Afstemmingsverordening Wet werk en bijstandDe raad van de gemeente Vianen; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 september 2009 nr. 724; gelet op artikel 8 lid 1 onder c van de Wet werk en bijstand; b e s l u i t: vast te stellen de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand. Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand (hierna: WWB); de gemeente: de gemeente Vianen; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen; bijstand: een uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in de WWB; bijstandsnorm: de norm zoals gedefinieerd in artikel 5 onder c WWB; maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18 tweede lid WWB; recidive: als er binnen een, in deze verordening bepaalde, periode opnieuw sprake is van een verwijtbare gedraging; Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; belanghebbende: de persoon met een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Artikel2Opleggen van een maatregel 1.Het college legt een maatregel aan de belanghebbende op indien hij: een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorzieningen in het bestaan; verplichtingen die voortvloeien uit de wet of de artikelen 30c eerste en tweede van de Wet SUWI, niet of onvoldoende nakomt; de verplichtingen die in de beschikking tot toekenning of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen niet of onvoldoende nakomt; zich zeer ernstig misdraagt jegens leden van het college of medewerkers werkzaam bij de gemeente Vianen; eigendommen van de gemeente Vianen heeft vernield en/of beschadigd; zich, naar het oordeel van het college, verwijtbaar gedraagt ten aanzien van de plicht tot arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 9 WWB; naar het oordeel van het college, verwijtbaar de inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17 lid 1 en lid 2 WWB niet of niet volledig nakomt. 2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit houdt in dat afwijking van de standaardmaatregelen mogelijk is, voor wat betreft de hoogte en duur. Artikel3Wijze van opleggen 1.De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag indien: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; de verwijtbare gedragingen van belanghebbende strijdig zijn met de verplichtingen die aan hem zijn opgelegd in verband met de bijzondere bijstand in artikel 12 WWB of de langdurigheidstoeslag. 3.Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. In het besluit tot het opleggen van een maatregel wordt in elk geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardmaatregel. 4.Indien een maatregel wordt opgelegd die langer dan drie maanden duurt, dient in de derde maand beoordeeld te worden of de maatregel in stand dient te blijven. Artikel4Ingangsdatum en tijdvak 1.De maatregel wordt niet eerder opgelegd dan de dag waarop het maatregelwaardige gedrag zich voordeed. 2.In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd met ingang van de nieuwe kalendermaand, volgend op de maand waarin de maatregelwaardige gedraging zich voordeed, is geconstateerd, dan wel per toekenningsdatum van de uitkering. 3.Indien de maatregel niet kan worden opgelegd omdat de uitkering is beëindigd, wordt de maatregel alsnog gerealiseerd door middel van herziening van de eerder verstrekte bijstand. 4.Indien een maatregel niet of niet volledig kan worden opgelegd met toepassing van de leden 1, 2 of 3 vanwege intrekking of beëindiging, kan deze niet meer worden opgelegd. Wanneer belanghebbende binnen twaalf maanden na intrekking of beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering aanvraagt, kan rekening worden gehouden met het verwijtbare gedrag, indien de aanvraag rechtstreeks verband houdt met het verwijtbare gedrag. Artikel5Zienswijze 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd beoordeelt het college of het noodzakelijk is om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Van deze beoordeling wordt verslag gedaan. 2.Het naar voren brengen van de zienswijze van de belanghebbende kan achterwege gelaten worden indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet. In ieder geval is hier sprake van wanneer een verwijtbare gedraging een lik-op-stukmaatregel vereist; de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan; de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college, of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de wet werkzaamheden van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet; of het college het naar voren brengen van de zienswijze van belanghebbende niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. 3.Als een verwijtbare gedraging is geconstateerd, waar een maatregel van 20% of hoger voor geldt, wordt belanghebbende in elk geval in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 4.Als een belanghebbende zijn zienswijze schriftelijk naar voren heeft gebracht, wordt dit betrokken bij het overwegen van een maatregel. 5.Als belanghebbende zijn zienswijze in een gesprek toelicht, is hij niet verplicht een verklaring over de gedraging af te leggen. De zienswijze wordt betrokken bij het overwegen van een maatregel. Artikel6Afzien van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. 2.Het college kan afzien van ten uitvoer leggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van ten uitvoer leggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan. Artikel7Samenloop 1.Indien een belanghebbende zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan verschillende gedragingen, die het niet nakomen van de verplichtingen, als genoemd in artikel 2 inhouden, worden de maatregelen behorende bij deze gedragingen indien van toepassing opgeteld. Alleen wanneer dringende redenen zich daartoe verzetten kunnen de maatregelen na elkaar worden toegepast. 2.Indien een belanghebbende zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan gelijksoortige gedragingen, die het niet nakomen van de verplichtingen, als genoemd in artikel 2 inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en de duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. Artikel8Categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichtingen op grond van de artikelen 9 en 17 van de wet niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden vastgelegd in de volgende categorieën: Eerste categorie: Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; Het niet, onvolledig, onjuist of niet binnen de door het college gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of voorzetting daarvan, voor zover dit niet heeft geleid tot teveel of ten onrechte uitgekeerde bijstand; Het niet ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van het trajectplan. Tweede categorie: Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden, waaronder onvoldoende sollicitatieactiviteiten; Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, schuldhulpverlening of sociale activering; Het niet voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, door of vanwege het college, in verband met de inschakeling in arbeid, het verlenen van schuldhulp of sociale activering. Derde categorie: Gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; Het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale activering; Gedragingen die de voortgang van een traject gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering belemmeren. Vierde categorie: Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betonen, waaronder begrepen het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel9Hoogte en duur van de maatregel 1.Onverminderd artikel 2, lid 1, sub f, wordt de maatregel vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een gedraging van de derde categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie. 2.De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie. Bij een maatregel van de vierde categorie wordt de duur verdubbeld. 3.De duur van de maatregel die is opgelegd vanwege recidive, als bedoeld in artikel 9 tweede lid, wordt verdubbeld als belanghebbende zich na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, binnen twaalf maanden opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging in dezelfde of een hogere categorie. 4.Indien de belanghebbende zich niet heeft gehouden aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 17 van de wet en dit heeft niet geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, en er is niet eerder een maatregel hieromtrent opgelegd, kan het college volstaan met een maatregel van 0%, bij wijze van waarschuwing. Artikel10Onjuiste, onvolledige of niet tijdige informatie 1.Indien het niet nakomen van de verplichtingen, als bedoeld in artikel 17 van de wet, heeft geleid tot het ten onrechte of teveel verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Onverminderd artikel 2, lid 1, sub f, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: Bij een benadelingbedrag tot € 1.000: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand; Bij een benadelingsbedrag van € 1.000 tot € 2.000: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand; Bij een benadelingsbedrag van € 2.000 tot € 4.000: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand; Bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand; Vanaf een benadelingsbedrag van € 10.000 dient aangifte gedaan te worden bij het Openbaar Ministerie en wordt vooralsnog geen maatregel opgelegd. Na eventueel sepot door het Openbaar Ministerie kan besloten worden alsnog een maatregel op te leggen. 2.De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie. Bij een maatregel zoals genoemd onder lid 1 sub d. wordt de duur verdubbeld. Artikel11Zeer ernstige misdragingen 1.Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren - onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet - wordt onverminderd artikel 2 een maatregel opgelegd op de volgende wijze: Verbale uitingen of gedragingen zoals schelden of bedreigen in het algemeen: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand; Schade aan eigendommen of goederen in gebruik van de gemeente Vianen: 30% van de bijstandsnorm gedurende een maand; Verbale gedragingen of bedreigingen gericht tegen de persoon: 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand; Lichamelijk geweld, al dan niet met letsel tot gevolg, tegen leden van het college of zijn ambtenaren: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. 2.Daarnaast kan, in aanvulling op het gestelde in het eerste lid door, of namens het college, aangifte worden gedaan bij de politie dan wel de toegang tot het Stadhuis worden ontzegd. De duur van de ontzegging is gekoppeld aan hetgeen vastgelegd is in gemeentelijke regelgeving. 3.Indien belanghebbende zich opnieuw zeer ernstig misdraagt wordt de periode waarover de verlaging plaatsvindt verdubbeld. Hierbij geldt geen verjaringstermijn. Artikel12Onverantwoorde besteding vermogen 1.Bij het op onverantwoorde wijze van besteding van het vermogen wordt, onverminderd artikel 2, lid 1, sub f, de maatregel vastgesteld op 20% voor de duur dat belanghebbende bij een verantwoorde besteding van het vermogen in zijn onderhoud had kunnen voorzien. 2.Onder verantwoorde besteding van het vermogen wordt verstaan 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm per maand. Artikel13Door eigen toedoen geen gebruik kunnen maken voorziening 1.Als door eigen toedoen geen gebruik wordt of kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, indien ten gevolge van de gedraging algemene bijstand wordt aangevraagd en toegekend. 2.Indien een belanghebbende zich naar het oordeel van het college verwijtbaar gedraagt ten aanzien van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 55 WWB, of de verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, om kinderalimentatie of partneralimentatie te vorderen, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Artikel14Onvoorziene omstandigheden In gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college. Artikel15Intrekking De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand vastgesteld op 1 juli 2004 en de eerste wijziging van de Afstemmingsverordening Wet Werk en Bijstand vastgesteld op 3 juli 2006 worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt. Artikel16Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.