronden welke zijn bestemd als van 'Waarde – Cultuurhistorie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; b. het vellen, rooien of aanleggen van diepwortelende beplantingen en/ of bomen, inclusief het verwijderen van stobben; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; f. het graven, aanleggen, verbreden, vergroten of dempen van sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten; g. slopen van bestaande opstallen beneden de 30 cm boven maaiveld, en het verwijderen van funderingen. Artikel15.4.2Toegestane werkzaamheden Het verbod als bedoeld in lid 15.4.1 15.2.1is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. minder diep reiken dan 0,40 meter onder het maaiveld en waarbij geen grond blijvend wordt afgevoerd en het grondoppervlak van de aanlegwerken minder is dan 100 m²; e. archeologisch onderzoek betreffen. Artikel15.4.3Afwegingskader De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 15.2.1 zijn slechts toelaatbaar mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 15.1 genoemde doeleinden; b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog. Artikel15.5Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Artikel15.5.1Algemene voorwaarden In het belang van de archeologisch monumentenzorg kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan een omgevingsvergunning op of in gronden met een te slopen oppervlak van meer dan 100 m². Artikel15.5.2Specifieke voorwaarde Aan de omgevingsvergunning voor de gronden, als bedoeld lid 15.5.1, kunnen burgemeester en wethouders de voorwaarde verbinden dat de sloopwerken vanaf 30 cm boven het maaiveld en dieper worden begeleid door een gekwalificeerd archeologisch deskundige. Artikel15.5.3Melding archeologische vindplaats Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken roerende of onroerende archeologische vindplaatsen worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij burgemeester en wethouders die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de omgevingsvergunning aanvullende voorwaarden kunnen verbinden. Artikel16Waarde – Cultuurhistorie 4 Artikel16.1Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde – Cultuurhistorie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende lage archeologische waarden. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie 4' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, het verenigbaar is met het belang van het cultuurhistorisch waardevol gebied. Artikel16.

Artikel16.2.1Bouwen Er mag slechts worden gebouwd indien: a.

bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en; b. het bouwplangebied de oppervlakteondergrens van 5.000 m² van het betreffende archeologische waardegebied niet overschrijdt; c. bij overschrijding van de onder b bedoelde ondergrenzen, de bebouwing aantoonbaar niet leidt tot verstoring van archeologische waarden. Artikel16.2.2Verstoring archeologisch materiaal Geen verstoring van archeologisch materiaal in de zin van 16.2.1 onder c vindt plaats indien: a. de ingre(e)p(

  1. en)word(t)(
  2. en)verricht op minder dan 40 cm onder het maaiveld; b. het bouwplan of bouwplannen uitsluitend betrekking heeft of hebben op verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte blijft gehandhaafd en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid; c. op basis van een archeologisch rapport zoals gesteld in de op het moment van ter inzage legging van vaststelling van de beheersverordening geldige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldige cultuurhistorische beleid van de gemeente is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Artikel16.2.3Voorwaarden archeologisch verstoring Indien uit het onder lid 16.2.2 onder c bedoelde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek, waaronder opgravingen conform de op het moment van van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Artikel16.2.4Voorwaarden vergunning De regels als bedoeld in lid 16.2.3 kunnen alleen aan de omgevingsvergunning worden verbonden indien: a. de bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen een gebied dat een omvang heeft van minimaal 5.000 m². Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel16.3Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 16.2.1 indien: a. de archeologische waarden niet worden aangetast; b. de nieuwbouw binnen de archeologische waarden past dan wel een kwalitatieve bijdrage levert aan de genoemde waarden; c. de archeologische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld tot nihil. Artikel16.4Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel16.4.1Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in gronden welke zijn bestemd als van 'Waarde – Cultuurhistorie 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; b. het vellen, rooien of aanleggen van diepwortelende beplantingen en/ of bomen, inclusief het verwijderen van stobben; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; f. het graven, aanleggen, verbreden, vergroten of dempen van sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten; g. slopen van bestaande opstallen beneden de 30 cm boven maaiveld, en het verwijderen van funderingen. Artikel16.4.2Toegestane werkzaamheden Het verbod als bedoeld in lid 16.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. minder diep reiken dan 0,40 meter onder het maaiveld en waarbij geen grond blijvend wordt afgevoerd en het grondoppervlak van de aanlegwerken minder is dan 5.000 m²; e. archeologisch onderzoek betreffen. Artikel16.4.3Afwegingskader De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 16.4.1 zijn slechts toelaatbaar mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 16.1 genoemde doeleinden; b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog. Artikel17Waterstaat - Waterbergend rivierbed Artikel17.1Bestemmingsomschrijving Artikel17.1.1Primaire functie De voor 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor een waterbergende functie. Artikel17.1.2Relatie andere dubbelbestemmingen Voor zover er nog een of meer andere dubbelbestemmingen met 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' geheel of gedeeltelijk samenvallen, geldt het bepaalde in artikel Waterstaat - Waterbergend rivierbed'. Artikel17.

Op de gronden zoals bedoeld in 17.1 mag niet worden gebouwd. Artikel17.3Afwijken van de bouwregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van het waterbergend rivierbed, kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 17.2 en toestaan dat op de gronden binnen deze bestemming, mede conform de onderliggende bestemming, wordt gebouwd, mits vooraf gehoord Rijkswaterstaat. Hierbij wordt getoetst aan de volgende criteria: a. sprake van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk blijft gewaarborgd; b. geen sprake van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit; c. sprake van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert; e. de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen worden duurzaam gecompenseerd, waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen zijn verzekerd. Artikel17.4Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel17.4.1Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden bestemd tot 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen; b. het aanleggen van watergangen, het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; c. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding, het aanleggen van kabels en/of leidingen en daarmee verband houdende constructies; het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen en/of diepwortelende d. beplantingen. Artikel17.4.2Uitzonderingen Het bepaalde in 17.4.1 is niet van toepassing op: a. normale onderhoudswerkzaamheden; b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik; c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning mogen worden uitgevoerd. Artikel17.4.3Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in 17.4.1 zijn toelaatbaar, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van het stroomvoerend waterbed; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het Waterschap en bij Rijkswaterstaat. Hoofdstuk3Algemene regels Artikel18Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel19Algemene bouwregels Artikel19.1Voor bestaande afstanden en andere maten gelden de volgende regels a. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet c.q. de Wabo, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. b. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet c.q. de Wabo, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. c. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde onder a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. Artikel20Algemene aanduidingsregels Artikel20.1geluidzone - industrie Artikel20.1.1Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' worden vanwege een hoge geluidsbelasting tengevolge van industrielawaai geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of terreinen gerealiseerd. Artikel20.1.2Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 20.1.1 en kan worden toegestaan dat nieuwe geluidgevoelige objecten worden gebouwd, mits ingeval van industrielawaai de geluidsbelasting vanwege het industrielawaai op de gevels van deze geluidgevoelige gebouwen en/of terreinen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verleende hogere waarde. Artikel21Algemene afwijkingsregels Bij een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden, het woon- en leefklimaat, de stedenbouwkundige kwaliteit, de beeldkwaliteit, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de brandveiligheid en rampenbestrijding van de aangrenzende gronden en bouwwerken, worden afgeweken van: a. de voorgeschreven maximum maten, afmetingen, percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de bestemmingsregels en kan worden toegestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; c. de bestemmingsregels en kan worden toegestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; d. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en kan worden toegestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m; e. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en kan worden toegestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers en lichtkappen, mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2. de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen; f. het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, (glas)containers, monumenten, kapellen, wegkruisen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, worden toegestaan mits: 1. de oppervlakte niet meer dan 15 m² bedraagt; 2. de goothoogte niet meer dan 3 m bedraagt; 3. de bouwwerken naar aard en afmetingen passen in het plan, met dien verstande, dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 10 meter mag bedragen; 4. uit een bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hoofdstuk4Overgangs- en slotregels Artikel22Overgangsrecht Artikel22.1Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is danwel krachtens een bouw- of omgevingsvergunning kan worden gebouwd en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan tengevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan. b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Artikel22.2Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel23Slotregel Deze regels kunnen worden aangehaald onder de titel: Regels deel uitmakende van de Beheersverordening Venlo Noord van de gemeente Venlo'. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 september 2015De griffier, De voorzitter Geert van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.