Algemene Plaatselijke Verordening gemeente WeertDe raad van de gemeente Weert, gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 augustus 2015; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de Raadscommissie Bedrijfsvoering en Inwoners; In afwijking van het collegevoorstel is in de openbare vergadering van 01 oktober 2015 als volgt besloten: Besluit vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert met uitzondering van de artikelen: 2:15 (hinderlijke beplanting), 2:17 (kelderingangen e.d.) en 2:30 (afwijking sluitingstijd). Deze artikelen blijven ongewijzigd ten opzichte van de thans geldende APV 2009. HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen zoals vastgesteld op grond van artikel 27, lid 2, van de Wegenwet; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert; gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing , waarvoor het bevoegde bestuursorgaan een andere termijn heeft vastgesteld. 4.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, lid 4, artikel 4:11b of artikel 4:16 van deze verordening. Artikel1:3Late indiening aanvraag [Vervallen] Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of indien de houder dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:8Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. HOOFDSTUK2.OPENBARE ORDE Afdeling1.Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis, die aanleiding geeft tot toeloop van publiek, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van Stadstoezicht van de gemeente Weert of een buitengewoon opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert, krachtens artikel 6:2 van deze verordening belast met het toezicht op de naleving van deze verordening, zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling2.Betoging Artikel2:2Optochten [gereserveerd] zie artikel 2:24 met toelichting Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste één week voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel2:4Afwijking termijn (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Artikel2:5Te verstrekken gegevens (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Afdeling3.Verspreiden van gedrukte stukken Artikel2:6Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (vervallen) Afdeling4.Vertoningen e.d. op de weg Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd e.d. [gereserveerd] zie artikel 2:24 met toelichting Artikel2:8Dienstverlening [gereserveerd] Artikel2:9Straatartiest e.d. (vervallen) Afdeling5.Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2:10Voorwerpen op openbare plaatsen in strijd met de publieke functie ervan 1.Het is verboden om zonder vergunning van het college een openbare plaats te gebruiken voor het plaatsen of aanbrengen van voorwerpen op of boven de openbare plaats: als dat niet minimaal 10 werkdagen van te voren is gemeld met een door het college vastgesteld meldingsformulier of wanneer dat wel minimaal 10 werkdagen van te voren is gemeld met een door het college vastgesteld meldingsformulier en uiterlijk op de 10e werkdag na de melding een tegenbericht is ontvangen dat de melding niet akkoord bevonden is. 2.Is op de 10e werkdag na de melding geen tegenbericht ontvangen dan is de melding van rechtswege akkoord bevonden en dan is geen vergunning nodig. 3.In afwijking van het bepaalde in lid 1 is een vergunning in elk geval nodig in een of meer van de volgende situaties: het voorwerp komt op een plek op de singels in de binnenstad van Weert of binnen die singels, op de Stationsstraat, de Maaspoort of de Driesveldlaan; het voorwerp zal langer dan 5 dagen op of boven de openbare plaats aanwezig zijn; het voorwerp komt op een plek, waarop betaald parkeren of vergunningparkeren geldt; het voorwerp komt niet direct voor of naast het eigen perceel van aanvrager te staan maar voor of naast het perceel van een ander. 4.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2. eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de in het eerste lid genoemde vergunning onder meer ook worden geweigerd én de melding is in elk geval, ook zonder het tegenbericht als bedoeld in lid 1 onder b, niet akkoord bevonden: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats; indien het beoogde gebruik gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik van de openbare plaats; indien het beoogde gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats. 6.Het verbod in het eerste lid geldt niet: voor evenementen als bedoeld in artikel 2:24; voor terrassen als bedoeld in artikel 2:28; voor uitstallingen als bedoeld in artikel 2:10a; voor standplaatsen als bedoeld in de gemeentelijke Standplaatsenverordening; voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Limburg 2014. 7.Op de vergunning genoemd in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:10aUitstallingen 1.Onder uitstalling wordt verstaan de opstelling, direct voor een bedrijf, van: producten, die binnen worden verkocht en/of geleverd, en/of reclame-uitingen ten behoeve van het betreffende bedrijf en/of roerende zaken, die dienen ter aankleding van het bedrijfspand én de openbare ruimte. 2.Een uitstalling is alleen mogelijk wanneer voldaan wordt aan de volgende algemene regels: de uitstalling is vooraf aan het college gemeld; de uitstalling wordt geplaatst direct aansluitend aan de gevel tot maximaal 1.00 meter uit de gevel of binnen portieken e.d. (binnen de gevellijn van het betreffende pand); de uitstalling bestaat uit direct verplaatsbare objecten; de uitstalling is alleen aanwezig tijdens de tijden dat de winkel open is; de uitstalling is van een deugdelijke constructie en levert geen gevaar of hinder/overlast op voor de weggebruikers; de uitstalling vormt geen hinder/overlast voor de gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken; de uitstalling kan geen schade toebrengen aan de weg, geen belemmering vormen voor het doelmatige en veilige gebruik van de weg en geen belemmering vormen voor het doelmatige beheer en onderhoud van de weg; kabels en dergelijke dienen op zodanige wijze te zijn weggewerkt of afgewerkt dat deze geen gevaar of hinder/overlast opleveren voor het verkeer. Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (vervallen) Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college met een speciaal daartoe door het college vastgesteld meldingsformulier en onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2.Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, tenzij die extra weg strikt noodzakelijk is, hetgeen bij de melding aangegeven moet worden; of indien de waterhuishouding daardoor wordt aangetast. 3.De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen acht weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Limburg 2014. Afdeling6.Veiligheid op de weg Artikel2:13Veroorzaken van gladheid [gereserveerd] Artikel2:14Winkelwagentjes (vervallen) Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat het op andere wijze wordt gehinderd of in gevaar gebracht. Artikel2:16Openen straatkolken e.d. (vervallen) Artikel2:17Kelderingangen e.d. 1.Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. 2.Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. 5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden bedoeld in het eerste en tweede lid. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp [gereserveerd] Artikel2:20Vallende voorwerpen [gereserveerd] Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn (vervallen) Artikel2:23Veiligheid op het ijs (vervallen) Afdeling7.Evenementen Artikel2:24Begripsbepaling evenement 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan, elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; een straatfeest of buurtfestiviteit op één dag (klein evenement). activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening; de door de gemeente georganiseerde stads- en dorpskermissen. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest of buurtfestiviteit op één dag (klein evenement). Artikel2:25Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Het verbod van het eerste lid geldt niet als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het is een evenement in de open lucht; het aantal bezoekers is niet meer dan 200 gelijktijdig; het evenement duurt maximaal tot 24.00 uur; het ten gehore brengen van muziek duurt op vrijdag en zaterdag tot maximaal 24.00 uur en op maandag tot en met donderdag en op zondag tot maximaal 23.00 uur; het evenement wordt niet gehouden op de rijbaan (niet zijnde een woonerf), fiets- of bromfietspad of parkeergelegenheid of vormt niet anderszins een belemmering voor het verkeer en de hulpdiensten, hetgeen ook betekent dat er op het trottoir een doorgang van 1.20 meter open moet blijven en op promenades en woonerven een doorgang van minstens 4.50 meter; er worden slechts kleine objecten geplaatst met een oppervlakte van minder dan 16 m² per object en niet meer dan 3 objecten per straat; er is een organisator; de organisator stelt de burgemeester tenminste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement in kennis met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier; en er wordt voldaan aan de standaardvoorschriften van GHOR, Brandweer en Politie. 3.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:26Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling8.Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:27Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. Een terras is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding en voor directe consumptie dranken kunnen worden geschonken of spijzen kunnen worden bereid of verstrekt. Leidinggevende: datgene wat is aangegeven in § 1. Begripsbepalingen van de Drank- en Horecawet, maar in deze afdeling ook geldend voor openbare inrichting gedefinieerd in dit artikel onder a. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers: de gezinsleden van de exploitant, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Zomer- en wintertijd: Bij de overgangen naar zomertijd en wintertijd wordt voor de geldende sluitingstijden de officieel landelijk geldende tijd aangehouden. Artikel2:28Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren in strijd met onderstaande regels: de leidinggevenden van een openbare inrichting dienen er zorg voor te dragen dat: er in de directe omgeving van de openbare inrichting geen overlast/hinder ontstaat ten gevolge van het parkeren van voertuigen van bezoekers of het stallen van andere vervoermiddelen van bezoekers, zoals fietsen of bromfietsen, en dat deze vervoermiddelen conform de daarvoor geldende voorschriften worden geparkeerd of gestald; er geen geluidhinder ontstaat door komende of vertrekkende bezoekers; er zich geen bezoekers onnodig ophouden in de directe omgeving van de inrichting, waaronder mede wordt verstaan de in de directe omgeving van het bedrijf gelegen portieken, alsmede de in de directe nabijheid gelegen openbare weg; bezoekers hun gekochte waren niet gebruiken op of aan de openbare weg in de directe omgeving van de inrichting, anders dan op een in overeenstemming met de regelgeving ingericht terras. zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan indien het een alcoholvrije horeca-inrichting betreft: waar softdrugs plegen te worden verkocht of die geopend is tussen 24.00 uur en 07.00 uur van de daaropvolgende dag. indien hierbij tevens een terras wordt geëxploiteerd: in strijd met de krachtens lid 2 van dit artikel vastgestelde nadere regels horecaterrassen; zonder door de burgemeester verleende vergunning voor de exploitatie van een terras, voor zover het terras zich niet bevindt binnen de op de “gemeentelijke overzichtstekening terrassen” daarvoor aangegeven ruimten, of in strijd met een aan een dergelijke vergunning verbonden voorschriften. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen voor de inrichting en exploitatie van horecaterrassen. 3.Op de vergunningen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:28aGedragsregels exploitatie openbare inrichting Het bevoegde gezag kan gedragsregels vaststellen die bij het exploiteren van horeca-inrichtingen in acht moeten worden genomen ter voorkoming van ontoelaatbare verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat. Artikel2:29Sluitingstijd openbare inrichtingen 1.Het is de leidinggevende van een openbare inrichting, waar bedrijfsmatig: alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt; alcoholvrije drank en/of eetwaren, al dan niet door middel van een automaat, voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, verboden deze openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 07.00 uur. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Deze ontheffing wordt uitsluitend verleend van 02.00 uur tot 04.00 uur. 3.Het is de leidinggevende van een discotheek in de zin van artikel 2:27, aanhef en onderdeel a, verboden deze discotheek voor bezoekers geopend te hebben, of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 07.00 uur. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het derde lid. Een dergelijke ontheffing wordt uitsluitend verleend: 5.van donderdag op vrijdag van 02.00 uur tot 04.00 uur; 6.van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag van 02.00 uur tot 05.00 uur. 7.De houder van een inrichting is verantwoordelijk voor en verplicht tot het treffen van zodanige maatregelen dat een tijdige exploitatie-afbouw (zoals het sluiten van de tapinstallatie, het uitschakelen van apparatuur, het aanpassen van de muziek, het inschakelen van de poetsverlichting etc.) wordt gerealiseerd, waardoor de sluitingstijd kan worden nageleefd. 8.Dit artikel is niet van toepassing op paracommerciële instellingen in de zin van artikel 4, eerste lid van de Drank- en Horecawet, waarvan de sluitingstijd is geregeld in de artikelen 3 en 5 van de Drank- en Horecaverordening Paracommercie Weert 2011; 9.Dit artikel is niet van toepassing op seksinrichtingen in de zin van artikel 2:27 waarvan de sluitingstijd geregeld is in artikel 3:6. 10.Het in het eerste en derde lid van in dit artikel genoemde verbod geldt niet in de nacht van 31 december op 1 januari (oud op nieuw). 11.Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:30Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel2:31Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn. Artikel2:32Handel binnen openbare inrichtingen (vervallen) Artikel2:33Ordeverstoring Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren. Artikel2:34Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:31. Artikel2:34aBeslistermijn (vervallen) zie artikel 1:2 Afdeling9.Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf (vervallen) Artikel2:35Begripsbepaling (vervallen) Artikel2:36Kennisgeving exploitatie (vervallen) Artikel2:37Nachtregister [gereserveerd] Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister (vervallen) Afdeling10.Toezicht op speelgelegenheden en toezicht op smartshops en headshops Artikel2:39Speelgelegenheden 1.Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3.De burgemeester weigert de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:40Speelautomaten [gereserveerd] Artikel2:40aToezicht op winkelbedrijven (vervallen: Growshops -verboden krachtens artikel 11a Opiumwet-, smartshops en headshops) Afdeling11.Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de aanplakborden, bedoeld in het vierde lid, te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2:43Vervoer plakgereedschap e.d. (vervallen) Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde voorwerpen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. 3.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstallen te vergemakkelijken. 4.Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2:44aVervoer geprepareerde voorwerpen (o.a. rooftassen) (vervallen) Artikel2:45Betreden van plantsoenen e.d. (vervallen) Artikel2:46Rijden over bermen e.d. (vervallen) Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties, waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 3.Een ambtenaar van politie, een buitengewoon opsporingsambtenaar van Stadstoezicht van de gemeente Weert of een buitengewoon opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert, krachtens artikel 6:2 belast met het toezicht op de naleving van deze verordening, kan, als hij van oordeel is dat het in het eerste lid van dit artikel bedoelde verbod wordt overtreden, aan de overtreder een bevel tot verwijdering verstrekken. Degene, aan wie het verwijderingsbevel gegeven wordt, is verplicht zich in de door de politie- of opsporingsambtenaar aangegeven richting te verwijderen over tenminste de door deze ambtenaar aangegeven afstand. Artikel2:48Verboden gebruik van alcoholhoudende drank en softdrugs 1.Het is voor personen, die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en een andere plaats dan een openbare inrichting als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. 3.Het is verboden op een openbare plaats softdrugs te gebruiken, toe te dienen dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben. 4.Onder softdrugs worden verstaan: de middelen, genoemd in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet. Artikel2:48aVoorkomen glas op straat 1.Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, drinkglazen of aangebroken glazen flessen/flesjes, al dan niet met alcoholhoudende drank of alcoholvrije drank, bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; een andere plaats dan een openbare inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. 3.Een ambtenaar van politie, een buitengewoon opsporingsambtenaar van Stadstoezicht van de gemeente Weert of een buitengewoon opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert, krachtens artikel 6:2 belast met het toezicht op de naleving van deze verordening, kan, als hij van oordeel is dat het in het eerste of tweede lid van dit artikel bedoelde verbod wordt overtreden, aan de overtreder een bevel tot verwijdering verstrekken. Degene, aan wie het verwijderingsbevel gegeven wordt, is verplicht zich in de door de politie- of opsporingsambtenaar aangegeven richting te verwijderen over tenminste de door deze ambtenaar aangegeven afstand. Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten 1.Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd 2.Een ambtenaar van politie, een buitengewoon opsporingsambtenaar van Stadstoezicht van de gemeente Weert of een buitengewoon opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert, krachtens artikel 6:2 belast met het toezicht op de naleving van deze verordening, kan, als hij van oordeel is dat het in het eerste of tweede lid van dit artikel bedoelde verbod wordt overtreden, aan de overtreder een bevel tot verwijdering verstrekken. Degene, aan wie het verwijderingsbevel gegeven wordt, is verplicht zich in de door de politie- of opsporingsambtenaar aangegeven richting te verwijderen over tenminste de door deze ambtenaar aangegeven afstand. Artikel2:50aVechten in het openbaar 1.Het is verboden in het openbaar te vechten. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, of 426bis, of Titel XX van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:51Neerzetten van fietsen e.d. 1.Het is verboden op een openbare plaats een fiets (al dan niet voorzien van een hulpmotor) neer te zetten buiten een beschikbaar fietsrek, fietsklem, fietsbeugel e.d. en overigens, wanneer geen fietsrek e.d. beschikbaar is, om die zodanig neer te zetten dat die voor anderen hinder of overlast bezorgt. 2.Van hinder of overlast is in elk geval sprake wanneer de fiets voor een gevel van een pand is neergezet terwijl dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat pand, zoals blijkend uit een opschrift aan de gevel van het pand. Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. (vervallen) Artikel2:53Bespieden van personen (vervallen) Artikel2:54Bewakingsapparatuur [gereserveerd] Artikel2:55Nodeloos alarmeren [gereserveerd] Artikel2:56Alarminstallaties [gereserveerd] Artikel2:57aAanlijnen van honden binnen bebouwde kom 1.Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede eenieder die een hond onder zijn hoede heeft, verboden deze onaangelijnd binnen de bebouwde kom, op een openbare plaats, te laten lopen. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen en door middel van borden aangegeven plaatsen. Artikel2:57bVerbod tot onbeheerd laten loslopen van honden buiten bebouwde kom Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede eenieder die een hond onder zijn hoede heeft, verboden deze buiten de bebouwde kom op de openbare weg en op een openbare plaats en op andere door het college aangewezen plaatsen zonder geleide of toezicht te laten loslopen. Artikel2:57cVerbod tot zonder toestemming laten lopen van honden op privéterrein (vervallen) Artikel2:57dVoor honden verboden plaatsen Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede eenieder die een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op een andere openbare plaats indien de hond niet is voorzien van een halsband of een ander indentificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1.Degene die met een hond op een openbare plaats of een andere door het college aangegeven plaats aanwezig is, is verplicht om ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd en om die in een afvalbak te doen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of hij houder van een geleidehond of sociale hulphond, die zich vanwege zijn handicap door die hond laat begeleiden, indien het onmogelijk is om de uitwerpselen te verwijderen. 3.Degene bedoeld in lid 1 is verplicht een ruimmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van de hond; de eigenaar of houder van de hond is verplicht dit ruimmiddel op eerste vordering van een toezichthouder terstond te laten zien. Artikel2:58cOnbeheerde honden (vervallen) Artikel2:59Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57d, onder a, geldt bij het bepaalde in het eerste lid geldt bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1.50 meter. Artikel2:60Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast/hinder of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of te voeren. 2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak, gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. 3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:61Wilde dieren [gereserveerd] Artikel2:62Loslopend vee De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein, dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen worden getroffen dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2:63Duiven (vervallen) Artikel2:64Bijen (vervallen) Artikel2:65Bedelarij (vervallen) Artikel2:65aSlaapverbod op openbare plaats Onverminderd het bepaalde in afdeling 5 van Hoofdstuk 4 van deze verordening is het verboden op een openbare plaats, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Afdeling12.Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2:66Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: Het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; De datum van verkoop of overdracht van het goed; Een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed; De verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; De naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: Dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; Van een verandering van de onder a sub 1 bedoelde adressen; Als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; Dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Afdeling13.Vuurwerk Artikel2:71Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. 2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:73Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast/hinder aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast/hinder kan veroorzaken. 3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht Afdeling14.Drugsoverlast Artikel2:74Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling15.Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, gebiedsontzeggingen en cameratoezicht openbare orde Artikel2:75Bestuurlijke ophouding De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:26, 2:47, 2:48, 2:48a, 2:49, 2:50, 4:8 en 5:34 of van deze verordening niet naleven. Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester is bevoegd, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:77Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester is bevoegd, in het belang van de openbare orde, aan degene, die een of meer van de wettelijke bepalingen overtreedt, die genoemd zijn in het laatste lid van dit artikel, een verbod op te leggen om zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen. 2.Het verbod van het eerste lid geldt gedurende het in het besluit van de burgemeester genoemde tijdvak van maximaal 1 week, nadat dit besluit aan de overtreder bekend is gemaakt. 3.De burgemeester is bevoegd, in het belang van de openbare orde, aan degene die hij eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd en ten aanzien van wie binnen 1 jaar na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd dat hij opnieuw een of meer van de in het laatste lid genoemde artikelen overtreedt, een verbod op teleggen om zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en in de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen voor een tijdvak van maximaal 12 weken. 4.De burgemeester houdt bij zijn beslissing rekening met eventuele zwaarwegende belangen, die betrokkene kan hebben bij aanwezigheid in het gebied, zoals het aldaar wonen, werken of het bezoeken van een hulpverleningsinstantie. 5.Het is verboden om zich in strijd met een in het eerste lid bedoelde verbod in een desbetreffend door het college aangewezen gebied of de daarin voor publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen te bevinden. 6.De in het eerste lid bedoelde wettelijke bepalingen zijn: 2:1 (samenscholing), 2:26 (ordeverstoring), 2:33 (ordeverstoring) en 2:47 t/m 2:50 (diverse vormen van hinderlijk gedrag), 2:74 (drugshandel op straat) en het overtreden van een krachtens artikel 2:77 van deze APV opgelegd verbod. Van het Wetboek van Strafrecht de artikelen 138 (huisvredebreuk), 139 (lokaalvredebreuk), 141 (gezamenlijke openlijke geweldpleging), 170 (vernieling van gebouwen), 180 (wederspannigheid), 184 (niet voldoen aan bevel), 267 (belediging), 285 (bedreiging), artikel 300 t/m 303 (mishandeling), 306 (deelnemen aan aanval), 310 (diefstal), 321 (verduistering), 350 (zaakbeschadiging), 424 (straatschenderij), 426 (ordeverstoring in dronkenschap), 453 (openbare dronkenschap). Van de Opiumwet de artikelen 2 en 3, alsmede de bepalingen inzake verboden wapenbezit in de Wet Wapens en munitie. Artikel2:78Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester is bevoegd, overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet, te besluiten tot plaatsing/gebruik van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. Dit voor zover dit naar oordeel van burgemeester, politie en justitie, gerechtvaardigd is. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van parkeergarages en parkeerterreinen die zonder enige vorm van beperking voor een ieder toegankelijk zijn. 3.In afwijking van artikel 1:1, aanhef en onder a, van deze verordening, is een openbare plaats op grond van lid 1 van dit artikel, een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. 4.Ter competentie van de raad is het om de toepassing van het in dit artikel bedoelde cameratoezicht periodiek te evalueren; de eerste evaluatie zal uiterlijk één jaar na de eerste toepassing van dit cameratoezicht worden behandeld in de Raadscommissie Bedrijfsvoering en Inwoners. Afdeling16.Route gevaarlijke stoffen Artikel2:79aRoute gevaarlijke stoffen Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en als wegen, bedoeld in artikel 24, lid 2, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) worden, behoudens tijdelijke verkeersomleidingen, de volgende wegen en weggedeelten, voor zover gelegen binnen de gemeente Weert, aangewezen: De Provinciale weg N564: Ringbaan-Noord (vanaf afslag Nederweert) tot aan de rotonde Suffolkweg; Suffolkweg richting België en Kempenweg tot aan de grens met België. Artikel2:79b Het college is bevoegd bij tijdelijke verkeersomleidingen andere wegen en weggedeelten aan te wijzen voor vervoer bedoeld in artikel 2:79a. Artikel2:79c (vervallen) Artikel2:79d (vervallen) Artikel2:79e (vervallen) HOOFDSTUK3.SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Afdeling1.Begripsbepalingen Artikel3:1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; toelatingsgebieden: begrensde gebieden waarin prostitutiebedrijven, met inbegrip van erotische massagesalons en parenclubs, zich slechts mogen vestigen. Hiertoe behoren de bebouwde gedeelten aan weerskanten van de volgende in- en uitvalswegen binnen de gemeente Weert: de Roermondseweg; de Eindhovenseweg; de Maaseikerweg; de Bocholterweg, voor zover de in artikel 3:13, lid 2 genoemde belangen zich niet tegen vestiging verzetten en de gebieden gemarkeerd zijn op de plankaarten, behorende bij de beleidsnota “Prostitutie in de gemeente Weert” van 30 november 2000; straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken; raamprostitutie: een seksinrichting voorzien van één of meer vitrines waarin een prostituee poseert om klanten te werven. Artikel3:2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling2.Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel3:4Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. Het is verboden een prostitutiebedrijf, met inbegrip van erotische massagesalons en parenclubs, te exploiteren buiten de in artikel 3:1 onder i. van dit hoofdstuk aangewezen toelatingsgebieden. het bevoegde bestuursorgaan kan maximaal 6 vergunningen verlenen voor het exploiteren van prostitutiebedrijven, met inbegrip van erotische massagesalons en parenclubs en maximaal 1 vergunning voor het exploiteren van een seksbioscoop (seksautomatenhal en sekstheater). 2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 3.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3:5Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3:6Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 uur en 14.00 uur. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel3:7Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:7aIntrekking vergunning Met het oog op de in artikel 3:13 tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan de op basis van artikel 3:4 verleende vergunning voor een seksinrichting intrekken. Artikel3:8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:9Straat- en raamprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden; gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3.Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op of aan de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid. 5.De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. 7.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken vanuit een vanaf de weg zichtbare vitrine, raam- of deuropening of vanachter een raam. Artikel3:10Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel3:11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling3.Beslissingstermijn; weigeringsgronden Artikel3:12Beslissingstermijn 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegde bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3:13Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; de aanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een prostitutiebedrijf, met inbegrip van parenclubs en erotische massagesalons, buiten de aangewezen toelatingsgebieden voor prostitutiebedrijven als genoemd onder artikel 3:1 onder i van dit hoofdstuk; door verlening van de vergunning de in artikel 3:4 lid 1b, genoemde maxima van 6 respectievelijk 1 inrichting(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.