Beleidsregels opschorting, intrekking en terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2016De concerndirecteur van het cluster Werk en Inkomen, gelet op het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2012 en gelet op de artikelen: 8, 58, 59, 60, 60c en 61 Participatiewet; 25 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); 25 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); besluit vast te stellen: I Beleidsregels opschorting, intrekking en terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ Rotterdam 2016 Artikel1Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam; bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ. Artikel2Opschorting, herziening of intrekking 1.Het recht op uitkering kan door het college worden opgeschort, herzien of ingetrokken, indien en voor zover het daartoe bevoegd is. 2.Op grond van dringende redenen kan besloten worden geheel of gedeeltelijk van opschorting, herziening of intrekking af te zien. Artikel3Terugvordering 1.De uitkering kan door het college worden teruggevorderd indien en voor zover het daartoe bevoegd is. 2.Van de uitkering die na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekt is, kan maximaal de uitkering over de eerste zes maanden, gerekend vanaf de ontvangst van het signaal, worden teruggevorderd. 3.Onder een signaal als genoemd in het tweede lid wordt verstaan relevante informatie van de belanghebbende waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 4.De in het tweede lid genoemde beperking tot zes maanden geldt niet indien de belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht geschonden heeft. Artikel4Afzien van terugvordering Er kan binnen de grenzen van artikel 58 Participatiewet, artikel 25 IOAW en artikel 25 IOAZ, geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien indien wordt vastgesteld dat: de belanghebbende gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat deze nog verricht gaan worden; het terug te vorderen bedrag lager is dan € 200 netto, voor zover de vordering niet het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht; in afwijking van het bepaalde onder a. kan een termijn van 5 jaar worden gehanteerd voor vorderingen, die niet het gevolg zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht. Artikel5Afzien van terugvordering – op verzoek van belanghebbende Op verzoek van de belanghebbende kan binnen de grenzen van artikel 58 Participatiewet, artikel 25 IOAW en artikel 25 IOAZ, geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien als: de belanghebbende een verzoek om kwijtschelding doet, nadat belanghebbende gedurende 10 jaar volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan; de belanghebbende een verzoek om kwijtschelding doet, nadat belanghebbende gedurende 10 jaar weliswaar niet volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan, maar een bedrag, overeenkomend met minimaal 80% van de restantvordering, in één keer heeft afgelost; de belanghebbende voor vorderingen, die niet het gevolg zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een verzoek om kwijtschelding doet, nadat belanghebbende gedurende 5 jaar volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan; de belanghebbende voor vorderingen, die niet het gevolg zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, een verzoek om kwijtschelding doet nadat belanghebbende gedurende 5 jaar weliswaar niet volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan, maar een bedrag, overeenkomend met minimaal 80% van de restantvordering, in één keer heeft afgelost; de belanghebbende een beroep doet op de aanwezigheid van dringende redenen, en dit beroep gehonoreerd wordt. Artikel6Afzien van terugvordering niet mogelijk Afzien van terugvordering is niet mogelijk: ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of op goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden; indien naast een bestaande vordering een nieuwe verwijtbare vordering blijkt of ontstaat; voor de inning van vorderingen waarvoor dwangincasso heeft plaatsgevonden; voor de vordering waarbij de verstrekking heeft plaatsgevonden als bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; voor vorderingen die het gevolg zijn van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht. Artikel7Bruteren 1.Vorderingen van uitkeringen waarop loonbelasting en premies volksverzekeringen worden ingehouden, worden in beginsel gebruteerd teruggevorderd. 2.Indien de vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar én belanghebbende voldoet de vordering voor het einde van het boekjaar kan belanghebbende volstaan met netto betaling van de vordering. 3.Indien de vordering buiten toedoen van belanghebbende is ontstaan en belanghebbende niet verweten kan worden dat de betaling van de schuld niet reeds in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft is voldaan, kan worden afgezien van brutering van de vordering. 4.Indien sprake is van dringende redenen, vindt geen brutering van de vordering plaats. Artikel8Terugbetalen 1.Vorderingen worden voor zover mogelijk via verrekening met lopende uitkeringen geïncasseerd. 2.Vorderingen worden voor zover mogelijk in één keer terugbetaald. 3.Als verrekening en betaling ineens niet mogelijk zijn, wordt aan de belanghebbende een betalingstermijn gegund, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:87 van de Algemene wet bestuursrecht. 4.Op verzoek van de belanghebbende kan een betalingsregeling worden getroffen als terugbetaling binnen de gestelde termijn, gelet op de financiële omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs niet mogelijk is. 5.Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over vermogen dat, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden. Bij de bepaling van het vermogen kan artikel 34, tweede lid, Participatiewet buiten toepassing worden gelaten. 6.Het uitgangspunt bij het treffen van een betalingsregeling is dat de gehele terugbetaling plaatsvindt binnen 2 jaar. 7.Indien belanghebbende aangeeft en aannemelijk maakt dat terugbetaling binnen 2 jaar niet mogelijk is, dan wordt bij de betalingsregeling het aflossingsbedrag vastgesteld op 10% van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm vermeerderd met 35% van het inkomen boven die bijstandsnorm, maar nooit hoger dan het verschil tussen de bijstandsnorm en de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 8.Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, Participatiewet van toepassing. In aanvulling daarop wordt ook de Individuele inkomenstoeslag niet tot het inkomen van de belanghebbende gerekend. Artikel9Schuldregeling 1.Op verzoek van de belanghebbende kan, als de vordering geen gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 60c Participatiewet, 29a IOAW en 29a IOAZ waarvoor een boete is opgelegd, van verdere terugvordering worden afgezien als: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; het besluit noodzakelijk is om een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen tot stand te brengen; de vordering minstens zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang en naar een percentage dat twee maal zo hoog is als het percentage van de vorderingen van schuldeisers met een lagere rang. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, voor zover zij op die goederen verhaald kunnen worden. 3.Een besluit op grond van het eerste lid treedt niet in werking voordat de schuldregeling tot stand is gekomen. 4.Een besluit op grond van het eerste lid kan worden herzien of ingetrokken als: de schuldregeling niet tot stand komt binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt; de belanghebbende de vordering van het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de juiste gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid. 5.Een minnelijke regeling in het kader van, of analoog aan, Titel III van de Faillissementswet is getroffen, dan wel een (voorlopige) schuldsaneringsregeling door de rechtbank van toepassing is verklaard zoals bedoeld in Titel III van de Faillissementswet. Bij deze minnelijke regeling wordt een fraudevordering op de belanghebbende niet meegenomen. IIGeen vrijlating bij fraude De vrijlatingen van een gedeelte van de inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r Participatiewet, artikel 8, tweede en vijfde lid IOAW en artikel 8, derde en negende lid IOAZ, worden niet toegepast op inkomsten die de werkzoekende niet of niet tijdig heeft opgegeven. IIIIntrekking oude beleidsregels De Beleidsregels maatregelen, terug- en invordering WWB, IOAW, IOAZ 2013 worden per 31 december 2015 ingetrokken. IVInwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.