Uitvoeringsregeling POP3 subsidies Noord-Holland.Gedeputeerde Staten van Noord-Holland; Besluiten vast te stellen: Uitvoeringsregeling POP3 subsidies Noord-Holland Hoofdstuk1Algemeen Artikel1.1definities In deze regeling wordt verstaan onder: bruto jaarloon: het in enig jaar aan een werknemer betaalde salaris, inclusief een niet-prestatie gevonden eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten grondgebruiker: gebruikgerechtigde van de grond; inpassingsmaatregelen: maatregelen die noodzakelijk zijn om kavels goed bewerkbaar te maken en eventuele negatieve neveneffecten van de herverkaveling tegen te gaan; landbouwer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52 VEU in samenhang met de artikelen 349 en 355 VWEU, en die een landbouwactiviteit uitoefent; landbouwbedrijf: alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd; netto inkomsten: instroom van kasmiddelen die gebruikers genereren door rechtstreeks te betalen voor de door middel van de gesubsidieerde activiteit verstrekte goederen of diensten, minus alle operationele kosten en de kosten voor de vervanging van uitrusting met een korte levensduur die in de overeenkomstige periode zijn gemaakt. Besparingen op operationele kosten die gerealiseerd worden door de gesubsidieerde activiteit worden als netto inkomsten gerekend; niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming; ELFPO: het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling als bedoeld in VO (EU) 1305/2013 VO (EU) 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad; VO (EU) 1305/2013: Verordening (EU) Nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad; VO (EU) 702/2014: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard; Voorbereidingskosten: alle kosten die worden gemaakt voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag en die aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van (de ontwikkeling van) het projectplan noodzakelijk voor de subsidieaanvraag. Artikel1.2toepassingsbereik 1.Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verstrekt voor activiteiten ten behoeve van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden waarvan de resultaten aantoonbaar ten goede komen aan het landelijk gebied, het platteland van Nederland of de agrarische sector. 2.Tot het platteland van Nederland behoort het gehele grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners. Artikel1.3openstelling Gedeputeerde Staten kunnen een openstellingsbesluit vaststellen. Gedeputeerde Staten stellen per openstellingsbesluit vast: één of meerdere subsidieplafonds; per plafond een periode waarbinnen een aanvraag om subsidie moet zijn ontvangen. In het openstellingsbesluit kunnen Gedeputeerde Staten nadere regels stellen met betrekking tot: de categorieën van activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen; de thema’s waarop een activiteit betrekking moet hebben; de categorieën van begunstigden; de kostensoorten die voor subsidie in aanmerking komen; de territoriale begrenzing van de openstelling; een drempelbedrag met betrekking tot de subsidiabele kosten; de maximale hoogte van de subsidie; de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om subsidie overlegd moeten worden; het indienen van een voortgangsrapportage. overige verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen worden opgelegd In het openstellingsbesluit stellen Gedeputeerde Staten vast: de selectiecriteria; het punten aantal dat per selectiecriterium behaald kan worden; de wegingsfactor per selectiecriterium; het minimaal aantal punten dat een aanvraag op basis van de selectiecriteria moet behalen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Artikel1.4samenstelling subsidieplafond en subsidiepercentages Een subsidieplafond bestaat uit: financiering afkomstig uit ELFPO; financiering afkomstig uit ELFPO en provinciale middelen, of provinciale middelen. Indien een subsidieplafond deels of geheel bestaat uit financiering afkomstig uit ELFPO bestaan de in deze regeling genoemde subsidiepercentages voor 50% financiering afkomstig uit ELFPO en voor 50% uit nationale overheidsfinanciering. Artikel1.5doelgroep Indien op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen wordt de subsidie uitsluitend verstrekt aan ondernemingen die voldoen aan de definitie van kleine, middelgrote of micro-ondernemingen (mkb) als opgenomen in bijlage 1 bij verordening 651/2014 (AGV). Artikel1.6samenwerkingsverbanden Indien bij of krachtens deze regeling is bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen slechts voor subsidie in aanmerking samenwerkingsverbanden: waarvan de deelnemers natuurlijke personen of rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn, en die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad. Indien een aanvraag namens de deelnemers aan een samenwerkingsverband wordt ingediend bevat de aanvraag om subsidie tevens: een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst van de deelnemende partijen, waarin onder meer door alle partijen wordt verklaard dat iedere partij hoofdelijk aansprakelijk is voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen; de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten van de deelnemende partijen; gegevens waaruit blijkt dat de penvoerder is aangewezen door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband om de aanvraag om subsidie in te dienen. Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband: berusten de verplichtingen die daaruit voortvloeien hoofdelijk op iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband; is de penvoerder verplicht de projectadministratie als bedoeld in artikel 1.17, lid 1 onder g, te voeren; kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband. Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen zal de penvoerder van het project als eerste worden aangesproken. Artikel1.7wijze van indienen van en vereisten aan een subsidieaanvraag Een aanvraag om subsidie: wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten; wordt ingediend met gebruik making van de meest recente versie van een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld formulier. Een aanvraag om subsidie bevat tenminste: een begroting van de kosten van de activiteit; een toelichting op de begroting; een financieringsplan van de kosten van de activiteit; een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; een overzicht van inkomsten die met de uitvoeringen van de activiteit gegenereerd worden; een projectplan waarin tenminste is opgenomen: de doelstellingen van het project; een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering van het project te maken kosten blijkt; de wijze van uitvoering van het project; de wijze waarop de resultaten van het project worden getoetst; de verwachte realisatietermijn van het project; de verwachte resultaten van het project. Indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve omgevings-effecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevings-effecten van de investering. Indien de verwachte realisatietermijn van het project langer is dan één jaar bevat de aanvraag om subsidie tevens: een meerjarenbegroting met een liquiditeitsplanning per jaar; een overzicht in de tijd van de te onderscheiden fasen van het project. Een aanvraag om subsidie van een onderneming bevat tevens een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/
- Artikel1.8weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht, wordt een subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien: voor dezelfde activiteit reeds subsidie is aangevraagd in dezelfde openstellingsperiode; voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten op grond van enige regeling reeds subsidie is verstrekt tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of – bedrag; de activiteit niet overwegend plaatsvindt in provincie Noord-Holland, tenzij de activiteit of de resultaten ervan aantoonbaar ten goede komt of komen aan ingezetenen van provincie Noord-Holland, of de activiteit of de resultaten daarvan aantoonbaar op enigerlei wijze het belang van de provincie Noord-Holland dient of dienen; met de uitvoering van de activiteit, niet zijnde de uitvoering van voorbereidingshandelingen voor de uitvoering van de activiteit, is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend; in het opstellingsbesluit de benodigde nationale overheidsfinanciering als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, niet of niet volledig beschikbaar is gesteld en de aanvraag niet voorzien is van een bijdrageverklaring of een subsidiebeschikking voor de benodigde resterende nationale overheidsfinanciering; een aanvraag minder scoort dan het minimum aantal punten als bedoeld in artikel 1.3, vierde lid, onderdeel d; de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/2014; ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard. Artikel1.9personeelskosten 1.Werkelijk gemaakte personeelskosten worden per uur berekend door het meest recente bruto jaarloon te delen door 1.720 uren op basis van een werkweek van 40 uur, vermeerderd met een opslag van 43,5% voor de werkgeverslasten en een opslag van 15% voor de indirecte kosten. 2.Indien er sprake is van een parttime dienstverband, worden de personeelskosten per uur naar rato berekend. 3.Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per persoon per jaar. Artikel1.10kosten aankoop van gronden 1.Kosten van de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden zijn subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten. 2.Indien de bebouwde of onbebouwde gronden zijn gelegen in verwaarloosde gebieden of voormalige industriezones, zijn de kosten van de aankoop de gronden subsidiabel tot maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten, indien dit in een openstellingsbesluit is bepaald. 3.Gedeputeerde Staten kunnen in uitzonderlijke gevallen in een openstellingsbesluit een hoger percentage vaststellen voor de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden in het kader van activiteiten ten behoeve van milieubehoud. Indien de bebouwde of niet bebouwde gronden zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of onderdeel uit maken van Kader Richtlijn Water opgaven buiten de EHS én in het concrete geval ontbreken redelijke alternatieven om de milieudoelen te behalen, kan het subsidiepercentage, mits onderbouwd in de toekenningsbeschikking, verhoogd worden tot 30% van de totale subsidiabele kosten. Artikel1.11berekeningswijze bijdragen in natura Bijdragen in natura kunnen bestaan uit werken, goederen, diensten, grond en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde contante betalingen zijn verricht. Bijdragen in natura zijn subsidiabel indien: voor zover de te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan de totale subsidiabele kosten in het project exclusief de bijdragen in natura; indien de aan de bijdrage in natura toegekende waarde niet hoger is dan de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende markt wordt aanvaard; indien er een onafhankelijke beoordeling en verificatie van de waarde van de bijdragen in natura mogelijk is. Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van gronden of onroerende goederen is de bijdrage, in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, slechts subsidiabel indien de waarde is getaxeerd en gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie. Bijdrage in natura in de vorm van verstrekking van gronden is subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten. Indien de bijdrage in natura bestaat uit gronden of onroerende goederen kan een contante betaling worden gedaan met het oog op een huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer bedraagt dan € 1,-. Indien de bijdrage in natura bestaat uit onbetaalde arbeid is de bijdrage slechts subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd voor de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden. De waarde van onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35,- per uur. De waarde van onbetaalde arbeid door vrijwilligers wordt gewaardeerd op € 22,- per uur. Artikel1.12subsidiabiliteit van de kosten Kosten zijn slechts subsidiabel indien zij gemaakt zijn nadat de aanvraag om subsidie is ingediend. In afwijking van het eerste lid komen voorbereidingskosten ook voor subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar voordat de aanvraag om subsidie is ingediend, tenzij in het openstellingsbesluit anders is bepaald. De voorbereidingskosten kunnen uitsluitend bestaan uit: kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs; kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied; kosten van haalbaarheidsstudies; personeelskosten of inbreng eigen arbeid, voor zover deze kosten betrekking hebben op werkzaamheden zoals bedoeld onder de leden a, b en c van dit artikel. Artikel1.13niet-subsidiabele kosten Subsidie wordt in ieder geval niet verstrekt voor de volgende kosten: kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen; kosten die reeds uit andere hoofde zijn gesubsidieerd tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of – bedrag; kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, kosten van juridische advisering of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes en sancties; vervangingsinvesteringen; legeskosten, tenzij deze kosten expliciet subsidiabel gesteld worden; reguliere investeringen in de onderneming van de subsidieontvanger; kosten voor de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen; verrekenbare of compensabele BTW; kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project of bovenmatig zijn. Indien de activiteit betrekking heeft op een investering in de landbouw wordt eveneens geen subsidie verstrekt voor de aankoop van: landbouwproductierechten; betalingsrechten; dieren; zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsmede het planten daarvan. Artikel1.14adviescommissie 1.Gedeputeerde Staten kunnen één of meer adviescommissies instellen. 2.Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden voorgelegd aan een adviescommissie. Artikel1.15prioritering subsidieaanvragen 1.Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden op een prioriteitenlijst gerangschikt. 2.De rangschikking wordt bepaald door toepassing van alle in het openstellingsbesluit 3.geselecteerde selectiecriteria met de in hetzelfde openstellingsbesluit aangegeven weging van die criteria. Het totaal aantal punten dat na toepassing van deze criteria wordt behaald, bepaald de rangschikking. 4.De aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van de prioriteitenlijst. 5.Indien meerdere aanvragen op dezelfde plaats op de prioriteitenlijst worden gerangschikt en door honorering van deze aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd. Artikel1.16beslistermijn Gedeputeerde staten beslissen binnen 22 weken na afloop van de periode waarbinnen een aanvraag om subsidie ontvangen moet zijn. Artikel1.17verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: indien de subsidieontvanger aanbestedingsplichtig is op grond van de Aanbestedingswet, dienen de voorschriften uit de Aanbestedingswet in acht genomen te worden; te voldoen aan de communicatieverplichtingen zoals omschreven in Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 808/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1305/2013; in geval van investeringen de investering op het moment van indiening van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie gebruiksklaar te hebben; een investering gedurende vijf jaar gebruiksklaar in stand te houden, indien de activiteit een investering in infrastructuur of een productieve investering omvat; binnen twee maanden na ontvangst van de subsidiebeschikking te starten met de uitvoering van de activiteit, tenzij in het openstellingsbesluit of in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald; de activiteiten binnen drie jaar na ontvangst van de subsidiebeschikking te hebben voltooid, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald; en administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de gesubsidieerde activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking , hetgeen inhoudt dat alle inkomsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met de onderliggende bewijsstukken: een sluitende urenadministratie; een deugdelijk en volledig inkoopdossier; bewijsstukken, als onderdeel van de administratie aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard van de geleverde goederen en diensten duidelijk blijkt; de administratie en de daartoe beherende bescheiden te bewaren tot 31 december 2028; eenmaal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten in te dienen, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald; de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen indien niet, niet tijdig of niet geheel zal worden voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn; medewerking te verlenen aan met het toezicht op deze regeling belaste toezichthouders. Een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder i, bevat tenminste: de uitgevoerde activiteiten; de eventuele afwijkingen van het projectplan, alsmede de oorzaak daarvan; de mate waarin de uitgevoerde activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan beschreven doelstellingen; de activiteiten die in het komende jaar uitgevoerd zullen worden; de eventuele maatregelen die genomen worden om een eventuele achterstand in te lopen; de financiële voortgang waarin tenminste is opgenomen: een actueel kostenoverzicht in relatie tot de begroting; een financieringsoverzicht alsmede een overzicht van toegezegde financiering van derden; de financiële planning voor de resterende looptijd van de activiteit. Artikel1.18niet doelgebonden verplichtingen Gedeputeerde staten kunnen aan een subsidieontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen Artikel1.19verrekening vermogensvoordeel 1.In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is. 2.De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidie-ontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien jaar de subsidie is geweest. Bij de bepaling van de waarde van de vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidie-ontvanger is ontvangen. 3.De waarde van de onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, vastgesteld door een onafhankelijke deskundige, die daartoe door Gedeputeerde Staten in overleg met de subsidie-ontvanger wordt aangewezen. 4.De waarde van roerende goederen wordt bepaald op basis van hun boekwaarde, geldmiddelen, waaronder begrepen de banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. Artikel1.20Verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 7 of 8 van hoofdstuk 2 of op hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die tijdens de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden, overeenkomstig artikel 65 van Vo (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten. Artikel1.21Verrekening netto inkomsten na uitvoering Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 7 of 8 van hoofdstuk 2 of op hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die na de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden overeenkomstig artikel 61 van Vo (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten. Artikel1.22verlaging in verband met het niet voldoen aan de verplichting tot instandhouding van een investering in infrastructuur of een productieve investering Indien de subsidie betrekking heeft op een investering in infrastructuur of op een productieve investering verlagen Gedeputeerde Staten de vastgestelde subsidie indien binnen vijf jaar na vaststelling van de subsidie: de productieactiviteit wordt beëindigt of wordt verplaatst naar een locatie buiten het grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden; een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening plaatsvindt waardoor een onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt; een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden plaatsvindt waardoor de oorspronkelijke doelstelling of doelstellingen van de investering of investeringen worden ondermijnd. De verlaging van de subsidie wordt naar rato berekend op basis van de periode waarvoor niet aan de vereisten wordt voldaan. Het eerste lid is niet van toepassing indien de productiecapaciteit wordt beëindigt wegens een niet-frauduleus faillissement. Artikel1.23bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betalingen) Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag voorschotten op basis van realisatie verlenen. Het voorschot wordt verleend op basis van werkelijke kosten en betalingen. Een aanvraag om een voorschot bevat tenminste facturen en betaalbewijzen, een verslag omtrent de voortgang als bedoeld in artikele 1.17, eerste lid, onderdeel i en voor zover van toepassing: bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten; bewijsstukken inzake geleverde inbreng in natura; bewijsstukken inzake afschrijvingskosten. De aanvraag om een voorschot heeft betrekking op minimaal 25% van de subsidie of minimaal € 50.000,- Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken op een aanvraag om voorschot. Artikel124verlagen voorschot (sanctie) 1.Gedeputeerde Staten stellen bij een verzoek om voorschot als bedoeld in artikel 1.23 vast welk bedrag op grond van deze regeling, het openstellingsbesluit of de beschikking tot subsidieverlening kan worden verstrekt. 2.Indien het gevraagde bedrag aan voorschot meer dan 10% hoger is dan het onder het eerste lid berekende bedrag, wordt het onder het eerste lid berekende bedrag verlaagd. 3.De verlaging is gelijk aan het verschil tussen het gevraagde bedrag aan voorschot en het onder het eerste lid berekende bedrag. 4.Het voorschot wordt maximaal verlaagd tot nihil. 5.Het voorschot wordt niet verlaagd indien de subsidieontvanger aantoont dat het verzoek om voorschot buiten zijn schuld facturen, betaalbewijzen of bewijsstukken bevat van kosten die niet subsidiabel zijn of indien Gedeputeerde Staten anderszins van oordeel zijn dat de betrokken begunstigde geen schuld treft. Artikel1.25voorschotten vooruitlopend op realisatie 1.Gedeputeerde staten kunnen op verzoek voorschotten vooruitlopend op realisatie verlenen. 2.Een voorschot vooruitlopend op realisatie kan slechts worden verleend indien er sprake is van investeringsgerelateerde steun of subsidie op grond van paragraaf 3.
- 3.Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verlenen voordat kosten zijn gemaakt en betaald door subsidieverkrijger, indien er een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie voor 100% van het voorschot is gesteld. 4.Een door een overheidsinstantie ter beschikking gestelde garantiefaciliteit wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de in het derde lid bedoelde garantie, indien de instantie zich ertoe verbindt het door die garantie gedekte bedrag te betalen wanneer er geen recht op betaling van het voorschot wordt vastgesteld. 5.Een voorschot kan maximaal 50% van de oorspronkelijk verleende subsidie bedragen 6.Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken op een verzoek om een voorschot. Artikel1.26Wijzigingsverzoeken 1.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek de beschikking tot subsidieverlening wijzigingen. 2.Een wijzigingsverzoek kan niet worden gehonoreerd indien de wijziging: eidt tot een activiteit die op grond van het openstellingsbesluit niet subsidiabel is; leidt tot een lager behaald aantal punten op basis van de selectiecriteria dan het minimum aantal punten om voor subsidie in aanmerking te komen; zou leiden tot een lagere plaats op de prioriteitenlijst dan de plaats waarop het subsidieplafond is bereikt. Artikel1.27subsidievaststelling Subsidieontvanger is verplicht zijn aanvraag tot subsidievaststelling uiterlijk op de in de verleningsbeschikking genoemde uiterste datum voor het indienen van bedoelde aanvraag in te dienen. De aanvraag om vaststelling bevat tenminste: een inhoudelijk en financieel verslag; facturen en betaalbewijzen. Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt mededeling gedaan van alle aan het project gelieerde inkomsten, waaronder mede begrepen eventueel toegekende andere subsidies die op de gesubsidieerde activiteit of activiteiten betrekking hebben. Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten. Het inhoudelijk verslag bevat ten minste: een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht; een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening; de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan, en de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval is bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling. Indien de aanvraag tot vaststelling tevens een verzoek om uitbetaling van de subsidie op basis van facturen en betaalbewijzen, gemaakte personeelskosten of geleverde inbreng in natura bevat, is artikel 1.24 van overeenkomstige toepassing. Artikel1.28wettelijke rente bij terugvordering. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente. De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de in de terugvorderingsopdracht voor de begunstigde vastgestelde betalingstermijn, die niet meer dan 60 dagen mag bedragen, en de datum van de terugbetaling dan wel verrekening. Artikel1.29verlagingen 1.Gedeputeerde Staten verlagen de verleende of vastgestelde subsidie indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd bij de uitvoering van controles als bedoeld in artikel 48 en 49 van de Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden. 2.Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat uit een handeling of een nalaten van een subsidieontvanger waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave. Hoofdstuk2Maatregelen §1Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties Artikel2.1.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor demonstraties en het verzorgen van trainingen, workshops en coaching aan een groep van landbouwondernemers. De activiteiten hebben als doel het informeren over innovaties en modernisering, en de toepassing ervan te bevorderen rond één of meerdere van de volgende thema’s: verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie; beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen; maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatmitigatie; klimaatadaptatie; verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier; behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3, derde lid kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent: de doelgroep; het minimale aantal deelnemende landbouwers; een maximumbedrag dat per deelnemer zal worden vergoed. Artikel2.1.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan degene die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting levert. Artikel2.1.3aanvraag 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie eenomschrijving van de organisatie waaruit blijkt dat de organisatie beschikt over voldoende gekwalificeerd en getraind personeel om de activiteit uit te voeren. 2.Indien het voornemen is om voor deelname aan een kennisoverdrachtsactiviteit bij de deelnemers een bijdrage in rekening te brengen dan dient dit inzichtelijk gemaakt te worden bij de subsidieaanvraag. Artikel2.1.4subsidiabele kosten Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten: personeelskosten van bij de uitvoering van de activiteit betrokkenen, voor de uren die aantoonbaar ten behoeve van het project zijn gemaakt; kosten en reiskosten van procesbegeleiders en adviseurs; materiaalkosten; huur van ruimten en gebruik bijbehorende faciliteiten; kosten van drukwerk, mailings en de inrichting van websites gekoppeld aan de activiteit. kosten van afschrijving, huur of lease voor fysieke investeringen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een demonstratieactiviteit; bijdrage in natura. Artikel2.1.5niet subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 1.13 zijn de navolgende kosten niet subsidiabel: kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis; kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma's of leergangen van het reguliere onderwijs; Inbreng van eigen uren door landbouwers om aan de kennisoverdrachtsactiviteit deel te nemen. Artikel2.1.6hoogte subsidie 1.De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten voor de thema’s zoals benoemd onder artikel 2.1.1 tweede lid aanhef en onder a, b en e. 2.De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten voor de thema’s zoals benoemd onder artikel 2.1.1 tweede lid aanhef en onder c, d, f en g. 3.Indien er bij een subsidieaanvraag sprake is van een combinatie van thema’s, als benoemd onder artikel 2.1.1 tweede lid, geldt het percentage van het thema met het laagste subsidiepercentage zoals bepaald in de leden 1 en 2 van dit artikel. Artikel2.1.7selectiecriteria Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of meerdere beleidsdoelen; de mate waarin de over te dragen kennis praktisch toepasbaar is en aansluit op de behoefte en ontwikkelingen in de Landbouw; de mate waarin de aanvrager beschikt over voldoende gekwalificeerd en regelmatig getraind personeel en dit inzet voor de activiteit. de kosteneffectiviteit van de activiteit; Gedeputeerde staten stellen tevens minimaal één selectiecriterium vast dat betrekking heeft op: de mate waarin de doelgroep zelf bijdraagt aan de activiteit; het innovatieve karakter van de over te dragen kennis; de mate waarin de doelgroep nog niet op de hoogte is van de over te dragen kennis of deze nog niet toepast; de mate waarin de activiteit betrekking heeft op toepassing van bestaande kennis uit andere sectoren; de kwaliteit van het projectplan; Het geplande aantal deelnemers aan de activiteit. Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit. Bij de keuze en nadere uitwerking van de selectiecriteria als bedoeld in de eerste twee leden dient gelet te worden op economische doelmatigheid en milieuefficiëntie Artikel2.1.8verplichting Indien een prijs moet worden betaald om de kennisoverdrachtsactiviteit te kunnen bezoeken is de subsidieontvanger verplicht om bij de berekening van de prijs die aan bezoekers in rekening wordt gebracht rekening te houden met de te ontvangen subsidie. §2Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen Artikel2.2.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen: die nodig zijn voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen; voor de bredere uitrol van innovaties binnen de agrarische sector. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema’s: verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaardestrategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen, meerwaardecreatie; beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen, verminderen van marktfalen; maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid); klimaatmitigatie (vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door een zuiniger energiegebruik, reductie van het gebruik van fossiele energie door omschakeling op hernieuwbare energie, productie van hernieuwbare energie); klimaat adaptatie (door het tegen gaan van dan wel het verminderen van de effecten van grotere watertekorten en -overschotten en toenemende verzilting); verbetering van dierenwelzijn/diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier; behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit. Artikel2.2.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan landbouwers. Artikel2.2.3subsidiabele kosten Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten: de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa; kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied; de kosten van haalbaarheidsstudies. In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; personeelskosten; bijdragen in natura; afschrijvingskosten; niet verrekenbare of compensabele BTW. artikel2.2.4hoogte subsidie De subsidie bedraagt 40 % van de subsidiabele kosten. Artikel2.2.5Selectiecriteria Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: de mate waarin de investering bijdraagt aan één of meerdere van de in artikel 2.2.1, tweede lid genoemde thema’s; de mate waarin de investering bijdraagt aan één of meerdere beleidsdoelen; de mate de investering bijdraagt aan innovatie en modernisering van het landbouwbedrijf of de landbouwsector. de kosteneffectiviteit van de activiteit; Gedeputeerde staten kunnen tevens één of meerdere selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: de mate waarin de steun daadwerkelijk nodig is om de activiteit mogelijk te maken en de verwachte bijdrage van de activiteit aan grootschalige toepassing van de innovatie door landbouwers; de kwaliteit van het projectplan. Gedeputeerde staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit. §3fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers Artikel2.3.1lijst van investeringen In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten een lijst op van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven. Deze lijst bevat geen investeringen die alleen of hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de rentabiliteit van een landbouwbedrijf. Artikel2.3.2activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen die zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 2.3.
- Indien de fysieke investering een onroerend goed betreft, wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien: de investering op eigen grond van het landbouwbedrijf plaats vindt; er voor de investering het recht van opstal is verleend indien een derde eigenaar is van de grond waarop de investering plaats vindt. Artikel2.3.3begunstigden Subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers Een jonge landbouwer is een persoon die bij het indienen van de aanvraag om subsidie niet ouder is dan 40 jaar, een erkende landbouwkundige opleiding of een gelijkwaardige opleiding afgerond heeft of over ten minste 3 jaar werkervaring op een landbouwbedrijf beschikt en die: zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt, en hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het landbouwbedrijf heeft wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico’s worden genomen. Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is sprake als de jonge landbouwer: op basis van de statuten of een schriftelijke door alle maten of vennoten ondertekende overeenkomst tenminste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-, en ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering. Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is geen sprake indien: de jonge landbouwer een commanditaire vennoot van het betreffende landbouwbedrijf is; of de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, door elk der partijen eenzijdig kan worden opgezegd. Indien de investering waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt gedaan om te voldoen aan de normen van de Europese Unie voor landbouwproductie, wordt in afwijking van het eerste lid subsidie verstrekt aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen, uiterlijk 24 maanden na de datum waarop de betrokken landbouwer zich als bedrijfshoofd heeft gevestigd. Artikel2.3.4aanvraag
- In aanvulling op artikel 1.7, tweede lid, bevat de aanvraag om subsidie: de gemaakte keuze voor de wijze waarop de subsidie berekend wordt; KVK nummer van het landbouwbedrijf; de notariële akte van overdracht van aandelen of van de oprichting van de bv en het aandelenregister of de door alle maten getekende maatschapsakte met vermelding van alle maten; een projectplan als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid onder f, waarin opgenomen een beschrijving van de investeringen per categorie waaruit blijkt dat de betreffende investering voldoet aan de omschrijving van de categorie genoemd in de lijst.
- Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf onder de verschillende bedrijfshoofden bevat de aanvraag om subsidie tevens een accountantsverklaring. 3.Gedeputeerde Staten kunnen in aanvulling op artikel 1.3 nadere regels stellen omtrent de in het tweede lid bedoelde accountantsverklaring. Artikel2.3.5weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien er op grond van deze paragraaf reeds subsidie is verstrekt voor het landbouwbedrijf of er op grond van hoofdstuk 2, titel 6 paragraaf 2 van de Regeling LNV subsidies of de Subsidieregeling jonge Agrariërs van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit reeds een subsidie is verstrekt aan de aanvrager. Artikel2.3.6subsidiabele kosten Subsidie voor wordt verstrekt voor: de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van architecten en ingenieurs; de koste van adviseurs duurzaamheid op milieu en economisch gebied; de kosten van haalbaarheidsstudies. In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; bijdragen in natura; niet verrekenbare BTW;of personeelskosten. Artikel2.3.7hoogte subsidie 1.De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele kosten indien het landbouwbedrijf volledig bestaat uit jonge landbouwers. 2.Indien er naast jonge landbouwers ook niet- jonge landbouwers bedrijfshoofd zijn in het landbouwbedrijf wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid verlaagd met 20% per niet- jonge landbouwer, de verlaging bedraagt maximaal 80%. 3.Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van de onderneming, bedraagt de subsidie in afwijking van het eerste lid , 30% van de subsidiabele kosten vermenigvuldigd met het percentage eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in eigendom is van jonge landbouwers. 4.De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,-. 5.Indien toepassing van dit artikel er toe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000,- wordt de subsidie niet verstrekt.
- Het minimum bedrag aan subsidiabele kosten per fysieke investering, als bedoeld in artikel 2.3.1 is € 20.000,- Artikel2.3.8rangschikking 1.Gedeputeerde Staten stellen per fysieke investeringen op de lijst als bedoeld in artikel 2.3.1 een punten aantal vast. 2.Gedeputeerde Staten hanteren het punten aantal als bedoeld in het eerste lid voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.
- 3.Voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 kunnen Gedeputeerde Staten tevens de bijdrage aan een in een openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoel hanteren. §4investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven Artikel2.4.1subsidiabele activiteit a.Subsidie kan worden verstrekt voor: de verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven; b.de verplaatsing van landbouwondernemingen gericht op verbetering van de landbouwinfrastructuur. Artikel2.4.2aanvrager Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel a en b wordt verstrekt aan: landbouwers; grondeigenaren die geen landbouwer zijn; pachters; stichtingen voor kavelruil; landbouworganisaties; provincies; waterschappen; gemeenten; natuur- en landschapsorganisaties. Artikel2.4.3subsidiabele kosten verbetering van de kavelstructuur Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel a wordt verstrekt voor: proceskosten verkaveling; procedurekosten verkaveling; investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te maken; investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen. Artikel2.4.4subsidiabele kosten verplaatsing van landbouwbedrijven Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel b wordt verstrekt voor: Procedurekosten bedrijfsverplaatsing; Investeringen op de nieuwe bedrijfslocatie; Investeringen om kavels beter bereikbaar te maken; Investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen. Artikel2.4.5subsidiabele kosten van investeringen De kosten van investeringen voor verbetering van de verkavelingsstructuur of verplaatsing van landbouwbedrijven kunnen bestaan uit: de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; tweede hands installatiegoederen, indien noodzakelijk voor het project en de kosten aantoonbaar de marktwaarde niet overstijgen; bijdragen in natura; algemene kosten met betrekking tot investeringen; plan- en advieskosten; leges voor vergunningen en procedures; haalbaarheidsstudies; personeelskosten. Artikel2.4.6hoogte subsidie verbetering verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 2.4.
- bedraagt: 100% van de subsidiabele kosten van investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen; 40% van de subsidiabele kosten van investeringen ten behoeve van een betere bereikbaarheid en bewerkbaarheid van kavels. Artikel2.4.7hoogte subsidie verplaatsing van landbouwbedrijven De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 2.4.4 bedraagt: 100% van de subsidiabele kosten ten behoeve van een bedrijfsverplaatsing voor zover dit niet leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of rentabiliteit van de onderneming; 40% van de subsidiabele kosten ten behoeve van een bedrijfsverplaatsing, voor zover dit leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of rentabiliteit van de onderneming. Artikel2.4.8hoogte subsidie voor juridische en algemene kosten in het kader van verbetering verkavelingsstructuur of verplaatsing van landbouwbedrijven De subsidie voor juridische en algemene kosten bedoeld in artikel 2.4.3 onder a en b en in artikel 2.4.4 onder a bedraagt 100% van de subsidiabele kosten. Artikel2.4.9selectiecriteria Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: de kosteneffectiviteit; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of meerdere beleidsdoelen. Gedeputeerde staten kunnen tevens één of meerdere selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: de noodzaak van de verbetering van de verkavelingsstructuur of de bedrijfsverplaatsing; de integraliteit van de verbetering van de verkavelingssturctuur of de bedrijfsverplaatsing; het aantal hectaren waar de activiteit betrekking op heeft; het aantal partijen dat bij de activiteit betrokken is; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de verbetering van het milieu, de waterhuishouding of de natuur; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de verbetering van de leefbaarheid; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de verkeersveiligheid. Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit. §5niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen PAS Artikel2.5.1subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor niet productieve hydrologische maatregelen PAS en niet-productieve investeringen voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur, landschap, biodiversiteit. 2.Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet productieve hydrologische maatregelen PAS en niet-productieve investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een aangetoonde directe of indirect link met de landbouw. Artikel2.5.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: landbouwers; grondeigenaren; grondgebruikers; landbouworganisaties; natuur- en landschapsorganisaties; provincies; waterschappen; gemeenten; samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen. Artikel2.5.3subsidiabele kosten Subsidie kan worden verstrekt voor: de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de marktwaarde; de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied; de kosten van haalbaarheidsstudies. In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; afschrijvingskosten, zoals bedoeld in artikel 69 lid 2 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013; niet verrekenbare of niet compensabele BTW; personeelskosten. Artikel2.5.4hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten. Artikel2.5.5selectiecriteria Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: de kosteneffectiviteit; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of meerdere beleidsdoelen. Gedeputeerde staten kunnen tevens één of meerdere selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen zoals vastgesteld in een of meer van de navolgende plannen: provinciaal plan als bedoeld in artikel 2.
- Wro; provinciaal plan als bedoeld in artikel 4.
- Waterwet; plan als bedoeld in artikel 19 natuurbeschermingswet 1998; natuurbeheerplannen; landschapsbeheerplannen. de mate waarin onderhoud van de inrichtingsmaatregelen is gegarandeerd; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan herstel voor natuur, landschap, biodiversiteit. Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste twee leden nader uitwerken een openstellingsbesluit. §6niet-productieve investeringen water Artikel2.6.1subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. 2.Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een directe of indirecte link met de landbouw. Artikel2.6.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: lndbouwers; grondeigenaren; grondgebruikers; landbouworganisaties; natuur- en landschapsorganisaties; provincies; waterschappen; gemeenten; samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen. Artikel2.6.3subsidiabele kosten Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten: de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerendegoederen; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de marktwaarde; de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied; de kosten van haalbaarheidsstudies. In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor de navolgende kosten: de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; afschrijvingskosten; niet verrekenbare of niet compensabele BTW; personeelskosten. Artikel2.6.4hoogte subsidie en ELFPO subsidiepercentage 1.De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten. 2.In afwijking van artikel 1.4, tweede lid, kunnen de in deze paragraaf genoemde subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO subsidie bestaan. Artikel2.6.5selectiecriteria Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: de kosteneffectiviteit; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of meerdere beleidsdoelen. Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen zoals vastgesteld in een of meer van de navolgende provinciale plannen van de waterschappen of de provincie: provinciaal plan als bedoeld in artikel 2.
- Wro; provinciaal plan als bedoeld in artikel 4.
- Waterwet; beheerplan van de waterbeheerder als bedoeld in artikel 4.
- Waterwet; plan als bedoeld in artikel 19 natuurbeschermingswet 1998; wateronderdelen van natuurbeheerplannen; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan het verminderen van nutriëntenemissies of eutrofiëring; de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de KRW doelen; de urgentie van de maatregelen om de doelen als bedoeld onder a tot en met c te realiseren; de mate van samenwerking bij de uitvoering van de activiteit; de mate waarin onderhoud van de inrichtingsmaatregelen is gegarandeerd; het innovatieve karakter van de activiteit; de mate waarin de activiteit samenhangt met andere initiatieven die bijdragen aan verbetering van de biodiversiteit, natuur of landschap. Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit. §7Samenwerking voor innovaties Artikel2.7.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband; gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie of uitvoering van een innovatieproject. De activiteiten zijn gericht op gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie alsmede één of meerdere van de volgende thema’s: verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie; beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen; maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatmitigatie; klimaatadaptatie; verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier; behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6, tweede lid en artikel 2.7.2 kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent: deelnemende partijen in het samenwerkingsverband; het minimale aantal bij het samenwerkingsverband betrokken partijen; het thema waarop de activiteit betrekking heeft. Artikel2.7.2samenwerkingsverband Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.7.1, eerste lid, bestaat tenminste uit twee partijen die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van de projectvraag en bevat tenminste één landbouwer of een organisatie die hun vertegenwoordigt. Artikel2.7.3aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers van het samenwerkingsverband of de initiatiefnemer van het samenwerkingsverband in wording. Artikel2.7.4aanvraag Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag: een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te passen of uit te voeren innovatieve project; een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren; een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken; Een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen. Artikel2.7.5weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd: indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling (LEADER) subsidie is verstrekt; voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten. Artikel2.7.6subsidiabele kosten Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten: de kosten voor het werven van deelnemers en het schrijven van een projectplan; coördinatie kosten voor het samenwerkingsverband; de kosten voor het verspreiden van resultaten van het project; de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde; de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied; haalbaarheidsstudies. operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van een innovatie in de praktijk. In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; bijdragen in natura; afschrijvingskosten; personeelskosten. Artikel2.7.7niet subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.12, tweede lid, wordt geen subsidie verstrekt voor voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend. Artikel2.7.8hoogte subsidie Indien de activiteit betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van subsidie: 70% van subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, eerste lid onderdelen b en c, en de kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid onderdeel e; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, eerste lid onderdeel d tot en met j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, voor zover het kosten van niet-productieve investeringen betreft; 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, eerste lid onderdeel d tot en met j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, voor zover het kosten van productieve investeringen betreft; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, eerste lid onderdeel a, en de kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid onderdeel e, voor zover het kosten betreft voor de oprichting van een projectmatige samenwerking en het gezamenlijk formuleren van een projectplan. Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouw producten bedraagt de hoogte van subsidie: 25% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, onderdeel a tot en met h en j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien de subsidieontvanger een grote onderneming is; 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, onderdeel a tot en met h en j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien de subsidieontvanger een middel grote onderneming is; 45% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, onderdeel a tot en met h en j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is; 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.6 onderdeel i. De percentages genoemd in het tweede lid, onder a tot en met c kunnen worden verhoogd met 15% indien: het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming en geen van de partijen meer dan 70% van de kosten draagt, en een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt. Artikel2.7.9selectiecriteria Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of meerdere beleidsdoelen; de slagingskans van de activiteit waarbij wordt gelet op de wijze waarop het innovatieproces wordt ingericht en gecommuniceerd; de kosteneffectiviteit. Gedeputeerde staten kunnen tevens selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: het innovatieve karakter van de activiteit; de mate waarin de activiteit aansluit bij gerelateerde nationale of Europese programma’s; de verbinding tussen praktijk en onderzoek; de rol van de benodigde partners in het innovatieproces en de kennisverspreiding. Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit. Bij de keuze en nadere uitwerking van de selectiecriteria als bedoeld in de vorige leden dient gelet te worden op economische doelmatigheid en milieuefficiëntie Artikel2.7.10verplichtingen aanvrager De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken en te verspreiden via de geëigende netwerken. §8Samenwerking in het kader van het EIP Artikel2.8.1begrippen In deze paragraaf wordt verstaan onder: EIP: het Europees Partnerschap voor innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw; Operationele groepen: samenwerkingsverbanden die deel uit maken van het een EIP, de groep bestaat uit minimaal twee actoren, waarvan minimaal één landbouwer deel uitmaakt of een organisatie die hun vertegenwoordigt en de groep is gericht op het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties. Artikel2.8.2subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: de oprichting van een operationele groep of gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie of de uitvoering van een project door de operationele groep. De activiteiten zijn gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie alsmede één of meerdere van de volgende thema’s: verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie; beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen; maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatmitigatie; klimaatadaptatie; verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier; behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3, derde lid kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent: deelnemende partijen in het samenwerkingsverband; het minimale aantal partijen; het thema waarop de activiteit betrekking heeft. Artikel2.8.3aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers aan de operationele groep of de initiatiefnemer van de operationele groep in wording. Artikel2.8.4aanvraag Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag: een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te passen of uit te voeren innovatieve project; een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit of het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren; een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken; een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen. Artikel2.8.5Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien: er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling (LEADER) subsidie is verstrekt; voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten. Artikel2.8.6subsidiabele kosten Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten: kosten van het werven van deelnemers en het schrijven van een projectplan; coördinatie kosten voor het samenwerkingsverband; de kosten voor het verspreiden van resultaten van het project; de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde; de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied; haalbaarheidsstudies. operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van een innovatie in de praktijk. In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; bijdragen in natura; afschrijvingskosten; personeelskosten. Artikel2.8.7niet subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.12, tweede lid, wordt geen subsidie verstrekt voor voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend. Artikel2.8.8hoogte subsidie Indien de activiteit betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van subsidie: 70% van subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, eerste lid onderdelen b en c, en de kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid onderdeel e; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, eerste lid onderdeel d tot en met j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, voor zover het kosten van niet-productieve investeringen betreft; 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, eerste lid onderdeel d tot en met j en de kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, voor zover het kosten van productieve investeringen betreft; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, eerste lid onderdeel a , en de kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid onderdeel e, voor zover het kosten betreft voor de oprichting van een projectmatige samenwerking en het gezamenlijk formuleren van een projectplan. Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouw producten bedraagt de hoogte van subsidie: 25% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, onderdeel a tot en met h en j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, indien de subsidieontvanger een grote onderneming is; 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, onderdeel a tot en met h en j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, indien de subsidieontvanger een middel grote onderneming is; 45% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, onderdeel a tot en met h en j, en de kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is; 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.6 onderdeel i. De percentages genoemd in het tweede lid, onder a tot en met c kunnen worden verhoogd met 15% indien: het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming en geen van de partijen meer dan 70% van de kosten draagt, en een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt. Artikel2.8.9selectiecriteria Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of meerdere beleidsdoelen; de slagingskans van de activiteit waarbij wordt gelet op de wijze waarop het innovatieproces wordt ingericht en gecommuniceerd. de kosteneffectiviteit. Gedeputeerde staten kunnen tevens selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: het innovatieve karakter van de activiteit; de mate waarin de activiteit aansluit bij gerelateerde nationale of Europese programma’s; de verbinding tussen praktijk en onderzoek; de rol van de benodigde partners in het innovatieproces en de kennisverspreiding. Gedeputeerde staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit. Bij de keuze en nadere uitwerking van de selectiecriteria als bedoeld in de vorige leden dient gelet te worden op economische doelmatigheid en milieuefficiëntie Artikel2.8.10Verplichtingen aanvrager De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken via het EIP-netwerk (Artikel 57, derde lid van Verordening (EU) Nr. 1305/2013) en andere geëigende netwerken. Hoofdstuk3Leader §1algemeen Artikel3.1.1algemeen 1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: LAG: locale actiegroep als bedoeld in artikel 34 van Vo (EG) nr. 1303/2013; Lokale ontwikkelingsstrategie (LOS): een vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkelingsstrategie als bedoeld in artikel 33 van Vo (EG) nr. 1303/
- 2.In een openstellingsbesluit inzake Leader kan door Gedeputeerde Staten afgeweken worden van artikelen 1.3 en 1.15 van deze regeling. §2capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming Artikel3.2.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de LOS. Artikel3.2.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: de penvoerder van een nieuw op te richten LAG; de penvoerder van een LAG die in de periode 2007-2013 een Leaderstatus hadden; rechtspersonen; ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid. Artikel3.2.3subsidiabele kosten Subsidie kan worden verstrekt voor: de kosten van opleidingen van plaatselijke belanghebbenden; kosten van haalbaarheidsstudies of studies over het betreffende gebied; de kosten voor het opstellen van een LOS; kosten van adviseurs voor het opstellen van de LOS; kosten voor het raadplegen van belanghebbenden voor het opstellen van de LOS. Artikel3.2.4hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten. Artikel3.2.5selectiecriteria Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 één of meerdere van de volgende criteria: aantal en diversiteit van de betrokken samenwerkingspartners waarmee aangetoond kan worden dat er voldoende draagvlak is voor het initiatief; kwaliteit van het bijgevoegde procesplan waarmee aangetoond kan worden dat de aanvrager in staat is tot het opstellen van een LOS en het oprichten van een LAG; de mate waarin de aangedragen thema’s bijdragen aan de doelen van POP3; de mate waarin de aangedragen thema’s bijdragen aan de doelen van het provinciaal beleid. §3Uitvoering van LEADER-projecten Artikel3.3.1subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de LOS. Artikel3.3.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: publieke rechtspersonen; private rechtspersonen; ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid; een LAG; de penvoerder van een LAG. Artikel3.3.3subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.12 kan subsidie worden verstrekt voor alle kosten gemaakt ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS. Artikel3.3.4hoogte subsidie De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.3.5subsidievereiste Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd: indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie op grond van hoofdstuk 2 is verstrekt; indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.3.6selectiecriteria Selectie van de subsidie vindt plaats door de LAG op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. De selectiecriteria zijn daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende 4 aspecten: de mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS; de mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER (bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend, gebiedsgericht); de mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt; de mate van efficiency en doelmatigheid van het project. §4Voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de lokale groep Artikel3.4.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: de voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten met het oog op het opstellen van een samenwerkingsproject en het zoeken van geschikte partners en gebieden daarvoor; de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten; de onder a. en b. bedoelde samenwerkingsactiviteiten kunnen plaats vinden binnen Nederland (inter-territoriale samenwerking) of tussen gebieden in verschillende lidstaten of met gebieden in derde landen (transnationale samenwerking). Artikel3.4.2aanvrager Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan: de penvoerder van de LAG; rechtspersonen; ondernemingen zonder rechtpersoonlijkheid. Artikel3.4.3subsidievereiste Onverminderd artikel 1.8 wordt subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien het samenwerkingsproject past binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.4.4subsidiabele kosten Subsidie in verband met de voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten wordt verstrekt voor: de kosten van haalbaarheidsstudies voor inter-territoriale of transnationale samenwerking; de kosten voor het opstellen van een projectplan; operationele kosten en personeelskosten voor de organisatie van een samenwerkingsproject; reis- en verblijfkosten. Subsidie in verband met de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten wordt verstrekt voor: uitvoeringskosten; operationele kosten en personeelskosten voor de organisatie van een samenwerkingsproject; reis- en verblijfkosten. Artikel3.4.5hoogte subsidie De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.4.6selectiecriteria Selectie van de subsidie vindt plaats door de LAG op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. De selectiecriteria zijn daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende 4 aspecten: De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS; De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER (bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend, gebiedsgericht); De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt; De mate van efficiency en doelmatigheid van het project. §5lopende kosten, promotie en voorlichting Artikel3.5.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: beheer van de uitvoering van de LOS; promotie en voorlichting van de LOS. Artikel3.5.2aanvrager Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan: de penvoerder van de LAG; rechtspersonen; ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid. Artikel3.5.3subsidievereiste Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie uitsluitend verstrekt indien het project past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS. Artikel3.5.4subsidiabele kosten Subsidie in verband met beheer van de uitvoering van de LOS kan worden verstrekt voor: operationele kosten en personeelskosten; opleidingskosten; kosten voor public relations; in afwijking van het bepaalde in artikel 1.13: kosten voor financiële diensten, waaronder begrepen kosten voor bankdiensten en financieringen; kosten voor monitoring en evaluatie. Subsidie in verband met promotie en voorlichting wordt verstrekt voor: kosten voor het faciliteren van de uitwisseling tussen belanghebbenden; kosten voor het promoten van en verstrekken van informatie over de LOS; kosten voor de ondersteuning van potentiële begunstigden bij de ontwikkeling van concrete projecten en het voorbereiden van aanvragen. Artikel3.5.5hoogte subsidie De steun bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van 25% van de totale publieke uitgaven voor de ontwikkelingsstrategie. Hoofdstuk4Slotbepalingen Artikel4.1 1.Met het toezicht op deze regeling zijn belast aangewezen ambtenaren van RVO.nl en de NVWA.
- Gedeputeerde Staten kunnen naast de toezichthouders als bedoeld in het eerste lid, andere toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de besteding van de verstrekte subsidies en de naleving van aan subsidieontvangers opgelegde verplichtingen. Artikel4.2 1.Op deze regeling is de Algemene subsidieverordening Noord-Holland 2011 niet van toepassing. 2.Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij is geplaatst. 3.Deze regeling wordt aangehaald als “Uitvoeringsregeling POP3 subsidies Noord-Holland”. Haarlem, 10 november
- Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.J.W. Remkes, voorzitter.G.E.A. van Craaikamp, provinciesecretaris.TOELICHTING op de Uitvoeringsregeling POP3 subsidies Noord-HollandALGEMEEN§
- Inleiding§1.1 Algemene inleidingOp grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EU) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU L 347/487), verder: de POP verordening, heeft Nederland in december 2014 haar Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014 – 2020 (POP3) bij de Europese Commissie ingediend. Dit programma is op 13 februari 2015 door de Commissie goedgekeurd. Het POP3 programma is primair gebaseerd op voorgenoemde verordening, maar naast deze verordeningen zijn ook enkele andere verordeningen relevant voor het POP3 programma. Het gaat daarbij met name om de verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU L 347) en verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L347/320) en alle bij genoemde verordeningen behorende uitvoeringsverordeningen en controleverordeningen. Hoewel genoemde verordeningen rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse rechtsorde, kunnen subsidies op grond van het goedgekeurde POP3 programma slechts worden verstrekt op basis van een door een op nationaal of provinciaal niveau vastgestelde subsidieregeling. De onderhavige provinciale regeling “Regeling POP3 subsidies” vormt, samen met nog vast te stellen openstellingsbesluiten, de wettelijke basis voor het door provincies verstrekken van POP3 subsidies (anders dan subsidies voor agromilieu- en klimaatdiensten). In deze regeling worden in hoofdstuk 1 de in de regeling gehanteerde begrippen gedefinieerd. Daarbij is uitgangspunt dat waar mogelijk is aangesloten bij de definities uit EU-verordeningen. Indien een begrip niet gedefinieerd is, wordt er vanuit gegaan dat de betekenis in het normale spraakgebruik voldoende duidelijk is. In hoofdstuk 2 wordt per door het bestuursorgaan open te stellen maatregel de bij openstelling nader te bepalen en uit te werken voorwaarden en beperkingen weergegeven. In hoofdstuk drie worden de Leadermaatregelen beschreven en in hoofdstuk 4 volgen de slotbepalingen. POP3 kent een gelaagde structuur. Op basis van genoemde EU-verordeningen en het goedgekeurde POP-programma is de Regeling POP-subsidies ontwikkeld. Dit betekent dat de EU-verordeningen én de afspraken die bestaan tussen lidstaat Nederland en de Europese Commissie over de uitvoering van POP3 in Nederland (het goedgekeurde POP3 programma), bij eventuele strijdigheid van deze Regeling met een EU-verordening of het POP-programma, vòòr gaan. §1.2 Openstellingsbesluit De maatregelen opgenomen in deze Regeling POP3 subsidies kunnen door een Provincie opengesteld worden door middel van een openstellingsbesluit. In een openstellingsbesluit zal - naast het aanwijzen van de maatregel(en) waarvoor subsidie kan worden aangevraagd en het vaststellen van subsidieplafond(s) – onder meer aangegeven kunnen worden welke van de in deze regeling genoemde ‘facultatieve’ selectiecriteria, nààst de in sommige gevallen altijd te hanteren selectiecriteria, in het concrete geval gehanteerd zullen worden, welke wegingsfactoren op de selectiecriteria van toepassing zullen zijn en welke minimale puntenscore door een project behaald dient te worden om zo wie zo voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. §1.3 Selectie van projecten door middel van tenders De selectie van projecten zal – met uitzondering van Leaderprojecten waarbij tendering niet verplicht is voorgeschreven - plaats vinden via een zogenaamde ‘tender-methode’: alle binnen de in het openstellingsbesluit genoemde tijdvak ingediende projecten worden, indien ze voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, gescoord. Subsidiabiliteitsvoorwaarden (‘instapeisen’) zijn de voorwaarden waaraan een aanvraag altijd moet voldoen, bijvoorbeeld: als alleen agrarisch ondernemers aan kunnen vragen, wordt een aanvraag die niet van een agrarisch ondernemer afkomstig is, direct op grond van het niet voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarde ‘aanvrager is agrarisch ondernemer’ afgewezen. Aanvragen die voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, worden gescoord op basis van de in de betreffende openstelling gehanteerde selectiecriteria en de weging van die criteria als aangegeven in het openstellingsbesluit. Ten behoeve van de uitvoering van deze procedure kan een selectiecommissie ingesteld worden. Op basis van de procedure ontstaat er een lijst met alle ingediende projecten die aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, voorzien van een score (cijfer). Projecten die meer dan het minimaal voorschreven aantal punten behalen, kunnen voor subsidie in aanmerking komen. Indien de kosten voor het aantal projecten dat voor subsidie in aanmerking komt hoger zijn dan het beschikbare subsidieplafond, worden subsidie toegekend op basis van de behaalde scores (projecten met hogere scores gaan voor). Indien er meerdere projecten met hetzelfde puntenaantal zijn en niet al die projecten kunnen gehonoreerd worden omdat het subsidieplafond dan overschreden zou worden, dan kan door middel van loting bepaald worden welke projecten uit die groep voor subsidie in aanmerking komen. §
- Maatregelen Het POP3 bestaat voornamelijk uit maatregelen die door de Provincies zullen worden uitgevoerd. De volgende voor onderhavige regeling relevante provinciale maatregelen en submaatregelen zijn in het programmadocument van Nederland opgenomen :
- Maatregel inzake Kennisoverdracht en voorlichting (artikel 14 Verordening (EU) Nr.1305/2013) Het is nodig om voorlichting en andere kennisoverdrachtacties te ondersteunen omdat reeds ontwikkelde (veelal technische) innovaties vaak moeilijk voorbij de eindfase van de innovatiecyclus komen. Zonder deze maatregel blijft grootschalige toepassing van noodzakelijke innovaties uit of wordt deze vertraagd. Dit geldt in het bijzonder wanneer de toepassing van een innovatie niet vanzelfsprekend zelfstandig door het bedrijfsleven en de markt worden opgepakt. Daarnaast dient de maatregel bij te dragen aan kennisuitwisseling tussen onderzoek en praktijk. Enerzijds voor toepassing van nieuwe wetenschappelijke kennis in de praktijk en anderzijds voor onderzoek dat gestuurd wordt door vragen vanuit de praktijk.
- Maatregel inzake investeringen (artikelen 17 lid 1 (a), (c) en (d) Verordening (EU) Nr. 1305/2013) Deze maatregel bestaat uit een vijftal submaatregelen: a. fysieke investeringen nodig voor het ontwikkelen, beproeven en demonstreren van innovaties en voor de brede uitrol van innovaties; b. fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers; c. investeringen in infrastructuur; d. niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen PAS (Programmatische Aanpak Stikstof); en e. niet-productieve investeringen voor water. Deze maatregelen dragen bij het versterken van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en het concurrentievermogen van de landbouw en het bevorderd het gebruik van van innovatieve landbouwtechnologieën. Er wordt een link gelegd met duurzaamheid en innovatie door in te spelen op onderwerpen als milieu, klimaat, water, bodembeheer, energie, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn, biodiversiteit en landschap.
- Maatregel inzake samenwerking (artikel 35 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013) Deze maatregel richt zich op het ontwikkelen en valideren van praktische kennis en technologie met een groep van koplopers, die met name resulteert in technische innovatie, productinnovatie, procesinnovatie, organisatie-innovatie, innovatie in businessconcepten en/of uiteindelijk in systeeminnovatie. Deze maatregel is op samenwerkingsvormen en bestaat uit de volgende submaatregelen:
(1)samenwerking met betrekking tot proefprojecten en de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen en technieken in de landbouw- en de voedingsmiddelensector en
(2)de oprichting en werking van operationele groepen in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. 4. Maatregel inzake LEADER –lokale ontwikkeling (artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 en artikelen 42 tot en met 44 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013). LEADER beoogt bij te dragen aan de plaatselijke ontwikkeling van plattelandsgebieden. De interactie tussen landbouw en samenleving wordt steeds belangrijker. Er ligt een opgave om samen te werken aan de sociaaleconomische ontwikkeling van het platteland en aan een duurzaam beheer van de ruimte. De agrarische sector zal zich in moeten zetten voor maatschappelijk draagvlak. De sector moet daarbij invulling geven aan haar “license to produce”. Dat kan bijvoorbeeld door de relatie tussen het platteland en de stad en tussen de boer en de burger te verstevigen. LEADER kan hier een bijdrage aan leveren, want: LEADER heeft een toegevoegde waarde bij projecten waarvoor draagvlak en samenwerking tussen private en publieke partijen een voorwaarde voor succes zijn; LEADER projecten komen ten goede aan de economische ontwikkeling en werkgelegenheid op het platteland, innovaties op agrarische bedrijven, de leefomgeving van de agrarische sector, jonge boeren en hun gezinnen; LEADER kan ondersteunen in ‘krimp’ gebieden waar alle actoren de opgave hebben om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal platteland; LEADER is een krachtige aanpak voor de opgaven voor integrale plattelandsontwikkeling waarbij verschillende belanghebbenden zijn betrokken en de landbouwsector een belangrijke speler is; LEADER sluit goed aan bij de huidige tijdsgeest die vraagt om een actievere inzet van burgers en bedrijven. Het resterende deel van de maatregelen genoemd in het POP3 programma betreft de agromilieu- en klimaatmaatregelen, waarvoor een separate provinciale regeling ontwikkeld is, òf zal door de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de maatregelen inzake risicobeheer (artikelen 36 en 37 van de POP-verordening). § 3 Subsidieverlening op basis van selectiecriteria en tendering POP3 subsidie kan slechts worden verstrekt indien een aangevraagde subsidie aantoonbaar effectief en efficiënt zal zijn. Om te kunnen bepalen of een te verlenen subsidie effectief en efficiënt zal zijn, zijn selectiecriteria geformuleerd. De in deze regeling opgenomen selectiecriteria per regeling zijn deels criteria die altijd toegepast dienen te worden en deels criteria die bij een bepaalde openstelling van toepassing verklaard kùnnen worden. Het is dus mogelijk dat in een bepaalde openstelling niet alle in deze regeling genoemde selectiecriteria gehanteerd worden. Het is daarentegen niet mogelijk dat niet in deze regeling genoemde selectiecriteria ‘toegevoegd’ worden bij een openstelling: de bij de maatregelen in hoofdstuk 2 opgenomen criteria kunnen bij openstelling wel nader ingevuld of geconcretiseerd worden, maar er kunnen geen extra criteria toegevoegd worden. In geval van Leader zijn de selectiecriteria waarvan gebruik gemaakt wordt opgenomen in de goedgekeurde Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS). Selectie van projecten zal – met uitzondering van Leader-projecten - plaatsvinden door middel van een tender. Alle gedurende een openstellingsperiode ingediende projecten worden – indien de aanvraag volledig is én aan de gestelde subsidiabiliteitscriteria (= eisen waaraan in ieder geval voldaan dient te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, bijvoorbeeld: een jonge agrariër dient bij aanvraag nog geen 40 jaar te zijn. De aanvraag zal worden afgewezen zonder inhoudelijk naar de aanvraag te kijken, indien de aanvrager niet aan dit criterium voldoet) wordt voldaan - op basis van in het openstellingsbesluit bekend gemaakte selectiecriteria en wegingsfactoren van die selectiecriteria beoordeeld. Zie verder §1.3. De doelgroep van een subsidie is afhankelijk van de maatregel die het betreft en de beleidsmatige doelstellingen die met de subsidieverlening worden nagestreefd. In deze regeling wordt bij veel maatregelen een breed scala aan mogelijke aanvragers genoemd. In een openstelling kan de doelgroep beperkt worden tot die groepen die - gelet op de beleidsmatige doelstellingen die met de betreffende openstelling nagestreefd worden - voor subsidie in het kader van de betreffende openstelling in aanmerking komen. Er kan indien gewenst een selectie van de in deze regeling genoemde doelgroepen plaatsvinden, toevoegen van extra – niet in deze regeling bij de betreffende maatregel genoemde – doelgroepen is niet mogelijk. Om in het kader van een tenderregeling gelijke kansen voor alle aanvragers te garanderen is het noodzakelijk dat bij sluiting van de tender àlle voor het beoordelen van de aanvraag noodzakelijke gegevens bekend zijn. Een aanvraag dient te worden ingediend op een door GS beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Daarbij wordt expliciet voorgeschreven dat altijd het laatst beschikbaar gekomen aanvraagformulier gehanteerd dient te worden, om hierover misverstanden te voorkomen. Een onvolledig ingediende aanvraag dient vòòr de sluitingsdatum van de openstellingstermijn aangevuld te zijn om voor beoordeling in aanmerking te komen. Enige uitzondering die hierop gemaakt zou kunnen worden is het toestaan van het aanvullen van gegevens die niet noodzakelijk zijn voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag (zie verder bij de artikelsgewijze toelichting, artikel 1.7). Het indienen van ‘pro forma’ aanvragen zonder dat inhoudelijke aanvulling van de aanvraag voor de gestelde sluitingsdatum plaatsvindt, is derhalve in het kader van deze regeling niet zinvol. Subsidie zal geheel of gedeeltelijk geweigerd worden indien één van de weigeringsgronden van toepassing is. Het kan hierbij gaan om een weigeringsgronden als genoemd in artikel 3.35 AWB, in artikel 1.8 van deze regeling, in het van toepassing zijnde artikel van hoofdstuk 2 of 3 òf in het van toepassing zijnde openstellingsbesluit. § 4 Subsidiabele kosten en bijdragen in natura In onderhavige regeling wordt per maatregel aangegeven welke kosten subsidiabel gesteld kunnen worden. Sommige kosten kunnen alleen onder voorwaarden subsidiabel gesteld worden. Zo mag in bepaalde projecten de kosten voor aankoop van grond, bebouwd of niet-bebouwd, subsidiabel gesteld worden, maar deze kosten zijn – tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie - voor maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten die in het project gemaakt worden subsidiabel. Bij sommige maatregelen kunnen bijdragen in natura subsidiabel gesteld worden. Bijdragen in natura zijn alle in het project ingebrachte bijdragen voor werken, goederen, diensten, grond of onroerende goederen die NIET door facturen en betaalbewijzen of daaraan gelijk te stellen documenten gestaafd worden. Deze bijdragen dienen aan strikte eisen te voldoen, om de hoogte van de uitgaven toch controleerbaar te maken. De waarde die wordt toegekend aan de bijdrage in natura mag niet meer bedragen dan de kosten die gewoonlijk op de desbetreffende markt worden aanvaard. Voor enkele kostensoorten (inbreng eigen arbeid, vrijwilligerswerk) zijn standaardtarieven ontwikkeld die bij de inbreng van dat soort kosten gehanteerd moeten worden. Bijdragen in natura zijn slechts subsidiabel indien de verstrekte subsidie minder dan 100% van de subsidiabele kosten bedraagt én binnen het project ook voldoende àndere subsidiabele kosten gemaakt worden. De uit te betalen subsidie – berekend als % van de subsidiabele kosten inclusief de bijdrage in natura - kan nooit hoger zijn dan de subsidiabel gestelde kosten zònder die bijdrage in natura. § 5 Verplichtingen subsidieverkrijgers Subsidieverkrijgers dienen aan alle in het subsidietoekenningsbesluit gestelde verplichtingen te voldoen. In artikel 1.17 worden de algemene verplichtingen weergegeven waaraan – indien de betreffende verplichting op het betreffende project van toepassing is – altijd moet worden voldaan. Naast deze algemene, subsidiegerelateerde, verplichtingen, kunnen ook specifieke verplichtingen opgelegd worden en op grond van artikel 1.18 kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieverkrijger ook niet doelgebonden verplichtingen opleggen. § 6 Financiële aspecten subsidie Een subsidie geeft een direct financieel voordeel aan de subsidieverkrijger. Naast dit directe financiële voordeel ten gevolge van de subsidie, kan er ook sprake zijn van een financieel voordeel in de vorm van netto inkomsten die tijdens of na het uitvoeren van het project verkregen worden. Ook kan er sprake zijn van een vermogensvoordeel ten gevolge van de subsidie. In sommige gevallen dienen dit soort voordelen verrekend of vergoed te worden. De artikelen 1.19, 1.20 en 1.21 geven daar de voorschriften voor. Het gaat hierbij overigens alleen over rechtstreeks gegenereerde netto-inkomsten, waarmee géén rekening is gehouden op het tijdstip van goedkeuring van de actie. Met veel inkomsten, bijvoorbeeld kostenreductie dank zij de investering of inkomsten door het verkopen van bedrijfsgebouwen in het kader van een bedrijfsverplaatsing of het vragen van een bijdrage van agrarisch ondernemers die aan een cursus deel zullen nemen, zal bij de toekenning al rekening gehouden worden. Indien er verrekend zou moeten worden, gelden er verschillende uitzonderingen op het voorschrift tot verrekening. Zo hoeft bijvoorbeeld niet verrekend te worden indien het gaat om een concrete actie waarvan de totale subsidiabele kosten ten hoogste 50.000 euro bedragen. Ook concrete acties waarvoor voorschriften inzake staatssteun gelden, vallen buiten de plicht tot verrekening. In sommige gevallen kan een toegekende subsidie worden verlaagd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van onregelmatigheden. Verlaging is ook nà afronding van een project mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval indien niet wordt voldaan aan de instandhoudingsverplichting: een investering in infrastructuur of een productieve investering dient in principe gedurende 5 jaar na vaststelling van de subsidie – gebruiksklaar - in stand te worden gehouden. Indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, zal de subsidie evenredig verlaagd worden. Een ander financieel aspect betreft de bevoorschotting. Er bestaan twee soorten voorschotten, te weten een voorschot dat vòòr afronding van een project wordt verstrekt op basis van reeds uitgevoerde onderdelen van het project (‘bevoorschotting op basis van realisatie’). Dit soort voorschotten zijn – in POP-terminologie - tussentijdse betalingen waarbij nààst een voortgangsrapportage inzake het project, facturen en betaalbewijzen van de reeds verrichte projectonderdelen, of – indien van toepassing – bewijsstukken ten aanzien van de ingebrachte bijdrage(
- n)in natura - moeten worden overgelegd. Een dergelijk voorschot zal worden verlaagd indien bij de aanvraag voor de tussentijdse betaling té veel onjuiste facturen en betaalbewijzen overlegd worden. Op grond van EU-regelgeving dient een tussentijds voorschot te worden verlaagd met het bedrag van de onjuiste facturen en betaalbewijzen, indien het bedrag aan onjuiste facturen en betaalbewijzen meer bedraagt dan 10% van het bedrag aan ingediende facturen en betaalbewijzen van kosten die wel subsidiabel gesteld zijn. Dit betekent dat niet alleen de onjuiste facturen/betaalbewijzen niet worden vergoed, er wordt daarnaast een correctie van de betaling opgelegd ter hoogte van het bedrag dat onjuist gedeclareerd is. Deze maatregel is een verplichting opgelegd door de EU en is er op gericht aanvragers te bewegen voldoende zorgvuldigheid te betrachten bij het indienen van declaraties. Van de verplichte correctie van de betalingsaanvraag kan worden afgezien, indien de aanvrager aan kan tonen dat zijn declaratie buiten zijn schuld onjuist was. Overigens is de bepaling inzake het verlagen van een betaling òòk van toepassing indien het verzoek om betaling geen verzoek tot tussentijdse betaling betreft, maar een verzoek om eindafrekening indien bij dat verzoek om eindafrekening facturen en betaalbewijzen overgelegd worden. Naast tussentijdse betalingen, bestaan er ook voorschotten die worden aangevraagd vooruitlopend op de uitvoering van het project. De EU-regelgeving biedt slechts de mogelijkheid dit soort voorschotten te verlenen voor investeringsgerelateerde steun en voor plaatselijke groepen voor zover het daarbij gaat om functionerings- en dynamiseringskosten. Het voorschot kan maximaal 50% van de toegekende overheidsbijdrage bedragen. Een dergelijk voorschot kan slechts worden verleend indien er door de subsidieverkrijger een bankgarantie of daaraan gelijk te stellen zekerheid wordt verstrekt van 100% van het te verlenen voorschot. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Hoofdstuk 1 Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de belangrijkste begrippen gedefinieerd die in deze regeling worden gehanteerd. De definities sluiten daar waar mogelijk aan bij de definities zoals gehanteerd in de van toepassing zijnde EU-regelgeving. Mocht er strijdigheid bestaan tussen de definitie van een begrip in de van toepassing zijnde EU-verordeningen en de begripsbepaling in deze regeling, dan wel begrippen niet in de begripsbepalingen van deze regeling gedefinieerd zijn, dan worden de begrippen geacht te zijn gedefinieerd conform de van toepassing zijnde EU-definities. Artikel. 1.2 Toepassingsbereik POP subsidie kan slechts worden verstrekt voor activiteiten die ten goede komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland van Nederland of de agrarische sector. Het gaat hierbij slechts om het deel van Nederland dat in de Europese Unie gelegen is, de overzeese gebieden van Nederland vallen niet onder deze regeling. Onder het platteland van Nederland wordt daarbij verstaan: het grondgebied van Nederland met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners. Woonkernen met meer dan 30.000 inwoners worden geacht ‘stedelijk gebied’ te zijn. Activiteiten worden geacht ten goede te komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland indien de activiteit zelf of de resultaten van de activiteit ten goede komen aan het platteland en/of de agrarische sector. Artikel 1.3 Openstelling In het openstellingsbesluit worden de subsidieplafonds vastgelegd, maar kunnen daarnaast ook de in deze regeling genoemde onderdelen, zoals bijvoorbeeld de doelgroep, de subsidiabele activiteiten of thema’s, subsidiabele kosten en selectiecriteria, nader ingevuld worden zodat bij openstelling duidelijk is waarvoor in het kader van de openstelling precies subsidie aangevraagd kan worden en hoe aanvragen beoordeeld zullen worden. Zo wordt in deze regeling bijvoorbeeld aangegeven dat ‘landbouwers’ de begunstigden kunnen zijn, maar in een openstellingsbesluit kan dit nader gespecificeerd worden tot ‘varkenshouders’ , ‘biologische boeren’ of ‘landbouwers waarvan het bedrijf tenminste grootte x heeft’. En de subsidiabele activiteit kan in deze regeling zijn omschreven als ‘kennisoverdracht’, maar dat kan in een openstellingsbesluit nader gericht worden tot bv. ‘kennisoverdracht inzake klimaatadaptatie’. Ook kan een Provincie er voor kiezen om, vanwege beleidsmatige overwegingen, bepaalde kostensoorten die op grond van deze regeling subsidiabel gesteld zouden kunnen worden, in een specifiek geval toch niet subsidiabel te stellen. Bijvoorbeeld: afschrijvingskosten kunnen op grond van sommige artikelen subsidiabel gesteld worden, maar Provincies kunnen er voor kiezen om die kosten, bijvoorbeeld vanwege de hoge uitvoeringslasten die gemoeid zijn met het berekenen en beoordelen van die kosten, niet subsidiabel te stellen. Dit betekent dat de in deze regeling genoemde mogelijkheden de maximale mogelijkheden weergeven, welke ingeperkt kunnen worden in een openstellingsbesluit. In die zin is openstelling per ‘submaatregel’ mogelijk. Wat niet mogelijk is, is dat er in een openstellingsbesluit nieuwe, niet in deze regeling genoemde, onderdelen – bijvoorbeeld een andere doelgroep of een andere subsidiabele activiteit - toegevoegd worden. Voor de selectiecriteria geldt dat de criteria genoemd in deze regeling meestal algemene criteria zijn, die in het algemeen nader uitgewerkt zullen worden in een openstellingsbesluit. Met name het criterium ‘de bijdrage aan in een openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoelen’ biedt de provincies de mogelijkheid bij openstelling van een maatregel voldoende sturingsmogelijkheden te hebben om te kunnen sturen op het bereiken van de provinciale beleidsdoelstellingen. Bij alle maatregelen wordt het selectiecriterium ‘kosteneffectiviteit’ gebruikt. Met dit selectiecriterium wordt beoogd toepassing gegeven aan artikel 49 van Vo 1305/2013, waarin onder meer is bepaald dat de selectiecriteria borg dienen te staan voor een beter gebruik van financiële middelen. Met deze kosteneffectiviteit wordt bedoeld: in welke mate draagt de subsidie bij aan het realiseren van (beleids)doelstellingen. Voorbeeld: als er sprake is van een project dat onderdeel is van een groter programma of samenhangt met enkele andere (niet door de overheid of niet vanuit POP te subsidiëren) projecten, kan – kijkend naar de opbrengst van het programma of de opbrengst van het project in samenhang met die andere projecten (= spin off van het te subsidiëren project) - er sprake zijn van een relatief kleine subsidie die, door de spin off, grote (beleids)effecten sorteert. Als voorbeeld: een project van 100.000 euro dat een noodzakelijk onderdeel oplevert voor een programma dat in zijn totaliteit voor 1 miljoen euro aan ‘opbrengst’ voor een bepaald beleidsdoel genereert, zal naar verwachting hoger op dit selectiecriterium scoren dan een verder vergelijkbaar project met 100.000 euro aan subsidiabele kosten, waarbij er geen sprake is van een spin off effect. Artikel 1.4 Samenstelling subsidieplafond en subsidiepercentages Een subsidieplafond is het totaalbedrag dat bij een openstelling voor subsidieaanvragers beschikbaar wordt gesteld. POP-subsidies bestaan – in het algemeen – uit 50% nationaal overheidsgeld en een bijdrage van 50% die afkomstig is uit het door de EU aan Nederland beschikbaar gestelde bedrag aan middelen uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Provincies zijn in het kader van onderhavige regeling aangewezen als beheerder van het ELFPO-budget. Provincies kunnen in een openstellingsbesluit slechts ELFPO-budget beschikbaar stellen, kunnen naast het ELFPO-budget òòk de benodigde nationale cofinanciering beschikbaar stellen òf kunnen – indien daar in het POP programma voor de betreffende maatregel in is voorzien - alleen nationale overheidsmiddelen beschikbaar stellen (‘aanvullende nationale financiering’). Indien een Provincie slechts ELFPO-middelen beschikbaar stelt, dient een aanvrager de verplicht voorgeschreven nationale overheidsfinanciering op een andere manier te verkrijgen. In die gevallen zal een aanvraag slechts voor (ELFPO)subsidie in aanmerking kunnen komen indien bij de subsidieaanvraag een bewijs wordt overgelegd waaruit blijkt dat de nationale financiering die benodigd is voor het project beschikbaar is of zal komen. Dit omdat er anders geen sprake is van een sluitende begroting. Het te overleggen bewijs kan bijvoorbeeld een reeds gedane subsidietoezegging of bijdrageverklaring zijn. Artikel 1.5 Doelgroep In hoofdstuk 2 worden per maatregel de doelgroep of doelgroepen gedefinieerd. In dit artikel wordt bepaald dat een landbouwonderneming in het kader van deze regeling een MKB-bedrijf dient te zijn. Grote landbouwondernemingen, met meer dan 250 werknemers, komen in het kader van deze regeling niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 1.6 Samenwerkingsverbanden In sommige gevallen kan een subsidie worden verstrekt aan een samenwerkingsverband. Indien een samenwerkingsverband, niet zijnde een formeel samenwerkingsverband in de vorm van een rechtspersoon, subsidie wenst aan te vragen, zijn er aan het samenwerkingsverband eisen gesteld die in dit artikel worden benoemd. Naast de in dit artikel benoemde vereisten, kunnen ook in de artikelen in hoofdstuk 2 of 3 én in het openstellingsbesluit aanvullende eisen aan samenwerkingsverbanden worden gesteld. Artikel 1.7 Wijze van indienen van en vereisten aan een subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag kan slechts worden ingediend door gebruik te maken van het door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Alleen een volledig ingevuld aanvraagformulier, voorzien van alle voorgeschreven bijlagen, zal in behandeling genomen worden. Aanvragen waarbij slechts een gedeelte van de voorgeschreven informatie wordt aangeleverd en niet alle voorgeschreven informatie vòòr de sluitingsdatum van de tender is aangeleverd (zoals ‘pro forma aanvragen’) zullen niet in behandeling genomen worden. Dit om rechtsongelijkheid tussen aanvragers te voorkomen. Enige uitzondering hierop vormen gegevens en bijlagen die weliswaar wel aanwezig dienen te zijn bij een aanvraag voor subsidietoekenning, maar niet essentieel zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een Kamer van Koophandel nummer. Een subsidieaanvrager kàn derhalve de mogelijkheid worden geboden dergelijke gegevens ook na sluiting van de tender, maar binnen een door Gedeputeerde Staten te stellen termijn, aan te vullen. De aanvraag dient in ieder geval een projectplan te bevatten, waarin ook wordt aangegeven wat de doelstelling(
- en)van het project is/zijn, of er een relatie is met andere projecten / of het project onderdeel uitmaakt van een groter programma en wat de doelstellingen daarvan zijn en hoe de resultaten van het project worden getoetst. Met de ‘doelstelling’ wordt bedoeld: het beleidsdoel wat nagestreefd wordt (bijvoorbeeld: meer fietsers in de gemeente). De doelstelling is in het algemeen van een hoger abstractieniveau dan het projectresultaat (bijvoorbeeld: projectresultaat zal zijn dat er 25 km fietspad is aangelegd of verbeterd). Aanvragers worden geacht in het projectplan aan te geven hoe bezien/bepaald wordt of de doelstelling (meer fietsers in de gemeente) is bereikt. Indien een aanvraag betrekking heeft op een investering, dient op grond van artikel 45 Verordening (EU) nr. 1305/2013 1e lid “de investering voorafgegaan te worden door een beoordeling van de te verwachten milieueffecten overeenkomstig het recht dat specifiek is voor deze soort investering, in gevallen waarin de investering waarschijnlijk nadelige gevolgen zal hebben voor het milieu”. Dit betekent dat investeringen waarvoor voorafgaand aan de investering een milieu- of omgevingsvergunning verkregen moet zijn, die vergunning verkregen moet zijn vòòr er vanuit ELFPO voor die investering betalingen gedaan kunnen worden. Indien er geen milieu- of omgevingsvergunning verplicht is, bijvoorbeeld omdat de betreffende investering op grond van de Omgevingswet slechts gemeld hoeft te worden, dient de aanvrager een beperkte effectverkenning met een eigen oordeel aan te leveren, op grond waarvan blijkt dat er geen sprake is van een investering die waarschijnlijk negatieve gevolgen voor zal hebben voor het milieu. De zwaarte van de verkenning zal afhangen van het soort/type investering. Een belangrijk aandachtspunt voor de Europese Commissie is het punt ‘redelijkheid van kosten’. Indien er bij een project geen sprake is van een aanbestedingstraject zal door het Betaalorgaan in het algemeen worden vereist dat een aanvrager – ter onderbouwing van de redelijkheid van de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en als toelichting op de begroting– drie offertes aan de aanvraag toevoegt, op basis waarvan het Betaalorgaan de redelijkheid van de opgevoerde kosten kan bepalen. Onderdeel van de aan te leveren gegevens is ook het aanleveren van informatie over subsidies of vergoedingen / bijdragen die voor dezelfde subsidiabele activiteiten van andere bestuursorganen, private organisaties of personen afkomstig zijn. Deze gegevens zijn enerzijds van belang om te kunnen beoordelen of er sprake is van een sluitende begroting, anderzijds kan op basis van deze gegevens ook worden bezien of er wellicht sprake zou kunnen zijn van cumulatie van subsidies of cumulatie met andere vormen van steun. Aanvragen zullen vaak elektronisch ingediend kunnen worden. Als elektronisch indienen kàn, verdient elektronisch indienen van aanvragen sterk de voorkeur. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is het echter niet mogelijk elektronisch indienen van aanvragen te verplichten. Artikel 1.8 Weigeringsgronden In bepaalde gevallen zal een subsidieaanvraag (geheel of gedeeltelijk) afgewezen worden. Indien er gewerkt wordt met een tendersysteem (zie onder §1.3) en het in geval van dreigende overschrijding van het subsidieplafond en het toepassen van loting in de groep van ‘projecten met dezelfde score’, is het onwenselijk dat aanvrager(
- s)voor dezelfde activiteit meerdere aanvragen indienen (om zo de kans bij een eventuele loting te vergroten). Indien voor dezelfde activiteit en door dezelfde aanvrager(
- s)meerdere aanvragen worden gedaan, zal – tenzij een eerder ingediende aanvraag ingetrokken zou worden - alleen de eerst ingediende aanvraag meegenomen worden in de tenderprocedure. De overige versies van dezelfde aanvraag voor dezelfde activiteit en door dezelfde aanvrager(
- s)zullen afgewezen worden. Er zijn projecten waarvan het effect in meerdere provincies ‘neerslaat’ of neer kan slaan. In dat geval kunnen provincies in onderling overleg besluiten over de financiering van het project. Die besluitvorming zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat één provincie subsidie verstrekt, maar een deel van de benodigde financiering (naar rato) van een andere provincie verkrijgt. In geval van investeringen zal het in het algemeen zo zijn dat de plaats van de investering leidend is: subsidie voor een investering door een bedrijf in provincie x, maar het grondgebied waar de investering geplaatst wordt is in provincie y, zal aangevraagd kunnen worden bij provincie y. Door middel van fysieke controles dan het daadwerkelijke gebruik van de investering gecontroleerd kunnen worden. Op grond van de EU-regelgeving dienen subsidies in het algemeen een stimulerend effect te hebben. Een stimulerend effect van een subsidie is niet aanwezig indien de subsidiabele onderdelen van het project al zijn afgerond vòòr een subsidieaanvraag ingediend is. Maar ook indien een project al is begonnen voor de subsidieaanvraag is ingediend, is het de vraag of er sprake is van een stimulerend effect door de subsidie. Een project mag dan ook pas gestart worden als een subsidie aanvraag is ingediend. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde voorbereidende activiteiten voor het project. Kosten voor voorbereidende activiteiten (= voorbereidingskosten) zijn algemene kosten ter voorbereiding van het project, zoals het inschakelen van adviseurs en het (laten) uitvoeren van haalbaarheidsstudies. De kosten moeten aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van het specifieke project. Het kan hierbij overigens NIET gaan om de inzet van eigen personeel van een organisatie, indien de voorbereidende activiteiten feitelijk reguliere werkzaamheden voor dit personeel betreffen. Voorbereidingskosten zijn op grond van artikel 1.12 subsidiabel, mits ze zijn gemaakt binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het project. Die redelijke termijn is in zijn algemeenheid gesteld op 1 jaar vòòr de aanvraag is ingediend, maar in een openstellingsbesluit kunnen GS van die termijn van 1 jaar afwijken. Omdat in geval van POP-subsidies er sprake kàn zijn van een POP-subsidieplafond dat slechts uit ELFPO-budget bestaat en een POP-subsidie waarbij ELFPO wordt toegekend alleen rechtmatig verleend wordt indien er ook eenzelfde bedrag aan nationale overheidsfinanciering voor het project beschikbaar gesteld wordt, is als specifieke weigeringsgrond vermeld het feit dat een aanvraag – op het moment van beschikken - niet is voorzien van een bijdrageverklaring dan wel een subsidie- beschikking voor de benodigde nationale overheidsfinanciering. Overigens is ook de weigeringsgrond genoemd in artikel 4.35, 1e lid, onder a van de Algemene Wet Bestuursrecht is in dit geval onverminderd van toepassing. Dit betekent dat indien de uitvoering van de activiteit naar het oordeel van gedeputeerde staten technisch, financieel, organisatorisch of economisch niet haalbaar is, de subsidie geweigerd kan worden. Artikel 1.9 Personeelskosten Indien in een project eigen personeel wordt ingezet, kunnen de kosten van dat personeel berekend worden volgens de methode beschreven in dit artikel. Deze berekeningswijze is, voor wat betreft het aantal uren bij een voltijds dienstverband, verplicht voorgeschreven vanuit de van toepassing zijnde EU-verordeningen. De toeslag voor werkgeverslasten en de opslag voor indirecte kosten zijn zogenaamde standaardschalen van eenheidskosten. Indirecte kosten zijn daarbij alle kosten die niet direct toe te rekenen zijn aan de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is verleend, bijvoorbeeld bureaukosten. Overigens zijn personeelskosten (waarbij sprake is van de inzet van personeel waaraan salaris wordt uitbetaald) iets anders dat de kosten van eigen arbeid (aanvrager stopt zelf tijd in een project, maar indien de aanvrager niet in loondienst is en dus geen ‘loon’ krijgt, is er geen sprake van personeelskosten) én iets anders dan kosten van vrijwilligers. Deze laatste twee kostenposten zijn geregeld in artikel 1.11. Aan de te vergoeden kosten voor personeel kàn in een openstellingsbesluit een maximum gesteld worden. Maar ook als er geen maximum gesteld wordt, geldt als algemeen uitgangspunt de redelijkheid van kosten. Loonkosten zijn dan ook gemaximeerd tot een uurtarief dat redelijk is gelet op de aard van de te verrichten werkzaamheden én het aantal te declareren uren is gemaximeerd op het aantal uren dat redelijkerwijs, gelet op de verrichtte of te verrichten werkzaamheden, aan de werkzaamheden besteed wordt. Hierbij is tevens van toepassing dat personeel, op jaarbasis, nooit meer uren kan declareren dan genoemd aantal van 1720 uur. Bij de berekening van personeelskosten wordt uitgegaan van het meest recente bruto jaarloon. Bij de aanvraag van subsidie zal dit de kosten betreffen van het jaarloon voorafgaand aan de subsidieaanvraag, van een personeelslid van het niveau waarop personeel ingezet wordt in het project. Bij afrekening gaat het om de daadwerkelijk gemaakte kosten. Artikel 1.10 Kosten aankoop van gronden Indien het in het kader van een project noodzakelijk is om gronden aan te kopen, mogen de kosten voor de aankoop van die gronden maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het project bedragen, tenzij er een uitzondering op deze 10% regeling van toepassing is op grond van de leden 2 of 3 van dit artikel. Praktijkvoorbeeld: Een project omvat de aanleg van een fietspad met EU-subsidiabele inrichtingskosten van € 810.000 waarvoor in totaal 2 ha grond moet worden aangekocht ad € 140.000,- De totale projectkosten bedragen dus € 950.000,- Als de aankoopkosten tot 10% over de totale subsidiabele kosten mogen bedragen, vormen de aanlegkosten van € 810.000 dus 90% van de totale subsidiabele kosten. De totale subsidiabele kosten bedragen in dit voorbeeld dan teruggerekend (100/90 x € 810.000,- =) € 900.000, waarvan € 90.000,- grondkosten. De overige € 50.000,- grondkosten zijn niet EU-subsidiabel. Artikel 1.11 Berekenings