Uitvoeringsregels handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Littenseradiel 2015Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Littenseradiel; gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; besluit: vast te stellen de Uitvoeringsregels handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Littenseradiel 2015 1. Begrippen Voor zover van toepassing wordt aangesloten bij de begripsbepalingen zoals genoemd in: de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht; artikel 1, eerste lid, van de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Littenseradiel 2015; artikel 1, eerste lid, van Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Littenseradiel 2015. 2. Hoogwaardig handhaven 2.1 Vroegtijdig informeren 2.1.1 Het college informeert belanghebbenden en overige inwoners voldoende en tijdig. De informatie wordt mondeling tijdens de contacten met de belanghebbende, schriftelijk, digitaal en in individuele besluiten verstrekt. 2.1.2 Het college kan voorlichting geven over de ontwikkeling van de fraudebestrijding en de uitvoering van het fraudebeleid. 2.1.3 Het college geeft aan welke gegevens nodig zijn voor de verlening of voortzetting van de uitkering en wanneer en op welke manier die gegevens door belanghebbende moeten worden aangeleverd. Het niet of niet tijdig verstrekken van deze gegevens kan consequenties hebben voor de verlening of voortzetting van de uitkering. 2.1.4 Het college is bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en kan de verstrekte documenten of bewijsstukken zowel bij aanvang als tijdens de lopende uitkering verifiëren bij externe instanties. Verificatie vindt plaats met inachtneming van de wettelijke voorschriften die vastgelegd zijn in de Wet bescherming persoonsgegevens en het college verifieert uitsluitend datgene wat nodig is voor de vaststelling van het recht op een uitkering. 2.1.5 Niet, onjuist of onvolledige verstrekking van voor de bepaling van het recht op uitkering relevante gegevens die aan de belanghebbende te wijten is, wordt gezien als onvoldoende medewerking verlenen. Er is door het niet geven van noodzakelijke inlichtingen of het niet verlenen van medewerking sprake van in verzuim zijn. In dit geval kan het college het recht op uitkering voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten (artikel 54, eerste en tweede lid, Participatiewet; artikel 17, eerste en tweede lid, IOAW en IOAZ). 2.1.6 Bij het vermoeden van fraude stelt het college een nader onderzoek in en treft maatregelen naar gelang de uitkomst van het onderzoek. 2.1.7 Indien op grond van de aangeleverde gegevens er een recht op uitkering is, kan het college onderzoeken of de belanghebbende de aanvraag om uitkering had kunnen voorkomen. Indien belanghebbende de aanvraag om een uitkering had kunnen voorkomen, kan er op grond van de Participatiewet een maatregel opgelegd worden wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 2.1.8 Het college kan in de contracten die met aanbieders van ondersteunende trajecten als bedoeld in artikel 10 van de Participatiewet worden afgesloten, afspraken vastleggen over de wijze waarop deze moeten omgaan met fraude- en verzuimsignalen, zowel in de richting van de belanghebbende als naar de gemeente. 2.2 Optimalisering dienstverlening 2.2.1 Het college biedt belanghebbenden voldoende zekerheid en duidelijkheid door middel van vroegtijdige informatie in begrijpelijk taalgebruik. 2.2.2 Het college geeft helder en duidelijk in de werkintake alle aspecten, rechten en plichten aan die in relatie staan tot de uitvoering van de wetten. De verstrekte informatie heeft zowel betrekking op organisatorische als inhoudelijke zaken. 2.2.3 Het college draagt zorg voor een duidelijk, consequent, doeltreffend, klantgericht, toegankelijk beleid. 2.2.5 Het college maakt gebruik van transparante werkprocessen, werkinstructies en formulieren. 2.2.6 Het college stelt de belanghebbende in de gelegenheid om relevante wijzigingen, wijzigingen die van invloed kunnen zijn op (de hoogte van) de uitkering, over de maand door te geven op het wijzigingsformulier dat op de aangegeven termijn moet zijn ingeleverd. Het college wijst de belanghebbende op de gevolgen van het niet, te laat, onjuist of onvolledig invullen van het wijzigingsformulier. 2.3 Controle op maat 2.3.1 Het college stelt bij het constateren van een fraudesignaal een intensief onderzoek in. Het college stelt controleprotocollen op voor het te voeren onderzoek, waarbij op basis van objectieve criteria de in te zetten middelen van licht naar zwaar kunnen oplopen. De in te zetten middelen zijn van licht naar zwaar: consult; de combinatie dossieranalyse, verificatie en validatie; waarneming ter plekke; confrontatie en huisbezoek. De bevoegdheid om deze middelen in te zetten ontleent het college aan de artikelen 17 en 53a Participatiewet, respectievelijk de artikelen 13 en 14 van zowel de IOAW als de IOAZ. 2.3.2 Het college kan besluiten om naar aanleiding van de bevindingen van het intensieve onderzoek de Sociale Recherche in te zetten. 2.3.3 Het college hanteert de volgende maximale termijnen voor afhandeling Bijzonder Onderzoek (B.O.): negen maanden tussen binnenkomst signaal en overdracht B.O.; zes maanden voor B.O. om onderzoek te starten, en; drie maanden voor onderzoek. 2.3.4 Het college zet een strafrechtelijk traject in indien het benadelingsbedrag hoger is dan bruto € 50.000,- of als het vermoeden bestaat dat het benadelingsbedrag € 50.000,- of meer zal bedragen. 2.3.5 Benadelingsbedragen van minder dan € 50.000,- worden in beginsel bestuursrechtelijk afgedaan, tenzij: strafrechtelijk dwangmiddelen zijn toegepast; toepassing van strafrechtelijke dwangmiddelen wenselijk is; er sprake is van samenloop met andere strafbare feiten; de status van de verdachte of diens voorbeeldfunctie aanleiding zijn tot een strafrechtelijke afdoening; het recidive betreft met een totaal fraudebedrag boven de € 50.000,-; er fraude met medeweten van uitvoerende ambtenaren heeft plaatsgehad; het gaat om fraude in georganiseerd verband; feiten en omstandigheden rond de verdachte daartoe aanleiding geven. 2.3.6 Het doen van aangifte wegens fraude sluit het opleggen van een boete ingevolge artikel 18a van de Participatiewet, artikel 20a van de IOAW en artikel 20a van de IOAZ uit indien het Openbaar Ministerie is overgegaan tot vervolging en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, de zaak is afgedaan middels een strafbeschikking of als een transactie is overeengekomen met de belanghebbende. 2.4 Signaalsturing 2.4.1 Het college besluit om een belanghebbende intensiever te controleren als fraudesignalen zich voordoen. 2.4.2 Het college stelt controleprotocollen op voor de diverse signalen en soorten fraude. 2.5 Risicosturing 2.5.1 Het college kan door middel van risicoanalyse vooraf bepalen welke groepen een verhoogd risico op fraude hebben. Er dient hierbij sprake te zijn van een objectief vast te stellen situatie van verhoogd risico. 2.5.2 Het college stelt vooraf een onderzoeksprotocol (risicoprofiel) op waarin wordt aangegeven wanneer controle plaats vindt gericht op een specifiek risico. Dit protocol voldoet aan de minimale eisen dat met de inzet van het risicoprofiel de omschrijving van het doel moet worden bereikt, dat het administratief traceerbaar moet zijn en dat het niet stigmatiserend of gebaseerd op etniciteit mag zijn. 2.5.3 Het college voert een beperkte steekproef met het risicoprofiel uit alvorens het risicoprofiel breed toe te passen. 2.5.4 Uitleg van risicoprofielen is onderdeel van het vroegtijdig informeren. 2.5.5 Het college besluit om naar aanleiding van een risicoprofiel een Intensief controletraject in te zetten. 2.5.6 De risicoscorekaart maakt onderdeel uit van risicosturing. 2.6 Themacontroles 2.6.1 Het college kan beslissen om themacontroles uit te voeren. De controles gebeuren op basis van een objectief thema en kunnen worden onderverdeeld in een administratief en een feitelijk onderzoek. Themacontroles zijn aan een bepaalde tijdsduur gebonden. 2.7 Maatregel opleggen 2.7.1 De gedragingen waarbij en de wijze waarop een maatregel kan worden opgelegd, is geregeld in artikelen 18 en 18a van de Participatiewet, artikel 20a van de IOAW en artikel 20a van de IOAZ, alsmede de Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Littenseradiel 2015. 2.8 Inkeerregeling 2.8.1 Onder inkeerregeling wordt verstaan de bepaling van artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet. Het betreft hier het op verzoek van de belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, herzien van de verlaging zodra uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in het vierde lid, nakomt. 2.8.2 Indien de belanghebbende binnen één maand nadat hem de beschikking waarin het besluit tot het verlagen van de uitkering, als bedoeld in het vierde, vijfde, zesde, zevende of achtste lid, van artikel 18 van de Participatiewet en met toepassing van de Afstemmingsverordening, is medegedeeld uit houding en gedragingen ondubbelzinnig laat blijken die genoemde verplichtingen na te komen, wordt de toegepaste verlaging herzien tot de helft van de toegepaste verlaging. 2.8.3 In afwijking van het bepaalde in het vorige lid wordt niet tot herziening van die verlaging overgegaan indien: de toegepaste verlaging betrekking heeft op het niet nakomen van de verplichting tot het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet; de toegepaste verlaging betrekking heeft op het niet nakomen van de verplichting tot het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder f, van de Participatiewet; de toegepaste verlaging betrekking heeft op het niet nakomen van de verplichting tot het aanvaarden of het behouden van algemene geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding; gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag, als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet. 2.8.4 De herziening van de toegepaste verlaging is van overeenkomstige toepassing op de toegepaste verlagingen voor langere duur die in het geval van recidive zijn toegepast. 2.8.5 Tot de herziening van de verlaging als bedoeld in 2.8.4 wordt enkel door het college besloten indien dat verzoek door belanghebbende is gedaan binnen één maand nadat de beschikking waarin het besluit tot toepassing van die verlaging aan belanghebbende is medegedeeld en belanghebbende binnen die maand aantoont door middel van bewijsstukken waaruit ondubbelzinnig blijkt uit houding en gedragingen dat die verplichtingen, op grond waarvan tot verlaging is besloten, nagekomen zijn. 3. Terugvordering 3.1 Herziening en intrekken toekenningsbesluit Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheid om een besluit inzake de toekenning of weigering van bijstand te herzien of in te trekken met toepassing van artikel 54, derde en vierde lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 17, derde en vierde lid, van zowel de IOAW als de IOAZ. 3.2 Onterecht of te hoog bedrag verleend Onterecht verleende of verstrekte bijstand wordt teruggevorderd in de gevallen en op de wijze zoals genoemd in de artikelen 58, 59 en 60 van de Participatiewet. In geval van een onterecht verleende uitkering op grond van de IOAW of IOAZ wordt het voorgaande gebaseerd op de artikelen 25 tot en met 31 van de IOAW dan wel de artikelen 25 tot en met 31 van de IOAZ. 3.3 Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit Het college ziet af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. 3.4 Bruto of netto terugvorderen Terugvordering van de teveel verstrekte bedragen geschiedt: bruto in geval van fraude indien en voor zover de belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst en uitvoeringsinstellingen; netto in alle overige gevallen. 4. Invordering 4.1 Betalingsverplichting 4.1.1 Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het terug- of betalingsbesluit geldt als een opgelegde betalingsverplichting. De ontstaansgrond van de vordering bepaalt mede de hoogte van de betalingsverplichting. Zo zal van de belanghebbende een grotere inzet van het aanwezige inkomen en vermogen worden gevergd bij vorderingen wegens schending inlichtingenplicht. 4.1.2 De termijn waarbinnen aan deze betalingsverplichting moet worden voldaan, bedraagt zes weken. (artikel 4:87 Awb) 4.1.3 Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft, wordt de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. 4.1.4 De betalingscapaciteit in het toepasselijke inkomen is gelijk aan het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet (als basis daarvoor geldt: 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag) overschrijdt. 4.1.5 Indien en voor zover door het college geïndiceerd, wordt de beslagvrije voet conform artikel 475d, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verhoogd. 4.1.6 Met betrekking tot zowel fraudevorderingen als niet-fraudevorderingen wordt de betalingscapaciteit volledig in aanmerking genomen. 4.1.7 Elk voorstel van de belanghebbende, waarvan de uitkering is beëindigd en er geen bestaande vorderingen aanwezig zijn, waarbij het totaal bedrag van de nieuwe vorderingen in beginsel binnen een termijn van 60 maanden betaald wordt, wordt geaccepteerd. Echter met de minimale eis dat het voorstel gelijk of hoger is dan de verschuldigde aflossingsverplichting als zijnde uitkeringsgerechtigd. 4.1.8 Voor zover de schuldenaar beschikt over activa, die nauw samenhangen met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van deze activa. 4.1.9 Vervolgens wordt zoveel mogelijk ineens teruggevorderd ten laste van het vermogen, waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten, voor zover deze na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,- te boven gaan. 4.1.10 Algemeen gebruikelijke huisraad wordt aan de belanghebbende gelaten. 4.1.11 Bij de vaststelling van de betalingscapaciteit in het inkomen wordt rekening gehouden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. 4.1.12 Het toerekenen van de betalingen gebeurt in een vaste volgorde: vordering over het lopende kalenderjaar, de boete, vordering over eerdere kalenderjaren. 4.1.13 Het college kan de aflossing op een vordering die niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 13, eerste lid, van zowel de IOAW als de IOAZ opschorten, als het college van oordeel is dat dit noodzakelijk is voor het welslagen van een eventueel participatietraject van de belanghebbende. 4.2 Verrekening, beslaglegging en eventuele rente en kosten 4.2.1 Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het betalingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van: verrekening met de maandelijks verleende bijstand op grond van artikel 60, derde lid, van de Participatiewet dan wel verrekening met de maandelijkse uitkering op grond van artikel 28, tweede lid, van zowel de IOAW als de IOAZ, of; bij het ontbreken van deze mogelijkheid en nadat een dwangbevel is verzonden een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of; beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 4.2.2 Indien de belanghebbende in gebreke is met tijdige betaling en de vordering in de beslagfase verkeert, wordt de vordering verhoogd conform artikel 6:96, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. 4.2.3. Het college verrekent een vordering die een belanghebbende op hem heeft met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 Participatiewet conform artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet. 5. Kwijtschelding 5.1 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek Het college besluit bij vorderingen niet zijnde wegens schending inlichtingenplicht tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of de uitkering indien: de belanghebbende in een bedreigende, problematische schuldsituatie in redelijkheid niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of; het voortbestaan van de schulden en/of het niet voldoen van de schulden een ernstige bedreiging vormt voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid of het maatschappelijk functioneren van de belanghebbende en zijn gezin, waaronder ook de deelname aan het arbeidsproces, of; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens vorderingen niet zijnde wegens schending inlichtingenplicht met dekking zoals beschreven onder 5.2.3, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en; de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 5.2. Afzien van kwijtschelding 5.2.1 Van kwijtschelding in de zin van dit hoofdstuk wordt afgezien indien: de terugvordering van bijstand is gerelateerd aan frauduleus gedrag van de belanghebbende; in afwijking van het hiervoor gestelde is kwijtschelding toch mogelijk indien er sprake is van dringende redenen; de vordering niet zijnde wegens schending inlichtingenplicht wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, voor zover de vordering in redelijkheid op die goederen verhaald kan worden. 5.2.2 Het college besluit niet tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering (lees: invordering) bij vorderingen niet zijnde wegens schending inlichtingenplicht wegens schuldenproblematiek, voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. 5.2.3 In afwijking van het bepaalde in 5.2.2 besluit het college tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering (lees: invordering) bij niet-fraudevorderingen wegens schuldenproblematiek, zonder totstandkoming van een schuldregeling indien één of meer schuldeisers daaraan niet willen meewerken. 5.3 Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering (lees: invordering) bij vorderingen niet zijnde wegens schending inlichtingenplicht wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen; de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 5.4. Kwijtschelding na het deels voldoen aan de betalingsverplichting 5.4.1 Het college besluit om van terugvordering of van verdere terugvordering (lees: invordering) bij vorderingen niet zijnde wegens schending inlichtingenplicht af te zien, indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Participatiewet, dan wel artikel 13, eerste lid, van zowel de IOAW als de IOAZ, of; gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Participatiewet, dan wel artikel 13, eerste lid, van zowel de IOAW als de IOAZ, of; gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Participatiewet, dan wel artikel 13, eerste lid, van zowel de IOAW als de IOAZ, of; een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Participatiewet, dan wel artikel 13, eerste lid, van zowel de IOAW als de IOAZ; de restsom bedraagt maximaal 25% van de oorspronkelijke vordering inclusief de kosten. 5.4.2 Het college besluit om van terugvordering of van verdere terugvordering (lees: invordering) bij fraudevorderingen af te zien, indien de belanghebbende gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht, niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten en de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Participatiewet, dan wel artikel 13, eerste lid, zowel de IOAW als de IOAZ, én het uit doelmatigheidsoverwegingen wenselijk is deze vordering kwijt te schelden. 6. Verhaal 6.1 Verhaal 6.1.1 Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheden tot verhaal op grond van de Participatiewet. 6.1.2 Verhaal is slechts mogelijk op basis van de in de Participatiewet genoemde gronden. 6.1.3 Er vindt heronderzoek verhaal plaats als de verhaalbijdrage op nihil is gesteld in verband met schulden. Dit heronderzoek wordt ingepland op het moment dat de schulden in redelijkheid voldaan kunnen zijn. De verhaalsbijdrage wordt bij een heronderzoek naar de draagkracht niet gewijzigd als deze in vergelijking met het vorig onderzoek niet hoger is dan € 50,- per maand. 6.1.4 Het college besluit indien nodig tot verhaal in rechte. 6.1.5 Bij het bestaan van dringende redenen kan worden afgezien van verhaal. 7. Bestuurlijke boete 7.1 Geen benadelingsbedrag 7.1.1 In geval van schending van de inlichtingenplicht zonder dat dit tot een benadelingsbedrag heeft geleid, volstaat het college met het geven van een schriftelijke waarschuwing. 7.1.2 Bij recidive van de gedraging als bedoeld in 7.1.1 legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 7.2 Verrekening bestuurlijke boete met beslagvrije voet bij recidive 7.2.1 Het college verrekent gedurende maximaal drie maanden de bestuurlijke boete die in geval van recidive in de zin van artikel 18a, vijfde lid, van de Participatiewet, wordt opgelegd zonder de beslagvrije voet in acht te nemen. 7.3 Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente 7.3.1 Belanghebbende kan verzoeken om, in afwijking van het bepaalde in artikel 2, de huur dan wel hypotheekrente na aftrek van huurtoeslag respectievelijk hypotheekrenteaftrek, gedurende de in artikel 7.2 genoemde periode direct vanuit de bijstand te voldoen. Indien dit verzoek wordt toegekend, wordt de verrekening daarop aangepast. 7.3.2 Een verzoek als bedoeld in 7.3.1 wordt in ieder geval afgewezen indien belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.