Keur waterschap Noorderzijlvest 2009Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze Keur en de daarop berustende bepalingen, wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: waterschap: het waterschap Noorderzijlvest; Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van het waterschap; Wet: Waterwet; watervergunning: vergunning als bedoeld in de Wet; oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voor-komend water met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna; schouwsloten: de niet bij het waterschap in onderhoud zijnde oppervlaktewaterlichamen, voor zover deze dienen tot aanvoer van water naar of afvoer van water, afkomstig van gronden, die aan verschillende eigenaren of aan anderen dan de eigenaar van die oppervlaktewaterlichamen toebehoren, ongeacht of die oppervlaktewaterlichamen al dan niet als zodanig op de schouwkaarten zijn opgenomen; hoofdwatergangen: oppervlaktewaterlichamen, niet zijnde schouwsloten, die zijn ontworpen op een afvoercapaciteit (debiet) van tenminste 50 liter per seconde, daaronder mede begrepen oppervlaktewaterlichamen die beginnen bij een inlaat van het waterschap, en waarvan het eigendom, beheer en onderhoud in de regel in handen is van het waterschap, en in enkele gevallen berust bij anderen dan het waterschap; overige oppervlaktewaterlichamen: alle oppervlaktewaterlichamen, die geen hoofdwatergang of schouwsloot zijn; bergingsgebied: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doel-einden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen; onderhoudspaden: de voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden bestemde en als zodanig bij het waterschap in gebruik zijnde paden, gelegen langs oppervlaktewaterlichamen; werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren; waterkering: kunstmatige hoogte, (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben; primaire waterkering: waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming doordat deze behoort tot een dijkring ofwel vóór een dijkring is gelegen; coupures: de in waterkeringen veelal aanwezige openingen, die kunnen worden afgesloten met behulp van schotbalken, deuren en/of andere voorzieningen, teneinde de achter de waterkeringen liggende gronden tegen overstroming te beschermen; profiel van vrije ruimte: de in de legger aangegeven fysieke ruimte ter weerszijden van en boven een waterkering die naar het oordeel van het waterschap nodig is voor toekomstige verbeteringen aan de waterkering; watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en grondwaterlichamen; waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering, ondersteunend kunstwerk en bijbehorende onderhoudsstroken, dat als zodanig in de legger is aangegeven, tenzij dat werk is vrijgesteld van de opneming in de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet; legger: staat van waterstaatswerken, als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet of in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; kernzone: de centrale gedeelten van waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen, die als zodanig in de legger zijn aangegeven en waarin ter bescherming van die waterstaatswerken voorschriften krachtens deze Keur van toepassing zijn; beschermingszone van waterkeringen: de aan weerszijden van de kernzone van water-keringen grenzende gronden, die als zodanig in de legger zijn aangegeven en waarin ter bescherming van de waterkering voorschriften krachtens deze Keur van toepassing zijn; beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen: de gronden grenzend aan de kernzone van oppervlaktewaterlichamen, die als zodanig in de legger zijn aangegeven en waarin ter bescherming van het oppervlaktewaterlichaam voorschriften krachtens deze Keur van toepassing zijn; grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt met de daarin aanwezige stoffen, voor zover het waterschap door de Wet met het beheer over dat grondwater is belast; bronbemaling: het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen; onttrekken: onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting; infiltreren van water: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater; schepen: vaartuigen, met inbegrip van vaartuigen zonder waterverplaatsing en water-vliegtuigen, die feitelijk worden gebruikt of geschikt zijn om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water, waarbij onder schepen mede zijn begrepen drijvende inrichtingen, luchtkussenvaartuigen en woonschepen; Artikel1.2Hoofdelijke aansprakelijkheid De verplichtingen ingevolge deze Keur berusten op de eigenaar van gronden. Wanneer die gronden met een beperkt recht zijn bezwaard, dan wel krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, berusten de verplichtingen ingevolge deze Keur ook op de beperkt gerechtigden en in geval sprake is van een persoonlijk gebruiksrecht op de gebruikers. Voor de nakoming van de in deze Keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen is ieder van de in het tweede lid genoemde gerechtigden, alsmede de eigenaar hoofdelijk aansprakelijk. Hoofdstuk2.Beheer van waterstaatswerken Paragraaf2.1Gebodsbepalingen ten aanzien van waterstaatswerken Artikel2.1.1Afrasteringen De eigenaren van gronden, die gebruikt worden voor het houden van dieren, welke gronden zijn gelegen aan of nabij waterstaatswerken, zijn verplicht daarlangs een voldoende kerende afrastering aan te brengen, op een zodanige plaats en van een zodanige constructie dat het functioneren van waterkeringen, onderscheidenlijk de aan- en/of afvoer van water, en het onderhoud aan de waterstaatswerken niet wordt gehinderd. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, worden gronden, gescheiden van waterstaatswerken door een weg, een pad of een ander werk aangemerkt als te zijn gelegen nabij waterstaatswerken, zulks ongeacht de werkelijke afstand tot die waterstaatswerken. Door of onder toezicht van het waterschap geplaatste afrasteringen of middelen ter bescherming van de eigendommen mogen niet zonder toestemming van het Dagelijks Bestuur worden verwijderd. Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels stellen omtrent afrasteringconstructies en de wijze van plaatsing daarvan. Artikel2.1.2Coupures en sluizen De eigenaren van de in waterkeringen voorkomende coupures en sluizen zijn verplicht ervoor zorg te dragen, dat deze op eerste aanzegging door of namens het Dagelijks Bestuur terstond worden gesloten en tot nader bericht van het Dagelijks Bestuur gesloten worden gehouden. De schotbalken, deuren of andere voorwerpen, bestemd tot afsluiting van coupures in waterkeringen dienen door de eigenaren in goede staat te worden gehouden en, zo vaak als dat door het Dagelijks Bestuur nodig wordt geoordeeld, te worden getoond. In het geval dat schotbalken, deuren of andere voorwerpen, bestemd tot afsluiting van coupures in waterkeringen ontbreken, zijn de eigenaren van die waterkeringen, met het oog op de naleving van het bepaalde in het eerste lid, verplicht ervoor zorg te dragen dat dit materiaal ter plaatse van de waterkering in voldoende mate voorradig is, dan wel binnen korte tijd van elders kan worden aangevoerd. Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels stellen ten aanzien van de bediening van coupures en het toezicht daarop. Artikel2.1.3Stuwen en andere peilregelende kunstwerken De eigenaren van stuwen en andere peilregelende kunstwerken dragen ervoor zorg dat deze op eerste aanzegging door of namens het Dagelijks Bestuur, onverwijld op het peil worden gesteld en gehouden als in de aanzegging is aangegeven. Het Dagelijks Bestuur besluit omtrent de aanwijzing van stuwen en van stuwpeilen bedoeld in het eerste lid. Artikel2.1.4Obstakelvrijheid onderhoudspaden De eigenaren van gronden, die grenzen aan of gelegen zijn in de nabijheid van onderhoudspaden, zijn, op eerste aanzegging van het Dagelijks Bestuur, verplicht beplanting alsmede andere obstakels, die zich op of in de nabijheid van onderhoudspaden bevinden, te snoeien danwel op te ruimen, indien en voorzover de aanwezigheid daarvan een belemmering vormt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid of begaanbaarheid van onderhoudspaden, danwel als gevolg van die aanwezigheid een doelmatige en efficiënte uitvoering van het onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen wordt gehinderd. Paragraaf2.2.Gebodsbepalingen enkel ten aanzien van primaire waterkeringen Artikel2.2.1Stuifvrij houden De eigenaren van in beschermingszones gelegen gronden, en van percelen gelegen binnen een afstand van 25 meter uit de beschermingszones, dragen zorg voor het voortdurend stuifvrij houden. Daartoe zijn zij verplicht de gedeelten van die gronden die dreigen te verstuiven vóór 1 april van elk jaar afdoende te beplanten en/of op andere wijze maatregelen te treffen die de verstui-ving daarvan op afdoende wijze te beletten. Artikel2.2.2Ontwatering buitenbermen De eigenaren van buitendijkse gronden zijn verplicht de in die gronden gelegen en op de wadden uitmondende wateren ten behoeve van de ontwatering van de buitenbermen van de waterkering te graven dan wel te hergraven op plaatsen en naar afmetingen als het Dagelijks Bestuur nodig oordeelt. Artikel2.2.3Schadelijke beplanting De eigenaren van in beschermingszones gelegen gronden zijn verplicht deze gronden vrij te houden van voor de grasmat van de waterkering schadelijke beplanting. Paragraaf2.3Onderhoud aan waterstaatswerken Artikel2.3.1Onderhoudsplicht waterstaatswerken Onderhoudsplichtig van waterstaatswerken zijn diegenen, die in de legger tot het plegen van gewoon en/of buitengewoon onderhoud zijn aangewezen. Indien geen onderhoudsplichtige in de legger is aangewezen, gelden de van toepassing zijnde onderhoudsvoorschriften, die zijn opgenomen in ontheffingen of vergunningen dan wel in andere vastgestelde onderhoudsregelingen. Artikel2.3.2.Onderhoudsplicht waterkeringen en hoofdwatergangen 1. Tenzij in de legger dan wel in onderhoudsvoorschriften en/of –regelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust: het onderhoud van primaire waterkeringen bij het waterschap; het onderhoud van overige waterkeringen bij het waterschap voor zover het buiten-gewoon onderhoud, als bedoeld in artikel 2.4.2 betreft, en bij de eigenaren van die waterkeringen voor zover het gewoon onderhoud, als bedoeld in artikel 2.4.1 betreft; het onderhoud van hoofdwatergangen en de daarbij behorende werken, die deel uit maken van het waterhuishoudkundig hoofdsysteem, bij het waterschap. 2. De omvang van de onderhoudsverplichtingen wordt mede bepaald door hetgeen daaromtrent in de legger is opgenomen. Artikel2.3.3.Onderhoudsplicht schouwsloten en overige oppervlaktewaterlichamen Het onderhoud van schouwsloten en overige oppervlaktewaterlichamen, tezamen met de daarin gelegen ondersteunende kunstwerken berust, telkens voor de halve breedte, bij de eigenaren van de percelen, waaraan deze waterstaatswerken grenzen, tenzij anderen of hun rechtsvoorgangers op grond van een bijzondere tegenover het waterschap aangegane of bestaande rechtverplichting met het onderhoud zijn belast. Voor zover op de voet van het bepaalde in het eerste lid geen onderhoudsplichtigen zijn aan te wijzen, rust de verplichting tot het plegen van onderhoud op hen, die of wier rechts-voorgangers zich metterdaad als onderhoudsplichtigen hebben gedragen, terwijl bij gebreke van zodanige personen het onderhoud bij het waterschap berust. Het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel is onverkort van toepassing op schouwsloten, die niet als zodanig voorkomen op de door het Dagelijks Bestuur jaarlijks vast te stellen schouwkaarten, als bedoeld in artikel 3 van de Schouwverordening waterschap Noorderzijlvest 2009. Paragraaf2.4Onderhoud aan waterkeringen Artikel2.4.1Gewoon onderhoud aan waterkeringen De onderhoudsplichtigen van waterkeringen dragen zorg voor een goede staat en toestand van de waterkeringen door: het vrijhouden van afval, voorwerpen en materialen; het herstellen van beschadigingen; het in stand houden van de aanwezige helmbeplanting en van overige begroeiingen en oeverbegroeiingen, dienende tot verdediging van de waterkeringen; het maaien van gras en ruigte. Artikel2.4.2Buitengewoon onderhoud aan waterkeringen De onderhoudsplichtigen van waterkeringen zijn verplicht de waterkeringen in stand te houden overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie of, indien in de legger hieromtrent niets is bepaald, overeenkomstig de richting, vorm, afmeting en constructie, die naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur noodzakelijk is met het oog op een goede behartiging van de aan het waterschap toevertrouwde taken. Buitengewoon onderhoud mag niet worden uitgevoerd in de periode van 15 oktober tot 15 april van enig kalenderjaar. Artikel2.4.3Ondersteunende kunstwerken en werken De onderhoudsplichtigen van ondersteunende kunstwerken en / of werken die in, op, aan of boven waterkeringen of de beschermingszone zijn aangebracht en die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben, zijn verplicht deze waterkerend te houden. Paragraaf2.5Onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen Artikel2.5.1Gewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen dragen zorg voor een goede staat en toestand van de oppervlaktewaterlichamen door: het daaruit en uit de ondersteunende kunstwerken verwijderen van begroeiingen, afval en andere voorwerpen, materialen en stoffen die de af- en/of aanvoer en/of de berging van water hinderen; het behoorlijk in stand houden van de oevers en taluds, alsmede de daartoe behorende verdedigingswerken, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de af- en/of aanvoer van water wordt gehinderd dan wel onderhoudspaden door inzakking worden bedreigd; het in stand houden van de bestaande voorzieningen, die dienstig zijn aan de waterhuis-houdkundige functies die aan de oppervlaktewaterlichamen zijn toegekend; het vóór de door het Dagelijks Bestuur vooraf aangekondigde schouwdata maaien en verwijderen van begroeiingen anders dan die dienende tot verdediging van de taluds, het in afdoende mate verwijderen van specie, alsmede het ongedaan maken van verondiepingen, het herstellen van taludinzakkingen, het schonen van duikers en het verwijderen van andere obstabels, die de af- en/of aanvoer van water belemmeren. Artikel2.5.2Buitengewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen en de ondersteunende kunstwerken zijn verplicht tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie van de oppervlaktewaterlichamen, of, indien in de legger hieromtrent niets is bepaald, overeenkomstig de richting, vorm, afmeting en constructie die naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur noodzakelijk is met het oog op een goede behartiging van de aan het waterschap toevertrouwde taken. Paragraaf2.6Vrijstelling gebodsbepalingen Artikel2.6.1Vrijstelling 1. Het Dagelijks Bestuur kan vrijstelling verlenen van de verplichting tot het voldoen aan één of meer verplichtingen, voortvloeiend uit de in dit hoofdstuk opgenomen gebodsbepalingen. 2. De vrijstelling, als bedoeld in het eerste lid, kan slechts voor bepaalde tijd worden verleend. Aan de vrijstelling kan het Dagelijks Bestuur voorschriften en beperkingen verbinden. Hoofdstuk3.Handelingen in het watersysteem Paragraaf3.1.Watervergunning voor het gebruik van waterstaatswerken Artikel3.1.1Watervergunning voor waterkeringen Het is verboden om zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur gebruik te maken van een waterkering door, anders dan in overeenstemming met de functie: binnen kernzones: 1ete spitten, te graven of op enigerlei andere wijze grondroeringen te verrichten; 2e huisdieren, met uitzondering van schapen, te houden of te laten lopen; 3e buiten verharde wegen met rij- of voertuigen te rijden; 4e anders dan op de door het Dagelijks Bestuur toegestane wijzen te bemesten; binnen kernzones, beschermingszones en in het profiel van vrije ruimte: 1e werken, met uitzondering van afrasteringen als bedoeld in artikel 2.1.1, te maken, te plaatsen, te hebben, te vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen; 2e afgravingen voor het winnen van delfstoffen of specie, alsmede seismische onderzoekingen te verrichten; 3e explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben; 4e opgaande houtbeplantingen aan te brengen, te hebben of te rooien; 5e boringen te verrichten, waaronder boringen benodigd voor het exploreren of winnen van gas of vloei- of delfstoffen; 6e beplantingen dienende tot verdediging van waterkeringen of andere verdedigingsmaterialen te beschadigen, te vernietigen, te verplaatsen of weg te nemen; 7e leidingen, tanks, drukvaten of andere werken met een overdruk van 10 bar of meer aan te leggen, op te richten, te hebben, te herstellen, te wijzigen, te vernieuwen of op te ruimen; binnen kernzones en beschermingszones, anders dan op kennelijk daartoe ingerichte plaatsen: 1e schepen of vistuigen te bevestigen of te laten liggen; 2e voorwerpen, materialen, stoffen of vloeistoffen te deponeren, op te slaan of af te laten vloeien; 3e zich van afval te ontdoen; 4e tenten, caravans, woonwagens en dergelijke te plaatsen of te hebben; 5e wedstrijden, tentoonstellingen, veekeuringen, feesten, markten of kermissen te houden, kramen of tenten te plaatsen of met voertuigen, aanhangwagens en dergelijke standplaats in te nemen; zich, anders dan als rechthebbende, binnen kernzones en beschermingszones op te houden, indien dat vanwege het Dagelijks Bestuur op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven. De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op handelingen ten behoeve van de uitvoering van herstel en onderhoud als bedoeld in de artikelen 2.4.1, 2.4.2 en 2.4.3. Het Dagelijks Bestuur kan regels stellen omtrent toegestane wijzen van bemesting van waterkeringen. Artikel3.1.2.Watervergunning voor oppervlaktewaterlichamen 1. Het is verboden om zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam, door anders dan in overeenstemming met de functie: de richting, vorm, afmeting of constructie van oppervlaktewaterlichamen op enigerlei wijze te veranderen; oppervlaktewaterlichamen en nieuwe oppervlaktewaterlichamen direct of indirect met elkaar in verbinding te brengen of oppervlaktewaterlichamen geheel of gedeeltelijk te dempen; de begrenzing van peilgebieden te wijzigen of ongedaan te maken; beplantingen of materialen dienende tot verdediging van oevers, taluds of de waterbodem te beschadigen, te vernietigen, te verplaatsen of weg te nemen; in oppervlaktewaterlichamen het peil, daaronder mede begrepen: de feitelijk voorkomende waterstand, te veranderen; binnen kernzones: 1e aalkorven, fuiken of andere vistuigen, anders dan sportvistuigen, te plaatsen of te hebben; 2e schepen onbeheerd te laten drijven; 3e anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen schepen af te meren, te laden of te lossen, of daarmee ligplaats te nemen of te hebben; binnen kernzones en beschermingszones: 1e in de bodem te graven; 2e werken te maken, te hebben, te vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen; 3e opgaande houtbeplantingen aan te brengen, te hebben of te rooien; 4e zich, anders dan als rechthebbende, al dan niet met voertuigen of schepen op te houden, indien dat vanwege het Dagelijks Bestuur op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven, met dien verstande dat het ook zonder een dergelijk voor het publiek kenbare aanduiding is verboden met gemotoriseerde voertuigen gebruik te maken van de onderhoudspaden; 5e anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen voorwerpen, materialen of stoffen te deponeren, te lozen of op te slaan; 6e binnen een afstand van 0,50 meter uit de onderhoudspaden of als deze ontbreken uit de kernzone ploegvoren open te laten. De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op handelingen ten behoeve van de uitvoering van herstel en onderhoud als bedoeld in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2. De in het eerste lid onder g. vermelde verboden voor beschermingszones gelden niet langs schouwsloten. Artikel3.1.3Verbod aanbrengen verhard oppervlak Het is verboden zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur: in de bebouwde kom, binnen gemeentelijke uitbreidingsplannen en in glastuinbouw-gebieden meer dan 750 m2verhard oppervlak aan te brengen, in overig gebied meer dan 2.500 m2 verhard oppervlak aan te brengen, één en ander voorzover van het verhard oppervlak, bedoeld onder a. of b., neerslag versneld tot afvoer komt op oppervlaktewaterlichamen. LET OP: artikel 3.1.3 (verbod aanbrengen verhard oppervlakte) is niet/nooit in werking getreden. Paragraaf3.2Algehele verboden, watervergunning, meld-, meet- en registratieplicht voor het af- en aanvoeren, het lozen op of onttrekken van water aan oppervlaktewater-lichamen en voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem Artikel3.2.1Algeheel verbod bij calamiteiten In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het Dagelijks Bestuur, zonodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden: water af te voeren naar, en / of water aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen; water te lozen op of te ontrekken aan oppervlaktewaterlichamen; grondwater te onttrekken of water te infiltreren. 2. Het in eerste lid genoemde verbod wordt door het Dagelijks Bestuur bekendgemaakt. Zodra het Dagelijks Dagelijks Bestuur handhaving van het verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend. Artikel3.2.2Algeheel verbod voor kwetsbare oppervlaktewaterlichamen en gebieden Het is verboden water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen, water te lozen op of te ontrekken aan oppervlaktewaterlichamen, dan wel grondwater te onttrekken in het gebied of de gebieden die als zodanig door het Dagelijks Bestuur zijn of worden aangewezen. Artikel3.2.3Watervergunning af- en aanvoeren, lozen en onttrekken van oppervlaktewater Het is verboden zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur: water af te voeren naar of te lozen op oppervlaktewaterlichamen indien de hoeveelheid af te voeren of te lozen water meer bedraagt dan 60 m3 per uur; water aan te voeren uit of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen, indien de hoeveelheid aan te voeren of te onttrekken water meer bedraagt dan 20 m3 per uur; in daartoe door het Dagelijks Bestuur aangewezen gebieden via drainagemiddelen water te lozen op oppervlaktewaterlichamen. 2. De in het eerste lid, onderdeel a. en b. vermelde verboden gelden niet voor het waterschap, indien en voorzover hij water loost in of water onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen, waarover hij zelf het beheer voert. De in de eerste volzin bedoelde verboden zijn voorts niet van toepassing, indien en voorzover het waterschap handelingen verricht in het kader van de uitvoering van een waterakkoord. Artikel3.2.4Meldplicht af- en aanvoeren, lozen en onttrekken van oppervlaktewater Degene die water afvoert naar of loost op oppervlaktewaterlichamen doet daarvan vooraf melding aan het Dagelijks Bestuur, indien de hoeveelheid te verplaatsen water meer bedraagt dan 30 m3 per uur. Degene die water aanvoert uit of onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen doet daarvan vooraf melding aan het Dagelijks Bestuur, indien de hoeveelheid te verplaatsen water meer bedraagt dan 10 m3 per uur. Deze bepaling is niet van toepassing in de gevallen, genoemd in artikel 3.2.3, tweede lid. Artikel3.2.5Watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem 1. Het is verboden zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur: a. grondwater te onttrekken, indien de hoeveelheid te onttrekken water meer bedraagt dan 80 m3 per uur; b. water in de bodem te infiltreren, indien de hoeveelheid te infiltreren water meer bedraagt dan 80 m3 per uur. 2. In afwijking van het eerste lid is het verboden om: in de “gebieden met beperkte gebruiksmogelijkheden in verband met natuurwaarden”, als bedoeld in artikel 11.5 van de Omgevingsverordening provincie Drenthe, meer dan 10 m3 per uur grondwater te onttrekken voor beregening en bevloeiing van grasland en akkerbouw; buiten de “gebieden met beperkte gebruiksmogelijkheden in verband met natuurwaarden”, als bedoeld in artikel 11.5 van de Omgevingsverordening provincie Drenthe, meer dan 10 m3 per uur grondwater te onttrekken voor beregening van grasland in de periode van 16 augustus tot 1 juni en beregening van akkerbouw in de periode van 1 september tot 1 juni van enig kalenderjaar, één en ander voor zover de onder a. en/of b. bedoelde gebieden gelegen zijn binnen het beheergebied van het waterschap. 3. De verboden, bedoeld in het tweede lid, zijn niet van toepassing op beregenings- of bevloeiingsdoeleinden voor hoogsalderende teelten en vollegrondstuinbouw. 4. Geen vergunning krachtens het vorige lid is vereist, indien het betreft het onttrekken van grondwater uitsluitend voor: a. bronbemaling, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 80 m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan 183 dagen; b. grondwatersanering of bodemsanering, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 80 m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan 365 dagen; c. beregening, bevloeiing of veedrenking, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 60 m3 per uur; d. een proef; e. een noodvoorziening; f. overige doeleinden, indien de hoeveelheden te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 60 m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan 245 dagen. Artikel3.2.6Meldplicht onttrekken grondwater en infiltreren in de bodem Degene die voornemens is grondwater te onttrekken, of, in samenhang met die onttrekking, voornemens is water in de bodem te infiltreren, doet, voordat met de onttrekking of infiltratie wordt begonnen, daarvan schriftelijk melding aan het Dagelijks Bestuur, indien de hoeveelheid te ontrekken of te infiltreren water meer bedraagt dan 10 m3 per uur. Artikel3.2.7Nadere regels melding af- en aanvoeren, lozen en onttrekken van oppervlaktewater De melding voor het af- en aanvoeren en het lozen of onttrekken van oppervlaktewater, bedoeld in artikel 3.2.4, gaat vergezeld van: naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van degene die voornemens is de handelingen uit te voeren; een aanduiding van de locatie van de handeling op een kaart; een beschrijving van de handeling; een aanduiding van de aard en omvang van de handeling; een opgave van de aard en herkomst van het water; het maximum debiet in m3 per uur; het gemiddelde debiet in m3 per uur; een opgave van het tijdstip van aanvang en de duur van de handeling. Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van melden en het verstrekken van de gegevens. Indien wijziging optreedt in de ingevolge wettelijk voorschrift bij de melding te overleggen gegevens en bescheiden, doet de meldplichtige daarvan onverwijld mededeling aan het Dagelijks Bestuur. Artikel3.2.8Nadere regels omtrent de meet- en registratieplicht Het Dagelijks Bestuur kan met het oog op het te voeren beheer de meldplichtige krachtens artikel 3.2.4 of 3.2.6 de verplichting opleggen de waterhoeveelheden te meten, gegevens daarover te registreren en daarvan opgave te doen. Het Dagelijks Bestuur kan de gevallen aanwijzen waarin de verplichting tot meten als bedoeld in artikel 6.11, tweede lid Waterbesluit niet geldt, dan wel bij maatwerkvoorschrift de meldplichtige krachtens artikel 3.2.6 opleggen dat de waterhoeveelheid over een kortere tijdspanne wordt gemeten dan de periode vermeld in artikel 6.11, tweede lid Waterbesluit. Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van meten, registreren en het doen van opgave. Paragraaf3.3Vrijstelling, algemene regels en zorgplicht Artikel3.3.1Vrijstelling watervergunningplicht voor beheershandelingen Geen vergunning krachtens dit hoofdstuk is vereist voor handelingen die plaats hebben door of in opdracht van het Dagelijks Bestuur ten behoeve van de behartiging van de aan het water-schap op grond van artikel 2 van de Waterschapswet opgedragen taken. Artikel3.3.2Algemene regels Het Dagelijks Bestuur kan voor het verrichten van handelingen als bedoeld in dit hoofdstuk algemene regels geven, welke mede kunnen inhouden een vrijstelling van de vergunningplicht, dan wel een algeheel verbod tot het verrichten van die handelingen. Bij regeling krachtens het voorgaande lid, kan de verplichting worden opgelegd handelingen te melden, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en daarvan opgave te doen aan het Dagelijks Bestuur. Artikel3.3.3Zorgplicht Ieder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan inbreuk kan worden gemaakt op door het waterschap in het kader van zijn beheer uitgevoerde maatregelen in het watersysteem, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden, ten einde die inbreuk te voorkomen, dan wel indien daarvan reeds sprake is, al het mogelijke te doen om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de inbreuk het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen. Degene die handelingen verricht als bedoeld in het vorige lid en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het Dagelijks Bestuur. Het Dagelijks Bestuur kan aanwijzingen geven over die maatregelen. Hoofdstuk4Toezicht en handhaving Artikel4.1Aanwijzing toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Keur zijn belast de daartoe door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaren of andere personen. Artikel4.2Strafbepalingen Overtreding van de bepalingen van deze Keur en de daarop gebaseerde regelgeving wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de overtreder wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd. Hoofdstuk5Overgangs– en slotbepalingen Paragraaf5.1Overgangsbepalingen Artikel5.1.1Vergunningen en ontheffingen Een vergunning of een ontheffing, verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze Keur, waarbij een ingevolge deze Keur vergunningplichtig werk of handelen door het Dagelijks Bestuur is toegestaan, wordt geacht ingevolge deze Keur te zijn verleend. Voor al hetgeen, dat vóór de inwerkingtreding van deze Keur rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht vergunning ingevolge deze Keur te zijn verleend, onderscheidenlijk de ingevolge deze Keur vereiste melding te zijn verricht. Artikel5.1.2Keurkaart Voor waterstaatswerken waarvoor krachtens artikel 5.1 van de Wet en de provinciale Omgevingsverordening vaststelling van een legger is voorgeschreven, maar waarvoor die vaststelling nog niet heeft plaatsgevonden,wordt als legger aangemerkt de bij deze keur behorende kaart, opgenomen in Bijlage B, waarop de ligging van de betrokken waterstaatswerken is aangegeven. Artikel5.1.3Profiel van vrije ruimte Onder profiel van vrije ruimte, als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, waarvoor vaststelling van een legger nog niet heeft plaatsgehad, wordt verstaan: in het buitengebied: de gronden grenzend aan de kernzone van de primaire waterkering binnen een afstand van 75 meter vanuit de grens van de kernzone van de primaire water-kering, met inbegrip van onderhoudsstroken; in stedelijk gebied: de gronden grenzend aan de kernzone van de primaire waterkering binnen een afstand van 5 meter vanuit de grens van de kernzone van de primaire waterkering, met inbegrip van onderhoudsstroken. Artikel5.1.4Zonering waterkeringen Voor waterkeringen waarvoor vaststelling van een legger nog niet heeft plaatsgehad geldt dat als: kernzone als bedoeld in artikel 1, onderdeel s, worden aangemerkt de feitelijke afmetingen van de waterkeringen van binnenteen tot buitenteen, met inbegrip van de daaraan grenzende onderhoudsstroken; beschermingszones als bedoeld in artikel 1, onderdeel t, worden aangemerkt een strook van 25 meter grenzend aan het profiel van vrije ruimte. beschermingszones van niet-primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel t, worden aangemerkt de gronden grenzend aan de kernzones binnen een afstand van 4 meter vanuit de grens van de kernzones. Artikel5.1.5Zonering oppervlaktewaterlichamen Voor oppervlaktewaterlichamen waarvoor vaststelling van een legger nog niet heeft plaats-gevonden geldt dat als: kernzones in het geval van oppervlaktewaterlichamen zonder onderhoudspaden als bedoeld in artikel 1, onderdeel s, worden aangemerkt de wateren van boveninsteek tot boveninsteek; kernzones in het geval van oppervlaktewaterlichamen met onderhoudspaden als bedoeld in artikel 1, onderdeel s, worden aangemerkt de wateren van boveninsteek tot boveninsteek en het onderhoudspad; beschermingszones van oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel u, worden aangemerkt de gronden grenzend aan de kernzones binnen een afstand van 5 meter uit de boveninsteek. Paragraaf5.2Slotbepalingen Artikel5.2.1Intrekking en inwerkingtreding Op dezelfde dag van inwerkingtreding van deze Keur wordt de tot dan toe geldende Keur waterschap Noorderzijlvest 2000 ingetrokken. Deze Keur treedt in werking op de eerste dag volgend op die van de bekendmaking. Artikel5.2.2Citeertitel Deze Keur kan worden aangehaald als: Keur waterschap Noorderzijlvest 2009. Bijlage B. Keurkaart als bedoeld in artikel 5.1.2 van de Keur waterschap Noorderzijlvest 2009 TOELICHTING OP DE KEUR WATERSCHAP NOORDERZIJLVEST 2009 Deze toelichting op de Keur waterschap Noorderzijlvest 2009 bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijze toelichting. ALGEMENE TOELICHTING Inleiding In de loop van 2009 treedt de nieuwe Waterwet ( Wet houdende regels met betrekking tot het gebruik en beheer van watersystemen, Stb. 2009, 107) in werking. Vanwege de totstandkoming van deze wet, de daarmee samenhangende verschuiving van bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer en door uitbreiding van het juridisch instrumentarium is het nodig de bestaande Keur van het waterschap te herzien en te actualiseren. De Waterwet kent centrale regeling van een aantal onderwerpen, zoals de gedoogplichten, algemene bepalingen over vergunningen (watervergunning) en nadeelcompensatie. Wat decentraal geregeld kan worden, b.v. een aanvullend vergunningstelsel voor handelingen in het watersysteem, wordt door het waterschap opgenomen in de Keur. Het waterschap Noorderzijlvest heeft daarnaast in belangrijke mate met de provincies Groningen, Fryslân en Drenthe te maken als bevoegde gezagen voor het vaststellen van regionale waterplannen en andere relevante omgevingsplannen, waarin de provincies de meer strategische aspecten van het waterbeheer opnemen. Deze provincies verwachten dat het waterschap dat beheer adequaat uitvoert, mede om provinciale (beleids)doelstellingen te verwezenlijken. De provinciale omgevingsverordeningen bieden de waterschappen daartoe normen en nadere regels. Bij het opstellen van de nieuwe Keur is dan ook rekening gehouden met het onderdeel Water uit de provinciale Omgevingsverordeningen. De Waterschapswet (artikel 78) verleent de waterschappen de bevoegdheid om verordeningen vast te stellen. De Waterwet gaat verder uit van nadere regels van waterschappen bij verordening (Keur). In het kader van de nieuwe regelgeving is het waterschap de regionale waterbeheerder voor het stellen van gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot de bij het waterschap in beheer zijnde watersystemen, indien en voor zover het waterschap door de Wet met de zorg voor onderdelen van dat watersysteem is belast. De Keur ziet op de uitoefening van het regionale waterbeheer door waterschappen. Evenals andere (mede-)overheden streeft het waterschap Noorderzijlvest, naar analogie van de uitgangspunten van de Waterwet, naar minder regels, minder lasten voor burgers en bedrijven, een vereenvoudiging van regelgeving en het werken met meer algemene regels in plaats van vergunningverlening. In deze Keur vindt dat zijn weerslag door de introductie van de mogelijkheid van algemene regels voor het beheer en gebruik van watersystemen. Nieuwe Keur waterschap Noorderzijlvest Deze Keur komt in de plaats van de Keur waterschap Noorderzijlvest 2000, die door het Voorlopig Algemeen Bestuur is vastgesteld op 24 mei 2000 en op 6 september 2000 in werking is getreden Bij het opstellen van deze nieuwe Keur is uitgegaan van de Waterwet, het Waterbesluit en de (concept-)Waterregeling, zoals deze op dit moment luiden. De tekst van de Model-Keur 2009 van de Unie van Waterschappen is uitgangspunt geweest voor het maken van deze nieuwe Keur, die waar nodig wel is aangepast aan de specifieke regionale omstandigheden van Noorderzijlvest. De Keur stelt regels in het belang van de bescherming en het functioneren van het water-systeem. De waterkwaliteitszorg is in de Keur evenwel geen onderwerp van regeling waar het betreft de regulering van lozingen van schadelijke of verontreinigende stoffen op een oppervlaktewater-lichaam met het oog op de bescherming van de fysisch/chemische waterkwaliteit. De toekom-stige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Waterwet regelen dit onderwerp nagenoeg uitputtend en laten derhalve weinig ruimte voor aanvullende regeling op decentraal niveau. Wel kunnen in de Keur bepalingen ter bescherming van de ecologische waterkwaliteit, zoals over het visbeheer, worden opgenomen, indien en voor zover andere wetgeving daarin niet voorziet. In het werkgebied van Noorderzijlvest bestaan daarover goede afspraken met de visstandbeheerders. Bovendien beschikt het waterschap over een recent vastgesteld visbeleid en participeert het in de visstandsbeheercommissies (VBC’s). Met het oog op het veiligstellen van de ecologische kwaliteit van (vis)wateren bestaat aan nadere regeling van het visbeheer in de Keur dan ook geen behoefte. Huidige Keur ten opzichte van de vorige Ten opzichte van de Keur waterschap Noorderzijlvest 2000 zijn de volgende verschillen het vermelden waard: Duld- of gedoogplichten zijn in de Keur niet langer opgenomen, omdat de Waterwet in alle gedoogplichten voorziet, die noodzakelijk zijn om als beheerder de regionale waterbeheer-taken te kunnen uitvoeren. Volgens de MvT bij de Waterwet (TK 2006-2007, 30818, nr. 3, pag. 42) zal er ‘geen ruimte meer bestaan om nog separaat gedoogplichten op te nemen. Nu één en ander op wetsniveau wordt geregeld, treden lagere verordeningen op dit punt terug.’ Algemene bepalingen over vergunningen staan in de Waterwet en niet meer in de Keur. Aan de houder van een vergunning kan op grond van Hoofdstuk 6 van de Waterwet b.v. de verplichting worden opgelegd financiële zekerheid te stellen voor de bekostiging van de verwijdering van het op grond van de vergunning aangebrachte werk na de beëindiging van het gebruik daarvan. Voorts bestaat de mogelijkheid een voorschrift aan de vergunning te verbinden op grond waarvan de houder van een vergunning een financiële zekerheid stelt met het oog op de bescherming van het belang of de belangen waarom het vereiste van vergunning is gesteld. Bepalingen die dat mogelijk maken, behoeven nu niet meer in de Keur zelf te worden opgenomen, omdat artikel 6.16 van de Waterwet daarin voorziet. Het zelfde geldt voor het verzoek om schadevergoeding door een derde (nadeelcompensatie). Dit staat in artikel 7.11 van de Waterwet. Het begrip keurontheffing komt in deze Keur niet meer voor. In plaats daarvan wordt in navolging van de Waterwet gesproken over watervergunning. Aan het bestuursorgaan (het Dagelijks Bestuur) wordt de bevoegdheid gegeven algemene regels te stellen in plaats van de vergunningplicht. Aan deze Keur is een aantal bepalingen toegevoegd over vergunningen en algemene regels voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. Waterschappen worden met de inwerkingtreding van de Waterwet hiervoor bevoegd gezag, behalve voor industriële toepassingen als de onttrokken hoeveelheid water meer dan 150.000 m3 per jaar bedraagt en voor onttrekkingen ten behoeve van de openbare drink-watervoorziening of een bodemenergiesysteem (koude-warmte-opslag). De regulering van die onttrekkingen blijft een bevoegdheid van de provincies. Inmiddels heeft Noorderzijlvest op grond van provinciale delegatie vanaf 1 januari 2007 ervaring opgedaan met de regulering van grondwateronttrekkingen. Nieuw is de watervergunning c.q. algemene regeling voor het aanbrengen van verhard oppervlak van meer dan 750 m2 binnen bebouwde kommen c.a en van 2.500 m2 daarbuiten. De Keur kent een algemene zorgplicht bij de uitvoering van handelingen in het water-systeem. Iedereen is op grond daarvan verplicht ter voorkoming van inbreuken op het watersysteem de nodige maatregelen te nemen. Bepalingen over schadevergoeding (nadeelcompensatie) als gevolg van toepassing van de Keur staan niet meer in de Keur zelf maar in de Waterwet (artikel 7.11 e.v.). De uitvoering van de schouw blijft geregeld in een aparte verordening, de Schouwverordening waterschap Noorderzijlvest 2009. Deze voorschriften worden niet geïntegreerd in deze Keur. Reden hiervoor is dat de regeling van de schouw enkele bijzondere figuren (zoals zomer- en najaarsschouw en de vaststelling van schouwkaarten) kent. Bij de regeling van deze onder-werpen dient te worden voorzien in een met zorgvuldige waarborgen omklede procedure, die het bestek van Hoofdstuk 4 van de Keur (inzake toezicht en handhaving) te buiten gaat. Afgezien van de bij de onderhavige regeling behorende kaart (bijlage A) komen in deze Keur alleen in de overgangsbepalingen (Hoofdstuk 5, par. 5.1) afstanden en maten voor. Uitgangspunt is dat de waterstaatsobjecten en beschermingszones qua omvang zijn aangegeven in de legger, dan wel dat in ieder geval de waterstaatwerken wat betreft de ligging, op kaarten zijn aangeduid. Bij het opstellen van de Keur zijn definitiebepalingen, waarin waterstaatswerken en de begrenzingen daarvan worden omschreven, zoveel mogelijk vermeden door te werken met leggers en kaarten, waarop de waterstaatswerken qua ligging, vorm, afmeting en constructie zijn aangegeven. De Keur kan worden toegepast om het watersysteem te beschermen en de taken die het waterschap heeft goed uit te kunnen voeren. Opbouw van de Keur De opbouw van de Keur is als volgt: hoofdstuk 1: begripsbepalingen en hoofdelijke aansprakelijkheid, hoofdstuk 2: gebodsbepalingen en onderhoudsverplichtingen, hoofdstuk 3: watervergunning en algemene regels voor het gebruik van waterstaatswerken, het aan- en afvoeren van water, het lozen op en onttrekken van water aan oppervlaktewateren en grondwater en het infiltreren. Ook staan hier algehele verboden, meldplichten, meet- en registratieplichten en vrijstellingen. Het hoofdstuk eindigt met een zorgplichtartikel, hoofdstuk 4: toezicht en handhaving, hoofdstuk 5: overgangs- en slotbepalingen. Waterschappen die nu reeds zijn belast met vaarwegbeheer, vallen onder provinciale regel-geving. Aanvullende bepalingen hiervoor kunnen in de Keur komen, voor zover die waterschappen reeds vaarwegbeheerder zijn. Bij het opstellen van de Keur zijn wederom definitiebepalingen waarin waterstaatswerken en de begrenzingen daarvan worden omschreven, zoveel mogelijk vermeden door te werken met leggers en kaarten, waarop de waterstaatswerken qua ligging, vorm, afmeting en constructie zijn aangegeven. Aan het bestuursorgaan (het Dagelijks bestuur) wordt de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen, met als gevolg dat Keurbepalingen een ruimere strekking krijgen, dan wel juist geen toepassing vinden. In de Keur wordt ook de mogelijkheid geboden tot het stellen van algehele verboden, in die zin dat waar een absoluut verbod geldt, er geen mogelijkheid is een vergunning te verlenen. Aan de houder van een vergunning kan de verplichting worden opgelegd financiële zekerheid te stellen voor de bekostiging van de verwijdering van het op grond van de vergunning aangebrachte werk na de beëindiging van het gebruik daarvan. Voorts bestaat de mogelijkheid een voorschrift aan de vergunning te verbinden op grond waarvan de houder van een vergunning een financiële zekerheid stelt met het oog op de bescherming van het belang of de belangen waarom het vereiste van vergunning is gesteld. Bepalingen die dat mogelijk maken, behoeven nu niet meer in de Keur zelf te worden opgenomen, omdat artikel 6.16 van de Water-wet daarin voorziet. Het zelfde geldt voor het verzoek om schadevergoeding door een derde. Dit staat in artikel 7.11 van de Waterwet. Bevoegdheid Artikel 56, eerste lid, van de Waterschapswet verklaart het waterschapsbestuur bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap in het reglement zijn opgedragen. Artikel 56, tweede lid, bepaalt dat regeling en bestuur van het waterschapsbestuur kunnen worden gevorderd bij wet, bij algemene maatregel van bestuur of bij provinciale verordening. In het verlengde hiervan bepaalt artikel 78, eerste lid, dat het Algemeen Bestuur de verordeningen maakt die het nodig oordeelt voor de behartiging van de taken die het waterschap (in het reglement of in medebewind) zijn opgedragen. Daarbij dient op grond van artikel 59 hogere regelgeving te worden gerespecteerd. Beleid en beleidsregels voor toepassing van de Keur De bepalingen in de Keur dienen te worden toegepast met inachtneming van het geldende beleid. Het in het beheerplan van het waterschap verwoorde beleid zal richtinggevend moeten zijn bij de uitvoering van de Keur door het waterschap. In concreto betekent dit dat als een beek ingevolge het beheerplan een ecologische functie heeft, een vergunningaanvraag die bij inwilliging daarvan tot gevolg heeft dat die functie verdwijnt dan wel wordt ondermijnd, geweigerd kan worden, omdat de waterstaatkundige functie van de beek zich verzet tegen de inwilliging van de aanvraag. Voor de toepassing van de Keur kan het waterschapsbestuur beleidsregels vaststellen die richting gevend zijn voor op grond van de Keur te nemen besluiten en waarnaar ter motivering van de besluiten kan worden verwezen en waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken (Titel 4.3 Awb). Vergunning voor de eigen dienst In die gevallen waarin het waterschap optreedt als een ‘derde’ (bijvoorbeeld als het een nieuw kantoorgebouw realiseert en daarbij ook water aanlegt), heeft het voor de uitvoering van verboden handelingen een vergunning nodig, net zoals die derde. De in de Keur vermelde verboden zijn echter niet van toepassing op handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen ten behoeve van het herstel van, onderhoud- of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken die door het waterschap als beheerder worden verricht. De in de Keur gestelde bepalingen over het onttrekken en lozen van water ter uitvoering van de Waterwet (hoofdstuk 6) zien evenmin op normale beheersactiviteiten van de beheerder. Een beheerder voert water aan of af. Onder normale beheersactiviteiten worden hier verstaan die activiteiten of werkzaamheden die niet leiden tot leggeraanpassing. Indien het waterschap als beheerder evenwel nieuwe werken uitvoert of wijzigingen aanbrengt in bestaande waterstaatswerken, waardoor de legger wijzigt, stelt het bestuur een projectplan vast, als bedoeld in artikel 5.4 van de Wet. Zo’n projectplan doorloopt één van de totstand-komingsprocedures uit de Algemene wet bestuursrecht, zodat de rechtsbescherming van derden is gewaarborgd. Op genoemde besluiten is bovendien ingevolge artikel 79 Waterschapswet de Inspraakverordening van het waterschap van toepassing. Het projectplan moet zodanig concreet zijn dat voor belanghebbenden duidelijk is wat voor hen de gevolgen zijn. Voor de uitvoering van het plan zal in veel gevallen een watervergunning vereist blijven. Keur en legger Voor het merendeel van de bij waterschappen in beheer zijnde waterstaatswerken geldt dat de begrenzingen van deze werken ingevolge wettelijke regeling dienen te worden vastgelegd in leggers. Artikel 5.1 van de Waterwet vereist van de waterbeheerders dat zij voor hun water-staatswerken leggers op orde hebben. Het aangeven van de begrenzingen van waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen, waarop de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van toepas-sing zijn, heeft niet plaats door de fysieke begrenzingen van deze waterstaatswerken in de Keur zelf te omschrijven, maar door verwijzing naar de legger, waarin die begrenzingen zijn vast-gelegd. Hierdoor zijn de begrenzingen van de waterstaatswerken niet direct uit de Keur af te lezen. Deze constructie heeft als voordeel dat door het ontbreken van een omschrijving van de fysieke begrenzingen in de Keur, van één type waterstaatswerk kan worden uitgegaan (immers er hoeft niet per type waterkering en water een omschrijving van de fysieke begrenzingen te worden gegeven), waardoor in de Keur niet voor elk type een onderscheiden gebods- en verbodsregime behoeft te worden opgenomen. Voor degenen tot wie de Keurbepalingen zich richten, is het onderscheid naar typen water-staatswerken (de onderscheiden typen waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen) namelijk vaak moeilijk te maken, zodat niet duidelijk is welk gebods- en verbodsregime op een bepaalde waterkering of een bepaald water van toepassing is. In dit systeem is uit de legger - naast de vermelding van de onderhoudsplichtigen - op te maken tot hoever waterstaatswerken en beschermingszones zich uitstrekken, ofwel waar het gebods- en verbodsregime van de Keur van toepassing is. De legger bepaalt met de daarin opgenomen maten de reikwijdte van de verbodsbepalingen en onderhoudsverplichtingen van de Keur (zgn. gelede normstelling). Wijziging van de legger betekent dan ook een wijziging in de toepassing van de Keur. Voor belanghebbenden dienen ligging, vorm, afmeting en constructie en de consequenties daarvan in relatie tot de Keurbepalingen duidelijk te worden gemaakt, bijvoorbeeld door het verstrekken van informatie. Internet maakt het mogelijk om de Keur en de veelal reeds in digitale vorm beschikbare leggers voor het publiek toegankelijk te maken. Voor de vaststelling of wijziging van de Keur is in de artikelen 79 en 80 Waterschapswet een aantal specifieke procedurevoorschriften gesteld die op de vaststelling van de legger op overeenkomstige wijze dienen te worden toegepast, zodat deze toepassing van de legger ook uit oogpunt van rechtsbescherming te legitimeren is. Voor de beheerder heeft het onderhavige systeem het voordeel dat hij op duidelijke wijze voor zijn beheersobjecten gegradeerde beschermingsregimes van verschillende zwaarte in de legger kan vaststellen. Voor waterstaatswerken, waarvoor het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven of waarvoor nog geen legger is vastgesteld, voorziet de Keur in het overgangsrecht in het aangeven van ligging en indien mogelijk afmetingen van de betrokken werken op een bij de Keur behorende kaart. De vraag kan worden gesteld of de leggerplicht van artikel 5.1 gecombineerd kan worden met de reeds bestaande leggerplicht voor onderhoud, zoals vereist op grond van de Waterschapswet. Volgens de Memorie van Toelichting op de Waterwet bestaat de mogelijkheid tot het integreren van de beide leggers in één document / digitaal bestand. De leggerplicht van artikel 78 Waterschapswet is van een andere aard. In die wet gaat het om de zgn. onderhoudslegger, dat wil zeggen een register van onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen. De materie van de onderhoudslegger hoort niet thuis in de Waterwet, omdat het bij die leggerplicht gaat om de relatie van het waterschap met zijn ingezetenen/ingelanden. De onderhoudslegger registreert voor welke onderdelen van het watersysteem onderhoudsverplichtingen van kracht zijn en voor wie deze verplichtingen gelden. Het systeem van watervergunningen vloeit voort uit de Waterwet. Deze wet biedt de mogelijkheid voor de waterbeheerder bij verordening nadere regels te stellen. Indien en voor zover de Keur van het waterschap regulering bij beschikking (vergunning of ontheffing) introduceert, is ook sprake van een watervergunning. In geval van watervergunningen voor verschillende samenhangende handelingen (behorend bij hetzelfde initiatief) vindt samenloop van vergunningen plaats en wordt er één watervergunning afgegeven. De Waterwet voorziet bij samenloop in het gezag dat bevoegd is tot vergunningverlening; zie artikel 6.15 van de Waterwet. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze nieuwe Keur is er voor gekozen in de lijst met begripsomschrijvingen de meest essentiële begrippen voor het regionale waterbeheer en voor de in het beheergebied gevestigde burgers en bedrijven een plaats te geven. Daarmee wordt beoogd van de Keur een zelfstandig leesbaar document te maken, zij het dat de lijst niet uitputtend is. Voor het in alle opzichten goed kunnen doorzien wat de nieuwe waterbeheerwetgeving voor alle partijen betekent, ontkomt men er niet helemaal aan ook de Waterwet zelf en haar Memorie van Toelichting (MvT), de Invoeringswet Waterwet en haar MvT, het Waterbesluit en de betreffende provinciale Waterverordening en aanpalende wet- en regelgeving er op na te slaan. Dit impliceert dat de belangrijkste begrippen toch in deze Keur zijn opgenomen. De volgende begrippen zijn opgenomen: waterschap: de in deze Keur opgenomen bepalingen hebben betrekking op het werkgebied van het waterschap Noorderzijlvest; Dagelijks Bestuur: het bevoegde bestuursorgaan voor het nemen van besluiten krachtens deze Keur is het Dagelijks Bestuur van het waterschap; Wet: dit is vanzelfsprekend de Waterwet; watervergunning: het gaat om de vergunning die de Waterwet introduceert voor bepaalde handelingen in het watersysteem en die de Keur voor het beheergebied van het waterschap concretiseert. We spreken dus niet langer van een keurontheffing of -vergunning, maar van een watervergunning; oppervlaktewaterlichaam: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet. Het betreft oppervlaktewater met de daarin aanwezige stoffen, de waterbodem, de oevers (dat kunnen ook de drogere oevergebieden zijn, voor zover die uitdrukkelijk krachtens de Waterwet zijn aangewezen) en flora en fauna. Die drogere oevergebieden zijn via de Invoeringswet Waterwet toegevoegd aan dit begrip. Dat is nodig vanwege het opnemen van de regeling voor de waterbodemsanering in de Waterwet (afkomstig uit de Wet bodembescherming) en het onderscheid daarbij tussen de sanering van de landbodem en de waterbodem. Het begrip oppervlaktewaterlichaam gaat verder dan de op grond van de Kaderrichtlijn Water door de waterbeheerders als oppervlaktewaterlichamen bestempelde wateren. Deze ruime omschrijving gaat ook verder dan de omschrijving van het begrip ‘oppervlaktewater’, zoals dat door de jurisprudentie in de jaren ’80 en ’90 is gevormd. Het gaat hierbij om oppervlaktewater, zoals de sloot, de waterlossing, de beek, de rivier, het meer; kortom het gaat om de bak waarin het water zit. Particuliere vijvers en gemeentelijke solitaire vijvers kunnen ook worden aangemerkt als een oppervlaktewaterlichaam in de zin van deze Keur. Daarnaast kunnen we niet om het begrip ‘water’ heen, omdat daarmee wordt bedoeld de substantie in de formule H2O. Dat begrip komt voor in hoofdstuk 3 van deze Keur, waarin het aanvoeren van water of het onttrekken van water aan het grondwater is gereguleerd. Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ komt in de plaats van de in het verleden veel gehanteerde begrippen ‘watergangen of waterlopen’. Het begrip is opgenomen omdat de regionale waterbeheerder zijn beheertaken uitvoert in en om oppervlaktewater. Het begrip oppervlaktewaterlichaam is onderdeel van het meer omvattende begrip waterstaatswerk, welk begrip op zijn beurt weer deel uitmaakt van het brede begrip watersysteem. Watersysteem is het meest omvattende van alle in de Waterwet en hier gebruikte begrippen. Het is hét object van beheer in de Waterwet. Voor de waterbeheerder en voor derden is het essentieel dat een ieder weet waarover het gaat en vooral wat de reikwijdte is van ge- en verbodsbepalingen in relatie tot bepaalde beheerobjecten. De begrippen moeten onderscheiden worden, omdat het beheer gericht kan zijn op onderdelen van het watersysteem. Scheiden is niet mogelijk, want we voeren het waterbeheer integraal uit. Uitoefening van de beheertaak waterkeringen mag in principe niet ten koste gaan van bijvoorbeeld het aquatische ecosysteem van oppervlaktewateren in de nabijheid. Op zijn minst zal de beheerder dan moeten proberen achteruitgang te compenseren. Het gaat immers om het behalen van de doelstellingen, zoals die in Hoofdstuk 2 paragraaf 1 van de Waterwet in algemene termen zijn omschreven. Paragraaf 2 en 3 van dat hoofdstuk leggen normen voor de onderscheiden beheerobjecten vast om daarmee die doelstellingen nader te concretiseren; schouwsloten: dit begrip heeft betrekking op een bepaald type oppervlaktewaterlichaam, zoals aangegeven in de definitie. Deze oppervlaktewaterlichamen zijn niet bij het waterschap in onderhoud, maar bij de aangrenzende grondeigenaren. Kenmerkend voor schouwsloten is dat zij dienen tot aanvoer van water naar of afvoer van water, afkomstig van gronden, die aan verschillende eigenaren of aan anderen dan de eigenaar van die wateren toebehoren. Het doel van een schouwsloot is derhalve functioneel bepaald; hoofdwatergangen: dit begrip heeft betrekking op een bepaald type oppervlaktewater-lichaam, zoals aangegeven in de definitie. De gekozen norm betreft een algemeen gebruikelijk cultuurtechnisch criterium. Wil er sprake zijn van een hoofdwatergang, dan zal in ieder geval tenminste steeds aan het technische criterium voldaan moeten zijn. Voor het onderscheid tussen hoofdwatergangen en schouwsloten is de vraag, bij wie het eigendom en onderhoud van de wateren feitelijk berust, niet primair van doorslaggevende betekenis. Met het gebruik van de clausule ‘…en in enkele gevallen berust bij anderen dan het waterschap’ wordt uitsluitend herinnerd aan het feit, dat het eigendom en onderhoud van hoofdwatergangen in de praktijk soms ook bij derden kan liggen: dit is de categorie van de zogeheten pandplichtige hoofdwatergangen; overige oppervlaktewaterlichamen: Tot deze categorie behoren alle oppervlaktewater-lichamen die geen hoofdwatergang of schouwsloot zijn. Binnensloten, stadsvijvers, wadi’s, poelen, kreken, meren, etc. zijn dus overige oppervlaktewaterlichamen in de zin van deze Keur. bergingsgebied: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, waarbij de relatie met de Wet ruimtelijke ordening is gelegd. Het juridische begrip bergingsgebied valt in veel gevallen niet samen met het technisch-waterstaatkundige begrip bergingsgebied vanwege het ontbreken van een planologische status of een aanduiding in de legger van de betrokken gebieden. Binnen Noorderzijlvest is het grootschalige waterbergingsgebied in Noord-Drenthe een voorbeeld van een gebied dat onder het begrip bergingsgebied in de zin van deze Keur valt. De Electra-boezem en het Lauwersmeer zijn, totdat zij worden opgenomen in de legger of een bestemmingsplan, uitsluitend bergingsgebieden in technisch-waterstaatkundige zin; onderhoudspaden: Dit begrip is overgenomen uit de Keur waterschap Noorderzijlvest 2000. Voor de definiëring van het begrip onderhoudspad is aansluiting gezocht bij de daadwerkelijke bestemming en het feitelijke gebruik dat door het waterschap van die paden wordt gemaakt. Er zijn namelijk ook maaipaden in eigendom bij natuurterreinbeherende instanties, zoals bijv. Staatsbosbeheer. Deze paden zijn aan te merken als onderhoudspaden in de zin van deze Keur, voorzover het waterschap deze paden feitelijk voor het verrichten van onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen gebruikt; werken: dit begrip komt niet voor in de Waterwet. Het is nodig omdat het realiseren van werken in watersystemen afbreuk kan doen aan de functies die aan die watersystemen of onderdelen daarvan, zijn toegekend. De regionale waterbeheerder kan daartoe zijn Keurinstrumentarium inzetten om dergelijke ingrepen van derden te voorkómen door de handeling te verbieden, dan wel de realisatie aan voorschriften te binden via een watervergunning of algemene regels; waterkering: deze begripsomschrijving komt in de Waterwet niet voor. De omschrijving is nodig om aan te geven wanneer het waterschap een object als waterkering aanduidt. Hij beheert niet alleen de primaire, maar ook de regionale waterkeringen. Het begrip heeft betrekking op beide soorten waterkeringen. primaire waterkering: dit begrip is noodzakelijk omdat voor dit type waterkering afzonderlijke gebodsbepalingen en onderhoudsverplichtingen gelden; coupures: dit begrip spreekt voor zich; profiel van vrije ruimte: dit begrip is gevormd door jurisprudentie en opgenomen in de provinciale Omgevingsverordeningen. Het profiel is noodzakelijk om in de toekomst een waterkering te verzwaren danwel op te hogen en met het oog daarop reeds nu de daarvoor nodige gronden te vrijwaren van onomkeerbare ingrepen. watersysteem: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, met de opmerking dat de zinsnede ‘en grondwaterlichamen’ hier achteraan is gezet, omdat die geen waterkeringen en ondersteunende kunstwerken behoeven. waterstaatswerk: deze omschrijving is overgenomen uit de Waterwet, met daaran toegevoegd de onderhoudsstroken en voorts dat het werk als zodanig in de (Waterwet)legger is aangegeven, tenzij dat van de leggerplicht is vrijgesteld. De relatie met de legger komt hier tot uitdrukking. legger: dit begrip is voor de waterbeheerder van groot belang. Zeker nu artikel 5.1 van de Wet verplicht stelt dat de beheerder zijn waterstaatswerken vastlegt in de Waterwetlegger. Daarnaast hanteren de waterschappen al sinds lange tijd de Waterschapswetlegger, als bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet. Daarin nemen zij de lijst van onderhoudsplichtigen voor waterstaatswerken op. Het onderhoud van bepaalde waterstaatswerken door de aanliggende eigenaren komt nog veelvuldig in het regionale waterbeheer voor. Er is geen enkel beletsel om deze twee verschillende leggers te integreren tot 1 waterschapslegger. De leggers zijn verschillend in die zin dat zij hun grondslag vinden in verschillende wetten met een andere strekking. Belangrijk bij het integreren van die beide leggers is dat de strekking van beide leggerartikelen overeind blijft. kernzone: dit begrip is overgenomen uit de Keur waterschap Noorderzijlvest 2000; beschermingszone van waterkeringen: dit begrip is, toegespitst op waterkeringen, grotendeels overgenomen uit de Waterwet, met de toevoeging dat de beschermingszone in de legger is vermeld en dat de betreffende waterkeringen worden beschermd door voorschriften krachtens deze Keur. In deze omschrijving wordt de relatie gelegd tussen de legger met de ligging, vorm, afmetingen en constructie van die waterkering en de Keur met haar instrumentarium om die waterkeringen daadwerkelijk te beschermen tegen ingrepen van derden. De Keur sluit niet uit dat er meer dan één beschermingszone langs een waterkering komt te liggen met verschillende verbodsregimes. De provinciale Omgevingsverordeningen kennen geen buitenbeschermingszone langs de primaire waterkeringen, maar een beschermingszone.Om deze reden is in deze Keur de vroegere buitenbeschermingszone van primaire waterkeringen aangemerkt als beschermingszone van die waterkeringen. beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen: dit begrip is, toegespitst op opper-vlaktewaterlichamen, grotendeels overgenomen uit de Waterwet, met de toevoeging dat de beschermingszone in de legger is vermeld en dat de betreffende oppervlaktewaterlichamen worden beschermd door voorschriften krachtens deze Keur. In deze omschrijving wordt de relatie gelegd tussen de legger met de ligging, vorm, afmetingen en constructie van dat oppervlaktewaterlichaam en de Keur met haar instrumentarium om die oppervlaktewater-lichamen daadwerkelijk te beschermen tegen ingrepen van derden. De Keur sluit niet uit dat er meer dan één beschermingszone langs een oppervlaktewaterlichaam komt te liggen met verschillende verbodsregimes; grondwater: de omschrijving van dit begrip is uit de Waterwet overgenomen, met de toevoeging dat het in deze Keur om een onderdeel van het grondwater gaat. Het gaat om dat grondwater, voor zover het waterschap door de Waterwet belast is met het beheer van dat onderdeel van het grondwater. De Waterwet gaat uit van het toekennen aan water-schappen van het passieve, kwantitatieve beheer van grondwater, voor zover het betreft de regulering van het onttrekken van water aan grondwater voor industriële toepassingen met een hoeveelheid van niet meer dan 150.000 m³ per jaar, dan wel voor zover het niet gaat om onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening of voor koude-warmte-opslag; bronbemaling: dit begrip geeft duidelijk aan wat wordt bedoeld; onttrekken: dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet en gaat in op zowel het onttrekken van grondwater, als ook op het onttrekken van water aan het oppervlakte-waterlichaam. In artikel 1, derde lid van de Grondwaterwet is / was opgenomen dat ontwaterings- en afwateringsactiviteiten zijn uitgezonderd van het onttrekkingsbegrip. Dat geldt ook voor het hier opgenomen begrip ‘onttrekken van grondwater’. De artikelen 3.2.5 en 3.2.6 van de Keur zien dus niet op ont- en afwateren. In hoofdstuk 3 van deze Keur is een uitgekristalliseerd instrumentarium opgenomen voor de regulering van onttrekkingen aan oppervlaktewaterlichamen en voor het onttrekken van grondwater in combinatie met infiltraties; infiltreren van water: dit begrip is geheel overgenomen uit de Wet; schepen: deze definitie is overgenomen uit de Keur waterschap Noorderzijlvest 2000. Artikel 1.2 Hoofdelijke aansprakelijkheid Op grond van het eerste en tweede lid zijn de beperkt gerechtigden en de gebruikers van percelen verplicht de in deze keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen na te komen, ingeval er sprake is van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht. In het derde lid is bepaald dat de eigenaren, de beperkt gerechtigden tot, en de gebruikers van de gronden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de nakoming van de verplichtingen, die ingevolge de Keur op de eigena(a)r(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.