Beleidsregel taaleis Den Haag 2016HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS, gelet op artikel 18b Participatiewet, Besluit: Vast te stellen de Beleidsregel Taaleis Den Haag 2016; Dat dit besluit in werking treedt met ingang van 1 januari 2016; Dat dit besluit wordt gepubliceerd in het gemeenteblad van week 48 van 2012 en met ingang van 26 november 2015,inclusief bijlage, terug te vinden zal zijn op de site www.denhaag.nl/bestuurlijke stukken, onder risnummer 288905. Den Haag, 24 november 2015 Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, mw. A.W.H. Bertram J.J. van Aartsen §1Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag; - leerbaar: voldoende cognitief vermogen om onderwijs te volgen; - ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid: ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid bij de belanghebbende ten aanzien van het in onvoldoende mate beheersen van de Nederlandse taal, als bedoeld in artikel 18 b zesde lid onder b Participatiewet; - taaltoets: toets die het college bij de aanvrager van een bijstandsuitkering als bedoeld in artikel 18 b tweede lid Participatiewet afneemt om te beoordelen of hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst; - verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal: verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 18 b zesde lid onder a. Participatiewet. Artikel1:2Toepassingsbereik 1.Het bepaalde in §2 van deze beleidsregel is van toepassing op personen die een bijstandsuitkering levensonderhoud aanvragen vanaf 1 januari 2016. 2.Het bepaalde in §3 van deze beleidsregel is van toepassing op personen die recht op een bijstandsuitkering levensonderhoud hebben op 31 december 2015 en op personen van wie op 31 december 2015 een aanvraag in behandeling is op basis waarvan vervolgens door het college een bijstandsuitkering levensonderhoud is toegekend. §2Beheersing van de Nederlandse taal Artikel2:1Overleggen van een verklaring waaruit blijkt dat de belanghebbende die een aanvraag voor een bijstandsuitkering indient, de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst. De persoon die een bijstandsaanvraag levensonderhoud indient, dient bij de aanvraag een verklaring als bedoeld hieronder onder a., b., of c. aan het college te overleggen, waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst: een eigen verklaring dat hij in de periode vanaf het 5e tot en met het 16e levensjaar gedurende ten minste acht jaren in Nederland woonplaats had (in de zin van de artikel 10 van boek I van het Burgerlijk Wetboek); een eigen verklaring dat hij over een diploma Inburgering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a van de Wet Inburgering beschikt; een eigen verklaring dat hij over enig ander document beschikt, waaruit blijkt dat de belanghebbende de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst. Artikel2:2Afnemen van de taaltoets 1.Indien de persoon als bedoeld in het vorige artikel niet één van de in artikel 2:1 bedoelde verklaringen aan het college overlegt bij de aanvraag, neemt het college bij hem binnen acht weken na de datum van het besluit tot toekenning van de bijstand een taaltoets af. 2.De taaltoets wordt modulair afgenomen, waarbij steeds per module een beoordeling plaatsvindt aan de hand van de objectieve beoordeling behorende bij het betreffende toetsingssysteem. De modules kunnen gecombineerd worden afgenomen. De modules betreffen, in overeenstemming met artikel 18 b achtste lid Participatiewet: spreekvaardigheid luistervaardigheid gespreksvaardigheid schrijfvaardigheid leesvaardigheid 3.Zodra uit de uitkomst van een modulaire beoordeling blijkt dat de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst, staat hiermee reeds vast dat de uitkomst van de taaltoets luidt, dat de belanghebbende de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst. Bij de belanghebbende worden in dat geval geen verdere modules meer getoetst. 4.Zodra uit de uitkomst van een modulaire beoordeling naar het oordeel van het college blijkt dat de bijstandsgerechtigde niet leerbaar is, gaat het college uit van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid en neemt het college geen verdere modules meer af bij de belanghebbende. 5.Geen taaltoets wordt afgenomen bij de bijstandsgerechtigde bij wie, indien jegens hem naar het oordeel van het college het redelijk vermoeden bestaat dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 6.Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt: bij de bijstandsgerechtigde: 1°die eerder een inburgeringsontheffing heeft gekregen, of 2°.die duurzaam volledig arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 WIA en op die grond een duurzame ontheffing heeft gekregen als bedoeld in artikel 9 lid 5 Participatiewet voor de verplichting tot het zoeken naar betaalde arbeid, deelname aan re-integratie en participatie en het verrichten van een tegenprestatie heeft, of 3°van wie naar het oordeel van het college om persoonlijke redenen duurzaam niet verlangd kan worden dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst of zal beheersen, onder meer indien hij door het college om medische en/of psychosociale redenen niet leerbaar wordt geacht en/of een onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt heeft. bij de bijstandsgerechtigde indien en zolang : 1°. hij op grond van tijdelijk volledig arbeidsongeschiktheid een tijdelijke ontheffing om dringende redenen als bedoeld in artikel 9 lid 2 Participatiewet heeft gekregen voor de verplichting tot het zoeken naar betaalde arbeid en tot het verrichten van een tegenprestatie, of 2° van hem naar het oordeel van het college om persoonlijke redenen niet verlangd kan worden dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst of zal beheersen, onder meer indien hij door het college om medische en/of psychosociale redenen niet leerbaar wordt geacht en/of een onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt heeft. 7.Het college legt de bijstandsgerechtigde bij wie elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, geen verplichting op om de Nederlandse taal te verwerven. Artikel2:3Kennisgeving van het redelijk vermoeden dat de bijstandsgerechtigde in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst Het college stelt de bijstandsgerechtigde binnen acht weken na uitkomst van de toets schriftelijk in kennis van deze uitkomst, zijnde: een redelijk vermoeden, dat de bijstandsgerechtigde de vaardigheden in de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst, of de vaststelling dat de bijstandsgerechtigde de vaardigheden in de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst. Artikel2:4Bereidverklaring tot het aanvangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal. 1.Indien voor het college uit de uitkomst van de taaltoets het redelijk vermoeden blijkt dat de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst, en er geen sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, verzoekt het college de bijstandsgerechtigde om zich binnen één kalendermaand na de kennisgeving als bedoeld in artikel 2:3 bereid te verklaren om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal. 2.Het college legt de bereidverklaring als bedoeld in het eerste lid, schriftelijk vast tijdens een contactmoment in het kader van de arbeidsinschakeling (als bedoeld in artikel 17 tweede lid Participatiewet), dat plaatsvindt binnen twaalf weken na uitkomst van de taaltoets. Tijdens dit contactmoment geeft het college aan de bijstandsgerechtigde aan op welke wijze hij de vaardigheden in de Nederlandse taal moet verwerven. 3.Indien de bijstandsgerechtigde zich niet binnen één kalendermaand na de kennisgeving als bedoeld in artikel 2:3 bereid verklaart om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal, legt het college hem een maatregel op als bedoeld in artikel 18 b negende lid Participatiewet en hoofdstuk 3a van de Verordening maatregelen, fraude en boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2016. 4.Indien de bijstandsgerechtigde, die zich conform eerste lid bereid heeft verklaard aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal, in een volgend contactmoment niet kan aantonen dat hij hiertoe voldoende inspanningen heeft verricht, legt het college hem een maatregel op als bedoeld in artikel 18 vierde lid onder f of g en hoofdstuk 2 van de Verordening maatregelen, fraude en boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2016. Artikel2:5Herhaalde uitkeringsaanvraag binnen twaalf maanden na beëindiging van de bijstandsuitkering Indien het college bij de bijstandsgerechtigde een taaltoets heeft afgenomen en bijstandsgerechtigde dient binnen twaalf kalendermaanden na beëindiging van de bijstandsuitkering wederom een bijstandsaanvraag in, hanteert het college voor de beoordeling, of de bijstandsgerechtigdede Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, de uitkomst van de genoemde taaltoets en de tot dan toe verrichte inspanningen. §3 Overgangsbepaling Artikel3:1Overleggen van een verklaring waaruit blijkt dat de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst. Het college vraagt aan bijstandsgerechtigden als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, vanaf 1 januari 2016 om een verklaring als bedoeld in artikel 2:1 van deze beleidsregel aan het college te overleggen waaruit blijkt dat zij de Nederlandse taal in voldoende mate beheersen. Artikel3:2Afnemen van de taaltoets 1.Het college neemt bij de bijstandsgerechtigde die niet binnen acht weken na een verzoek hiertoe van het college, een verklaring als bedoeld in artikel 3:1 aan het college overlegt, vanaf 1 juli 2016, een taaltoets af. 2.Artikel 2:2, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. 3.Het college neemt geen taaltoets af bij de bijstandsgerechtigde, indien en zolang hij gebruik maakt van een door het college in het kader van artikel 9 lid 1 onder b Participatiewet aangeboden voorziening, gericht op zijn arbeidsinschakeling, met als doel binnen achttien maanden na zijn bijstandsaanvraag betaalde arbeid te verkrijgen. Artikel3:3Kennisgeving van het redelijk vermoeden dat de bijstandsgerechtigde in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst Artikel 2:3 is van overeenkomstige toepassing Artikel3:4Bereidverklaring tot het aanvangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal Artikel 2:4 is van overeenkomstige toepassing. Artikel3:5Herhaalde uitkeringsaanvraag binnen twaalf maanden na beëindiging van de bijstandsuitkering Artikel 2:5 is van overeenkomstige toepassing. §4Slotbepalingen Artikel4:1Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen artikel 2:1, artikel 2:2, eerste tot en met derde lid ,artikel 2:4, artikel 3:1, artikel 3:2 , eerste tot en met het derde lid en artikel 3:4 van deze beleidsregel buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de bijstandsaanvrager of bijstandsgerechtigde leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit. Artikel4:2Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel Taaleis Den Haag 2016”. Algemene toelichting De taaleis is een uitwerking van het regeerakkoord “Bruggen slaan”. Bij wet van 20 maart 2015 is de Wet taaleis vastgesteld. Deze behelst een wijziging van de Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand) bestaande uit een invoeging van artikel 18 b. Artikel 18 b van de Participatiewet is met ingang van 1 januari 2016 van toepassing op iedereen die vanaf die datum een aanvraag doet voor een bijstandsuitkering levensonderhoud (wet Taaleis artikel I). Voor iedereen die op die datum al recht heeft op een bijstandsuitkering, geldt een overgangsperiode tot 1 juli 2016 (wet Taaleis artikel II). Artikel 18 b van de Participatiewet regelt dat de aanvraag voor een bijstandsuitkering met ingang van 1 januari 2016 wordt aangevuld met de verplichting om door middel van het overleggen van documenten aan te tonen dat men de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst. Overlegt men een dergelijk document niet, wordt een taaltoets afgenomen. Slaagt men voor deze toets, dan is het vereiste niveau aangetoond. Slaagt men niet voor deze toets dan wordt de belanghebbende verplicht om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal. Als de bijstandsgerechtigde zich niet bereid verklaart de Nederlandse taal te leren, legt het college hem een maatregel op conform artikel 18 b lid 1 Participatiewet. Deze maatregel is ook neergelegd in de Verordening maatregelen, fraude en boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2016. Uitgezonderd van de maatregel en van de verplichting om de Nederlandse taal te leren is de belanghebbende bij wie elke verwijtbaarheid ontbreekt. In deze beleidsregel wordt de taaleis nader uitgewerkt. Onder meer wordt daarin geregeld op welke wijze de aanvrager van een bijstandsuitkering kan aantonen dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, binnen welke termijn en op welke wijze de taaltoets bij de belanghebbende wordt afgenomen en binnen welke termijn het college aan de belanghebbende aangeeft op welke wijze hij de Nederlandse taal moet leren. Daarnaast wordt in deze beleidsregel aangegeven in welke situaties de bijstandsgerechtigde geen taaltoets hoeft af te leggen, namelijk in geval het van te voren vaststaat of aannemelijk is dat bij de belanghebbende elke vorm van verwijtbaarheid ten aanzien van het niet beheersen van de Nederlandse taal ontbreekt. Dit kunnen onder meer persoonlijke omstandigheden zijn, maar ook een onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt. In deze situaties zal het college geen kwalificeerbare inspanning ten aanzien van het leren van de Nederlandse taal verlangen van de belanghebbende. De beleidsregel verwijst naar het raadsvoorstel tot vaststelling van de Verordening maatregelen, fraude en boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2016, voor de op te leggen maatregel, ingeval de belanghebbende blijkens de taaltoets de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst, maar zich niet bereid verklaard om aan te vangen met het leren van de Nederlandse taal. Ook wordt een maatregel opgelegd als de belanghebbende zich na de bereidverklaring onvoldoende inspant om de Nederlandse taal te beheersen. Op grond van de verplichtingen in de Participatiewet zoals die al vanaf 1 januari 2015 gelden (artikel 18 vierde lid, onder f en h), kan het college nu ook al van bijstandsgerechtigden verlangen dat zij zich inspannen om de Nederlandse taal te leren. Deze mogelijkheid blijft van toepassing naast die van artikel 18 b Participatiewet. Artikelsgewijze toelichting Ad artikel 1:2 Artikel 18 b van de Participatiewet (taaleis) treedt per 1 januari 2016 in werking. Dat betekent dat het college voor degenen die vanaf 1 januari 2016 een bijstandsaanvraag indienen, maar geen documenten kan overleggen waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst, een taaltoets afneemt (artikel 18b lid 2). Voor degenen die per 31 december 2015 al bijstandsgerechtigd zijn, geldt een overgangsperiode van zes maanden. Voor hen geldt de taaleis pas vanaf 1 juli 2016. Ad artikel 2:1 In artikel 18 b lid 2 van de Participatiewet is opgenomen dat het college een taaltoets afneemt binnen een door het college bepaalde termijn van ten hoogste acht weken als de belanghebbende : a. niet gedurende acht jaar Nederlands onderwijs heeft gevolgd; b. geen diploma Inburgering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a van de Wet Inburgering kan overleggen; c. een ander document kan overleggen, waaruit blijkt dat de belanghebbende de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst. Indien belanghebbende aantoont dat er geen sprake is van omstandigheden als bedoeld onder a, b en c, hoeft hij geen taaltoets af leggen. Ad art 2:1, sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.