Verordening parkeerbelastingen 2016De raad van de gemeente Hulst; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders 6 oktober 2015; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en de Parkeerverordening 2012; B E S L U I T : Tot vaststelling van: Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2016 (Verordening parkeerbelastingen 2016) Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig,anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- ofuitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen degemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; houder: degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, was ingeschreven; parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan. Artikel2Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: a.een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b.een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel3Belastingplicht De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van de degene die het voertuig heeft geparkeerd. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; b.zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeftplaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat 1e als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd; 2e als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordtaangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegenzijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunningheeft aangevraagd. Artikel4Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel5Wijze van heffing 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening opaangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. 2.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening opaangifte. Artikel6Ontstaan van de belastingschuld De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop devergunning wordt verleend. Artikel7Termijnen van betaling 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte wordenbetaald bij de aanvang van het parkeren. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. Artikel8Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. Artikel9Kosten De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a,bedragen 60,00 euro. Artikel10Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel11Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffingen de invordering van de parkeerbelasting. Artikel12Inwerkingtreding en citeertitel De “Verordening parkeerbelasting 2015” van 13 november 2014 en bijbehorende tarieventabel 2015, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening parkeerbelasting 2016 als ook de daarbij behorende tarieventabel 2016 treden in werking met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.