Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen. In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder: Aanvrager: de persoon die kenbaar maakt te willen zoeken naar oplossingen voor de beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie die ervaren worden, welke eventueel kunnen worden gecompenseerd door middel van een voorziening die de gemeente kan bieden; Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend; Algemene voorziening: voorzieningen die ten goede kunnen komen aan een ieder die daar behoefte aan heeft, zonder dat men zich tot de gemeente behoeft te wenden. AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; AWBZ-instelling: een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling; Beleidsregels: richtlijnen opgesteld door het College ten behoeve van het scheppen van duidelijkheid naar de burger; Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten met betrekking tot zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is; CIZ: het landelijke Centrum Indicatiestelling Zorg College: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven; Collectieve voorziening: een individuele maatregel die in collectief verband wordt geregeld en die na individuele toegangsbeoordeling wordt aangeboden; Compensatiebeginsel: de opdracht van het college van burgemeester en wethouders om ter compensatie van de beperkingen die de aanvrager ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie samen te zoeken naar oplossingen en eventueel voorzieningen te treffen op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen in aanvaardbare mate: een huishouden te voeren zich te verplaatsen in en om de woning zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan voor zover de persoon zelf niet in staat is deze op te lossen en geen algemene voorzieningen voorhanden zijn,rekening houdend met de persoonskenmerken en behoeften van de persoon, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van de leefsituatie; Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet worden en waarop de regels van het landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn; Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de rechthebbende. Forfaitaire vergoeding: een bijdrage ineens of in termijnen die los van het inkomen en los van de werkelijke kosten van een voorziening wordt verstrekt, al dan niet met inachtneming van de inkomensgrens; Goedkoopst adequate voorziening: De algemene of individuele voorziening die naar objectieve maatstaven gemeten, zowel een adequate als de meest goedkope oplossing biedt voor de beperkingen van de rechthebbende; Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een huishouden voert; Hulp bij het huishouden: een voorziening ten behoeve van het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een rechthebbende dan wel van de leefeenheid waartoe de rechthebbende behoort en diens huisgenoten; Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden; ICF: International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) is een uniform begrippenkader dat gehanteerd wordt als afwegingskader en als grondslag om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen ofwel te typeren; Kind: het in Nederland woonachtige kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde of de geregistreerde samenwonende aanspraak op kinderbijslag kan maken. Leefeenheid: een eenheid bestaande uit: gehuwde of ongehuwde partners die al dan niet tezamen met één of meer ongehuwde kinderen duurzaam een huishouden voeren een meerderjarige alleenstaande al die dan niet tezamen met één of meer ongehuwde kinderen duurzaam een huishouden voert de minderjarige rechthebbende met zijn ouders; Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke verkeer op de gebieden van: het voeren van een huishouden; het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven; Mantelzorger: een persoon die, niet in het kader van een hulpverlenend beroep, langdurig hulp verleent aan een persoon uit zijn directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; Meerderjarige: de persoon van 18 jaar of ouder; Meerkosten: kosten die uitgaan boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van de gevraagde voorziening; Norminkomen: de voor de leefeenheid geldende bijstands-, dan wel WIJ-norm, per maand, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet Werk en Bijstand dan wel hoofdstuk 4 van de Wet Investeren in Jongeren, waarbij de gemeentelijke toeslagenverordening WWB of WIJ van overeenkomstige toepassing is. Persoon met een beperking: de persoon die beperkingen ondervindt in de zelfredzaamheid en/of de maatschappelijke participatie ten gevolge van: somatische aandoeningen psychogeriatrische, psychiatrische of anderszins chronisch psychische aandoeningen een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke aandoening een psychosociaal probleem Persoon met een psychosociaal probleem: de persoon die ten gevolge van zijn problemen in zijn relatie met anderen in zijn sociale omgeving te maken heeft met verlies van zelfstandig functioneren en een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer. Persoonsgebonden budget: een op de persoonlijke omstandigheden en behoeften afgestemd en toereikend bedrag, waarmee door de budgethouder zelf een voorziening kan worden ingekocht die nodig is geacht om de ondervonden beperkingen in aanvaardbare mate te compenseren en welke vergelijkbaar is met een voorziening die in natura kan worden geleverd; Protocol Gebruikelijke Zorg: een door het Centrum Indicatiestelling Zorg opgesteld document, waarin de richtlijnen zijn uitgewerkt die de indicatiestellers dienen te hanteren als bij het bepalen van compensatie in de vorm van huishoudelijke hulp tevens beoordeeld moet worden hetgeen van huisgenoten en inwonende kinderen onderling kan worden verwacht aan zorg voor elkaar; Protocol indicatiestelling huishoudelijke verzorging: een door het Centrum Indicatiestelling Zorg opgesteld document, waarin de richtlijnen zijn uitgewerkt die het college dient te hanteren bij het bepalen van de omvang van de compensatie in uren/minuten per week per geïndiceerde handeling wanneer de compensatie in de vorm van huishoudelijke hulp moet worden geboden; Psychosociale problematiek: psychische problemen die samenhangen met het dagelijks functioneren in interactie met de sociale omgeving; Raad: de gemeenteraad van de gemeente Bodegraven; Rechthebbende: de in de gemeente Bodegraven wonende persoon met een beperking aan wie een voorziening op grond van deze verordening is toegekend; Rolstoelvoorziening: een voorziening die de rechthebbende in staat stelt zich in en om de woning te verplaatsen en waarvan rijden de primaire functie is; Vervoersvoorziening: een voorziening die de rechthebbende in staat stelt zich lokaal te verplaatsen; Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt; Voucher: voorziening in natura die als waardebon wordt verstrekt en waarmee rechthebbende hulp bij het huishouden kan verkrijgen bij instellingen waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning; Woonvoorziening: een voorziening die de rechthebbende in staat stelt tot het normale gebruik van de woning; Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Artikel1.2Compensatiebeginsel. De voorzieningen die het college kan bieden aan personen met een beperking als genoemd in artikel 1.1 ter invulling van het compensatiebeginsel kunnen bestaan uit: Hulp bij het huishouden; Een woonvoorziening; Een vervoersvoorziening; Een rolstoelvoorziening. Artikel1.3Het bepalen van de compensatie. Bij het bepalen van de compensatie van de beperkingen door het college geldt het volgende: Bij het bepalen van de compensatie houdt het college rekening met persoonskenmerken, behoeften en omstandigheden van de persoon met beperkingen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van de leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de persoon met beperkingen om uit het oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Het college geeft aan in hoeverre de toe te kennen voorzieningen bijdragen aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van personen met een beperking. Artikel1.4Primaat algemene maatregelen, algemene voorzieningen en collectieve voorzieningen. Een persoon met beperkingen kan voor een individuele voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen dit noodzakelijk maken en algemene maatregelen en/of algemene voorzieningen en/of collectieve voorzieningen niet aanwezig zijn of geen adequate oplossing bieden Artikel1.5Recht op voorzieningen. 1.Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover: deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen; een uitzondering hierop wordt gevormd indien voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; deze in overwegende mate op het individu is gericht. 2.Géén voorziening wordt toegekend: indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is; voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of privaatrechtelijke overeenkomst aanspraak op de voorziening bestaat; indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Bodegraven; voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw; voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd; voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt of aanvrager reeds andere verplichtingen is aangegaan voor de datum van beschikken; indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen. 3.Indien de persoon die in het bezit is van een voorziening welke is toegekend door de gemeente Bodegraven verhuist naar een andere gemeente, wordt de voorziening die in natura verstrekt is in Bodegraven ingenomen of wordt het ten onrechte verstrekte persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden teruggevorderd en kan de persoon in de gemeente waar deze zich zal vestigen opnieuw de voorziening aanvragen. Hoofdstuk2.Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen Artikel2.1Keuzevrijheid. 1.Een individuele voorziening kan verstrekt worden: in natura als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming. 2.Indien een voorziening wordt aangeboden in natura is er tevens de mogelijkheid om een toereikend persoonsgebonden budget te ontvangen welke de persoon met een beperking in staat stelt een zelf vergelijkbare voorziening als die in natura aan te schaffen. Artikel2.2Voorziening in natura. 1.De voorziening in natura wordt aan de rechthebbende verstrekt: In eigendom In huur In bruikleen In de vorm van dienstverlening In de vorm van een voucher voor dienstverlening 2.Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst tussen leverancier en de aanvrager of tussen leverancier en gemeente Bodegraven van toepassing. Artikel2.3Voorziening in natura als voucher. 1.Een voucher wordt alleen verstrekt indien er aanspraak is op hulp bij het huishouden. 2.De voucher kan worden ingewisseld bij aanbieders waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten. 3.De wijze waarop het voucher wordt vastgesteld en verstrekt wordt door het college vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Artikel2.4Persoonsgebonden budget. 1 De voorziening als persoonsgebonden budget wordt aan de rechthebbende verstrekt voor hulp bij het huishouden, dan wel voor de inkoop van een individuele voorziening. 2 Een persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de rechthebbende niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget. 3 Een persoonsgebonden budget wordt op verzoek van de rechthebbende verstrekt 4 De omvang van het persoonsgebonden budget wordt door het college vastgesteld op de tegenwaarde van de goedkoopst adequaat te verstrekken voorziening in natura inclusief indien van toepassing kosten van onderhoud, keuring en reparatie alsmede een eventueel verplichte verzekering. Het college controleert of het verstrekte persoonsgebonden budget is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. Het college stelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning nadere regels vast met betrekking tot de verstrekking, de hoogte, de besteding en verantwoording van het persoonsgebonden budget. Artikel2.5Financiële tegemoetkoming. 1.In deze verordening is bepaald welke voorzieningen worden verstrekt als (forfaitaire) financiële tegemoetkoming. 2.Het college stelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning nadere regels vast met betrekking tot de verstrekking, de hoogte, de besteding en verantwoording van de financiële tegemoetkoming. 3.het college stelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning vast welke financiële tegemoetkomingen de vorm van een forfaitair bedrag krijgen. Artikel2.6Eigen bijdrage. Bij het verstrekken van hulp bij het huishouden in natura of middels een persoonsgebonden budget, is de rechthebbende een eigen bijdrage verschuldigd. De eigen bijdrage bedraagt het gestelde maximum in artikel 4.1 van het Landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning, met dien verstande dat de rechthebbende daarvan de vaste vier-wekelijkse bijdrage niet verschuldigd is. . Hoofdstuk3.Hulp bij het huishouden Artikel3.1Vormen van hulp bij het huishouden. De door het college ter compensatie van de beperkingen bij het voeren van een huishouden te verstrekken individuele voorziening kan bestaan uit: hulp bij het huishouden in natura, geleverd door daartoe door de gemeente gecontracteerde instellingen hulp bij het huishouden in natura middels een voucher, geleverd door daartoe door de gemeente gecontracteerde instellingen een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden, waarvan de mogelijkheid bestaat deze te besteden als vergoeding voor een alfahulp. Artikel3.2Geïnformeerde toestemming Voor het maken van een keuze met betrekking tot de vorm waarin de rechthebbende de hulp bij het huishouden wil ontvangen, wordt deze vooraf in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen geïnformeerd over de consequenties van de keuze die gemaakt wordt. Artikel3.3Het recht op hulp bij het huishouden. Een aanvrager kan voor hulp bij het huishouden in aanmerking worden gebracht indien: de aanvrager het huishoudelijk werk geheel of gedeeltelijk niet zelf kan verrichten het ontvangen van gebruikelijke zorg (zoals beschreven in Protocol Gebruikelijke zorg) niet tot de mogelijkheden behoort. Artikel3.4Omvang van de hulp bij het huishouden. De omvang van de hulp bij het huishouden wordt vastgesteld met inachtneming van het ‘Protocol Indicatiestelling huishoudelijke verzorging’. Artikel3.5Gebruikelijke zorg. Bij de bepaling van de omvang van de hulp bij het huishouden wordt conform het ‘Protocol Gebruikelijk Zorg’ rekening gehouden met de samenstelling van de leefeenheid waarvan de aanvrager deel uitmaakt dan wel met de mogelijkheid van een of meer huisgenoten om (delen van) het huishoudelijke werk te verrichten Hoofdstuk4.Woonvoorzieningen Artikel4.1Soorten individuele woonvoorzieningen. De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit: een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een uitraasruimte; onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten; een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving; een financiële tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van woonvoorzieningen; i een financiële tegemoetkoming in de kosten van de sanering van de woning; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een andere voorziening op grond van deze verordening indien deze een adequatere compensatie biedt voor de beperkingen; Een financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 1 onder b en d wordt verstrekt aan de eigenaar van de woning; Woonvoorzieningen als bedoeld in lid 1 onder c en e kunnen in natura of als persoonsgebonden budget worden verstrekt. Artikel4.1.aHet recht op woonvoorzieningen Een aanvrager kan voor een woonvoorziening, als genoemd in artikel 4.1 lid 1, in aanmerking worden gebracht wanneer: hij is aan te merken als een persoon met beperkingen zoals beschreven in artikel 1.1 en het normale gebruik van de woning wordt belemmerd. Artikel4.2Primaat van de verhuizing. 1.Het primaat ligt bij verhuizen indien de kosten van een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.1 lid 1 meer bedragen dan het (maximum)bedrag dat wordt vermeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. 2.Een rechthebbende kan voor een woonvoorziening als onder artikel 4.1 onder b t/m d genoemd, in aanmerking worden gebracht indien de in het eerste lid van dit artikel genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate oplossing is. Artikel4.3Hoofdverblijf. Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de rechthebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Artikel4.4Bezoekbaar maken tweede woonruimte. 1.In afwijking van het gestelde in artikel 4.3. kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. 2.De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. 3.De woonvoorziening betreft het bezoekbaar maken van de in het eerste lid bedoelde woonruimte met een in het Besluit maatschappelijke ondersteuning vast te leggen maximumbedrag. 4.Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon met beperkingen de woonruimte en een toilet(voorziening) kan gebruiken. Artikel4.5Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt verstrekt. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan woningen of woonruimten behorend tot een AWBZ-instelling, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Artikel4.6Woonwagen. Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten aan woonwagens indien: de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar is; de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt; de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; en d.de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet. Artikel4.7Woonschip. Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonschip indien: a.de technische levensduur van het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar is. b.het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen. c.het woonschip te tijde van de indiening van de aanvraag op een officiële daarvoor binnen de gemeente Bodegraven bestemde ligplaats ligt. Artikel4.8Technische levensduur woonwagen en woonschip. Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, dan wordt de financiële tegemoetkoming gebaseerd op een maximaal bedrag aan aanpassingkosten als genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Artikel4.9Binnenschip. Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip indien het binnenschip geregistreerd is in de gemeente Bodegraven en de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987,466), van een binnenschip, dat: a.in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel teboekgestelde schepen 1992 en; b.bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het metingsbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde. Artikel4.10Uitzonderingen. De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: De noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; De persoon met beperkingen, voor wie op basis van voorzienbare toekomstige beperkingen een woningaanpassing te verwachten was, is verhuisd naar een woning die niet is afgestemd op de beperking, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; Deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: automatische deuropeners hellingbanen extra trapleuningen opstelplaatsen voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het hoofdgebouw het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders Artikel4.11Terugbetaling bij verkoop. 1.De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning dient, bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, de verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde, maar maximaal de kosten van de getroffen voorziening(en), die door het treffen van die voorziening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.