Nr: 3 Burgemeester en wethouders van de gemeente Menameradiel; Overwegende dat het college nadere regels kan opstellen ter uitwerking van het daartoe bepaalde in hoofdstuk 3, 4, 4a en 6 van de CAR-UWO; gelet op de bereikte overeenstemming met de Ondernemingsraad d.d. 14 december 2015 Besluiten: vast te stellen de navolgende REGELING WERKTIJDEN en VERLOFArtikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. werkgever de daartoe (onder)gemandateerde leidinggevende. b. medewerker de ambtenaar in de zin van artikel 1:1, 1e lid onder a. van de CAR-UWO. c. formele arbeidsduur formele arbeidsduur waarvoor de medewerker is aangesteld. d. feitelijke arbeidsduur werkrooster met de arbeidsduur zoals die per week door de werkgever met de medewerker is afgesproken dan wel eenzijdig door de werkgever is bepaald. e. jaarlijkse arbeidsduur 52 weken maal 36 uur gecorrigeerd met de feestdagen genoemd in artikel 4:5 van de CAR – UWO. f. volledige betrekking een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. g. dagvenster de tijd waarbinnen de feitelijke arbeidsduur plaatsvindt op maandag tot en met vrijdag tussen 07.00-22.00 uur. h. standaard regeling werktijdenregeling waarbinnen de feitelijke arbeidsduur binnen het dagvenster met de medewerker wordt afgesproken. i. bijzondere regeling werktijdenregeling waarbij de feitelijke arbeidsduur eenzijdig door de werkgever bepaald wordt. j. buitendagvenster- werkzaamheden door de medewerker in opdracht van de werkgever vergoeding verricht buiten het dagvenster (standaardregeling). k. overwerk werkzaamheden door de medewerker in opdracht van de werkgever verricht volgens de bepalingen in artikel 3:18 CAR-UWO (bijzondere regeling). l. werkdag een dag waarop volgens werkrooster de medewerker arbeid verricht; m. uurvergoeding Het bruto-uurbedrag ter hoogte van 1/156 van het voor de werknemer geldende schaalbedrag zodra aanspraak op die uurvergoeding bestaat. n. CAR-UWO Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector Gemeenten en Uitwerkingsovereenkomst. o. vakantieverlof Tenminste tien dagen aaneensluitend verlof. p. verlof Niet zijnde vakantieverlof. Artikel 2 Indeling in standaardregeling en bijzondere regeling. Met uitzondering van de medewerkers van de buitendienst vallen alle medewerkers onder de standaardregeling, tenzij er geen overeenstemming tussen leidinggevende en medewerkers bereikt kan worden over de feitelijke arbeidsduur. In dat geval geldt de bijzondere regeling. Een door de leidinggevende verleende verlofdag bestaat uit het aantal uren, waarvoor de medewerker voor die werkdag is ingeroosterd. Voor elke medewerker worden de werktijden aan de hand van een werkrooster afgesproken op basis van de bereikbaarheid voor en de dienstverlening aan collega’s, de telefonische bereikbaarheid en openingstijden voor het publiek. Het werkrooster wordt in overleg met de medewerker opgesteld. Afhankelijk van onder meer het werkaanbod en de minimale benodigde bezetting kan het werkrooster tussentijds worden aangepast. Leidinggevende en medewerker bespreken tweemaal per jaar het werkrooster in relatie tot de planning van zijn werkzaamheden. Blijkt tijdens dit gesprek, dat het ongewijzigd voortzetten van de planning leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Is de overschrijding onvermijdelijk dan wordt deze overschrijding vastgesteld en uitgedrukt in uren. Voor elk teveel gewerkt uur ontvangt de medewerker een uurvergoeding of een uur vakantieverlof. Elke medewerker is mede verantwoordelijk voor de ongestoorde voortgang van het werk en de dienstverlening aan burgers. Artikel 3 Zon- en feestdagen Geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijken van deze regel noodzakelijk is vanwege het dienstbelang. Geen werk wordt verricht op Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. Door de werkgever worden, naast de in de lid 2 aangegeven dagen, 3 dagen aangewezen waarop de gemeentelijke diensten gesloten zullen zijn en waarop de medewerkers vrij zullen zijn. Het verlof komt volledig voor rekening van werkgever. Het gaat hier om Bevrijdingsdag, goede vrijdag en de vrijdag na Hemelvaartsdag. De werkgever kan, naast de in lid 2 genoemde dagen, besluiten om in enig jaar andere dagen als brugdag aan te wijzen. Voor de medewerker die op die brugdag normaal gesproken zou moeten werken geldt, dat 50% van het benodigde verlof voor rekening werkgever is en 50% voor rekening van de medewerker. Artikel 4 Vakantieverlof Het jaarlijkse toegekende vakantieverlof voor elke medewerker met een volledige betrekking bedraagt 177,6 uren, bestaande uit het in de CAR-UWO vastgestelde verlof van 144 uren verhoogd met extra bovenwettelijk verlof van 33,6 uren. Bij introductie van het individueel keuzebudget wordt het bovenwettelijk verlof verlaagd met 14,4 uur. In het kader van duurzame inzetbaarheid wordt het in het 1e lid genoemde vakantieverlof, afhankelijk van de leeftijd die de medewerker in het desbetreffende kalenderjaar bereikt en de datum van indiensttreding, verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel. De bevriezing van leeftijdsdagen zoals die in 2011 is uitgevoerd blijft gehandhaafd. In dienst voor 1 januari 1997 Leeftijd Verhoging van 30 tot en met 39 jaar van 40 tot en met 44 jaar van 45 tot en met 49 jaar van 50 tot en met 54 jaar van 55 tot en met 59 jaar van 60 jaar en ouder 7,2 uur 14,4 uur 21,6 uur 28,8 uur 36 uur 43,2 uur In dienst op of na 1 januari 1997 Leeftijd Verhoging van 45 tot en met 49 jaar van 50 tot en met 54 jaar van 55 tot en met 59 jaar van 60 jaar en ouder 7,2 uur 14,4 uur 21,6 uur 28,8 uur 3. De medewerker mag in elk kalenderjaar vóór 1 november een verzoek indienen tot het onder voorwaarden kopen, verkopen of ruilen van vakantieverlof tegen door de werkgever bepaalde doelen. Voor de uitvoering hiervan wordt verwezen naar artikel 4a CAR-UWO. Artikel 5 Vervallen en verjaren van verlof Het jaarlijkse wettelijk verlof, 144 uren voor een medewerker met een volledige betrekking, heeft een vervaltermijn van 12 maanden na afloop van dat kalenderjaar, tenzij de medewerker dit verlof niet heeft kunnen opnemen wegens medische redenen of dienstbelang. Het jaarlijkse bovenwettelijke verlof, ofwel al het verlof dat boven 144 uur aan een medewerker met een volledige betrekking wordt toegekend, kent een verjaringstermijn van 60 maanden na afloop van dat kalenderjaar. Bij de vastlegging en registratie van verlof wordt alleen onderscheid gemaakt tussen wettelijk verlof en bovenwettelijk verlof. Ter uitwerking van de artikelen 6:2a en 6:2b CAR-UWO is afgesproken dat alle verlof dat resteert uit 2015 wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof. Dit bovenwettelijk verlof kent een verjaringstermijn van 60 maanden na afloop van dat kalenderjaar. Bij afboeking van een verlofaanvraag wordt het oudste wettelijke verlof als eerste afgeboekt en voorts het oudste bovenwettelijke verlof, tenzij medewerker en leidinggevende anders overeenkomen. Tenminste drie maal per jaar ontvangt de leidinggevende een overzicht met het verlofsaldo van de medewerkers. Leidinggevende en medewerker kunnen (aanvullende) afspraken maken voor opname van dit verlof. Artikel 6 Opname vakantieverlof Elke medewerker dient het aan hem toegekende vakantieverlof jaarlijks op te nemen zoals de werkgever elke medewerker in staat moet stellen de vakantie ook daadwerkelijk op te nemen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.