← Nederland

nr 12.11 Reintegratieverordening Wet werk en bijstand (Zevenaar)

nr 12.11 Reintegratieverordening Wet werk en bijstandHoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel1Definities de wet: de Wet werk en bijstand; het college: het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar; de gemeente: de gemeente Zevenaar; vrijwilligerswerk: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie; e.werken met behoud van uitkering; als bedoeld in artikel 9 van deze verordening; f.opstapbaan: een arbeidsplaats die door de gemeente gesubsidieerd wordt op grond van afdeling 2 van hoofdstuk 4 van deze verordening; g.vangnetbaan: een arbeidsplaats die door de gemeente gesubsidieerd wordt op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 4 van deze verordening; h.alleenstaande: de alleenstaande zoals bedoeld in artikel 4 onder a. van de wet; alleenstaande ouder: de alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4 onder van de wet; gezin: het gezin als bedoeld in artikel 4 onder c. van de wet; gehuwden: gehuwden of degenen die daarmee gelijk te stellen zijn volgens artikel 3 van de wet; kind: een kind als bedoeld in artikel 4 onder d. van de wet; de doelgroep: de personen aan wie op grond van artikel 7 eerste lid onder van de wet door de gemeente ondersteuning kan worden geboden, met uitzondering van Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden met een vermogen boven de in de wet geldende vermogensgrens, waarbij eigen huis en auto niet tot het vermogen worden gerekend. Bovendien mag het inkomen van de partner niet meer bedragen dan 2 keer het wettelijk minimumloon; n.degene die bijstand ontvangt, ook wel uitkeringsgerechtigde: degene die algemene bijstand ontvangt op grond van de wet. Met degene die bijstand ontvangt wordt gelijkgesteld degene die een uitkering ontvangt op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz); o.de belanghebbende: Het lid van de doelgroep dat aanspraak maakt op ondersteuning of aan wie ondersteuning wordt geboden; p.de werknemer: het lid van de doelgroep dat een dienstverband heeft met een werkgever die daarvoor subsidie ontvangt op grond van deze verordening; ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de wet; een traject: een aaneenschakeling van reïntegratie-instrumenten; reïntegratie-instrumenten: de instrumenten die het college ter beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de wet; arbeidsinschakeling: arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 6 onder van de wet; wettelijk minimumloon: Het wettelijk minimumloon dat van toepassing is op de werknemer, exclusief werkgeverslasten. Als op de werknemer een minimumjeugdloon van toepassing is, geldt dat als het voor hem geldende minimumloon; v.arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Met een arbeidsovereenkomst wordt gelijk gesteld een aanstelling op grond van het ambtenarenrecht; Artikel2Opdracht aan het college Het college biedt ondersteuning aan leden van de doelgroep. Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van reïntegratieinstrumenten. Het college houdt daarbij rekening met de aard en omvang van door het college te bepalen doelgroepen en de instrumenten die het meest geschikt zijn voor de leden van die doelgroepen. 3.Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan reïntegratieinstrumenten prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 4.Het college bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen voor de opvang van kinderen jonger dan 12 jaar voor leden van de doelgroep, voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject of voor deelname aan een reïntegratie-instrument, of voor het bereiken van het doel van een traject of een reïntegratie-instrument. Hoofdstuk 2 Doel en doelgroep Artikel3Doel van de ondersteuning Het college kan aan een lid van de doelgroep ondersteuning bieden bij het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid, of als dat doel niet bereikbaar is, bij zelfstandige maatschappelijke participatie. Artikel4Vorm van de ondersteuning 1.Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden een traject, waarbij zonodig reïntegratie-instrumenten kunnen worden ingezet, of door het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties. 2.Bij de inzet van reïntegratie-instrumenten wordt gekozen voor dat instrument dat beschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor het doel dat beoogd wordt. 3.Reïntegratie-instrumenten die gericht zijn op de arbeidsinschakeling worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. 4.Van het vorige lid kan worden afgeweken als het college van oordeel is dat dat nodig is om duurzame uitstroom te realiseren en het college dat gewenst acht. 5.Personen uit de onder artikel 1, lid m genoemde doelgroep kunnen aanspraak maken op: -Begeleidingsactiviteiten om reïntegratietrajecten goed te laten verlopen. -Bemiddelingsactiviteiten ten behoeve van de het realiseren van uitstroom. -Plaatsingsactiviteiten ten behoeve van het verkrijgen van een reguliere baan, gesubsidieerde baan, een vrijwilligersbaan, werken met behoud van uitkering of een stageplek. -Nazorgactiviteiten om de uitstroom een duurzaam karakter te geven. Artikel5Onderzoek Het college kan voordat besloten wordt tot een traject en/of tot de inzet van reïntegratie-instrumenten een onderzoek (laten) doen naar de mogelijkheden van de belanghebbende en naar de geschiktheid voor hem van de reïntegratie-instrumenten of andere vormen van begeleiding. Artikel6Verplichtingen Onverminderd andere verplichtingen die gelden op grond van de wet of van andere wetten, bijvoorbeeld in verband met een uitkering die de belanghebbende ontvangt, gelden voor de belanghebbende de volgende verplichtingen: a.het verstrekken van de inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt traject en/of een geschikt reïntegratieinstrument; b.het verlenen van medewerking aan een onderzoek als bedoeld in het vorige artikel; c.het naar vermogen uitvoering geven aan de verschillende onderdelen van het traject; d.na te laten wat de realisatie van het doel van het traject of van de reïntegratie-instrumenten belemmert. e.Indien een belanghebbende gebruik maakt van de in artikel 4 genoemde ondersteuning en niet voldoet aan het gestelde in de voorgaande leden, kan het college de in verband met de ondersteuning gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Hoofdstuk 3 Werk als instrument voor reïntegratie Afdeling 1 Werken met behoud van uitkering Artikel7Proefplaatsing 1.Bemiddeling naar een proefplaatsing kan een onderdeel zijn van een traject gericht op arbeidsinschakeling. 2.De proefplaatsing heeft als doel de belanghebbende, met behoud van een bijstandsuitkering, te laten wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid. 3.Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte of (middel)lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een proefplaatsing geïndiceerd is. 4.De proefplaatsing kan maximaal zes maanden duren. Wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte of middellange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk, en de proefplaatsing in combinatie met een opstapbaan wordt ingezet, duurt de proefplaatsing maximaal drie maanden. Artikel8Leerwerkstage 1.Een leerwerkstage kan een onderdeel zijn van een traject gericht op arbeidsinschakeling. De leerwerkstage heeft als doel de belanghebbende, met behoud van een bijstandsuitkering, door middel van een stage werkervaring en vaardigheden op te laten doen in een bepaald vakgebied. 3.Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte of (middel)lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een leerwerkstage geïndiceerd is. 4.De leerwerkstage duurt maximaal negen maanden. Artikel9Terugkeerbanen (participatiebanen) 1.Een terugkeerbaan kan een onderdeel zijn van een traject gericht op arbeidsinschakeling 2.De terugkeerbaan heeft als doel de belanghebbende, met behoud van een bijstandsuitkering, te laten wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid. 3.Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op (middel)lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een terugkeerbaan geïndiceerd is. Een terugkeerbaan kan maximaal 2 jaar duren. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden op een terugkeerbaan een tijdelijke subsidie verlenen. 6.Het college stelt nadere regels vast over de voorwaarden voor die subsidie en de hoogte daarvan. Artikel10Vrijwilligerswerk 1.Vrijwilligerswerk kan een onderdeel zijn van een traject gericht op arbeidsinschakeling of, als dat vooralsnog niet mogelijk is, zelfstandige maatschappelijke participatie. 2.Vrijwilligerswerk heeft als doel de belanghebbende, met behoud van uitkering, werkritme op te laten doen en/of behouden, danwel een zinvolle en nuttige bijdrage te laten leveren aan de lokale samenleving. 3.Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties zonder winstoogmerk. In afwijking daarvan kan vrijwilligerswerk ook verricht worden bij een organisatie die ten behoeve van de gemeente reïntegratieactiviteiten verricht als bedoeld in deze verordening, of een instelling of organisatie gelieerd aan de gemeente met als doel sociale activering en activiteiten. 4.Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende geen perspectief, of op (middel)lange termijn een reëel perspectief, heeft op regulier werk en dat inzet van het instrument wenselijk is. Artikel11Sociale activering 1.Het college kan aan uitkeringsgerechtigden als onderdeel van een activeringstraject- of project, activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering. 2.Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, eventueel ter voorbereiding op een traject gericht op arbeidsinschakeling of gericht op het voorkomen van sociaal isolement, in ieder geval gericht op het participeren in de lokale of regionale samenleving. Afdeling 2 Betaald werk Artikel12Opstapbanen 1.Bemiddeling naar een opstapbaan kan een onderdeel zijn van een traject gericht op arbeidsinschakeling. 2.De opstapbaan heeft als doel de belanghebbende, door betaald werk, sneller op regulier werk te plaatsen. 3.Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte of middellange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een opstapbaan geïndiceerd is. 4.Het instrument wordt niet ingezet als de belanghebbende gehuwd is en het bruto-inkomen van de partner hoger is dan twee maal het wettelijk minimum loon. 5.De opstapbaan duurt maximaal twee jaar. Artikel13Vangnetbanen 1.Bemiddeling naar een vangnetbaan kan een onderdeel zijn van een traject gericht op arbeidsinschakeling. 2.De vangnetbaan heeft als doel de belanghebbende, door betaald werk, een zodanige werkervaring op te laten doen dat het perspectief op regulier werk vergroot wordt. 3.Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende die bijstand ontvangt op lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een vangnetbaan geïndiceerd is. 4.Het instrument wordt niet ingezet als de belanghebbende gehuwd is en het bruto-inkomen van de partner hoger is dan twee maal het wettelijk minimum loon. 6.De vangnetbaan kan maximaal drie jaar duren. Artikel14Detacheringsbanen uitgevoerd door een reïntegratiebedrijf 1.Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde een dienstverband bij een reïntegratiebedrijf aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling; 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. 3.Met het reïntegratiebedrijf worden in ieder geval schriftelijke afspraken gemaakt over de van toepassing zijnde rechtspositie. Hoofdstuk 4 Subsidies voor de werkgever Afdeling 1 Algemene voorwaarden voor subsidies aan werkgevers Artikel15Doel van de subsidies voor de werkgever Het college kan een subsidie verstrekken voor de loonkosten en aanverwante kosten van bepaalde werknemers, om zo werkgevers te stimuleren arbeidsplaatsen beschikbaar te stellen voor bepaalde categorieën werkloos werkzoekenden. Artikel16Werkingssfeer Subsidie aan werkgevers is alleen mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen die worden vervuld door leden van de doelgroep. Artikel17Samenloop van subsidies Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten waarvoor, al dan niet door de gemeente, reeds een andere subsidie wordt verstrekt. Artikel18Definitieve vaststelling Als de subsidie voor een bepaalde periode geldt, wordt het recht op die subsidie telkens na afloop van het kalenderjaar vastgesteld. Artikel19Voorschotten 1.Het college kan in de situatie die bedoeld wordt in het vorige lid voorafgaande aan de subsidievaststelling voorschotten verstrekken als aan de andere voorwaarden voor subsidie is voldaan. 2.Voorschotten worden eerst verrekend met de definitief vastgestelde subsidie of met voorschotten over een zelfde of een volgend kalenderjaar. Als een werkgever meerdere subsidies ontvangt, kunnen voorschotten op de ene subsidie met een definitief vastgestelde andere subsidie op grond van deze verordening of met voorschotten op een andere subsidie op grond van deze verordening worden verrekend. Verstrekking van voorschotten kan worden gestaakt, als: de werkgever in staat van faillissement verkeert; als ten aanzien van de werkgever surséance van betaling is aangevraagd; c.als een schuldeiser van de werkgever executoriaal of conservatoir beslag heeft gelegd op goederen van de werkgever. Artikel20Bevoegdheid college 1.Het college kan aanvullende regels stellen met nadere voorwaarden voor subsidies aan werkgevers. 2.Het college kan regels stellen waarin categorieën van werkgevers of werknemers worden aangewezen waarvoor voor aan bepaalde voorwaarden voor subsidie of de hoogte of de duur daarvan niet hoeft te worden voldaan. 3.Het college kan een subsidieplafond vaststellen voor de subsidies aan werkgevers. Het college kan in dit hoofdstuk genoemde subsidiebedragen aanpassen. Het college kan besluiten de subsidie voor de werkgever hoger vast te stellen als de werknemer in dienst treedt bij een niet commerciële instelling of organisatie. Aan de subsidie kunnen verplichtingen worden verbonden met de strekking dat de werkgever de medewerking verleent die nodig is voor het realiseren van de reintegratiedoelstellingen ten aanzien van de werknemer. Artikel21De aanvraag 1.De subsidie voor loonkosten moet worden aangevraagd uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. 2.De subsidie bij doorstroom naar regulier werk moet worden aangevraagd binnen drie maanden na het verstrijken van de periode van zes maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer. 3.Van de termijn bedoeld in vorige leden kan worden afgeweken als de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Afdeling 2 Subsidie voor opstapbanen Artikel22Voorwaarden bij subsidie voor opstapbanen 1.Het college kan aan een werkgever een subsidie geven voor de loonkosten van een werknemer die in het kader van een traject gericht op reïntegratie in de arbeid ten behoeve van de werkgever werkt. 2.De subsidie wordt alleen verstrekt als de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werknemer van wie vooraf door of namens het college is vastgesteld dat deze tot de doelgroep voor een opstapbaan behoort. Artikel23Duur van de subsidie voor opstapbanen De subsidie geldt voor een periode van: één jaar als door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat er bij aanvang van het dienstverband op korte termijn een reëel perspectief is op arbeidsinschakeling en hij tot de aanvang van de arbeidsovereenkomst bijstand ontving; b.twee jaar als door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat er bij aanvang van het dienstverband op middellange termijn een reëel perspectief is op arbeidsinschakeling en hij tot de aanvang van de arbeidsovereenkomst bijstand ontving; 2.De subsidie wordt na rato verlaagd als het dienstverband korter heeft geduurd dan de periode waarvoor hij geldt. 3.De subsidie geldt voor dienstverbanden van 32 uren per week. Het subsidiebedrag wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband van minder dan 32 uren per week. Afdeling 3 Subsidie voor vangnetbanen Artikel24Voorwaarden bij subsidie voor vangnetbanen 1.Het college kan aan een werkgever een subsidie geven voor de loonkosten van een werknemer die in het kader van een traject gericht op reïntegratie in de arbeid ten behoeve van de werkgever werkt. 2.De subsidie wordt alleen verstrekt als de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werknemer waarvan vooraf door of namens het college is vastgesteld dat deze tot de doelgroep voor een vangnetbaan behoort. Artikel25Hoogte en duur van de subsidie voor vangnetbanen 1.De subsidie bedraagt ten hoogste een percentage van het wettelijk minimumloon, zoals dat zou gelden bij een dienstverband van 32 uren per week. Dit percentage is niet afhankelijk van de leeftijd en gezinssituatie van de werknemer en bedraagt 104% van het bruto wettelijk minimum loon. De subsidie wordt gedurende maximaal drie jaar verstrekt. De subsidie wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband van minder dan 32 uren per week. Artikel26Bevoegdheid college Het college kan categorieën van werknemers of categorieën van werkgevers aanwijzen waarvoor de subsidie in afwijking van het vorige artikel hoger kan worden vastgesteld of voor een langere duur kan worden verstrekt. Afdeling 4 Subsidie bij doorstroom naar regulier werk Artikel27Voorwaarden voor subsidie bij doorstroom naar regulier werk 1.Het college kan aan een werkgever een subsidie geven als een werknemer reguliere arbeid heeft aanvaard bij dezelfde of een andere werkgever. 2.De subsidie wordt alleen verstrekt als de werkgever voor de loonkosten van de werknemer een subsidie ontvangt of heeft ontvangen op grond van deze verordening. 3.De subsidie wordt alleen verstrekt als de in het eerste lid bedoelde werkaanvaarding is geschied binnen de duur waarvoor de loonkostensubsidie geldt. 4.De subsidie wordt alleen verstrekt als de werknemer bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst bijstand ontving. 5.De subsidie wordt alleen verstrekt als de werknemer aansluitend op het gesubsidieerde dienstverband voor zijn nieuwe baan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gesloten. 6.De subsidie wordt alleen verstrekt als de werknemer na zes maanden na de datum met ingang waarvan het gesubsidieerde arbeidsverband is beëindigd nog arbeid in loondienst verricht. Artikel28Hoogte van de subsidie Het college stelt de hoogte van de subsidie nader vast. Hoofdstuk 5 Subsidies voor de werknemer Artikel29Vrijwilligerssubsidie 1.Burgemeester en wethouders kennen een vrijwilligerssubsidie toe aan de uitkeringsgerechtigde die minimaal 8 uur per week vrijwilligerswerk verricht. 2.De subsidie wordt aan het einde van het jaar vastgesteld en gerelateerd aan het aantal gewerkte maanden. 3.De vrijwilligerssubsidie wordt jaarlijks aangepast aan de hand van het prijsindexcijfer. Artikel30Persoonsgebonden reïntegratiebudget 1.Het college kan aan de cliënt een subsidie verstrekken in de vorm van een op arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden reïntegratiebudget. 2.Onder een persoonsgebonden reïntegratiebudget wordt verstaan een subsidie ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden die zijn gericht op arbeidsinschakeling. 3.Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels met betrekking tot de uitvoering van dit artikel. Artikel31Subsidie voor buitengewone verwervingskosten Burgemeester en wethouders kennen een subsidie voor buitengewone verwervingskosten toe aan: 1.De uitkeringsgerechtigde die buitengewone verwervingskosten heeft. De hoogte van de subsidie is in dit geval gelijk aan de buitengewone verwervingskosten. 2.De uitkeringsgerechtigde die een inkomen boven bijstandsniveau geniet, doch in verband met buitengewone verwervingskosten onder dit niveau geraakt. De hoogte van de subsidie is in dit geval gelijk aan het verschil tussen het inkomen minus de buitengewone verwervingskosten en de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Hoofdstuk 6 Slotbepalingen Artikel32Bevoegdheid college 1.Het college kan categorieën van personen aanwijzen aan wie een subsidie verstrekt kan worden ter bevordering van de aanvaarding of het behoud van werk gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het college stelt nadere regels vast over de voorwaarden voor die subsidie en de hoogte daarvan. 3.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college van Burgemeester en wethouders. Artikel33Citeerwijze en inwerkingtreding 1.Deze verordening kan worden aangehaald als: de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2008. Deze verordening vervangt de "Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand", vastgesteld op 7 juli 2004”. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 28 november 2007. De griffier, de burgemeester,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.