Onderhoudsplichtig zijn degenen die in de legger tot het plegen van onderhoud aan de waterkeringen en waterwerken zijn aangewezen. De verplichting tot gewoon onderhoud voor primaire waterkeringen berust bij het waterschap tenzij de legger anders bepaalt. De verplichting tot gewoon onderhoud voor regionale waterkeringen berust bij de eigenaar tenzij de legger anders bepaalt.
Onder onderhoud wordt zowel gewoon onderhoud als buitengewoon onderhoud verstaan. Onderhoudsplichtig zijn degenen die krachtens de legger tot het plegen van gewoon en/of buitengewoon onderhoud aan de wateren zijn aangewezen. Met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid berust de verplichting tot onderhoud van de A-watergangen bij het waterschap, tenzij de legger anders bepaalt. De verplichting tot onderhoud van de B-watergangen berust op de eigenaren van de aan die watergangen gelegen gronden, tenzij de legger anders bepaalt. De onderhoudsplicht kan niet worden overgedragen aan derden.
Onderhoud Artikel 78 lid 2 van de Waterschapswet zegt dat het algemeen bestuur een legger vaststelt waarin onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen worden aangewezen. Onderhoudsplichtig zijn derhalve degenen die in de legger tot het plegen van onderhoud aan de waterkeringen zijn aangewezen. Onderhoud voor primaire waterkeringen berust normaliter bij het waterschap tenzij de legger anders bepaalt. Onderhoud voor regionale waterkeringen berust normaliter bij de eigenaar tenzij de legger anders bepaalt. Artikel 5a Coupures Ingevolge het in het onderhavige artikel bepaalde zijn de eigenaren van sluizen, uitwateringen, doorgangen en dergelijke coupures in waterkeringen gehouden deze op eerste aanzegging door of namens het bestuursorgaan te sluiten, ter voorkoming van overstroming van achter de waterkering gelegen gronden. Het tweede lid van dit artikel is er op gericht dat sluitmiddelen in zodanig goede staat worden onderhouden dat de coupures, in geval dat wordt gevorderd, voldoende waterkerend kunnen worden gesloten. Artikel 6 Afrasteringen Deze bepaling verplicht de eigenaren van percelen, die zijn gelegen nabij de kernzone van waterkeringen, waarop het houden van dieren of bepaalde huisdieren ingevolge artikel 7, eerste lid, onder e, is verboden, daarlangs afrasteringen te plaatsen. Het plaatsen van deze afrasteringen valt onder de verbodsbepalingen van artikel 7, zodat voor een afrastering binnen de kern- of beschermingszone een ontheffing is vereist. Voor de meest voorkomende afrastering binnen de beschermingszone is overigens een vrijstelling opgenomen. 2.2 Verbodsbepalingen Artikel 7 In dit artikel worden onderscheiden: verboden die gelden voor de kernzone, verboden die gelden voor beschermingszones en verboden die gelden voor buiten de beschermingszones gelegen stroken. De verboden aangaande de kernzone zijn in het algemeen verdergaand dan die gelden voor de beschermingszones omdat bepaalde handelingen indien ze in de beschermingszones worden uitgevoerd het waterkerend vermogen van de waterkering in principe niet aantasten, terwijl ze indien ze op de waterkering plaats zouden hebben wel degelijk het waterkerend vermogen zouden kunnen aantasten. Voor dit soort handelingen geldt veelal dat ze ook niet kunnen worden toegestaan in de directe nabijheid van waterkeringen (zeer dicht uit de teen of in steunbermen). De bij de begripsomschrijvingen gegeven omschrijving van waterkeringen biedt de mogelijkheid om in de legger of de bij de Keur behorende kaart een geringe strook uit de teen van de waterkering aan te wijzen als behorend tot de waterkering, waarop dus dezelfde verboden als op de waterkering van toepassing zijn (zie fig. 1). Buiten de beschermingszones ligt de strook waarvoor het minst vergaande verbodsregime geldt; de zogenaamde buitenbeschermingszones. Grondroeringen Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder a, 1e, is het verboden in de kernzone welke grondroeringen dan ook te verrichten. Voor de beschermingszones en daarbuiten gelegen stroken is een minder vergaand regime van toepassing, dat is verwoord onder h, (verbod om binnen de beschermingszones ontgravingen, afzandingen en egalisatiewerkzaamheden te verrichten) respectievelijk onder k, ten eerste, (verbod om binnen de buitenbeschermingszones afgravingen voor het winnen van delfstoffen te verrichten). In de kernzone is elke grondroering verboden, terwijl in beschermingszones grondroeringen bijvoorbeeld in de vorm van agrarisch gebruik zoals ploegen of spitten wel zijn toegestaan. Verdedigingsmaterialen Het eerste lid, onder b, beoogt de in de kernzone of in de beschermingszones aangebrachte materialen ter verdediging van de waterkering, doorgaans een vegetatiemat (een dichte grasmat, eventueel aangevuld met kruiden e.d.), te beschermen. Uiteraard vallen ook andere, harde materialen onder de bescheming van dit artikel. Dieren In de leden c, d, e, en f wordt het begrip “primaire waterkering” gehanteerd. Met dit begrip wordt specifiek bedoeld, de in de Wet op de waterkering bedoelde primaire waterkeringen, ook wel de rivier- of bandijken genoemd. Ingevolge het bepaalde onder e is het verboden om binnen de kernzone van primaire waterkeringen dieren te houden of te laten lopen. Dit verbod geldt niet voor andere waterkeringen omdat daar het eventueel beschadigen van vegetatie uit oogpunt van veiligheid minder nadrukkelijk meespeelt. Onder dieren worden in dit verband verstaan alle gedomesticeerde dieren; dus zowel varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren, als andere huisdieren, zoals struisvogels, kippen, ganzen en honden. De bepaling verbiedt zowel het houden van (beweiden met) dieren op winterdijken als het laten lopen van dieren daarop. De houder van deze dieren dient er dus voor te zorgen dat deze zich niet op de waterkering begeven. Ook is hier geen expliciete uitzondering voor schapen gemaakt, omdat begrazing met schapen volgens de huidige inzichten slechts verantwoord is, indien van een extensieve vorm van beweiding kan worden gesproken. Daarom is ook het houden van schapen op waterkeringen aan een ontheffing gebonden. Zoals alle verboden richt ook dit verbod zich uitsluitend tot derden. Indien het beweiden met schapen plaatsvindt binnen het kader van een met het waterschap gesloten gebruiksovereenkomst, is er sprake van een door het waterschap gekozen vorm van onderhoud. Naast de overeenkomst zal het waterschap zichzelf dan geen ontheffing geven omdat er sprake is van de uitoefening van een primaire taak. Gebruik onderhoudsstroken De in de onder e en f opgenomen verboden hebben beide betrekking op vormen van gebruik van de kernzone. (Houden van dieren en bemesting). De kernzone strekt zich op grond van de leggers voor waterkeringen ook uit tot de zogenaamde onderhoudsstroken. Dit zijn doorgaans onder aan het talud liggende stroken grond, welke nodig zijn voor het plegen van onderhoud. Vanuit de jongste inzichten met betrekking tot de veiligheid strekt de zorg voor de kwaliteit van de grasmat op waterkeringen zich niet slechts uit tot de dijktaluds, maar ook tot de daaraan grenzende onderhoudsstroken. Werken en afrasteringen Omdat een afrastering als werk moet worden gekwalificeerd, is op grond van het verbod voor werken dus ook voor een afrastering een ontheffing nodig. Langs de waterkeringen komen erg veel afrasteringen voor die vee of andere dieren moeten keren. Buiten de kernzone bestaat er tegen dergelijke afrasteringen in het algemeen geen bezwaar. Slechts indien de locatie slecht is gekozen of de constructie zodanig is dat het waterkerend vermogen wordt aangetast zijn er bezwaren. Om te voorkomen dat de voor de meest voorkomende “gewone” afrasteringen de relatief zware ontheffingsprocedure moet worden gevolgd, kent lid g, onder 1e een vrijstelling voor afrasteringen die aan de in dat artikel beschreven randvoorwaarden voldoen. Betreding Ingevolge het bepaalde onder j is het verboden zich op de waterkeringen, in de beschermingszones of onderdelen daarvan te begeven, indien dat ter plaatse op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven (bijvoorbeeld door het plaatsen van borden met het opschrift "verboden toegang, waterschap Rivierenland"). Daar waar recreatieve waarden aan waterkeringen worden toegekend kunnen deze indien waterkering-belangen zich daar niet tegen verzetten in principe voor recreatief medegebruik worden opengesteld. De bepaling moet tegengaan dat de waterkerende functie van waterkeringen die daarvoor gevoelig zijn door betreding in gevaar komt. De toegang tot de betrokken waterkeringen en beschermingszones kan aan de eigenaar en zakelijk of persoonlijk gerechtigden niet worden ontzegd omdat hen hiermee in strijd met het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek praktisch elk genot van de zaak zou worden ontzegd. Hoofdstuk 3 Wateren Artikel 8 Wateren Om in het algemeen deel van de toelichting vermelde redenen wordt in de Keur niet gedifferentieerd naar typen wateren (bijvoorbeeld rivieren, kanalen, sloten, meren, plassen, bergingsvijvers, boezemwateren en overige wateren), maar wordt één begrip "wateren" gehanteerd. Niet gekozen is voor de veel gehanteerde begrippen watergangen of waterlopen, omdat dit een soort water betreft. De waterbodems en taluds worden in deze Keur onder de wateren begrepen. In het kader van de Integratie van Waterschap Rivierenland met het Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch en het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, is een aantal nieuwe begrippen opgenomen in de Keur, zoals hoofdwatergang, berm- en kavelsloten. Gronden, die een functie hebben voor de af- en/of aanvoer of berging (boezemland) of het vasthouden van het op de bodem vrij aanwezige water, worden ook als wateren aangemerkt. Deze bepaling ziet dus ook op inundatiegebieden, bestemd voor de berging van water. De Keur gaat uit van één reglementeringssysteem voor alle typen wateren, waarbij twee zones kunnen worden onderscheiden: de kernzone en de beschermingszone (zie fig. 4). De begrenzingen van deze zones worden door de beheerder bepaald en vastgelegd in de legger. Hieruit zal tevens blijken of het A- of B-watergangen betreft. Daarbij dient deze steeds voor ogen te houden dat het opleggen van bepaalde restricties aan het gebruik van gronden in de Keur slechts ter bescherming van het waterhuishoudkundig functioneren van de wateren (de af- en/of aanvoer of berging van het op de bodem vrij aanwezige water) mag plaats hebben. Wateren, veelal inundatiegebieden, welke niet op de leggers zijn geplaatst, kennen dus géén keurzones en worden dus ook niet beschermd tegen de in de zones verboden handelingen. Wel is er een keurbescherming tegen wezenlijk bedreigende handelingen als bijvoorbeeld demping. Deze wateren worden in de praktijk veelal aangeduid als “C-wateren”. De vraag of een water als een dergelijk C-water kan worden gekwalificeerd moet dus in de praktijk van geval tot geval worden bepaald aan de hand van de functie van het water. (Zie bijlage 4. voor een bovenaanzicht en dwarsdoorsnede van water met beschermingszone). 3.
Onderhoudsplichtigen Onderhoudsplichtig zijn degenen die krachtens de legger tot het plegen van gewoon en/of buitengewoon onderhoud aan de wateren zijn aangewezen. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, berust de verplichting tot onderhoud van de A-watergangen bij het waterschap, tenzij de legger anders bepaalt. De verplichting tot onderhoud van de B-watergangen berust op de eigenaren van de aan die watergangen gelegen gronden tenzij de legger anders bepaalt. De onderhoudsplicht kan niet worden overgedragen aan derden. Voor het onderhoud van de A-watergangen, als bedoeld in het eerste lid, zijnde de hoofdwatergangen, gelegen binnen het voormalige beheersgebied van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden kende het provinciale Reglement voor het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden een specifieke regeling. Met de intrekking van het genoemde Reglement per 1 januari 2005 komt deze specifieke regeling op dat moment te vervallen. Aangezien de regeling destijds is opgesteld met het oog op het gebiedseigen karakter van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, geniet het de voorkeur deze regeling in de keur onder artikel 9, tweede lid, op te nemen. Artikel 10 Gewoon onderhoud In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud gehouden zijn. De onderhoudsplichtigen zijn te allen tijde gehouden voorwerpen, materialen en stoffen die af- en/of aanvoer dan wel de berging van water hinderen uit de wateren te verwijderen. Dit is anders bij het schonen van de wateren, dat een aantal malen per jaar (meestal in het voor- en najaar), vóór de vooraf aan te kondigden schouw moet gebeuren om de maatgevende af- en/of aanvoer van water veilig te stellen. De oevers en taluds, alsmede de daartoe behorende oeververdedigingswerken, dienen behoorlijk in stand te worden gehouden, slechts voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de af-en/of aanvoer van water wordt gehinderd dan wel aangelegde onderhoudsstroken en/of afrasteringen door inzakking worden bedreigd. Waar de feitelijke afmetingen van het profiel de voor de af- en/of aanvoer van water noodzakelijke profielafmetingen overtreffen kan de onderhoudsplichtige niet worden verplicht de overprofilering in stand te houden als niet tevens ook de instandhouding van een onderhoudsstrook en/of afrastering in het geding is. Artikel 11 Buitengewoon onderhoud In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen, die tot de uitvoering van het buitengewoon onderhoud zijn verplicht, gehouden zijn. Als buitengewoon onderhoud wordt in de Keur aangemerkt het instandhouden van de wateren overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie. De onderhavige bepaling ziet op de omstandigheid waarin het onderhoud bij derden berust en richt zich dus niet tot het waterschap als kwantiteitsbeheerder maar tot derden-onderhoudsplichtigen. De situatie waarin derden-onderhoudsplichtigen tot instandhouding van wateren verplicht zijn doet zich voor bij B-watergangen. Artikel 11a Onderhoud bermsloten Dit artikel biedt een regeling voor het onderhoud van een groot aantal bermsloten (niet zijnde hoofdwatergangen) in het voormalige beheersgebied van het voormalige Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch. De regeling vindt zijn basis in de in het verleden gemaakte afspraken met de gemeenten in het betreffende gebied. Bij de overdracht van het wegbeheer door het Hoogheemraadschap aan de gemeente is indertijd afgesproken dat de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de bermsloten is toebedeeld aan het Hoogheemraadschap. De werking van de regeling blijft beperkt tot buiten de bebouwde kom gelegen bermsloten voor zover deze niet langs rijks- en/of provinciale wegen zijn gelegen. Onderdeel van de destijds gemaakte afspraken is wel dat de gemeente ten minste 2 maal per jaar een onderhoudsronde uitvoert langs alle door het waterschap te onderhouden bermsloten en hoofdwatergangen voor zover deze langs de openbare weg zijn gelegen. De gemeente maait hierbij zowel de binnentaluds van de sloten als de wegbermen. De door het waterschap te onderhouden bermsloten zijn aangegeven op de bij deze Keur behorende legger. De regeling van art. 11a is enkel van toepassing op de op de legger aangeven bermsloten. Het artikel omvat een regeling van de ontvangstplicht op de tegenoverliggende oevers. Het onderhoud van de bermsloten wordt als hoofdregel vanaf de wegzijde uitgevoerd. Met “tegenoverliggende gronden” wordt dan ook bedoeld: de gronden die aan de overkant van de bermsloot liggen (vanaf de weg gezien). Lid 3 bevat een regeling voor die gevallen waarin de ontvangst van specie/maaisel op de tegenoverliggende gronden in redelijkheid niet mogelijk is, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van siertuinen, gewassen en dergelijke. Artikel 12 Specieberging en berging van maaisel Artikel 11 van de Waterstaatswet 1900 bepaalt dat bij verordening kan worden bepaald, dat op erven en gronden gelegen aan een watergang, waarvan het onderhoud geschiedt door of onder toezicht van het openbaar gezag, de specie moet worden ontvangen, die tot behoorlijk onderhoud voor de af- of aanvoer van water, uit de watergang moet worden verwijderd. Zoals in de algemene toelichting is vermeld is in de onderhavige Keur de ontvangstplicht van specie vastgelegd. Bedacht dient te worden dat de ontvangstplicht van specie niet onder alle omstandigheden onverkort kan worden gehandhaafd. Fysieke belemmeringen als bebouwing kunnen er aan in de weg staan dat de specie op aan wateren gelegen percelen kan worden ontvangen. Voorts kunnen de hoeveelheid uitkomende specie en verontreiniging of besmetting van de baggerspecie aanleiding zijn om de specie af te voeren respectievelijk de veroorzaakte schade aan gronden te vergoeden voor zover deze redelijkerwijze niet ten laste van de betrokken aangeland dient te blijven. In het tweede lid is de plicht tot verwijdering van specie van de beschermingszones vastgelegd. In voorkomend geval, wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het bestuursorgaan een aanwijzing geven, om te voorkomen dat de specie die bij het onderhoud uit de wateren is verwijderd in de wateren geraakt en daardoor de af- en/of aanvoer van water hindert, dan wel de gedeponeerde specie de doorgang voor onderhoudsmachines bemoeilijkt. Vindt specieberging haar oorsprong in de Waterstaatswet 1900, het opnemen van bepalingen omtrent de berging van maaisel behoort tot de autonome bevoegdheid van het waterschapsbestuur. Artikel 13 Afrasteringen Deze bepaling verplicht de eigenaren van percelen, die worden gebruikt voor het houden van dieren en die zijn gelegen nabij wateren, daarlangs afrasteringen te plaatsen om te voorkomen dat de oevers en taluds door aftrap van bijvoorbeeld runderen, paarden of schapen inzakken en de af- en/of aanvoer van water wordt gehinderd. Op grond van artikel 14 is overigens voor het plaatsen van een bouwwerk binnen de kern- of beschermingszone een ontheffing vereist. Afrasteringen zijn in deze optiek bouwwerken. Voor de meest voorkomende afrastering kent artikel 14 overigens een algemene vrijstellingsbepaling. Het gebod van artikel 13 geldt niet voor het voormalige beheersgebied van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, gezien de aard en het karakter van het gebied. 2.2 Verbodsbepalingen Artikel 14 In dit artikel worden onderscheiden: verboden die gelden voor wateren; verboden die gelden voor de kernzone en verboden die gelden voor beschermingszones. De waterbodems en taluds worden tot de wateren gerekend. Ook wordt hier de aanleg van nieuw water geregeld. Het gaat daarbij om wateren die nog niet op een legger kunnen voorkomen maar na de aanleg wel in beheer bij het waterschap zullen komen. In de praktijk zal het bestuur van het waterschap daardoor in staat zijn om bij nieuwe werken al in een vroeg stadium (ontwerpfase) de waterstaatkundige belangen te behartigen. Bij het stellen van verbodsbepalingen ten aanzien van wateren die scheepvaartweg zijn in de zin van de Scheepvaartverkeerswet dient te worden bedacht dat ook het bevoegd gezag ingevolge die wet regels kan stellen, onder meer in het belang van de instandhouding van de vaarweg, ter bescherming van de waterhuishouding, de oevers en waterkeringen en ter bescherming van in of boven de vaarweg aanwezige werken tegen schade door scheepvaart. De bevoegdheden van het bevoegd gezag ingevolge de Scheepvaartverkeerswet en de waterbeheerder kunnen elkaar op dit punt overlappen. Dit kan gevolgen voor de Keurbevoegdheid van het waterschapsbestuur hebben als het waterschap niet als bevoegd gezag ingevolge de Scheepvaartverkeerswet is aangewezen. In artikel 41 van de Scheepvaartverkeerswet wordt de betrokken competentievraag geregeld. Hier is bepaald dat de bevoegdheid van onder andere waterschappen tot het stellen van regels in het belang van het waterbeheer gehandhaafd blijft voor zover deze regels niet in strijd zijn met het krachtens de Scheepvaartverkeerswet bepaalde. Bij strijdigheid van de Keur met het krachtens de Scheepvaartverkeerswet bepaalde houdt het in de Keur bepaalde van rechtswege op te gelden. Verandering of demping Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder b en c, is het verboden de richting, vorm, afmeting of constructie van wateren te veranderen respectievelijk wateren en nieuwe wateren met elkaar in verbinding te brengen of wateren te dempen. Voornoemde handelingen kunnen de af- en/of aanvoer van water hinderen dan wel het bergend vermogen van het waterhuishoudkundig systeem nadelig beïnvloeden. Zo kunnen veranderingen in richting, vorm of constructie van wateren respectievelijk het met elkaar in verbinding brengen of dempen van wateren tot gevolg hebben dat het water naar een andere niet gewenste richting wordt afgevoerd, dan wel de af- of aanvoer van water wordt gehinderd. Het veranderen van de afmeting van wateren respectievelijk het dempen van wateren beïnvloedt het bergend vermogen van betrokken wateren. Waterstand Het waterschapsbestuur is in daartoe aangewezen gevallen verplicht voor wateren onder beheer van het waterschap één of meer peilbesluiten vast te stellen en zorgt ervoor dat de in het peilbesluit aangegeven waterstanden gedurende een daarbij aangegeven periode zoveel mogelijk worden gehandhaafd (zie art. 16, Wet op de waterhuishouding). De betrokken waterstanden worden vastgesteld met het oog op functies, die aan de betrokken wateren zijn toegekend in het provinciale waterhuishoudingsplan en/of aanvullend in het beheersplan van het waterschap. Het is in principe ongewenst dat het in genoemde plannen neergelegde waterhuishoudkundige beleid en beheer wordt doorkruist door particulieren, die de waterstand op een ander peil brengen of houden dan in het peilbesluit voor het betrokken water is vastgesteld. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder d, is het dan ook verboden de waterstand op een ander peil te brengen of te houden dan voor het betreffende gebied door het waterschapsbestuur is vastgesteld. Onder omstandigheden kan het bestuur aan particulieren toestaan dat (tijdelijk) de waterstand op een ander peil wordt gebracht, bijvoorbeeld door toepassing van onderbemaling. Dit zal over het algemeen slechts kunnen gebeuren indien de betrokkene daarbij zodanige maatregelen neemt dat geen nadelige effecten ontstaan voor de waterhuishoudkundige verzorging van het gebied (zie in dit verband ook het bepaalde in art. 15 van de Keur). Gravingen Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder e, ten eerste, is het ter voorkoming van aantasting van de stabiliteit van het watervoerend profiel en de berijdbaarheid van beschermingszones voor onderhoudsmachines verboden om in de bodem van wateren, in taluds en in de beschermingszones te graven. Bouwwerken , beplantingen en afrasteringen. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder e, ten tweede respectievelijk ten derde, is het verboden om binnen kernzones en beschermingszones (bouw)werken te maken, te hebben, te wijzigen of op te ruimen respectievelijk beplantingen en gewassen aan te brengen, te hebben of te rooien. Dit verbod zou betekenen dat ook éénjarige gewassen niet zijn toegelaten. Voor de eigenaar zou daarmee de beschermingszone niet voor gewassenteelt beschikbaar zijn omdat de zone slechts enkele keren per jaar voor onderhoud aan de watergang moet worden betreden. Daarom is voor éénjarige planten of gewassen een uitzondering gemaakt. Onder éénjarige planten wordt in dit verband verstaan planten die in één jaar ontkiemen, bloeien en vruchten of zaad geven. Met andere woorden, het gaat om gewassen die uiterlijk elk najaar worden geoogst, zodat daarna de beschermingszones vrij zijn voor onderhoud aan de watergangen. Hoewel eigenaren op grond van artikel 3 de gedoogplicht hebben om te allen tijde toegang tot hun percelen te verlenen, wordt met de uitzondering voor éénjarige gewassen tegemoet gekomen aan de belangen van deze eigenaren. Op hun beurt doen deze eigenaren er verstandig aan om problemen op dit punt te voorkomen door aan de oogst van gewassen binnen de beschermingszone hoge prioriteit te geven. De betrokken bepalingen beogen te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of de berging van water wordt gehinderd, dan wel (de bereikbaarheid van wateren ten behoeve van) het onderhoud wordt gehinderd. Daarom is voor de beschermingszone langs A-watergangen wel bepaald dat een strook van 1 meter breed vanuit de kernzone (insteek) moet worden vrij gehouden van gewassen, uiteraard met uitzondering van gras, zodat machines voor landbouw of slootonderhoud e.d. ruimte hebben om zodanig te rijden dat geen oeverafkalving plaatsvindt. Omdat een afrastering als bouwwerk moet worden gekwalificeerd, is op grond van het verbod voor bouwwerken dus ook voor een afrastering een ontheffing nodig. Langs de watergangen komen erg veel afrasteringen voor die vee of andere dieren moeten keren. Buiten de kernzone bestaat er tegen dergelijke afrasteringen in het algemeen geen bezwaar, tenzij de onderhoudsmogelijkheden van de watergang door een slechte locatie worden belemmerd. Om te voorkomen dat voor de meest voorkomende “gewone” afrasteringen de relatief zware ontheffingsprocedure moet worden gevolgd, kent lid e, onder 2e een algemene vrijstelling. Verdedigingsmaterialen De bepaling verwoord in het eerste lid, onder f, beoogt de materialen dienende tot verdediging van oevers, taluds en waterbodems te beschermen. Toegang Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder g, is het voor niet rechthebbenden verboden zich binnen kernzones of binnen beschermingszones op te houden, indien dat vanwege het bestuur op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven (bijvoorbeeld door het plaatsen van borden met het opschrift "verboden toegang, Waterschap Rivierenland"). Daar waar recreatieve waarde aan waterstaatswerken kan worden toegekend kunnen deze werken indien waterstaatkundige belangen zich daar niet tegen verzetten, in principe voor recreatief medegebruik worden opengesteld. De bepaling moet tegengaan dat kwetsbare oevers en taluds of oeverbegroeiingen worden beschadigd. De toegang tot de betrokken kernzones en beschermingszones kan aan de eigenaar en zakelijk of persoonlijk gerechtigden niet worden ontzegd omdat hen hiermee in strijd met het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek praktisch elk genot van de zaak zou worden ontzegd. Vistuigen en vaartuigen Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder h, ten eerste respectievelijk ten tweede, is het verboden op of in kernzones vistuigen, anders dan sportvistuigen, te plaatsen of te hebben, respectievelijk vaartuigen of vlotten onbeheerd te laten drijven. De bepaling beoogt te voorkomen dat de aan- en/of afvoer van water en het onderhoud door de aanwezigheid van genoemde voorwerpen wordt gehinderd. Afmeren Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder i, is het verboden binnen kernzones anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen vaartuigen of vlotten af te meren, te laden of te lossen, of daarmee ligplaats in te nemen of te hebben. De bepaling beoogt genoemde handelingen te reguleren door deze alleen toe te staan op plaatsen, die zodanig zijn ingericht dat de oevers en taluds niet worden beschadigd. De betrokken bepaling geldt niet in geval het betreft door het bestuur toegestane recreatieve activiteiten zoals het varen met kano's en bootjes. In dit verband wordt verwezen naar de toelichting bij het bepaalde in het eerste lid, onder g, waar van de mogelijkheid van recreatief medegebruik van wateren wordt uitgegaan. Voorwerpen, materialen en stoffen Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder j, is het verboden anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen voorwerpen, materialen of stoffen te deponeren, te lozen of op te slaan. De bepaling beoogt te voorkomen dat de aan- en/of afvoer en/of berging van water, dan wel het onderhoud door genoemde handelingen wordt gehinderd. Afgravingen, seismische onderzoekingen, boringen en werken met een overdruk De verboden ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder j, beogen de stabiliteit van het watervoerend profiel te beschermen. Artikel 14a Lozen, af- en aanvoeren In de model-Keur van de Unie van Waterschappen komt een artikel voor dat naast lozen, af- en aanvoeren ook betrekking heeft op onttrekkingen. In deze Keur is ervoor gekozen om ten aanzien hiervan geen nadere regels te stellen. Onttrekkingen zijn namelijk veelal seizoensgebonden (bijvoorbeeld ten behoeve van nachtvorstbestrijding). Deze onttrekkingen zijn via afspraken met de sector goed geregeld. Een weergave van deze afspraken is neergelegd in het beleid. Grotere onttrekkingen komen minder vaak voor en blijven ontheffingsplichtig omdat er sprake is van peilbeïnvloeding. Bovendien is met ingang van 1 juni 2004 de Wet op de waterhuishouding gewijzigd en biedt art. 33a thans de mogelijkheid, indien nodig, algemene regels te stellen voor onttrekkingen. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 24 juncto 13, Wet op de waterhuishouding is het in daartoe aangewezen gevallen voor anderen dan de waterkwantiteitsbeheerders verboden water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewateren zonder vergunning. Het verbod geldt eveneens ingeval water wordt afgevoerd naar of aangevoerd uit oppervlaktewateren door anderen dan de waterkwantiteitsbeheerders. Wat dit laatste betreft kan worden gedacht aan afvoer naar of aanvoer uit particuliere polders. Aanwijzing van vergunningplichtige gevallen door het waterschap kan alleen voor niet rijkswateren in die gevallen dat daartoe bij provinciale verordening de bevoegdheid is verleend. Het tweede lid van artikel 24, Wet op de waterhuishouding bepaalt dat het vergunningplichtig stellen van voorgenoemde handelingen slechts mag betreffen de lozing of onttrekking van waterhoeveelheden die, zelfstandig of in samenhang met andere lozingen of onttrekkingen, van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling of de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen noodzaken tot bijzondere beheersmaatregelen. In de memorie van toelichting bij de Wet op de waterhuishouding worden als gevallen waarin een vergunningplicht kan gelden genoemd lozingen etc. die een bepaalde waterhoeveelheid per tijdseenheid te boven gaan, die zich over een langere dan een nader aan te geven periode uitstrekken of, die een bepaalde waterhoeveelheid per tijdseenheid overschrijden en plaats vinden in wateren van een nader aan te geven kwetsbaarheid. De aanwijzing van vergunningplichtige gevallen door het waterschap zal in het algemeen gevallen betreffen waarin het gaat om geringere waterhoeveelheden dan genoemd in de provinciale aanwijzing maar om grotere waterhoeveelheden dan die louter registratieplichtig zijn. Afhankelijk van de waterhuishoudkundige situatie kan in de Keur naar bepaalde gebieden worden gedifferentieerd in de hoeveelheden water waarvoor een lozings- of onttrekkingsvergunning vereist is. In de artikelen 24 tot en met 33, Wet op de waterhuishouding, alsmede in de artikelen 23 en 24, Uitvoeringsregeling waterhuishouding worden specifiek regels gesteld omtrent de vergunning, de aanvraag tot verlening van een vergunning en de beschikking op de aanvraag. Registratie; meldplicht en meetplicht Ingevolge het bepaalde in de artikelen 12 juncto 13, Wet op de waterhuishouding dient in daartoe aangewezen gevallen degene die water afvoert naar, aanvoert uit, loost in of onttrekt aan oppervlaktewateren waarover hij niet het beheer voert de wijze van afvoer, aanvoer, lozing of onttrekking te melden en - eventueel - de afgevoerde, aangevoerde, geloosde of onttrokken waterhoeveelheden te meten, daarvan aantekening te houden en van de verkregen gegevens opgave te doen aan de kwantiteitsbeheerder. In het vierde lid van de onderhavige keurbepaling wordt een lichter regime gecreëerd voor het lozen van water dan in het tweede en derde lid van toepassing is. In plaats van een vergunning wordt melding vereist, eventueel gekoppeld aan een meet- en registratieverplichting. Het bestuur legt de meetplicht slechts op in gevallen waarin nauwkeurige gegevens over de werkelijk verplaatste waterhoeveelheden benodigd zijn voor een goed oordeel over de invloed van de afvoer, lozing of aanvoer op de peilregeling of waterbeweging en over de noodzaak tot het treffen van bijzondere beheersmaatregelen. In de artikelen 6 tot en met 10 van de Uitvoeringsregeling waterhuishouding worden regels gesteld voor het tijdstip en de wijze van melding, meting, aantekening houden en opgave doen. De kwantiteitsbeheerder kan voor het doen van een melding een formulier vaststellen. Artikel 14b Lozen, onttrekken, af- en aanvoer in kwetsbare gebieden Omdat waterschap Rivierenland na de integratie van 1 januari 2005 te maken heeft met diverse verordeningen Waterhuishouding (Gelderland, Noord-Brabant, Zuid-Holland en Utrecht) is gekozen voor de regeling zoals opgesteld in artikel 14b. De verordeningen van Noord-Brabant, Zuid-Holland en Utrecht hebben een veel minder vergaand regime met betrekking tot lozen, onttrekken, af- en aanvoer dan Gelderland. Om kwetsbare gebieden die niet onder de werking van de Verordening Waterhuishouding Gelderland vallen toch afdoende te beschermen zijn kaarten bij deze Keur gevoegd, waarvoor de regels van artikel 14b van toepassing zijn. Dit betekent dat in de kwetsbare gebieden, naast de bescherming die artikel 14a reeds biedt, tevens een vergunning is vereist voor onder andere drainage en wateronttrekkingen van meer dan 20 m3 per uur. Hoofdstuk 4 Ontheffingen Artikel 15 Ontheffingen Van de in de Keur gestelde geboden en verboden kan het bestuursorgaan ontheffing dan wel vrijstelling verlenen. Op de ontheffingverlening zijn de bepalingen van hoofdstuk 3 en 4, titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht automatisch van toepassing indien in de Keur geen bepalingen terzake zijn opgenomen. Voor het opnemen van bepalingen inzake ontheffingverlening, die afwijken van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht wordt geen aanleiding gezien. Het verdient dan ook aanbeveling deze wet van toepassing te laten zijn door in de Keur geen bepalingen aangaande de ontheffingverlening op te nemen. De Algemene wet bestuursrecht regelt de aanvraag tot het verlenen van een ontheffing (Afdeling 4.1.1), de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag (Afdeling 4.1.2) en de beslistermijn (Afdeling 4.1.3) en de motivering van de beslissing (Afdeling 3.7). Ten aanzien van de voorbereiding en de motivering van de beslissing geldt dat de Algemene wet bestuursrecht een vereenvoudigde procedure toelaat voor spoedeisende beslissingen en beslissingen waarbij uit de aard van de aanvraag of beslissing volgt dat een vereenvoudigde procedure kan worden toegepast (artt. 4:11 en 4:12, alsmede 3:48 en 3:49). Tegen een beslissing op een aanvraag om ontheffing staat beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht open. Ingevolge artikel 7:1 dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op de rechter in te stellen eerst een bezwaarschrift in te dienen bij het bestuursorgaan dat de bestreden beslissing heeft genomen, in casu het dagelijks bestuur van het waterschap. Op de bezwaarschriftprocedure zijn de bepalingen van de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Aan een keurontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij de beslissing omtrent het verlenen van een keurontheffing en het daaraan verbinden van voorschriften is de bescherming van waterstaatkundige belangen primair de invalshoek. De ontheffing voor een handeling die een waterstaatkundig belang betreft kan gevolgen hebben voor belangen of gebiedsdelen elders in het beheersgebied. Ook is het denkbaar dat voor onderdelen van grotere projecten met waterstaatkundige consequenties, afzonderlijke ontheffingen worden aangevraagd. Voor het beoordelen van een aanvraag om ontheffing is een integrale afweging noodzakelijk. Dat kan betekenen dat het bestuursorgaan eisen stelt aan de wijze waarop of de vorm waarin de aanvraag om ontheffing wordt gedaan, met als doelstelling om een integrale afweging van alle meespelende waterstaatkundige belangen mogelijk te maken. Aan ontheffingen voor werk aan of nabij waterkeringen zal doorgaans de beperkende voorwaarde worden verbonden dat tijdens de zogenaamde periode van dijksluiting (15-10 / 15-4) niet mag worden gewerkt. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 4 "Waterkeringen". Hoofdstuk 5 Schouw Artikel 16 Schouw De schouwvoering als bedoeld in deze bepaling betreft met name de schouw op het onderhoud aan waterkeringen en wateren. Daarnaast wordt bij de schouw gelet op eventuele overtreding van verbodsbepalingen. Het aantal malen dat per jaar de schouw wordt gevoerd, is in de Keur niet ingevuld maar wordt ter nadere vaststelling aan het bestuur overgelaten. Daarnaast biedt de Keur de mogelijkheid dat bijvoorbeeld in jaren waarin wateren snel dichtgroeien het bestuur kan besluiten een extra schouw te voeren. Hoofdstuk 6 Schadevergoeding Artikel 17 Schadevergoeding Ingevolge het bepaalde in dit artikel wordt de belanghebbende die schade lijdt of zal lijden, als gevolg van de toepassing van bepalingen van de Keur, welke schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van belanghebbende behoort te blijven, een schadevergoeding verstrekt, indien de vergoeding niet anderszins is verzekerd. De behandeling van schades zal plaatsvinden overeenkomstig de regels van de Nadeelcompensatieregeling voor het Waterschap Rivierenland, zoals deze werd vastgesteld door het algemeen bestuur van waterschap Rivierenland bij besluit van 2 januari 2002. Hoofdstuk 7 Strafbepalingen en toezicht Artikel 18 Strafbepalingen In artikel 81, Waterschapswet is bepaald welke maximum straf op overtreding van de Keur kan worden gesteld. In de onderhavige Keur is deze maximum straf opgenomen (drie maanden hechtenis of een geldboete van ten hoogste de tweede categorie als genoemd in artikel 23, Wetboek van Strafrecht). Naast de strafoplegging door de rechter is het bestuursorgaan bevoegd bestuursdwang toe te passen (artikel 61, Waterschapswet) of een dwangsom op te leggen (artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht). Het dagelijks bestuur kan de overtreder van de Keur een schikkingsvoorstel doen om strafvervolging te voorkomen (artikel 85, derde lid, Waterschapswet). Artikel 18a Toezicht Ingevolge artikel 85 van de Waterschapswet zijn de leden van het dagelijks bestuur en de door dat bestuur aangewezen ambtenaren van het waterschap belast met de opsporing van de overtreding van de Keur. Noch in de Waterschapswet noch in een provinciale verordening of reglement is het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Keur bepaalde geregeld. Op grond van artikel 56 Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap in het reglement zijn opgedragen. Aangezien het toezicht daarvan een belangrijk onderdeel uitmaakt, is het toezicht hier geregeld. In afwijking van het vorenstaande is toezicht met betrekking tot het lozen van water (artikel 14a) gebaseerd op artikel 53 van de Wet op de waterhuishouding. Ingevolge deze bepaling wijzen de minister van Verkeer en Waterstaat en de besturen van openbare lichamen, waaraan enige taak bij de uitvoering van deze wet is opgedragen, ambtenaren aan die zijn belast met de handhaving en het toezicht op naleving van het in de wet bepaalde. Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 19 Ontheffingen Het eerste lid van dit artikel beoogt werken die vóór inwerkingtreding van de Keur met ontheffing zijn aangebracht en ook ingevolge de geldende Keur ontheffingsplichtig zijn de status te geven van werken die met een ontheffing ingevolge de Keur zijn aangebracht. Ingevolge het tweede lid worden werken, die vóór inwerkingtreding van de Keur zonder ontheffing legaal konden worden aangelegd en ingevolge de geldende Keur ontheffingsplichtig zijn, aangemerkt als met ontheffing ingevolge de geldende Keur aangebracht. Artikel 20 Leggers en/of kaarten Het bepaalde in dit artikel beoogt te bewerkstelligen dat bij het nog ontbreken van een legger en een Keurkaart het onderhoud aan waterstaatswerken wordt voortgezet door degenen die voor inwerkingtreding van de Keur als onderhoudsplichtigen zijn aangewezen. Artikel 21 Zones Omdat de waterschappen welke per 1 januari 2005 fuseerden vóór deze datum van elkaar afwijkende keuren en leggers hanteerden, kennen niet alle leggers welke werden vastgesteld vóór 1 maart 2005 (datum inwerkingtreding Keur) de aanduiding van kern-, beschermings- en buitenbeschermingszone. Bovendien was niet in alle gevallen een afdoende legger aanwezig. Dit artikel bepaalt de maten van de zones voor die waterstaatswerken, zolang daarvoor ná 1 maart 2005 nog geen nieuwe legger is vastgesteld. Artikel 22 Inwerkingtreding Op bekendmaking van waterschapskeuren zijn de artikelen 73 tot en met 76 Waterschapswet van toepassing. Artikel 75 van de Waterschapswet stelt dat besluiten tot vaststelling en wijziging van een Keur niet eerder in werking treden dan nadat de in artikel 6:7 Awb bedoelde termijn is verstreken (= zes weken met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.