Handboek Kabels & LeidingenInleiding 1.1Aanleiding Voor u ligt het opgestelde Handboek Kabels & Leidingen voor de Hoeksche Waardse gemeenten. Dit ‘Handboek’ geeft invulling aan de collegebevoegdheid om op grond van de Leidingenverordening (LV) en Telecomverordening (TV) nadere regels omtrent deze ondergrondse infrastructuur vast te stellen. Men moet hierbij denken aan de voorbereiding en uitvoering bij het ontwerp, aanleg, onderhoud, verlegging en verwijdering van kabels en leidingen. Dit Handboek wordt door de Hoeksche Waardse gemeenten: Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen van toepassing verklaard in alle gevallen waarin de gemeente, op grond van een vergunning, instemmingsbesluit of melding, toestemming verleent voor werkzaamheden aan of ten behoeve van kabels en/of leidingen. Gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen hebben gezamenlijk een uniforme Leidingenverordening en Telecommunicatieverordening tot stand gebracht, met enkele gemeente-eigen bepalingen. Dit Handboek Kabels & Leidingen (verder Handboek genoemd) is van toepassing voor de genoemde gemeenten van de Hoeksche Waard. In dit Handboek dient voor gemeente gelezen te worden de genoemde gemeente waar de geplande werkzaamheden plaatsvinden. Volgens de Leidingenverordening is een vergunningnodig voor het aanleggen, exploiteren, onderhouden of verwijderen van kabels en leidingen (voortaan: ‘leidingen’) in, op of boven openbare plaatsen en in of op civiele kunstwerken alsmede in of boven openbaar water. Volgens de Telecommunicatiewet, Artikel 5.4, lid 1, sub b en de Telecommunicatieverordening (TV) is een instemmingsbesluit nodig voor het aanleggen, onderhouden en verwijderen van een telecomkabel. Als basis voor dit Handboek is met toestemming van gemeente Dordrecht het Handboek Leidingen van de gemeente Dordrecht gebruikt. 1.2Doel en doelgroep Doel van dit Handboek is: Het bevorderen van een veilige ligging en ordening van de ondergrondse infrastructuur; Het beperken van de overlast en het bevorderen van een veilige omgeving voor de burgers tijdens de werkzaamheden aan ondergrondse infrastructuur; Het voorkomen van schade aan private- en gemeentelijke eigendommen; Het waarborgen van de kwaliteit van de openbare ruimte. Het bereiken en handhaven van deze doelstellingen wordt ondersteund door gedetaillleerd uitgewerkte, uniforme voorbereiding- en uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van alle werken in het openbare gebied van de gemeenten. Hiertoe worden nadere eisen gesteld aan de gegevens die moeten worden verstrekt bij aanvragen van een vergunning c.q. instemmingsbesluit bij het voorbereiden en uitvoeren van werken in het beheergebied van de Hoeksche Waardse gemeenten. In het Handboek worden nadere regels betreffende ontwerp, aanleg, herstel, exploitatie, onderhoud en verwijdering van kabels en leidingen omschreven. Aan de voorwaarden en eisen die hierin zijn gesteld moet worden voldaan om een vergunning c.q. instemming te verkrijgen. Dit zijn behalve specifieke eisen ten aanzien van aanleg en ontwerp, ook eisen omtrent het beheer tijdens de exploitatiefase, de bedrijfsvoering en bedrijfsbeëindiging. Het verband tussen de wetten, verordeningen en Handboek kan als rangbepaling als volgt worden weergegeven: Wettelijke bepalingen zoals oa. de Telecommunicatiewet en de Wet Informatie uitwisseling Ondergrondse Netten (WION). Privaatrechtelijke overeenkomsten met o.a. de Nutsbedrijven. Lokale regelgeving zoals o.a. de Algemeen Plaatselijke Verordeningen, de Leidingenverordening en de Telecomverordening. (Gemeenten Hoeksche Waard). Handboek Kabels en Leidingen (van de gemeenten in de Hoeksche Waard). Doelgroep Het Handboek is geschreven voor een ieder die een kabel(
(2)min. graafafstand op 1,3m + m.v. hart stamvoet (standaard) hart stamvoet (*trekzijde) 10cm 1,25 m 2,0 m 40cm 1,50 m 2,5 m 60cm 1,75 m 3,0 m 80cm 2,25 m 3,5 m 100cm 2,50 m 4,0 m 150cm 3,50 m 5,0 m *trekzijde: kant stabiliteitswortels 4.5 Bijzondere situaties Er zijn situaties waar het standaard profiel niet past. De leidingexploitant komt met een alternatief voorstel welke de gemeente zal beoordelen. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere indeling toestaan. 4.5.1 Archeologie Conform de Monumentwet 1988 en de daarin sinds 2007 opgenomen Wet archeologische monumentenzorg dient rekening te worden gehouden met archeologische waarden in de ondergrond. De wet is gericht op het behoud van archeologische waarden op de plek zelf. Indien dit niet mogelijk is, kan onderzoek verplicht gesteld worden. Elke gemeente heeft een vastgestelde beleidsnota en/of beleids(advies)kaart archeologie en/of bestemmingsplannen waarin gemeente specifieke vrijstellingen en onderzoeksplichten zijn opgenomen. Bij een vergunningaanvraag baseert de vergunningverlener zich hierop om een vrijstelling te verstrekken of een onderzoeksplicht op te leggen. De vergunningverlener kan archeologisch onderzoek verplicht stellen bij een aanvraag voor een nieuw tracé of een nieuwe aansluiting voor kabels en leidingen of bij een verbreding of verdieping van een bestaand tracé. Een archeologisch vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek. De kosten voor archeologische onderzoek - vooronderzoek, eventueel vervolgonderzoek en mogelijk definitief onderzoek - liggen conform het in de Monumentenwet vastgestelde veroorzakersprincipe bij de vergunningaanvrager/leidingexploitant. De vergunningverlener ontvangt het onderzoeksrapport ter goedkeuring en ter (gemandateerde) besluitvorming door B&W. Bij de vervanging of de verwijdering van kabels en leidingen binnen een bestaand tracé, met inachtneming van de bestaande aanlegdiepte en –breedte, is geen archeologisch onderzoek nodig en geldt op voorhand een vrijstelling. Meer informatie is te vinden op de website van de gemeente met gebruik van de zoekopdracht “Archeologische verwachtingen en beleidsadvieskaart”. 4.5.2 Kunstwerken Bij gebruik van voorzieningen in/om/aan kunstwerken, inclusief bruggen, die in beheer en/of eigendom zijn van de gemeente dient de leidingexploitant op eigen kosten voorzorgsmaatregelen te nemen wanneer door of namens de gemeente onderhoud eraan wordt uitgevoerd, of het kunstwerk wordt vervangen of verwijderd door of in opdracht van de gemeente. Geconstateerde gebreken aan leidingen bij bestaande kunstwerken worden door de leidingexploitant hersteld. 4.5.3 Over- en onderbouwing van de openbare ruimte (stedelijk gebied) Indien leidingen onder een overbouwing worden gesitueerd, dan dient de hoogte van de overbouwing ten opzichte van het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m. te bedragen, in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch en ander materieel. Bij toepassing van koppelbalken dient de bovenkant van de koppelbalken ten minste 2 m. onder het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil te worden aangebracht. De ruimte tussen de koppelbalken moet worden voorzien van een gewapendbetonplaat waarboven de leidingen een veilige ligging verkrijgen. Indien leidingen boven een onderbouwing worden gesitueerd, dan dient de diepte van de onderbouwing ten opzichte van het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil ten minste 2,00 m. te bedragen, in verband met benodigde gronddekking voor leidingen. 4.5.4Huisaansluitingen riolering (rioolaansluitingen) Rioolaansluitingen voor gemengde afvoer, vuilwaterafvoer of regenwaterafvoer dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig het vigerende beleid van de desbetreffende gemeente. Informatie hierover is te vinden op de website van de gemeente met gebruik van de zoekopdracht “rioolaansluiting”. Aanvullende informatie is op te vragen bij de rioolbeheerders van desbetreffende gemeenten. 4.5.5 Bestemmingsplanprocedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt het verplicht om leidingen met gevaarlijke stoffen op te nemen in het bestemmingsplan. Bovendien is door het ministerie van Infrastructuur en Milieu aangegeven dat leidingen met een bovenregionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico’s met zich meebrengen voor mens of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken, kunnen worden opgenomen in het bestemmingsplan. Dit houdt in dat bij nieuwe aanleg en wijzigingen in het tracé van bovengenoemde leidingen een bestemmingsplanprocedure dient te worden gevolgd. 5Aanleg- en uitvoeringsvoorschriften 5.1Algemene uitgangspunten Leidingwerken moeten worden uitgevoerd conform de verleende vergunning. Voor een vlotte en correcte uitvoering van leidingwerken is informatievoorziening aan alle relevante betrokken partijen essentieel. Hiertoe zijn aparte voorschiften opgenomen in paragraaf 5.3 Communicatie. Voor zover niet strijdig met de hieronder beschreven uitvoeringsvoorschriften is de CROW- Richtlijn zorgvuldig graafproces (Publicatie 250) en Standaard RAW 2015 van toepassing. Schade aan naastliggende leidingen en aan goederen of gewassen en hinder voor eigenaren en/of gebruikers van de betrokken percelen moet zo veel mogelijk worden voorkomen. De bereikbaarheid van woningen, openbare gebouwen en dergelijke voor (mindervalide) voetgangers moet worden gewaarborgd. Er moet ook vooraf overleg plaats vinden met belanghebbenden en toezichthouder, indien de beperking van de bereikbaarheid bijvoorbeeld tot gevolg heeft dat de hulpdiensten objecten niet voldoende kunnen naderen of dat de bevoorrading van winkels of bedrijven anders dan normaal moet worden geregeld. Bij onder andere vorst in de grond wordt er een algemeen graaf- en breekverbod door de vergunningverlener/toezichthouder ingesteld, zie ook 5.5.1. 5.2Werkplan De vergunningverlener kan eisen dat de uitvoering moet worden uitgewerkt in een werkplan ter aanvulling van de vergunning. 5.3Communicatie 5.3.1Verantwoordelijkheden van betrokken partijen Betrokkene Is verantwoordelijk voor Toezichthouder De rol van de gemeentelijke toezichthouder beperkt zich tot het controleren van het naleven van de bepalingen uit de beschikking en/of de instemming, de APV en het Handboek Kabels & Leidingen. De vergunninghouder dient zelf het dagelijks toezicht te houden op de uitvoering van de werkzaamheden Leidingexploitant De leidingexploitant zorgt continu voor een aan te spreken verantwoordelijke contactpersoon, wiens naam bij alle partijen bekend is. Deze persoon heeft tot taak erop toe te zien dat het werk conform de vergunning en gemaakte afspraken wordt uitgevoerd. Hij dient medewerking te verlenen aan gemeentelijke en andere toezichthouders. Uitvoerders De uitvoerders van het werk moeten over alle vereiste kwalificaties beschikken. De uitvoering van het werk wordt begeleid door competent toezichthoudend personeel van de leidingexploitant, dat de Nederlandse taal beheerst. 5.3.2Bewoners en bedrijven De leidingexploitant informeert ten minste 10 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk bewoners en bedrijven langs het tracé c.q. nabij het werk over de start en inhoud van de werkzaamheden, voor zover voor hen van belang. De zogenaamde ‘bewonersbrief’ dient vooraf per email toegezonden te worden aan de toezichthouder ter goedkeuring. In het geval van integrale werkzaamheden met andere leidingexploitanten en/of gemeentelijke werkzaamheden in de openbare ruimte geeft de directie van het werk aan hoe de integrale communicatie van het totaal aan werkzaamheden dient plaats te vinden. Ten behoeve van het verkrijgen van een ingravingsvergunning/instemming- of toestemmingsbesluit kan het noodzakelijk zijn om vooraf verkeersplannen in te dienen waarvoor door vergunningaanvrager zelf overleg en afstemming met onder andere politie, verzorging- en hulpdiensten, particuliere- en openbare vervoerders alsmede de gemeente moet worden gevoerd. 5.3.3Melding ingraving (start werkzaamheden) Minimaal drie werkdagen voor de start van de uitvoering meldt de leidingexploitant en/of zijn vertegenwoordiger het werk waarvoor vergunning is verleend, via email en/of bij het digitale loket van de betreffende gemeente en met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, zie bijlage 7. 5.3.4KLIC-melding (procedure WION) Ten hoogste twintig werkdagen voor aanvang van mechanische graafwerkzaamheden moet de uitvoerder (grondroerder) een KLIC-melding doen. Alvorens uw plan wordt ingediend dient kennis genomen te worden van alle aanwezige kabels en leidingen. 5.3.5Kick-off meeting / startvergadering Indien de gemeente het wenst dient er een Kick-off meeting / startvergadering geinitieerd te worden door de betreffende leidingexploitant. In de volgende gevallen kan dit plaatsvinden: Alle (leiding)werken in de bestemde leidingenstroken of Binnen een afstand van 5 m. vanaf bestemde leidingen. Alle gevallen waar het gaat om (leiding)werken met een grote impact op de omgeving. Het overleg dient minimaal twee weken voor de start van de uitvoering plaats te vinden. De leidingexploitant en zijn aannemer presenteren in dit overleg alle noodzakelijke plannen, waarna de belanghebbenden opmerkingen kunnen maken. Wanneer deze voorwaarden redelijkerwijs ertoe bijdragen dat schade aan de eigendommen van de belanghebbenden wordt voorkomen, moeten ze door de leidingexploitant alsnog worden verwerkt in het werkplan. De hierboven bedoelde, benodigde voorbereidingsinformatie dient ten minste twee weken voor het overleg bij de belanghebbenden in bezit te zijn. Van het overleg maakt de leidingexploitant of diens vertegenwoordiger een verslag, en zorgt ervoor dat dit minimaal twee werkdagen voor de start van de uitvoering bij alle betrokkenen is bezorgd. Verslag ter goedkeuring van de vergunningverlener. 5.4Algemene uitvoeringsvoorschriften 5.4.1Aanwezige documenten Bij aanvang en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moeten op het werk aanwezig zijn: De vergunning, of kopie ervan; Gewaarmerkte werktekeningen; Een geldige KLIC-melding; Een kopie van de melding ingraving aan de toezichthouder; (Afschriften van) de overige benodigde vergunningen. 5.4.2Proefsleuven ter voorbereiding De leidingexploitant dient vooraf te verifiëren of de ligging van de K&L volgens de KLIC-melding, nog overeenkomen met de werkelijke ligging. Dit dient te geschieden door proefsleuven te maken, zie 4.2. Voorafgaand aan verplicht gesteld archeologische onderzoek mogen geen proefsleuven of ontgravingen uitgevoerd worden, tenzij deze onder archeologische begeleiding worden uitgevoerd. 5.4.3Uitzetten tracé Uitgangspunt is dat de leidingexploitant het toegewezen tracé uitzet (uit laat zetten) middels piketten en controleert of dit vrij is van belangen van derden. 5.4.4Toepassen en verwijderen hulpconstructies Voor het aanbrengen van leidingen kan het nodig zijn tijdelijke hulpconstructies toe te passen zoals pers- en ontvangstkuipen, sleufbekistingen door middel van onder andere damwanden, tijdelijke ondersteuningen en dergelijke. Deze hulpconstructies dienen conform het werkplan te worden aangebracht en verwijderd. Mocht het om welke reden dan ook niet mogelijk zijn deze hulpconstructies geheel of gedeeltelijk te verwijderen dan dient dit onverwijld te worden gemeld aan de toezichthouder. De regel is dat deze tot minimaal 2,50 m. onder maaiveld worden verwijderd. De achterblijvende constructies of delen daarvan dienen te worden ingemeten en worden geregistreerd door de leidingexploitant als ondergrondse objecten. Deze gegevens moeten naar de vergunningverlener worden verstuurd. 5.4.5Werken in nabijheid van leidingen Sonderingen, grondboringen, bronneringen en graafwerkzaamheden dienen conform de regels van de WION en gerelateerde regelgeving en voorschriften zo te worden uitgevoerd dat geen schade optreedt aan nabij gelegen leidingen. 5.4.6Grote zettingen Bij (grote) te verwachten zettingen dienen belendingen, die door de aanleg zouden kunnen worden beïnvloed, aan een ‘0-waarde-onderzoek’ (vastleggen van de situatie op de contractdatum) te worden onderworpen en gemonitoord. Per geval dienen alarmgrenzen en criteria te worden afgesproken en vastgelegd tussen de betrokken partijen. 5.4.7Bodemverontreiniging Voor werkzaamheden in de bodem is de Wet bodembescherming (Wbb) onverkort van toepassing. Dit betekent onder andere dat de leidingexploitant verplicht is uit te zoeken of de bodem ter plekke van het leidingtracé verontreinigd is. Daarvoor kan hij: ·Bij de Omgevingsdienst Zuid Holland zuid (OZHZ) navragen of er informatie beschikbaar is over de bodemkwaliteit. Dit kan via www.ozhz.nl of telefonisch078 - 770 85 85. Aan het nazoeken in het archief van OZHZ zijn voor derden kosten verbonden. Bij geen of onvoldoende informatie kan in het kader van arbowetgeving de leidingexploitant een bodemonderzoek laten uitvoeren door een gecertificeerd onderzoeksbureau. Eventuele onderzoekskosten komen voor rekening van de leidingexploitant. In geval van ernstige bodemverontreiniging, en er geen alternatief tracé in overleg met de vergunningverlener is overeengekomen, moeten graafwerkzaamheden volgens de daarvoor geldende procedures worden gemeld bij het bevoegd gezag (OZHZ). Uitvoering van de werkzaamheden mag dan alleen plaatsvinden op basis van een goedgekeurd saneringsplan. Bodemverontreinigingen die onverwacht tijdens het graafwerk aan het licht komen, dienen direct aan het bevoegd gezag (OZHZ) en aan de toezichthouder te worden gemeld, waarna voortzetting van de werkzaamheden moet worden afgestemd met het bevoegd gezag. Kosten die voortvloeien ten gevolge van eventuele sanering komen in principe ten laste van de leidingexploitant. Mocht nu blijken dat dit alle redelijkheid overschrijdt (>10m3 uitkomende grond), zullen gemeente en leidingexploitant hierover in gesprek gaan en kunnen er andere afspraken gemaakt worden.Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de bepalingen in de nadeelcompensatieregeling. 5.4.8Ecologie Allereerst moet op grond van de Flora- en Faunawetgeving onderzocht worden of er beschermde planten en/of dieren binnen het tracé aanwezig zijn. In het kader van de flora en fauna kan een ontheffing nodig zijn. In ecologisch waardevolle bermen moeten de negatieve invloeden van het werk zoveel mogelijk beperkt worden. Buiten de sleuf zijn aanvullende voorwaarden van toepassing. Grond uit de sleuf wordt niet direct op de berm geplaatst, maar op een tussenliggend materiaal. Het gebruikte materiaal moet stevig zijn, opdat er tijdens en na het proces geen kans is op vermenging van grond uit de sleuf in overige delen van de berm. Ook moet verdrukking van de berm buiten de sleuf voorkomen worden. Het tussenliggende materiaal moet na afloop met zorg worden weggehaald, zodat de berm niet alsnog beschadigd wordt. Wanneer de graafmachines over bermgedeelten buiten de sleuf moeten rijden, dient verdrukking voorkomen te worden. Materieel dat deze verdrukking voorkomt (zoals rijplaten) moet dan toegepast worden. Het herstel van eventuele schade is geheel voor rekening van de leidingexploitant. 5.4.9Werkterrein Voor het aanvragen van een werkterrein/depot en/of het plaatsen van keten en materiaalcontainers moet een APV-vergunning aangevraagd worden. Na het voltooien van de werkzaamheden moet het werkterrein worden ontruimd, een en ander overeenkomstig het gestelde in de werkmaterialenvergunning, respectievelijk moet het werkterrein in de oorspronkelijke staat worden opgeleverd. Parkeren betaald en vergunninggebied Indien betaald- en/of vergunningparkeren van toepassing is, geldt dat er bij werkzaamheden in dit gebied de aannemer voor het parkeren een parkeervergunning dient aan te vragen via de betreffende gemeente. De parkeerkosten zijn voor de aannemer. 5.4.10As-built tekening De leidingexploitant dient zonder nadere verrekening, op verzoek As-built tekeningen van het leidingwerk op verzoek te verstrekken aan de vergunningverlener. Op deze tekeningen moet het tracé van de leiding zoals deze is gelegd, zijn aangegeven in x-, y- en z-coördinaten. Ook dient hij ieder jaar, op verzoek een totaal bestand van zijn netten digitaal te versturen naar de vergunninghouder ter onderbouwing van alle werkzaamheden die hij heeft uitgevoerd. 5.4.11Leidingstroken Het is verboden zich met materialen en materieel die niet voor de uitvoering van het werk nodig zijn, in de leidingstroken te bevinden. Bij transport van materiaal en materieel over de leidingstroken, en ook bij het tijdelijk opslaan van uitkomende grond kan door de leidingexploitanten van de reeds aanwezige leidingen en/of toezichthouder van de gemeente worden geëist dat de nodige (tijdelijke) voorzieningen worden getroffen. De hoogte van de opslag van de uitkomende grond mag nooit > 1 m. boven het maaiveld bedragen. 5.4.12Hoogspaningsverbindingen Bij werkzaamheden in de nabijheid van één of meer bovengrondse en/of ondergrondse hoogspanningsleidingen, zijnde transport en/of distributie van 10 kV en hogere spanningen en zendmasten moet over de te treffen veiligheidsmaatregelen vooraf worden overlegd met het bedrijf onder wiens beheer de leiding (of installatie) valt. Bij het vrijgraven van een leiding dient deze in overleg met de leidingexploitant te worden beschermd. 5.4.13Bomen en groen Werkzaamheden aan of bij bomen moet zo veel mogelijk worden vermeden (zie 4.4.2 Bomen), maar als het toch onvermijdelijk is, dan wordt hierover altijd eerst voorafoverleg gevoerd met de toezichthouder en groenbeheerder. De uitvoeringseisen ten aanzien van werken aan en rond bomen worden gegeven in de RAW standaard, paragraaf 01.18. waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Directie = vergunningverlener/toezichthouder Opdrachtgever = vergunningverlener/toezichthouder Aannemer = leidingexploitant Bestek = vergunning Zie bijlage 2 In alle gevallen geldt dat graafwerk onder de boomkroonprojectie uitsluitend handmatig wordt uitgevoerd en de boomwortels die dikker zijn dan 5 cm gespaard moeten blijven. Het kappen van boomwortels mag uitsluitend met toestemming van de toezichthouder. Voorkom graafwerkzaamheden binnen de wortelpakket van de boom en voorkom wortelschade aan stabiliteitswortels van de boom. Bovendien moet worden gehandeld overeenstemming met “Tien geboden bouwen rond bomen” beschreven in het Handboek Bomen KBB van 2013 (of recenter), uitgegeven door Norm Instituut Bomen. Zie bijlage 2. De leidingexploitant is gedurende een jaar verantwoordelijk voor het voortbestaan van bomen waar hij met toestemming, binnen de kroonprojectie heeft gegraven. De boom dient na een jaarin vergelijkbare conditie te zijn als voordat de werkzaamheden uitgevoerd zijn. Als dit niet het geval is kan de leidingexploitant worden verplicht tot herplant van een qua soort en omvang vergelijkbare boom. 5.4.14Kruisingen asfaltverharding, sierbestrating en gefundeerde wegen Leidingen dienen asfaltverharding, sierbestrating en gefundeerde wegen te kruisen door middel van een persing of boring. Bij gebruik van een persing, boring of mantelbuis moeten deze ca. 0,50 m. buiten de buitenkant van de kantopsluiting uitsteken, een en ander afhankelijk van de diameter en de dekking van de leiding en het zich buiten het wegdek bevindende ondergrondse infrastructuur. Alleen indien bovenstaande niet mogelijk is mag een open ontgraven toegepast worden. Voor deze uitzonderlijke gevallen kan ontheffing worden gegeven. Voor uitvoering en herstel asfalt zie punt 5.6.3 en ter aanvulling geldt bij gefundeerde wegen dat de fundering min. 100% wordt verdicht. Voor sierbestrating gelden aparte afspraken. 5.4.15Tijdelijke verkeersmaatregelen Indien er tijdelijke verkeersmaatregelen nodig zijn, gelden de volgende eisen: De leidingexploitant moet ten minste vier weken voor de aanvang van het werk overleggen met de toezichthouder over de te treffen verkeersmaatregelen. Bij wegafsluitingen dient er minimaal 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden een omleidingsplan ter goedkeuring aan de gemeentelijke wegbeheerder worden voorgelegd. Hierbij gelden de volgende eisen: Het verkeer dient omgeleid te worden met behulp van bebording. Deze omleidingsroute dient u vooraf ter goedkeuring voor te leggen aan de gemeente. Plaatsen, instandhouden en opruimen van de omleidingsborden dient door een gespecialiseerd bedijf uitgevoerd te worden. De hulpdiensten dienen geïnformeerd te worden. Een week voorafgaand aan de werkzaamheden dient er een bericht geplaatst te worden in de gemeenterubriek van Het Kompas (plaatselijke krant) en op de gemeentewebsite. Voor publicatie op de vrijdag dient het bericht uiterlijk op maandag te worden aangeleverd. Dit moet afgestemd worden met de afdeling communicatie van de diverse gemeenten HW. De aanwijzingen van de toezichthouder / wegbeheerder aan de leidingexploitant zijn bindend voor het tijdstip waarop de werkzaamheden op de openbare weg moeten worden uitgevoerd. De toe te passen verkeersmaatregel(
- en)moet(
- en)voldoen aan de richtlijnen CROW-richtlijn Werk in uitvoering 96b. Onmiddellijk na het gereedkomen van de werkzaamheden (inclusief het dichtstraten van de sleuf) moet(
- en)de toegepaste verkeersmaatregel(
- en)worden verwijderd. Bij gladheid veroorzaakt door ijs, ijzel of sneeuw en/of in geval van mist, sneeuwval of andere omstandigheden, in het bijzonder van atmosferische aard, die het zicht beperken tot een afstand van minder dan 200 meter, mogen geen werkzaamheden uitgevoerd worden op of langs een voor het openbaar verkeer opengestelde rijbaan, als ten behoeve van deze werkzaamheden een tijdelijke afzetting is voorgeschreven. Wanneer bovenstaande omstandigheden zich voordoen, dienen de werkzaamheden zo spoedig mogelijk te worden beëindigd. ·Per gemeente zijn er afspraken gericht op het beperken van overlast voor het verkeer tijdens werkzaamheden. De spelregels zijn aanvullend op de algemeen geldende eisen. Voor nadere informatie omtrent verkeersmaatregelen kan contact opgenomen worden met de desbetreffende gemeente. 5.5 Uitvoeringvoorschriften, per aanlegmethode 5.5.1 Weersomstandigheden (werkbaar weer) 1In geval van weersomstandigheden (bijvoorbeeld wateroverlast, (zware) sneeuwval of ijzel en vorst), waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast voor de bewoners en/ of schade voor de gemeente leidt door bijvoorbeeld breuk van vastgevroren bestratingsmateriaal en/of niet goed te verdichten ondergrond, zal de gemeente overgaan tot het tijdelijk opschorten van een verleende graafvergunning (“Breekverbod”). De vergunninghouder en grondroerder zijn gehouden zich aan onderstaande richtlijnen te houden, ook al heeft de gemeente (nog) geen expliciete melding van een breekverbod gemaakt: Op het weerstation KNMI in De Bilt gelden de volgende condities: Om 07.00 uur een geregistreerde temperatuur van -4 ºC of lager; Om 10.00 uur een geregistreerde temperatuur van -2 ºC of lager; Om 07.00 uur een geregistreerde temperatuur tussen 1 ºC en -3 ºC en om 10.00 uur daaropvolgend een geregistreerde temperatuur van -1 ºC of lager; Algemeen geldt; als er ijs in de watergang ligt mag er niet gestart worden. Alle kosten en gevolgen, voortvloeiend uit de opschorting, zijn voor de vergunninghouder. Indien grondroerder het gestelde in lid 1 negeert zal de gemeente op kosten van de betreffende leidingexploitant alle benodigde herstel werkzaamheden en materiaalleveringen (laten) uitvoeren die nodig zijn om de door leidingexploitant veroorzaakte schade aan gemeentelijke eigendommen te herstellen. Indien leidingexploitant en gemeente vooraf overeen komen dat, tijdens een opschortingperiode zoals bedoeld in lid 1, reguliere werkzaamheden aan netwerken voor levering van gas, water en/of elektriciteit niet langer kunnen worden uitgesteld kan de gemeente onder strikte voorwaarden een ontheffing voor het betreffende werk verlenen. Uitgangspunten hierbij zijn in ieder geval: De uitvoering van het werk mag niet leiden tot overmatige overlast voor omwonenden en het doorgaande verkeer; ·De uitvoering van het werk mag geen verdere afname van de (verkeers)veiligheid en bereikbaarheid veroorzaken; ·De uitvoering van het werk mag geen schade aan- of verminderde kwaliteit van naastliggende of kruisende belangen van de andere leidingexploitanten veroorzaken; ·Direct na het opheffen van het algemene breekverbod moet de ontheffinghouder op zijn kosten zorgdragen voor het, naar genoegen van de gemeente, weer in oorspronkelijke staat (wegprofiel, verharding, verhardingselementen alsmede laagopbouw en verdichting van de ondergrond) brengen van de doorgraven openbare ruimte. 5.5.2 Open ontgraving Bij een open ontgraving worden de werkzaamheden in een droge gegraven sleuf uitgevoerd. Afwijkingen of veranderingen in de opgegeven grondwaterstanden geven geen recht op schadevergoeding of enigerlei andere financiële tegemoetkoming. 5.5.3 Graven sleuf De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige leidingen en overige objecten wordt voorkomen. Schade aan aanwezige (diep)drainagesystemen of irrigatiesystemen moet worden voorkomen of adequaat worden hersteld na de uitvoering. Als op basis van het archeologisch vooronderzoek een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding verplicht is gesteld, dient hiermee rekening te worden gehouden. Bij het graven van de sleuf gelden de volgende eisen: Er mag niet dieper wordt ontgraven dan het niveau dat is aangegeven voor de onderkant van de leiding in verband met optredende klink van geroerde grond, tenzij er met de vergunningverlener anders overeen gekomen is. Bij machinaal ontgraven is het niet toegestaan een tandenbak te gebruiken. Het is niet toegestaan leidingen aan te prikken met een scherp/puntig voorwerp. De wijze van ontgraven die wordt toegepast, dient beschadigingen van naastliggende leidingen uit te sluiten. Het is verboden machinaal te graven binnen een straal van 0,50 m. vanaf de uitwendige diameter van de leiding(
- en)of mantelbuis(-buizen). Het talud moet zijn aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, opdat de sleufwanden niet kunnen instorten en/of uitzakken. Zo nodig moet de sleufwand met aan te brengen schotten worden gestut. De sleufbodem dient zo uitgevoerd te worden dat de leiding wordt aangelegd zoals in de berekening is voorzien. Het kan nodig zijn een zandlaag, grondverbetering, onder de leiding aan te brengen. De sleuf moet worden vrijgehouden van voorwerpen die de leiding zouden kunnen beschadigen. Grind, stenen en/of andere harde materialen nabij de definitieve plaats van de leiding moeten worden verwijderd en afgevoerd. Bij bomen moet rekening gehouden worden met artikels 4.4.2 en 5.4.13 van het Handboek. Voor graafwerk in en rond dijklichamen gelden mogelijk aanvullende eisen van waterschap Hollandse Delta. Hier dient rekening mee gehouden te worden. 5.5.4 Lengte van de sleuf Na aanvang van het ontgraven van de sleuf dient binnen een werkdag de sleuf opnieuw aangevuld te worden en de eventuele bovenliggende wegverharding in goede staat te zijn hersteld. Er mogen geen grotere lengtes van sleuven worden graven dan in een werkdag kan worden aangevuld en de bovenliggende verharding kan worden hersteld tenzij anders met de toezichthouder is overeengekomen. 5.5.5 Uitgraven materiaal Indien er in een te graven sleuf meerdere lagen grondsoorten zijn moeten deze apart worden ontgraven en op dezelfde diepte weer terug worden gebracht. De lagen moeten afzonderlijk worden verdicht. Zie ook artikel 5.5.8. 5.5.6 Opslag uitgegraven grond De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de sleuf de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt herkregen. De hoogte van de opslag van de uitkomende grond mag nooit > 1 m. boven het maaiveld bedragen. Aanwezige teelaarde moet separaat worden opgeslagen van de onderliggende lagen in overleg met de beheerder van de grond. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn de ondergrond gescheiden te ontgraven en op te slaan. De opslag moet zijn afgestemd op de plaatselijke grondslag. Gronddepots mogen niet boven een bestaande ondergrondse leiding, onder de boomkroon of op ecologisch waardevolle bermen worden geprojecteerd. Indien dit toch nodig is, moet in overleg met de toezichthouder worden nagegaan of het mogelijk is en welke bijzondere voorzieningen moeten worden getroffen. 5.5.7 Aanvullen sleuf Indien onder verharding de leiding onder het zandcunet wordt aangelegd, dient de leidingexploitant de sleuf tot onderkant zandcunet op zijn kosten aan te vullen met zand om zetting te voorkomen. 5.5.8 Verdichten sleuf Na beëindiging van de leidingwerkzaamheden moeten de gescheiden lagen grond, vrij van stenen en dergelijke, weer worden teruggebracht in dezelfde volgorde zoals ze werden aangetroffen. De sleuf hoeft echter niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond. De sleuf moet, ter bescherming van de leiding en bekleding, tot een hoogte van 0,30 m boven de bovenkant leiding met grond vrij van grove en harde bestanddelen worden opgevuld. Deze eerste aanvullaag moet van een zodanige kwaliteit zijn en zo worden aangebracht, dat de leiding aan alle zijden over de gehele lengte een gelijkmatige en stevige ondersteuning krijgt. De aanvulling dient te worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 m, waarbij elke laag moet worden verdicht. De sleuf dient na verdichting te voldoen aan de RAW-standaard 2015 artikel 24.02.03 tot en met 24.02.06, 24.05.01 en 24.05.04 waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Directie = vergunningverlener/toezichthouder Aannemer = leidingexploitant Bestek = vergunning / instemming Zie bijlage 1. De leidingexploitant dient de verdichtingswaarden op verzoek aan de toezichthouder te overleggen. De toezichthouder mag controle aan de sleuf eisen. Notabene: deze verdichtingseis geldt onverkort, ook indien er tijdens de werkzaamheden puin in de grond wordt aangetroffen en/of de grondsamenstelling een goede verdichting onmogelijk maakt. Het is dan aan de leidingexploitant om op zijn kosten maatregelen te treffen om een juiste verdichting te bereiken. 5.5.9 Overgebleven grond Grond en puinhoudend materiaal dat overblijft, dient conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit of conform het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente door de leidingexploitant te worden onderzocht, afgevoerd en verwerkt. Kosten die voortvloeien uit het laden, vervoeren, storten en verwerken van overtollige grond komen ten laste van de leidingexploitant. 5.5.10 Boringen en persingen (sleufloze techniek) Voor elke boring of persing dient een tekening, bij voorkeur digitaal, te worden geleverd met daarop het lengteprofiel, de in- en uittredepunten in ruimtebeslag aangegeven, de opstelplaatsen van materieel en opslagplaats materiaal. 5.5.11 Bemaling Het leggen van leidingen dient in droge sleuven plaats te vinden. Wanneer er bemaling nodig is moet dit in overleg met de vergunningverlener plaats vinden. Voor het onttrekken en lozen van grondwater is het waterschap het bevoegd gezag. Voor het lozen op het vuilwaterriool is toestemming van de gemeente nodig. De leidingexploitant blijft verantwoordelijk voor eventuele schade aan bijvoorbeeld gebouwen, beplanting e.d. als gevolg van de bemaling. Voor bronbemaling binnen de kwestbare boomzone moeten de voorschriften van Handboek Bomen KBB worden aangehouden. 5.6Overige bepalingen 5.6.1 Algemene uitgangspunten Indien binnen 5 jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare gronden, door of namens de gemeente, de leidingexploitant werkzaamheden moet uitvoeren kan de vergunningverlener/toezichthouder nadere eisen stellen aan de leidingexploitant om de kwaliteit van het pas uitgevoerde werk te herstellen. De kosten worden verrekend tegen werkelijke kosten en maken geen deel uit van de herstraattarieven. Richtlijn voor het herstel van nieuw straatwerk; Trottoir/tegel fietspad: van band tot band opnieuw verdichten en bestraten; Asfalt fietspad: gehele breedte opnieuw asfalteren; Elementen rijbaan: bredere herbestrating afhankelijk van de ligging en diepte van de sleuf met een minimum van een halve rijbaan. Sleuf breedte kleiner dan 2,50 m. is halve rijbaan herstraten. Sleuf breedte groter dan 2,50 m. (bovenkant sleuf) is hele rijbaan herstraten. Asfalt rijbaan: altijd de gehele deklaag van de rijbaan vervangen. Schade aan gemeentelijke of andere eigendommen dient zoveel mogelijk te worden vermeden/beperkt. Mochten er toch beschadigingen optreden dan dient de leidingexploitant deze direct te melden aan de eigenaar van het beschadigde object en aan de toezichthouder. Uitgangspunt bij het herstel van de schade als gevolg van de werkzaamheden is dat de leidingexploitant de situatie in oorspronkelijke staat (0-meting) herstelt. Uitgangspunt is dat de oorspronkelijke staat gelijk is aan de staat van de rest van de omgeving. Het herstel van de schade vindt plaats in overleg met en is voor rekening van de veroorzaker volgens het beleid van de gemeente. De leidingexploitant hoeft geen betere kwaliteit te leveren dan aanwezig was voor de werkzaamheden werden uitgevoerd. Behoudens de normale degeneratie als gevolg van werken, hoeft de gemeente daarentegen geen verslechtering te accepteren. Al het te gebruiken materiaal dient van hetzelfde formaat, soort, kleur en textuur te zijn als de door de gemeente gebruikelijk toe te passen materialen. Uitgezonderd op bovenstaande zijn nieuwbouwprojecten, herbestratingsprojecten en reconstructies welke nog niet aan gemeente zijn overgedragen. Hier mag de controle en goedkeuring op de verdichting en de herbestrating uitsluitend worden uitgevoerd door de firma’s die op de betreffende locatie verantwoordelijk zijn voor het aanbrengen van de bestrating. De vergunninghouder is verplicht om deze bedrijven voor eigen rekening en risico in te schakelen voor de herbestratings- en daaraan gerelateerde werkzaamheden en dit ruim voorafgaand aan de start van de werkzaamheden met de Kabel- en Leidingcoördinator en de betreffende projectleider van de gemeente af te stemmen en overeen te komen. Tijdens de uitvoering van het werk moet de vergunninghouder zorg dragen voor het schoon houden van het omliggende openbaar gebied. Indien deze hierin gebreke blijft, zal de gemeente hiervoor opdracht geven waarna de kosten bij de vergunninghouder in rekening wordt gebracht. 5.6.2 Herstel van de sleuf, elementenverharding De leidingexploitant straat zelf dicht en is verplicht om degeneratie kosten, conform de richtlijn herstraattarieven van de VNG, te betalen. Onderhoudstermijn na oplevering bedraagt 6 maanden. Binnen deze termijn dient de leidingexploitant verzakkingen op eigen kosten te herstellen. Te kortkomend bestratingsmateriaal dient door en op kosten van de leidingexploitant bijgeleverd te worden. Bestratingsmateriaal dient van hetzelfde formaat en kleur en textuur te zijn als bestaand materiaal. Voor herstel van sierbestrating worden aparte afspraken gemaakt. Het dichtstraten van de aangevulde en verdichte gaten en sleuven moet worden uitgevoerd door een erkend straatmakersbedrijf of door een persoon die volgens de toezichthouder voldoende kundig is. Opnemen en herstel natuursteenbestrating Het opnemen en herstellen van natuursteenbestrating is specialistisch van aard en moet worden uitgevoerd door een door de gemeente aan te wijzen aannemer. De kosten hiervoor komen voor rekening van de leidingexploitant. Offerte aanvraag en opdrachtverstrekking wordt door de aanvrager gecoordineerd met de aannemer, de gemeente speelt hierin geen rol. 5.6.3 Herstel van de sleuf, asfaltverharding Wanneer er toestemming is verleend om sleuven te zagen in asfaltverharding, moet de leidingexploitant de sleufbreedte afstemmen op het dichtblokken met betonstraatstenen (steenmaat). Vrijgekomen asfalt zowel niet- als teerhoudend dient door en op kosten van de leidingexploitatant afgevoerd te worden naar een erkend verwerkingsbedrijf. De randen moeten recht afgezaagd worden en de oorspronkelijke funderingsopbouw moet worden hersteld. De leidingexploitant levert de betonstraatstenen en blokt de sleuf dicht. Tussentijdse verzakkingen dienen op eerste aangeven te worden hersteld op kosten van de leidingexploitant. Na een inklinkperiode van een half jaar herstelt de gemeente de sleuf in asfalt, inclusief alle nodige markeringen e.d. De kosten worden in rekening gebracht bij de leidingexploitant. 5.6.4 Herstel van de sleuf, beplanting Wanneer er toestemming is verleend voor een tracé door een groenstrook, moet de leidingexploitant de beplanting in overleg met de toezichthouder verwijderen. Grond moet gescheiden worden ontgraven en in dezelfde lagen worden teruggebracht. De gemeente verzorgt de herplant van de beplanting. De (degeneratie-)kosten en eventuele vervangingskosten van de beplanting worden in rekening gebracht bij de leidingexploitant. 5.6.5 Schade aan huisaansluiting Indien blijkt dat de zetting aan een gevel zodanig is dat verwacht kan worden dat de huisaansluiting dreigt te beschadigen of af te breken dan is de leidingexploitant verplicht hiernaar onderzoek te doen en zo nodig maatregelen te nemen. 5.6.6 Archeologische vondsten Archeologische waarden dienen zoveel mogelijk behouden te blijven. Bij het onverwacht aantreffen van archeologische waarden of objecten dient dit direct gemeld te worden bij de vergunningverlener. Stilstand / stagnatie kan niet doorberekend worden aan de gemeenten. 6Bedrijfsvoering en bedrijfsbeïndiging 6.1Algemene uitgangspunten Krachtens algemene wetgeving en de Leidingenverordening en Telecomverordening is een leidingexploitant verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van de leiding. De leidingexploitant is verantwoordelijk voor een duurzame economische bedrijfsvoering van de leiding met zorg voor mens en milieu (fysieke omgeving en eigendommen). Voor de uitvoering daarvan moet een preventiebeleid worden gevoerd in de vorm van een Risicomanagement Systeem (RMS) of onderhoudsplan/beheersysteem. Bij de uitvoering en het beheer van leidingen met toebehoren moet, naarmate de vereiste veiligheid toeneemt, ook de controle en inspectie toenemen om ervoor te zorgen dat de vereiste veiligheid is verzekerd en blijft gewaarborgd. Volgens de Leidingenverordening en Telecomverordening kan een leidingexploitant worden verplicht periodiek de onderhouds- en inspectieplannen van zijn leiding te presenteren. 6.1.1Risicomanagment Meer specifiek verwijzen we naar de volgende normen: Verwijzing naar / vergelijkbaar met: Gasleidingen NEN 7244-1, hoofdstuk 13 Waterleidingen richtlijn Vewin (gebaseerd op NEN-EN 805:2000), hoofdstuk 14 en bijlage B warmwatervoorzieningen in Groep II analoog aan: warmwatervoorzieningen in Groep I. Rioolleidingen Vergelijkbaar met: systeem in NEN 3650 of de eerdergenoemde richtlijn van de Vewin. 6.2Bedrijfsbeëindiging 6.2.1Uitgangspunten In principe moet een (permanent) buitengebruik gestelde leiding altijd worden verwijderd. Voor het verwijderen van leidingen is het gestelde in de Leidingenverordening en Telecomverordening van toepassing, wat betekent dat er tevens een vergunning voor het verwijderen van de leiding moet worden aangevraagd. 6.2.2Uitzonderingen Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij het verwijderen niet direct wenselijk is, zoals: Het buiten gebruik stellen van een leiding(deel) terwijl er geen andere activiteiten in de ondergrond of aan het oppervlak plaatsvinden. Het ontstaan van een risicovolle situatie aan objecten in de directe omgeving van de leiding. Als het dermate hoge kosten met zich meebrengt dat het niet maatschappelijk verantwoordelijk is ter beoordeling van de vergunningverlener. Na toestemming van de vergunningverlener kan de leiding(deel) dan tijdelijk worden gehandhaafd. Hiervoor gelden dan de volgende extra eisen: Leidingen die voor langere tijd buiten bedrijf worden gesteld, moeten worden ontkoppeld, geleegd, afgedicht en vol gezet op basis van cement, schuim of dämmeren. Uit leidingen die permanent buiten dienst worden gesteld, moeten slurry, schraapsel, afvalstoffen en achtergebleven stof worden verwijderd en op passende wijze worden afgevoerd. De leiding moet op aanwijzing van de gemeente alsnog worden verwijderd als de gelegenheid zich voordoet, bijvoorbeeld in combinatie met wegonderhoud of aanleg van nieuwe leidingen in of direct naast het tracé en op verzoek van de vergunningverlener. De verlaten leiding moet door de leidingexploitant worden geregistreerd als zijnde weesleiding. 7Aansprakelijkheid, schade en verzekeringen 7.1 Aansprakelijkheid Ongeacht de vergunningverlening door de gemeente en/of goedkeuring door andere bevoegde instanties, is de vergunninghouder jegens de gemeente en/of derden aansprakelijk voor schade als gevolg van de uitvoering van het werk. De gemeente is niet aansprakelijk voor schade die leidingexploitant en/of grondroerder of derden lijden, ingeval leidingen van verschillende bedrijven door afwijking van de door haar gegeven aanwijzingen en richtlijnen in lengterichting boven elkaar of te dicht bij elkaar zijn of worden gelegd en dit is te wijten aan het feit dat bij het leggen is afgeweken van de door of namens gemeente gegeven aanwijzingen en richtlijnen. De leidingexploitant, of zijn gemachtigde grondroerder, is aansprakelijk conform het aansprakelijkheidsrecht, tegen aanspraken van derden wegens schade, die het gevolg is van het (ver)leggen, verwijderen, repareren e.d. van leidingen in opdracht van de leidingexploitant. De leidingexploitant is aansprakelijk voor alle schade aan gemeente-eigendommen die het gevolg is van het (ver)leggen, verwijderen repareren e.d. van leidingen mits hij volgens het aansprakelijkheidsrecht hiervoor aangesproken kan worden. Bij gecombineerde leidingaanleg zijn de deelhebbende bedrijven hoofdelijk aansprakelijk jegens de gemeente. Het bepaalde in het bovenstaande geldt evenzeer indien het (ver)leggen c.q. verwijderen van kabels en leidingen wordt uitgevoerd in opdracht van c.q. op verzoek van de gemeente. Leidingen die zijn gelegd in afwijking van aanwijzingen, richtlijnen e.d. van de gemeente dienen op eerste aanzegging door de gemeente door en voor rekening van de betreffende vergunninghouder te worden verlegd naar de door de gemeente aan te geven plaats c.q. hoogte. 7.2 Schade Vergunninghouder zal de redelijkerwijs mogelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van het werk schade lijdt/lijden. Schade aan gemeentelijke of andere eigendommen dient te worden vermeden. Mochten toch beschadigingen optreden dan dient vergunninghouder deze direct te melden aan de toezichthouder van de gemeente en aan de beheerder van het beschadigde eigendom. Hierna geeft vergunninghouder zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen 24 uur nadat hem daarvan is gebleken, schriftelijk kennis aan de gemeente. Het herstel van de schade vindt plaats in overleg en voor rekening van de veroorzaker mits hij hiervoor aansprakelijk is. Uitgangspunt bij het herstel van de (voorziene) schade als gevolg van de werkzaamheden is dat de vergunninghouder de situatie in oorspronkelijke staat herstelt. Daarop zijn ook de vergunningvoorwaarden en deze uitvoeringsvoorschriften gericht. Omdat bij straatwerk al op voorhand bekend is dat er, ook bij goed herstel van de verharding, toch sprake is van een kwaliteitsachteruitgang is de vergunninghouder aan de gemeente een vergoeding verschuldigd. De gemeente brengt de (degeneratie-) kosten in rekening bij de leidingexploitant. Voor de verrekening van deze vergoeding wordt het dan geldende rekenmodel van de VNG gebruikt. Echter, niet alle schades die de gemeente als gevolg van leidingwerkzaamheden lijdt kunnen door de vastgestelde schadetarieven worden gedekt. Dit is het geval bij: Schade bij groenwerkzaamheden; Schade die ontstaat buiten de sleuf; "Verborgen gebreken". Schade aan groenwerkzaamheden is aan de orde in de volgende situaties: Werkzaamheden waarbij de overlevingskans van de aanwezige beplanting gering is en dus moet worden vervangen; Werkzaamheden waarbij dicht in de buurt van bomen moet worden gewerkt; Aantasting (ecologische) kwaliteit groeiplaats; In deze gevallen zullen al vóór het verstrekken van de vergunning specifieke afspraken worden vastgelegd. Afhankelijk van de omvang van het werk kan in de vergunningsvoorwaarden "het 1e jaarsonderhoud groen" en "inboet beplanting na het 1e groeiseizoen" worden voorgeschreven. De schade aan bomen wordt vastgesteld op basis van de Richtlijnen NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen), meest recente versie of de methode Raad. In geval van schade of vervanging aan/van groenvoorzieningen zal de gemeente voor herstel cq vervanging zorg dragen. De kosten hiervan worden doorbelast aan de vergunninghouder. Voor schaderegeling zie ook bijlage 7 “Schaderegeling ingravingen Kabels & Leidingen” 7.3 Verzekeringen Vergunninghouder dient een Construction All Risk verzekering af te sluiten, welke dekking biedt voor een bedrag van minimaal € 5.000.000,00 tegen: Beschadiging, verlies of vernietiging van het werk, waaronder de voor het werk bestemde materialen; Het risico van aansprakelijkheid voor schade aan goederen van derden, en de daaruit voortvloeiende gevolgschade, alsmede voor dood en/ of lichamelijk letsel van personen, veroorzaakt door de uitvoering van het werk. De dekking van de bouwverzekering loopt minstens vanaf de dag dat dit werk op het werkterrein een aanvang neemt tot het eind van de onderhoudsperiode. De gemeente hanteert een standaard onderhoudstermijn voor bestratingen van 6 maanden en voor groenvoorzieningen van 12 maanden na schriftelijke acceptatie van het werk door de gemeente. Onverminderd het in voorgaande artikelen van deze paragraaf bepaalde zullen vergunninghouder en haar mede- en onderaannemers voor eigen rekening zorg moeten dragen voor de verzekeringen tegen schade als gevolg van Wettelijke Aansprakelijkheid welke voortvloeit uit het gebruik van aannemersmateriaal bij de uitvoering van het werk. Objecten waarvoor een verzekeringsplicht krachtens de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorvoertuigen (WAM) geldt, dienen overeenkomstig de voorschriften van de WAM, alsmede tegen het werkrisico verzekerd te zijn. Alleen door de in de vorige zin bedoelde verzekering gedekte motorrijtuigen mogen voor het werk worden gebruikt. 7.4 Veiligheid Alle werkzaamheden moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van veiligheid en arbeidsomstandigheden. De op dit gebied van kracht zijnde voorschriften moeten op het werk beschikbaar zijn. Het personeel dat bij de werkzaamheden is betrokken moet zijn geïnstrueerd met betrekking tot de op de bouwplaats geldende wetten en regels ten aanzien van veiligheid en arbeidsomstandigheden. Leidinggevend personeel van de uitvoerende partij en de vergunninghouder moeten erop toezien dat de van toepassing zijnde voorschriften worden nageleefd. Voor de aanvang van grootschalige en/of risicovolle werkzaamheden kan de gemeente een Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G plan) verlangen. Deze dient door de vergunninghouder te worden opgesteld en aan de toezichthouder van de gemeente te worden overhandigd en gemaild. In dit plan moet minimaal het volgende zijn opgenomen: De van kracht zijnde veiligheidsvoorschriften; Milieuvoorschriften; De wijze waarop de instructie en voorlichting van het personeel wordt geregeld; De wijze waarop het toezicht is geregeld; De wijze waarop verontreiniging van het milieu wordt voorkomen en/of beheerst; Een risico-inventarisatie en- evaluatie met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden; De wijze waarop de afhandeling van calamiteiten en ongevallen wordt geregeld. Het personeel dat bij de werkzaamheden is betrokken moet zijn geïnstrueerd met betrekking tot de op de bouwplaats geldende V&G plan. Leidinggevend personeel van de uitvoerende partij en de vergunninghouder moeten erop toezien dat het gestelde in het plan stipt wordt nageleefd. De toezichthouder van de gemeente controleert vanuit de publieke taakstelling van de gemeente of het werk veilig wordt uitgevoerd en is bevoegd om, bij onveilige situaties, correctieve maatregelen af te dwingen. 8 Bijlagen