Beleidsregels terug- en invordering 2015.1 LanderdHoofdstukIAlgemeen Beleidsregels Terug- en invordering 2015.1 Betreffende de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) Artikel1.Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; college: het college van burgemeester en wethouders; fraudevordering: een vordering die is ontstaan omdat belanghebbende de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en als gevolg daarvan ten onrechte of teveel uitkering heeft ontvangen, alsmede de boete ; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ; de wet: de Participatiewet met inbegrip van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Artikel2.Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering en brutering Het college maakt gebruik van de bevoegdheden, zoals deze in de wet, IOAW en IOAZ aan het college zijn gegeven en acht zich verplicht tot de aanpak van fraude. In dit kader: herziet dan wel trekt het college het recht op uitkering in ingevolge artikel 54, lid 1, 3 sub b en 4 van de wet en 17, lid 1, 3 sub b en 4 van de IOAW en IOAZ, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend; maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze haar op grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de wet alsmede artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAW en IOAZ toekomt; en bruteert het college de vordering, welke zijn ontstaan door gebruik te maken van de onder b. genoemde bevoegdheden, bij gebreke van niet tijdige betaling. Van het eerste lid kan worden afgeweken in de volgende situaties: het college vordert een door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering niet terug, voor zover deze uitkering ook zes maanden na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend, tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden; onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen; het college beperkt de terugvordering tot het bedrag dat te veel aan bijstand zou zijn verstrekt, zo belanghebbende wel aan de inlichtingenplicht had voldaan, indien sprake is van intrekking van het recht op uitkering over een langere periode omdat belanghebbende over de gehele periode in beperkte mate beschikte over in aanmerking te nemen vermogen; het college ziet af van brutering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. HoofdstukIIGeheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering Artikel3.Afzien van terugvordering of kwijtschelding van verdere terugvordering na het voldoen aan de betalingsverplichting bij een fraudevordering Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid zoals hem ingevolge artikel 58 lid 7 van de wet is gegeven, tenzij dringende redenen daartoe aanleiding geven. Artikel4.Afzien van terugvordering of kwijtschelding van verdere terugvordering na het voldoen aan de betalingsverplichting bij niet-fraudevorderingen 1.In afwijking van artikel 2, sub b kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering indien de belanghebbende: gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaanen ten minste 50% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 50% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost, mits hij volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en reeds tenminste 50 % van de oorspronkelijke vordering heeft voldaan; of op grond van dringende redenen niet langer gehouden kan worden aan zijn betalingsverplichtingen. 2.In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van onderdeel c. slechts genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht. 3.Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die: het gevolg zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. 4.Het op basis het eerste lid genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel5.Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen In afwijking van het bepaalde in artikel 2, tweede lid ziet het college af van invordering indien het terug te vorderen bedrag, na de verrekening van het vakantiegeld en nog betaalbaar te stellen uitkering, lager is dan € 50,00 en de belanghebbende niet reageert op het verzoek om het resterende bedrag te voldoen. Deze uitzondering geldt niet voor verstrekte voorschotten, die niet verrekend zijn of konden worden en bij fraudevorderingen. Artikel6.Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de wet en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering, als een schuldregeling tot stand komt, ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien: de terugvordering van uitkering het gevolg is van fraude, verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel de vordering ziet op uitkering die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b van de wet; de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. 3.Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid; de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichting ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden; dan wel onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. HoofdstukIIIInvordering A.De betalingsverplichting Artikel7.Algemeen 1.Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. 2.Het gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten: de hoogte van (het saldo van) de vordering; de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen; de datum waarop de betalingsverplichting in gaat; de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen; de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling Awb over verzuim en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel; de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichtingen behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden. 3.De inning van een bestuurlijke boete gaat vooraf aan de inning van een terugvordering. Artikel8.Verrekening Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de wet en artikel 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ en ongeacht de in artikel 7 genoemde betalingstermijn gaat het college indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op uitkering. Artikel9.Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting bij belanghebbenden met een uitkering Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de wet, de IOAW of de IOAZ, bedraagt de aflossingsverplichting 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, van de IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. Artikel10.Vaststelling duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting bij/na uitstroom en bij debiteuren die geen recht hebben op uitkering. 1.Van niet bijstandsgerechtigden wordt maandelijkse een terugbetaling van 10% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm vereist. 2.Het aflossingsbedrag, zoals vermeld in het terug- en invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. 3.Indien de belanghebbende niet voldoet aan de opgelegde terugbetalingsverplichting is de vordering dan wel het restant van de vordering alsnog direct ineens opeisbaar 4.In afwijking van het eerste en tweede lid wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 12 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,- per maand bedraagt. Artikel11.Uitstel van betaling 1.In het geval de belanghebbende om uitstel van betaling verzoekt dan wordt deze zonder onderzoek toegekend indien: a.aan de belanghebbende in de periode van 2 jaar voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend en b.het uitstel van betaling niet langer duurt dan 3 maanden. 2.In alle andere gevallen zal op basis van berekende draagkracht een individuele afweging worden gemaakt. B.Tussentijdse wijziging van een lopende betalingsverplichting Artikel12.Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college Als aan een lopende betalingsverplichting conform artikel 10 van deze beleidsregels correct wordt voldaan vindt tussentijds geen herbeoordeling meer plaats van deze verplichting. Artikel13.Herziening van het aflossingsbedrag op verzoek van de belanghebbende 1.Op verzoek van de belanghebbende kan het college het aflossingsbedrag herzien. 2.Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft, wordt het aflossingsbedrag herzien per de eerste van de maand volgend op de maand waarin het besluit tot herziening van het aflossingsbedrag aan de belanghebbende kenbaar is gemaakt. 3.Binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit en deelt dit aan de belanghebbende mee. 4.Het verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting schort de lopende betalingsverplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen. C.Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting Artikel14.Niet of niet meer voldoen van de betalingsverplichting Indien de belanghebbende niet bereid is tot terugbetaling in één keer, het treffen van een betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt er zes weken na verzending van het terugvorderingsbesluit een aanmaning verzonden. Indien er binnen 2 weken na aanmaning geen terugbetaling heeft plaatsgevonden of een regeling is getroffen wordt er een dwangbevel uitgevaardigd (aangetekend). Belanghebbende dient binnen 2 dagen na verzending van het dwangbevel tot terugbetaling over te gaan. Bij weigering volgt beslaglegging of inschakeling van een gerechtsdeurwaarder. Artikel15.Kosten van invordering De volgende invorderingskosten worden in rekening gebracht en ingevorderd: Voor het vervaardigen en verzenden (aangetekend) van een dwangbevel € 25,-. Voor vereenvoudigd derdenbeslag door de gemeente: € 0,- tot € 250,- : € 35,- € 250,- tot € 500,- : € 70,- € 500,- tot € 1250,- : € 105,- € 1250,- tot € 2500,- : € 150,- € 2500,- en meer : € 300,- Voor de betekening van het dwangbevel door de gerechtsdeurwaarder de in rekening gebrachte kosten. HoofdstukIVSlotbepalingen Artikel16.Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien Inzake de onderwerpen die vallen onder de discretionaire bevoegdheid van het college, waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college. Artikel17.Inwerkingtreding en citeertitel Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na die van bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2015, behoudens situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de belanghebbende. Deze beleidsregels vervangen de eerder door B&W op 18 februari 2015 vastgestelde beleidsregels. Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels terug- en invordering 2015.1”. Aldus vastgesteld in de college vergadering van 20 oktober 2015. Burgemeester en wethouders van Landerd, de secretaris, de burgemeester, J.A.J. Lenssen M.C. Bakermans Toelichting Hoofdstuk I AlgemeenArtikel 1Dit artikel bevat de begripsbepalingen die op deze beleidsregels van toepassing zijn. Artikel 2Het eerste lid bevat de hoofdregel, te weten de wijze waarop in beginsel ten volle gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering, invordering of brutering. In het tweede lid staan vervolgens de algemene - binnen de jurisprudentie geformuleerde - uitzonderingen op de in het eerste lid genoemde hoofdregel beschreven. Het gaat hier om situaties waarvan binnen de jurisprudentie is komen vast te staan dat het college ongeacht een gehoudenheid tot terugvordering dan wel brutering dient af te zien van haar vaste gedragslijn. Het college heeft in deze niet de vrijheid om van deze in de jurisprudentie benoemde uitzonderingen af te wijken. Het gaat meer specifiek om:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.