Verordening liggeld voor woonschepen 2016De raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 oktober 2015, met kenmerk AP020, raadsstuk 15bb8495; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; besluit vast te stellen: Verordening liggeld voor woonschepen 2016 Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: schip: elke zaak, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft of heeft gedreven; woonschip: schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk gebezigd wordt of bestemd is voor bewoning; scheepsoppervlak: product van de grootste lengte over alles van het woonschip en de grootste breedte over alles van het woonschip uitgedrukt in vierkante meters, waarbij dat product wordt afgerond op gehele vierkante meters naar beneden; havenmeester: havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V.; hetvoor bewoning bestemde deel van het scheepsoppervlak: het door of vanwege de havenmeester aan boord gemeten deel van het scheepsoppervlak waar zich de gemeubileerde gedeelten, alsmede de gedeelten met de keuken-, toilet-, bad- en/of douchegelegenheden bevinden, dan wel, indien na uitdrukkelijk verzoek daartoe door of vanwege de havenmeester meting aan boord van het woonschip door de gebruiker ervan niet wordt toegestaan, het gehele scheepsoppervlak; aangewezen ligplaatsgebied: bij het Besluit aanwijzing ligplaatsen woonschepen 2013 (Gemeenteblad 2013, nr. 18) of bij de rechtsopvolger van dat Besluit aangewezen gebied voor het verblijf van woonschepen, varende woonschepen of schepen van oud-schippers of een gebied waar het innemen en hebben van een ligplaats uitdrukkelijk van gemeentewege wordt gedoogd. Artikel2Belastbaar feit a.Onder de naam 'liggeld voor woonschepen' wordt precariobelasting geheven voor het innemen van een ligplaats met een woonschip op een aangewezen ligplaatsgebied binnen de gemeente, indien en voor zover de ligplaats gelegen is in water waarbij de ondergrond ervan eigendom is van de gemeente Rotterdam en het water voor de openbare dienst is bestemd. b.Uitsluitend voor de toepassing van deze verordening wordt onder aangewezen ligplaatsgebied tevens begrepen het gebied opgenomen in het overgangsrecht zoals vermeld in artikel 4 van het Besluit aanwijzing ligplaatsen woonschepen
- Artikel3Belastingplicht 1.De precariobelasting als bedoeld in artikel 2 wordt geheven van degene die de ligplaats inneemt. Als degene die de ligplaats inneemt, wordt aangemerkt de houder van een ligplaatsvergunning, en bij gebreke van een ligplaatsvergunning de hoofdbewoner van het woonschip. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt wordt naar de omstandigheden beoordeeld. 2.Bij gebreke van een in het eerste lid bedoelde vergunninghouder dan wel hoofdbewoner, wordt de precariobelasting als bedoeld in artikel 2 geheven van de eigenaar van het woonschip. Artikel4Maatstaf van heffing en tarieven 1.De precariobelasting als bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar de grootte van het scheepsoppervlak van het woonschip. 2.Voor een woonschip met uitzondering van een woonschip als bedoeld in het derde lid geldt het volgende tarief: indien het scheepsoppervlak 40 m² of minder bedraagt € 18,40 per kalendermaand dan wel € 220,80 per kalenderjaar; indien het scheepsoppervlak meer dan 40 m² bedraagt voor de eerste 40 m² € 18,40 per kalendermaand dan wel € 220,80 per kalenderjaar, vermeerderd met voor elke volle 10 m² die het scheepsoppervlak te boven gaat € 8,30 per maand dan wel € 99,60 per jaar. 3.Voor een woonschip dat van oorsprong geen woonschip is, geldt het in het tweede lid bedoelde tarief voor het voor bewoning bestemde deel van het scheepsoppervlak en 50% van dit tarief voor het overige deel van het scheepsoppervlak. Artikel5Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel6Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel7Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdgelang 1.De precariobelasting als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht. 2.Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, is de precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingjaar verschuldigde recht als er in dat belastingjaar, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingjaar verschuldigde recht als er in dat belastingjaar, na het eindigen van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Het verzoek om ontheffing dient binnen zes weken na de opgetreden wijziging te zijn ingediend. Artikel8Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn welke vervalt twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2.In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van een betalingsregeling kunnen worden voldaan, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien termijnen. De eerste termijn vervalt in dat geval één maand na dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen en telkens één maand later. 3.Met betrekking tot een, ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de aanslag. Artikel9Vrijstelling Er wordt geen precariobelasting geheven ter zake van woonschepen waarvan de historische of bijzondere waarde voor de Rotterdamse haven, voor Rotterdam of voor de regio is vastgesteld na advies van een daartoe ingestelde commissie van deskundigen zoals bedoeld in het besluit Aanwijzing ligplaatsen historische vaartuigen (Gemeenteblad 2001, nr. 140) of de rechtsopvolger van dat besluit. Artikel10Nadere regels door het college Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van het liggeld voor woonschepen. Artikel11Intrekking oude verordening De Verordening liggeld voor woonschepen 2015 wordt ingetrokken. Artikel12Overgangsbepaling De Verordening liggeld voor woonschepen 2015 blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2016 hebben voorgedaan. Artikel13Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari
- Artikel14Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening liggeld woonschepen
- Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 12 november 2015.De griffier,J.M. van MiddenDe voorzitter,A.AboutalebToelichting op de Verordening liggeld woonschepen 2016 ArtikelsgewijsArtikel 1De definitie van ‘schip’ – die doorwerkt in de andere definities in dit artikel – is identiek aan de definitie van ‘schip’ in het Burgerlijk wetboek. Artikel 2De formulering van deze bepaling sluit aan bij de bepaling van artikel 228 van de Gemeentewet. Artikel 9Deze vrijstelling sluit aan bij de tot dusverre geldende vrijstelling.