Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Bloemendaal 2007Hoofdstuk1Algemene bepalingen 65 2006014073 De raad der gemeente Bloemendaal; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van september 2006; b e s l u i t: vast te stellen de: Verordening VOORZIENINGEN maatschappelijke ondersteuning BLOEMENDAAL 2007. Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder: Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning; Compensatieplicht: de verplichting aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie; Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten; Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden; e. AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken; Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich in en om de woning verplaatsen, het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen, het ontmoeten van andere mensen. het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven. Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt; Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt; Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal van toepassing zijn; Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt; Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal te stellen regels van toepassing zijn; Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager; Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend; Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de Wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening; Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage, gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van een voorziening door de aanvrager wordt bespaard omdat deze verstrekte voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen; Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam een gezamenlijke huishouding voert; Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is verstrekt en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is; ICF: International Classification of Functions, Disabilities and Impairments; Normaal gebruik woning: de elementaire woonfuncties t.w. die activiteiten die een ieder normaal gesproken in zijn woning onderneemt. Artikel2Voorwaarden 1.Een voorziening kan worden verstrekt voorzover: deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het normale gebruik van de woning, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen én deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt én deze in overwegende mate op het individu is gericht. 2.Geen voorziening wordt verstrekt: indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is; indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Bloemendaal; voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw; voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd; voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan de datum van verzending van de beschikking heeft gemaakt; indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen. 3.In afwijking van het bepaalde in lid 1, sub a geldt voor de hulp bij het huishouden dat deze ook verstrekt kan worden als deze niet langdurig noodzakelijk is. Hoofdstuk2Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen Artikel3Keuzevrijheid Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal neergelegde criteria. Artikel4Voorziening in natura Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente of de leverancier en de aanvrager van toepassing. Artikel5Persoonsgebonden budget 1.Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de Wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing: een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen; de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingkosten, zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal ; de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal; op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst persoonsgebonden budget gemeente Bloemendaal van toepassing. 2.De omvang en de looptijd van het te verstrekken persoonsgebonden budget worden bij beschikking vastgesteld. 3.Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te voldoen. 4.Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget ter beschikking gesteld door storting op het door de aanvrager opgegeven rekeningnummer. 5.Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal, op verzoek van het college binnen een door het college vast te stellen redelijke termijn te verstrekken. 6.Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen. Artikel6Eigen bijdrage en eigen aandeel Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de Wet is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel vast. Hoofdstuk3Hulp bij het huishouden Artikel7Vormen van hulp bij het huishouden De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. Artikel8Primaat van de algemene hulp bij het huishouden 1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g onderdeel 4, 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 7 onder a vermelde voorziening in aanmerking komen indien: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen. 2.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 7 onder b of c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht als: de in artikel 7 onder a genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of niet beschikbaar is. Artikel9Gebruikelijke zorg In afwijking van het gestelde in artikel 8 komt een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de Wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot het huishouden waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten. Artikel10Omvang van de hulp bij het huishouden De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren kunnen worden verstrekt: Klasse 1, 0 tot en met 1,9 uur per week; Klasse 2, 2 tot en met 3,9 uur per week; Klasse 3, 4 tot en met 6,9 uur per week; Klasse 4, 7 tot en met 9,9 uur per week; Klasse 5, 10 tot en met 12,9 uur per week; Klasse 6, 13 tot en met 15,9 uur per week. Artikel11Omvang van het persoonsgebonden budget De bedragen die per klasse in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal. Hoofdstuk4Woonvoorzieningen Artikel12Vormen van woonvoorzieningen De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit: een algemene woonvoorziening; een woonvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening. Artikel13Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen 1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 12, onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen. 2.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 12, onder b, c en d vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate oplossing leidt. Artikel14Soorten individuele woonvoorzieningen De in artikel 12 onder b, c en d genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening; een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening; een tegemoetkoming in de kosten in verband met tijdelijke huisvesting; een tegemoetkoming in de kosten in verband met huurderving; een uitraasruimte. Artikel15Primaat van de verhuizing 1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 14 onder a in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren. 2.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 14 onder b en/of c in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 3.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 14, onder d in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen. Artikel16Uitsluitingen De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen (hadden) kunnen worden. Artikel17Hoofdverblijf 1.Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. 2.In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. 3.De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. 4.De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente gemeente Bloemendaal vast te stellen maximumbedrag. 5.Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Artikel18Weigeringen De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. Artikel19Terugbetaling bij verkoop De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal door het college vastgestelde afschrijvingsschema te worden terugbetaald. Hoofdstuk5Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel20Vormen van vervoersvoorzieningen De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening; een vervoersvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening. Artikel21Het recht op een algemene voorziening Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 20 onder a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek: het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken. Artikel22Het primaat van het collectief vervoer Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 20, onder b en c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief vervoerssysteem als bedoeld in artikel 20, onder a, onmogelijk maken dan wel een collectief vervoerssysteem als bedoeld in artikel 20, onder a niet aanwezig is. Artikel23Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking. Artikel24Omvang in gebied en in kilometers 1.Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. 2.De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van verplaatsing binnen een straal van 5 zones van het openbaar vervoer met ten minste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een maximum tot 2000 kilometer mogelijk maken. Hoofdstuk6Verplaatsen in en rond de woning Artikel25Vormen van rolstoelvoorzieningen De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder een algemene rolstoelvoorziening; een rolstoelvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget, te besteden aan een rolstoelvoorziening; een persoonsgebonden budget, te besteden aan een sportrolstoel. Artikel26Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel en dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel 1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 25, onder a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden. 2.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 25, onder b en c vermelde voorziening in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden. 3.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 25, onder d vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten zonder sportrolstoel onmogelijk maken. Artikel27Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners In uitzondering op het bepaalde in artikel 26, lid 1, komt een persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op grond van de AWBZ. Hoofdstuk7Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten Artikel28Gebruik aanvraagformulier Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het college ter beschikking gesteld formulier. Artikel29Indiening aanvraag De aanvraag dient te worden ingediend bij het Loket Bloemendaal. Artikel30Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking 1.Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend: op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen; op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken. 2.Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien: het college voornemens is de gevraagde voorziening om medische redenen af te wijzen; het college dat overigens gewenst vindt. 3.Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4.Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de ICF classificatie zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairements. 5.De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. Artikel31Wijzigingen in de situatie Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. Artikel32Intrekking van een voorziening 1.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien: niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening; op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen. 2.Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel33Terugvordering 1.Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd. 2.In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens. Hoofdstuk8Slotbepalingen Artikel34Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel35Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel36Inwerkingtreding. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Dan vervalt de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Bloemendaal 1996. Artikel37Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Bloemendaal 2007. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Bloemendaal, gehouden op 28 september 2006. W.H. de Gelder , voorzitter H.W. de Vries , griffier Gepubliceerd in het Bloemendaals Weekblad d.d. 5 oktober 2006. In werking : 1 januari 2007. Bijlage I Algemene aspecten Doel van de WMO Het maatschappelijke doel van de Wmo is: meedoen. Meedoen van álle burgers aan álle facetten van de samenleving, al of niet geholpen door vrienden, familie of bekenden. Dat is de onderlinge betrokkenheid tussen mensen. En als dat niet kan, is er ondersteuning vanuit de gemeente. Het eindperspectief van de Wmo is een samenhangend lokaal beleid op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning en op aanpalende terreinen. Voor mensen die langdurige, zware zorg nodig hebben is en blijft er de AWBZ. Bundeling De Wmo is een nieuwe wet, waarin de volgende bestaande wetten gebundeld worden: Welzijnswet Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) Aantal subsidieregelingen uit de AWBZ (o.a. mantelzorgondersteuning, diensten bij wonen met zorg) De Huishoudelijke Verzorging uit de AWBZ De Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ Civil society Civil society is een systeem van verbanden waar mensen vrijwillig deel van uitmaken. De verbanden in een civil society vallen buiten de sfeer van 'gevestigde' verbanden, zoals overheid, de markt en de verbanden van familie en vrienden. De civil society gaat uit van betrokkenheid van burgers bij de publieke zaak, vergroting van maatschappelijk zelfbestuur, minder overheidsbemoeienis, beperking van commerciële invloeden en versterking van gemeenschapszin en tolerantie Compensatieplicht Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg en een geheel nieuw principe waarmee in Nederland nog weinig tot geen ervaring is opgedaan. Het is met name de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt: “Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in met name genoemde producten en diensten (zorgplicht) strekt het nieuw geformuleerde artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt in ieder geval verstaan: het kunnen voeren van een huishouden/het normale gebruik van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie: een internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen”. Tot zover de toelichting op het amendement. De gemeente dient dus prestaties te leveren op basis van maatwerk, waarbij rekening gehouden wordt met individuele situaties en wensen. In de conceptverordening is een omschrijving van het begrip compensatiebeginsel opgenomen (artikel 1, onder b). Uitgaande van de overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ naar de WMO zijn de onderdelen a t/m d in de verordening als volgt uitgewerkt: onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke verzorging, in de verordening hulp bij het huishouden genoemd; zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel, inclusief de sportrolstoel zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit de Wvg; het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie verstrekkingenterreinen. Deze indeling is in de verordening terug te vinden in de hoofdstukindeling Financiele aspecten (macro) Er wordt met ingang van 1 januari 2007 een bedrag van ruim 1 miljard overgeheveld. Dit bedrag komt overeen met het niveau van de uitgaven onder het huidige regime (“schoon aan de haak”), zoals gemeten over 2005. Het gaat dan om de onderdelen: huishoudelijke verzorging (wv. € 118 mln. netto-pgb): € 1.116 mln AWBZ-subsidieregelingen: € 55 mln. specifieke uitkering WVG: € 23 mln. uitvoeringskosten: € 67 mln. Bij het vaststellen van het budget is rekening gehouden met de eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp die in 2007 kan worden gerealiseerd, uitgaande van het gebruik in het ijkjaar 2005. De bedragen – overgenomen uit de meicirculaire 2006 – zijn voorlopig en zullen bij de septembercirculaire nog iets worden bijgesteld Het macrobudget wordt jaarlijks aangepast op basis van de monitoring door een onafhankelijke organisatie (Sociaal Plan Bureau). Het Wmo-budget zal (voorlopig) de vorm krijgen van een integratieuitkering. In 2007 zullen de middelen, voorzover relevant, verdeeld worden op basis van historische gegevens zodat gemeenten in staat zijn lopende indicaties en projecten te eerbiedigen, waarbij het jaar 2005 als uitgangspunt zal worden genomen. In de septembercirculaire 2006 volgen nog bijstellingen. Vanaf 2008 zal worden toegewerkt naar een objectieve verdeling. In opdracht van VWS is door Cebeon een verdeelmodel ontwikkeld. Het verdeelmodel voldoet aan een aantal belangrijke basiseisen. Het is voldoende in staat het budget te differentiëren per gemeente. De verdeling is plausibel en begrijpelijk. Naar het zich laat aanzien behoort Bloemendaal tot de groep voordeelgemeenten (deze gemeenten gaan er in het objectieve model op vooruit). Algemene en individuele voorzieningen De wet draagt de gemeente(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.