De raad van de gemeente Vianen;gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 13 december 2011; gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand en de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet; besluit vast te stellen de: Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012. Hoofdstuk1Inleidende bepalingen Artikel1.Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: WWB: de Wet werk en bijstand; Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; Norm: het basisbedrag voor een alleenstaande, alleenstaande ouder en een gezin als bedoeld in artikel 20 en 21 van de WWB; Gezin: de personen als bedoeld in artikel 4 van de WWB; Gezinsnorm: de norm als bedoeld in artikel 21 eerste lid van de WWB; Toeslag: het hoger vaststellen van de norm voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 25 van de WWB; Verlaging: het lager vaststellen van de norm en de toeslag als bedoeld in de artikelen 26, 27, 28 en 29 van de WWB; Schoolverlater: de persoon die een beroep op de WWB doet en die 6 maanden voorafgaand aan de toekenning van de algemene bijstand de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding heeft beëindigd; Verzorgingsbehoevende: degene die voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 van de WWB; Verzorgende: de eerstegraads bloed- of aanverwant die de verzorgingsbehoevende verzorgt en in dezelfde woning als de verzorgingsbehoevende het hoofdverblijf heeft. Artikel2.Leeftijdsbepaling en individualisering 1.De bepalingen van deze verordening gelden voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. 2.De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing van artikel 18, eerste lid van de WWB onverlet. Hoofdstuk2.Criteria voor het verhogen van de norm Artikel3.Toeslagen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders 1.De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de WWB bedraagt 20% van de gezinsnorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen. 2.De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de WWB bedraagt 10% van de gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen. 3.Voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: Thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. Verzorgingsbehoevenden en verzorgenden tussen wie een eerste – of tweedegraads bloedverwantschap bestaat. Hoofdstuk3.Criteria voor het verlagen van de norm Artikel4.Verlaging gehuwdennorm 1.De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van de gezinsnorm voor het gezin in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen. 2.Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing. Artikel5.Verlaging in verband met woonsituatie 1.De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de WWB bedraagt 20% van de gezinsnorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de belanghebbende geen kosten van huur of hypotheek verbonden zijn. Artikel6.Verlaging schoolverlaters 1.De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de WWB bedraagt 20% van de gezinsnorm gedurende zes maanden na het tijdstip van beëindiging scholing. Artikel7.Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar 1.De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de WWB bedraagt: 20% van de gezinsnorm indien de belanghebbende 21 jaar is 10% van de gezinsnorm indien de belanghebbende 22 jaar is. 2.Overeenkomstig artikel 29 van de WWB is lid 1 alleen van toepassing op de toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB. 3.Lid 1 is niet van toepassing ten aanzien van de belanghebbende op wie artikel 6 van toepassing is. Artikel8.Anti-cummulatiebepaling 1.De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt: a. 35% van de gezinsnorm voor een alleenstaande; b. 55% van de gezinsnorm voor een alleenstaande ouder; c. 65% van de gezinsnorm voor een gezin. Hoofdstuk4.Slotbepalingen Artikel9.Nadere regels 1.Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de uitvoering van dezeverordening. Artikel10.Uitvoering 1.De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders. Artikel11.Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’, in werking treedt. 2.Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren 2010, vastgesteld bij raadsbesluit van 23 november 2010, ingetrokken. Artikel12.Citeerartikel Deze verordening wordt aangehaald als Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergaderingvan 20 december 2011, De griffier, De voorzitter, C.J. (Kees) Steehouwer W.G. (Wim) GroenewegTOELICHTING Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012 Algemene toelichting In artikel 8, eerste lid, onderdeel c in combinatie met artikel 30 van de Wet werk en bijstand (WWB) is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm of inkomensvoorziening verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Op 1 januari 2012 treedt de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ (kortweg: Wet Aanscherping WWB) in werking. Uitgangspunten van deze wetswijziging zijn: Grotere nadruk op eigen verantwoordelijkheid burger in de voorziening in het bestaan; Versterking van het activerende karakter en de vangnetfunctie van de Wet werk en bijstand; Aanscherping van de verplichtingen voor bijstandsgerechtigden; Beperking van de doelgroep voor het gemeentelijk minimabeleid. Deze uitgangspunten leiden ertoe dat het wettelijk bijstandsregime substantieel van inhoud verandert. Zo gaat voor jongeren een wettelijke zoektijd van vier weken gelden en hebben zij, anders dan onder het regime van de Wet investeren in jongeren (WIJ), geen recht meer op een werkleeraanbod, maar op begeleiding bij de vormgeving van hun eigen verantwoordelijkheid op weg naar economische zelfstandigheid. Een belangrijke wijziging in de regelgeving betreft voorts het afschaffen van de bijstand voor inwonende meerderjarige kinderen en ouders en de creatie van een toets op het huishoudinkomen. Voorts worden enkele nieuwe verplichtingen in de WWB opgenomen en wordt de doelgroep voor het minimabeleid beperkt tot de groep minima met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm. Daarnaast is een verordeningsplicht gecreëerd voor de maatschappelijke participatie van kinderen. De wetswijziging leidt, zoals gezegd, tot de noodzaak om het gemeentelijk beleid op tal van terreinen te heroverwegen. Gelet op de zeer korte invoeringstermijn is het echter uitermate lastig om reeds voor 1 januari 2012 dit indringende heroverwegingsproces adequaat te hebben afgerond én vormgegeven. Daarbij komt dat de aanscherping van de WWB per 1 januari 2012 niet op zichzelf staat maar een stap is in een proces dat in 2012 vermoedelijk tot nog een aantal wijzigingen in de WWB zal leiden die nopen tot wijziging van het gemeentelijk beleid. Gedacht moet ondermeer worden aan het wetsvoorstel ‘Toevoeging van de eis tot beheersing van de Nederlandse taal aan de Wet werk en bijstand’ (w.o. 32 328’), de plannen van het kabinet betreffende “Aanpak fraude” (Handhavingsprogramma 2011-2014) en uiteraard de Wet werken naar vermogen. Mede gelet op de uitvoeringstechnische complicaties die kunnen optreden als op beleidsmatig vlak keuzes worden gemaakt die tot aanpassingen in de uitvoeringspraktijk leiden, is een keus om de overgang naar de nieuwe WWB per 2012 zoveel mogelijk ‘beleids- en uitvoeringsarm’ te laten plaatsvinden een logische. Met ‘beleidsarm’ wordt bedoeld dat het huidige gemeentelijk beleid zoveel mogelijk in stand wordt gelaten dan wel dat slechts het minimaal noodzakelijke aan nieuw of gewijzigd beleid wordt vastgesteld. Een en ander in afwachting van een diepgaander integrale heroverweging in 2012. Onder ‘uitvoeringsarm‘ wordt verstaan dat daar waar noodzakelijke aanpassingen in het beleid plaatsvinden, dit op de minst belastende wijze voor wat betreft de uitvoering plaatsvindt. Een overgangsregeling is niet nodig. In de wijzigingswet is als hoofdregel opgenomen dat sprake is van onmiddellijke werking, d.w.z. dat per 1 januari 2012 de gewijzigde WWB direct van toepassing is op reeds bestaande rechtsposities en verhoudingen. Op onderdelen is daarvan afgeweken middels specifiek overgangsrecht. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen De meeste van deze begrippen behoeven geen nadere uitleg. De begrippen gezin, schoolverlater, verzorgende, en verzorgingsbehoevend worden hieronder uitgelegd. Gezin: het begrip gezin is af te leiden uit artikel 4 WWB. Tot het gezin behoren achtereenvolgens de gehuwden tezamen, de tot hun laste komende minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de gehuwden hebben. Daarnaast vallen alleenstaanden of alleenstaande ouders met een of meer meerderjarige kinderen die in dezelfde woning als de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben eveneens onder dit begrip. Alle middelen van alle personen die tot het gezin behoren worden bij de bijstandsverlening in aanmerking genomen. Hierdoor hebben inwonende meerderjarige kinderen vanaf 1 januari 2012 geen zelfstandig recht meer op een bijstandsuitkering. Omgekeerd geldt hetzelfde als de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.