← Nederland

Bouwverordening Alphen aan den Rijn 2015 (Alphen aan den Rijn)

Bouwverordening Alphen aan den Rijn 2015De raad van de gemeente Alphen aan den Rijn; Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; Gelet op artikel 8 van de Woningwet; B E S L U I T vast te stellen de volgende: Bouwverordening Alphen aan den Rijn 2015 Hoofdstuk1.Inleidende bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijvingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikel lid, burgemeester en wethouders; Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; Bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht; Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; Gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit; Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Straatpeil: voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. 2.In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw. Artikel1.2(vervallen) Artikel1.3(vervallen) Hoofdstuk2.De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Paragraaf1Gegevens en bescheiden Artikel2.1.1(vervallen) Artikel2.1.2(vervallen) Artikel2.1.3(vervallen) Artikel2.1.4(vervallen) Artikel2.1.5Het onderzoek naar bodemverontreiniging 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1; Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. 5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel2.1.6(vervallen) Artikel2.1.7(vervallen) Artikel2.1.8(vervallen) Artikel2.1.9(vervallen) Paragraaf2(vervallen) Paragraaf3(vervallen) Paragraaf4Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond Artikel2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel2.4.2Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Paragraaf5Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen Artikel2.5.1(vervallen) Artikel2.5.2Anti-cumulatiebepaling Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. Artikel2.5.3(vervallen) Artikel2.5.3A(vervallen) Artikel2.5.4(vervallen) Artikel2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn De voorgevelrooilijn is: langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder 1 bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. Artikel2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Artikel2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: a.is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden. Artikel2.5.8Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn 1.In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijalge II bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7; overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving. 2.Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt. Artikel2.5.9Bouwen op de weg In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 28, sub b, c, en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; vrijstaande winkel- of reclamevitrines; reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn. Artikel2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn Afschuining van straathoeken Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend; in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst; in de gevallen, bedoeld in het derde lid. Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; gebouwen op handels- en industrieterreinen; vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3 onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen; gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij behorende woningen; gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat. Artikel2.5.11Ligging van de achtergevelrooilijn 1.De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich: in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste; in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. 2.Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terug liggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen. 3.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. Artikel2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Artikel2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; terrassen, bordessen en bordestreden; antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Artikel2.5.14Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; binnen de bebouwde kom gelegen kassen; vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist; ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. Artikel2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen 1.Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die: ver de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter. 2.De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. 3.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in: het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is; het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1.een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig; 2.het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; 3.bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd. Artikel2.5.16Erf bij overige gebouwen 1.Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn. Artikel2.5.17Ruimte tussen bouwwerken De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; niet toegankelijk zijn. Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. Artikel2.5.18Erf- en terreinafscheidingen 1.Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein. Artikel2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen 1.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer. 2.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd. 3.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van: het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat. Artikel2.5.20Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter. 3.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn. 4.Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen. Artikel2.5.21Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. 2.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn. 3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. 4.Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achter toegang bij voltooiing van de bouw. Artikel2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn 1.Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. Artikel2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: 45 graden in de bebouwde kom; 37 graden buiten de bebouwde kom. 2.Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. Artikel2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken 1.De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter. 2.Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagstgelegen weg. Artikel2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen 1.De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen. Artikel2.5.26Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken 1.De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil. 2.De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten. Artikel2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter. Artikel2.5.28Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; agrarische bedrijfsgebouwen; het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien: de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogte-afmetingen andere hoogte- afmetingen kleiner worden dan de bestaande; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard; plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren; draagconstructies voor een reclame; vrijstaande schoorstenen; bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. Artikel2.5.29Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordering of projectbesluit van kracht is; geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijn toekomstig ruimtelijk beleid; de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening, en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Artikel2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 1.Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Het aantal parkeerplaatsen voor bewoners, personeel, bezoekers en bedrijfsvoertuigen en de ligging en de bereikbaarheid van de parkeerplaatsen, dient te voldoen aan het vigerende gemeentelijke beleid (Bijlage 13). 2.De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimte ten minste voldoet aan de vigerende CROW-richtlijnen en NEN-normen voor wat betreft het parkeren en stallen van voertuigen; indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte overeenkomen met de vigerende CROW-richtlijnen en NEN-normen voor wat betreft het parkeren en stallen van voertuigen – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m. bij 5,00 m. bedragen. 3.Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Artikel2.5.30aFietsparkeerbeleid Indien de omvang of de bestemming van een gebouw, niet zijnde een woning, daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het stallen van fietsen in voldoende mate fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, dan wel in de directe omgeving. Het aantal fiets parkeerplaatsen voor bewoners, personeel, bezoekers en bedrijfsvoertuigen en de ligging en de bereikbaarheid van de parkeerplaatsen, dient te voldoen aan het vigerende gemeentelijke beleid (bijlage 13). Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: voor zover op andere wijze in de nodige fietsparkeerruimte wordt voorzien. indien het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. Paragraaf6(vervallen) Paragraaf7(vervallen) Hoofdstuk3De melding (vervallen) Hoofdstuk4Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk (vervallen) Hoofdstuk5Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte (vervallen) Hoofdstuk6Brandveilig gebruik (vervallen) Hoofdstuk7Overige gebruiksbepalingen (vervallen) Hoofdstuk8Slopen (vervallen) Hoofdstuk9.Het welstandstoezicht Artikel9.1De advisering door de welstandscommissie 1.De advisering over redelijke eisen van welstand is door het college van burgemeester en wethouders opgedragen aande “Stichting Dorp Stad en Land” die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandcommissie, hierna gezamenlijk te noemen: Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 2.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning. 3.Het bevoegd gezag beoordeelt zonder advies van de welstandscommissie of bouwwerken waarvoor sneltoetscriteria in de welstandsnota staan niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Het bevoegd gezag baseert hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde sneltoetscriteria. 4.In het geval het bouwwerk als bedoeld in het vorige lid niet voldoet aan de betreffende sneltoetscriteria of bij gerede twijfel, legt het bevoegd gezag het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie. 5.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de welstandscriteria en het gemeentelijke beleid zoals die zijn vastgelegd in de Welstandsnota van de gemeente Alphen aan den Rijn, of op criteria in andere – als aanvulling op deze nota vastgestelde – beleidsdocumenten, zoals bijvoorbeeld een beeldkwaliteitsplan. 6.In het als bijlage 9 van deze bouwverordening opgenomen reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit zijn aanvullende regels opgenomen ten aanzien van de werkzaamheden van de commissie. Artikel9.2Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bestaat ten minste uit drie leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, die deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit, stedebouw dan wel cultuurhistorie. 2.Indien een lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit verhinderd is, draagt Dorp, Stad & Land zorg voor een plaatsvervanger met vergelijkbare deskundigheid op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit, stedebouw of cultuurhistorie. Indien een lid benoemd is dat niet verbonden is aan Dorp, Stad & Land, dragen burgemeester en wethouders zelf zorg voor plaatsvervanging. 3.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden aanwezig zijn, welke beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. 4.De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur. Artikel9.3Jaarlijkse verantwoording 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de Welstandsnota, van de gemeente Alphen aan den Rijn; de werkwijze van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; eventuele bijzondere projecten. 2.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel9.4Termijn van advisering 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning uit binnen vier weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 2.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of wanneer het een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 3.Het college kan in zijn verzoek om advies de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een lagere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel9.5Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is openbaar. Tijdstip en plaats van de vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dagblad, nieuwsblad of huis-aan-huisblad, de gemeentelijke internetsite of op een andere geschikte wijze. De agenda voor de vergadering kan op het gemeentehuis worden ingezien. Indien het bevoegd gezag – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen alleen voor de vergadering waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. De openbaarheid geldt niet voor informeel vooroverleg. 2.Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. 4.Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet. Artikel9.6Afdoening onder verantwoordelijkheid 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als bekend mag worden verondersteld. 2.In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel9.7Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk of digitaal. 2.Negatieve adviezen worden gemotiveerd; positieve adviezen alleen als daarom verzocht wordt. 3.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd b Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel9.8(vervallen) Hoofdstuk10Overige administratieve bepalingen Artikel10.1(vervallen) Artikel10.2(vervallen) Artikel10.3(vervallen) Artikel10.4(vervallen) Artikel10.5(vervallen) Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk11.Handhaving (vervallen) Hoofdstuk12Straf-, overgangs- en slotbepalingen (vervallen) Vastgesteld door de raad van Alphen aan den Rijn in de openbare raadsvergadering van 26 november 2015,de griffier, de voorzitter, Bijlage1Figuren, behorrende bij de stedenbouwkundige bepalingen Bijlage9Reglement van Orde van de Welstandscommissie 9.0.1 Begripsbepalingen Advies: Het advies dat betrekking heeft op de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor een reclame-activiteit. De commissie: De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, als bedoeld in artikel 9.1 van de Bouwverordening. Het college: Het college van burgemeester en wethouders. Reglement: Dit Reglement van Orde Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Als de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit advies uitbrengt als bedoeld in dit Reglement, fungeert de commissie als welstandscommissie. 9.1 De advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 9.1.1 Werkwijze De commissie regelt zelf haar wijze van werken, zulks met inachtneming van de bepalingen genoemd in hoofdstuk 9 van de Bouwverordening en in dit Reglement. De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra adviseurs. Dit betreft o.a. disciplines als cultuur- en bouwhistorie, landschapsarchitectuur, landgoederen of beeldende kunst. Afhankelijk van de aanvraag om een omgevingsvergunning die moet worden beoordeeld, nemen de extra adviseurs deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn benoemd door de gemeenteraad. 9.1.2 Taakomschrijving De commissie heeft tot taak op verzoek van het college of uit eigen beweging advies uit te brengen aan het college over aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voorts heeft de commissie tot taak op verzoek van het college of uit eigen beweging advies uit te brengen aan het college over aanvragen voor een omgevingsvergunning activiteit reclame, tenzij het college van oordeel is dat voor (bepaalde) reclame-activiteiten geen advies van de commissie noodzakelijk is. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de welstandscriteria en het gemeentelijke beleid zoals die zijn vastgelegd in de Welstandsnota van de gemeente Alphen aan den Rijn, of op criteria in andere – als aanvulling op deze nota vastgestelde – beleidsdocumenten, zoals bijvoorbeeld een beeldkwaliteitplan. 9.1.3 Niet wettelijk verplichte taken De commissie voert - op verzoek van het college - naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit: - Onder de regie van de gemeente - en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager - noodzakelijk geacht vooroverleg voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen. - Advies uitbrengen aan het college over de ruimtelijke kwaliteitsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurvisies, bestemmingsplannen, ontheffingen / projectbesluiten, beheersverordeningen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen, landschappelijke plannen, en andere relevante gemeentelijke beleidsstukken waaronder de welstandsnota / nota ruimtelijke kwaliteit. De commissie krijgt deze stukken in het ontwerpstadium voorgelegd ter advisering en brengt hier desgevraagd schriftelijk advies over uit. - Advies uitbrengen over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. - Adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn. - Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, burgemeester en wethouders, ambtenaren en burgers. 9.1.4 Niet betrokken zijn bij een aanvraag om een omgevingsvergunning De leden van de commissie en hun eventuele plaatsvervangers of extra adviseurs die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins bij een door de commissie te beoordelen aanvraag om een omgevingsvergunning betrokken zijn, onthouden zich van medewerking aan de beoordeling daarvan en zijn niet betrokken bij beraadslaging, beoordeling en advisering over die aanvraag. 9.1.5 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting Het bepaalde in de artikelen 9.6 en 9.7 van de bouwverordening geldt niet voor informeel vooroverleg over bijv. een principeaanvraag of een schetsplan, tenzij de aanvrager, het college en de commissie geen bezwaar hebben tegen een openbare behandeling. Wanneer belanghebbenden in toelichtende zin spreekrecht hebben stelt de voorzitter of het aangewezen lid of de aangewezen leden, afhankelijk van de agenda, de maximale spreektijd van eenieder vast. Spreektijd kan slechts worden gebruikt voor het geven van een visie op de welstandsaspecten van het plan. Een belangenafweging of beoordeling, anders dan op basis van de vastgestelde welstandscriteria vindt niet plaats tijdens de welstandsbeoordeling. 9.1.6 Openbaarheid van de adviezen De commissie adviseert aan het college. Het college besluit of en op welke wijze de adviezen van de commissie openbaar gemaakt worden. 9.1.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid De commissie kan de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning, onder verantwoordelijkheid van de commissie, overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen, zowel positief als negatief, adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de commissie als bekend mag worden verondersteld. De commissie is eindverantwoordelijk voor het advies. In geval van twijfel wordt de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het bovenstaande alsnog voorgelegd aan de commissie. Aanvullend op het bepaalde in artikel 9.7 van de bouwverordening geldt dat indien dit wettelijk mogelijk is de gemeente de advisering over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning, onder verantwoordelijkheid van de commissie, over kan laten aan een of meerdere daartoe door het college aangewezen ambtenaren van de gemeente. 9.1.8 Vorm waarin het advies alsmede de motivering daarvan wordt uitgebracht De gemeente regelt zelf haar wijze van ondertekenen en /of waarmerken van het advies en de bijbehorende stukken, zulks met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. 9.2 Citeertitel 9.2.1 Citeertitel Dit Reglement kan worden aangehaald als Reglement van Orde Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Bijlage13Tabel parkeernormen en fietsparkeren 1. Parkeernormen auto a. Toepassing parkeernormen auto: parkeereis auto De parkeernorm geeft het aantal vereiste parkeerplaatsen voor een gebouw of voorziening per bijbehorende eenheid (aantal parkeerplaatsen per woning, per 100m2 bvo, per hectare sportveld, per behandelkamer, etc). Met de parkeernorm(

  1. en)wordt de parkeereis bepaald voor nieuwe gebouwen en voorzieningen waar een parkeervraag kan ontstaan. De parkeereis is het totaal aantal (minimaal) vereiste parkeerplaatsen voor auto’s en fietsen. De parkeernormen zijn van toepassing voor nieuwe gebouwen en voorzieningen waar een parkeervraag kan ontstaan. Uitzondering hierop vormen de locaties waarvoor in het bestemmingsplan aparte parkeernormen opgenomen zijn. Bij (meerdere) gebouwen en/of voorzieningen met verschillende functies en gezamenlijk gebruik van parkeervoorzieningen, is de parkeerbalans van toepassing (zie 1d). Met de parkeernormen en eventueel de parkeerbalans kan voor nieuwe gebouwen en/of voorzieningen het minimum aantal benodigde parkeerplaatsen worden bepaald: de parkeereis auto. Een parkeereis is ook van toepassing als de bestemming van een gebouw wijzigt (bijvoorbeeld van winkel naar woning). Hiervoor is de parkeerbalans maatgevend, ook als de parkeereis van een nieuwe bestemming niet verschilt van de parkeereis van de oude bestemming. Als de parkeerbalans met de nieuwe bestemming meer parkeerplaatsen vereist dan met de oude bestemming, dan is het noodzakelijk extra parkeerplaatsen aan te leggen als de feitelijke situatie of verwachte toekomstige situatie dit noodzakelijk maakt (hoge parkeerdruk). Hiervan kan worden afgeweken als het gaat om een nieuwe bestemming met beperkte omvang en dus beperkt effect op het parkeren, als de realisatie van de nieuwe bestemming gemotiveerd noodzakelijk wordt geacht. Valt de parkeerbalans gunstiger uit dan kan het aantal parkeerplaatsen alleen worden verminderd als de feitelijke en verwachte toekomstige situatie dit mogelijk maakt Bij een flexibele bestemming (meerdere functies mogelijk) in een bestemmingsplan moet de parkeereis worden afgestemd op de functie die de meeste parkeerplaatsen vraagt. Deze parkeereis moet aantoonbaar realiseerbaar zijn zolang deze maatgevende functie in het bestemmingsplan is opgenomen. Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen mag zijn afgestemd op de functie die op een bepaald moment wordt gerealiseerd. Voor bestaande gebouwen en voorzieningen is vaak een lagere, eerder vastgestelde parkeernorm van toepassing. Bij herinrichting van een straat of gebied kan de actuele parkeernorm als uitgangspunt gebruikt worden voor het aanpassen van het aantal parkeerplaatsen. Veelal zal het aantal benodigde parkeerplaatsen volgens de actuele parkeernorm bij herinrichting niet kunnen worden gerealiseerd vanwege de beperkte beschikbare ruimte en het gebruik ervan (niet alleen parkeren, maar ook groen, spelplekken e.d.). Goed overleg met bewoners over parkeren is noodzakelijk. b. Stedelijke dichtheid en ligging. Binnen de stad Alphen aan den Rijn is een onderscheid (zie fig. 1a en 1b) in centrum, schil centrum en rest bebouwde kom. in Boskoop een onderscheid tussen centrum (zie fig. 2) en rest bebouwde kom. Voor de overige plaatsen en het buitengebied is alleen onderscheid gemaakt in binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. In figuur 1 zijn aanvullend nog de volgende gebieden aangegeven waarin een bepaalde verlaging van de parkeernorm van toepassing is: - gebied waarbij de afstand per fiets tot alle bestemmingen binnen Alphen aan den Rijn niet meer dan maximaal circa 3,5 à 5 kilometer bedraagt (gebied III ). - gebied met belangrijke openbaar vervoersvoorzieningen (NS station, gebied IV en drukke openbaar vervoer as, gebied V). Figuur 1a. stad Alphen aan de Rijn: centrum (I), schil centrum (II), invloedsgebieden fiets (III), NS station (IV) en openbaar vervoer (V). Fig. 1b. stad Alphen aan de Rijn: centrum (I) Fig. 2. Boskoop: centrum (I) In figuur 1a hebben de gebieden III, IV en V geen overlap met de gebieden I en II omdat in deze gebieden al rekening is gehouden met betere ov- en fietsbereikbaarheid. Gebieden IV en V hebben wel een overlap met gebied III. In dat geval is de verlaging van de parkeernorm voor beide gebieden van toepassing. Indien de lijn die de grens van het gebied aangeeft samenvalt met een weg, geldt de verlaging voor beide zijden van de weg. De mate van verlaging wordt bij tabellen met de parkeernormen aangegeven.De verlaging is niet bij alle tabellen van toepassing. c. Tabellen met parkeernormen In de tabellen 1a t.m. 7 zijn de te hanteren parkeernormen per hoofdgroep opgenomen. De parkeerkencijfers voor voorzieningen die niet of weinig voor zullen komen in de gemeente (bijv. wellnesscentrum, dierenpark, ski en snowboardhal, jachthaven, bungalowpark), zijn niet vertaald in gemeentelijke parkeernormen. Wordt een voorziening waarvoor geen parkeernorm is opgenomen toch gerealiseerd, dan zal een parkeernorm worden bepaald aan de hand van parkeerkencijfers op vergelijkbare wijze die is gehanteerd voor de parkeernormen voor 2014. De in de tabellen voorkomende begrippen en afkortingen zijn: - centrum/centr. Bosk: centrum van Alphen a. d. Rijn (fig. 1)/centrum van Boskoop (fig. 2) - schil: gebied direct om centrum van Alphen aan den Rijn (zie fig. 1) - (rest) biko: (overig) gebied binnen de bebouwde kommen - buko: gebieden buiten de bebouwde kommen. PARKEERNORMEN WONEN a. Stad Alphen aan den Rijn Omschrijving Norm: pp per woning/kamer (inclusief bezoekers) Nadere, omschrijving Norm: pp per woning (inclusief bezoekers) centrum schil rest biko centrum schil rest biko Woning duur* 1,6 1.8 2,1 Koop, vrijstaand 1,6 1,8 2,1 Koop, 2 onder kap 1,5 1,7 2 Koop, etage duur 1,4 1,6 1,9 Woning middelduur* 1,4 1,6 1,8 Huur, vrije sector 1,4 1,6 1,8 Koop, tussen/hoek 1,4 1,6 1,8 Koop, etage middel 1,3 1,5 1,7 Woning goedkoop* 1,2 1,4 1,6 Koop, etage goedk 1,2 1,4 1,6 Sociale huur >100m2 1,2 1,4 1,6 Sociale huur <100m2 1,1 1,3 1,5 2 pers huish(<60m2) 1 1,1 1,2 Aandeel bezoekers: 0,3 pp per woning Aanleun/serviceflat** 0,6 0,8 1,0 Zorgwoning** 0,4 0,5 0,6 1 prs stud (< 30m2) 0,5 0,5 0,6 kmr+gez ruimte stud. 0,3 0,3 0,3 Kmr+gez ruimte ovr. 0,5 0,5 0,6 * vanaf 2015/2016 prijspeil woningen op basis van de actuele Woonvisie; periode tot deze Woonvisie: duur: prijs > € 300.000,--; middelduur: € 200.000,-- < prijs < € 300.000,--; goedkoop: prijs < € 200.000,-- ** alleen voor woningen waarvoor een zorgindicatie van toepassing is Tabel 1A: parkeernormen voor wonen stad Alphen aan den Rijn b. Overige plaatsen en buitengebied Omschrijving Norm: pp per wn/kmr (inclusief bezoekers) Nadere omschrijving Norm: pp per woning (inclusief bezoekers) biko centr. Bosk. buko biko centr. Bosk buko Woning duur* 2,2 1,8 2,3 Koop, vrijstaand 2,2 1,8 2,3 Koop, 2 onder kap 2,2 1,7 2,3 Koop, etage duur 2,1 1,6 2,2 Woning middelduur* 1,9 1,6 2 Huur, vrije sector 1,9 1,6 2 Koop, tussen/hoek 1,9 1,6 2 Koop, etage middel 1,8 1,5 1,9 Woning goedkoop* 1,6 1,4 1,7 Koop, etage goedk 1,6 1,4 1,7 Sociale huur >100m2 1,6 1,4 1,7 Sociale huur <100m2 1,5 1,3 1,6 2 pers huish(<60m2) 1,3 1,1 1,4 Aandeel bezoekers: 0,3 pp per woning Aanleun/serviceflat** 1,2 0,8 1,3 Zorgwoning** 0,7 0,5 0,8 1 prs studio (< 30m2) 0,7 0,5 0,8 kmr+gez. ruimte stud. 0,3 0,3 0,4 kmr+gez ruimte overig 0,7 0,5 0,8 * zie onder tabel 1A ** alleen voor woningen waarvoor een zorgindicatie van toepassing is. Tabel 1B: parkeernormen voor wonen overige plaatsen en buitengebied Toelichting: Een zorgwoning is een woning geschikt voor bewoners die intensieve zorg nodig hebben en er zijn meer zorgmogelijkheden dan bij een aanleunwoning. In een zorgwoning kan men ondanks medisch aantoonbare beperking(
  2. en)toch zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Bewoner(
  3. s)van aanleunwoningen zijn vaker nog zelfstandig mobiel. Vandaar de hogere parkeernorm dan voor zorgwoningen. Onder bewoners van zorgwoningen is er geen of weinig autobezit (bron: parkeernota Den Haag 2011). Zo kan ook voor wonen in groepsverband met minder dan 12 personen een parkeernorm van 0,6 per wooneenheid worden gerekend (bron: parkeernota gemeente Zijpe 2011, Grontmij). PARKEERNORMEN BEDRIJVEN Omschrijving Norm: per 100m2 bvo Aandeel bezoek Stad Alphen aan den Rijn Overige plaatsen en buitengebied centrum schil rest biko biko centr. Bosk buko Kantoor zonder balie 1,1 1,5 1,9** 2,5 2,1 2,8 5% Commerciële dienstverl 1,5 1,8 2,5** 3,5 2,7 3,8 20% Arbeidsint/bez extensief 1,3 1,7 2,2** 2,3 1,8 2,6 5% Arbeidsex/bez extensief 0,6 0,7 1** 1 0,9 1 5% Bedrijfsverzamelgeb * 1 1,3 1,8** 1,9 1,6 2,2 10% * mix van kantoren zonder balie, arbeidsextensieve en arbeidsintensieve bedrijven ** korting op norm in de gebieden III, IV en/of V (zie toelichting en figuur 1a) Tabel 2. Parkeernormen voor bedrijven Toelichting: Bij voorzieningen die liggen in de gebieden III (binnen redelijke fietsafstand) en/of IV/V (met goede openbaar vervoerverbinding) wordt de parkeernorm verlaagd: De verlagingen zijn: - in III: verminderen met 0,1 - in IV/ V: verminderen met 0,1 PARKEERNORMEN WINKELEN EN BOODSCHAPPEN Omschrijving Norm: per 100m2 bvo indien niet anders vermeld Aandeel bezoek Stad Alphen aan den Rijn Overige plaatsen en buitengebied centrum schil rest biko biko centr. Bosk buko Hfdwnkgb <100.000 inw* 3,3*** n.v.t. n.v.t. 92% Centrum Boskoop n.v.t. 3,5** n.v.t. 72% Dorps- en buurtcentr.*** n.v.t. 2,5 3 3 n.v.t. n.v.t. 72% Wijkcentr < 15 winkels*** n.v.t. 3,5 4** 4,5** n.v.t. n.v.t. 76% Wijkcentr. 15-50 wnkls*** n.v.t. 4 4,5** 5** n.v.t. n.v.t 79% Wijkcentr. > 50 wnkls*** n.v.t. 4,5 5** 5,5** n.v.t. n.v.t. 81% Kleine super (< 600m2) 2 2,5 3** 3** 2,5 n.v.t 89% Discountsupermarkt 3,3 4,5 5,5** 5,5** 3,5 7,5 96% Fullservice, hogere prijs 3,3 4 4,5** 4,5** 3,5 6,5 93% Fullservice, lagere prijs 3,3 4 4,5** 4,5** 3,5 6,5 93% Grote super (>2500m2) 4,5 5,5 6,5** 6,5** 5,5 8,5 84% Markt (per m mrktkraam) 0,19 0,21 0,23 0,24 0,22 n.v.t. 85% Bruin- en witgoedwinkels 3,3 4,5 5,5** 6** 4 7,5 85% Winkel met showroom 1,4 1,8 1,9 1,9 1,5 2,1 91% Bouwmarkt n.v.t. 2 2,5 2,5 n.v.t. 2,7 87% Tuin-/groencentrum n.v.t. 2,5 2,8 2,8 n.v.t. 3 89% Kringloopwinkel n.v.t. 1,4 1,9 1,9 n.v.t. 2,1 85% * aantal inwoners gemeente ca. 107.000; aantal inwoners Alphen ca. 70.0000 inw. ** buiten woongebieden norm met 1 pp per 100m2 bvo verhogen *** indien supermarkt met hogere norm aanwezig, dan deze toepassen voor supermarkt. Tabel 3: Parkeernormen voor winkelen en boodschappen PARKEERNORMEN HORECA EN RECREATIE Omschrijving Norm: per 100m2 bvo (behalve indien anders vermeld) Aandeel bezoek Stad Alphen aan den Rijn Overige plaatsen en buitengebied centrum schil rest biko biko centr. Bosk buko Restaurant 8 9 13* 15 12 17 80% Café/bar/cafetaria 4 5 6* 7 6 n.v.t. 90% Discotheek 8 10 17* 19 16 22 99% 1* hotel (per 10 kmrs) 1 2 3 3,5 2,5 4,5 77% 2* hotel (per 10 kmrs) 2 3 4 4,5 3,5 6 80% 3* hotel (per 10 kmrs) 3 4 5 5,5 4,5 7 77% 4* hotel (per 10 kmrs) 4 5 7 7,5 6 9 73% 5* hotel (per 10 kmrs) 6 7 10 10 8 11 65% * korting op norm in gebieden III, IV en/of V (zie toelichting en figuur 1a) Tabel 4: Parkeernormen voor horeca en recreatie Toelichting: Bij voorzieningen die liggen in de gebieden III (binnen redelijke fietsafstand) en/ of IV/V (goed openbaar vervoer) wordt de parkeernorm verlaagd. De verlagingen zijn: - Café/bar/cafetaria, in III: verlagen met 0,5 pp. - Restaurant, discotheek in III: verlagen met 2 pp; in IV/V: verlagen met 1 pp PARKEERNORMEN SPORT, CULTUUR EN ONTSPANNING Omschrijving Norm: per 100m2 bvo (behalve indien anders vermeld) Aandeel bezoek Stad Alphen aan den Rijn Overige plaatsen en buitengebied centrum schil rest biko biko centr. Bosk buko Bibliotheek 0,5 0,7 1,0* 1,1 0,7 1,3 97% Museum 0,4 0,6 0,9* 1,1 0,7 1,3 95% Bioscoop 4 6 9* 9 7 13,5 94% Theater 6 8 10* 10 8 12,5 87% Filmhuis 3 5 8* 8 5 9,5 97% Sporthal incl. wedstrijdfunctie** 2 2,5 3* 3 2,5 3,5 96% 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 Gymzaal (geen bez.
  4. vz)1,5 2 2,5* 2,5 2 3 94% Sportveld(per ha, netto) n.v.t. 15 18* 20 17 22 95% Sportschool 2,5 3,5 4,5* 4,5 3,5 6 87% Dansstudio 3 4 5* 5,5 4 7 93% Zwembad overdekt n.v.t. 10 11* 11,5 n.v.t. 12,5 97% Zwembad openlucht n.v.t. 9,5 12* 12,5 n.v.t. 15 99% (per 100m2 bad) Bowlingbaan (per baan) 1,5 2 3* 2,8 2,1 3 89% Biljartzaal (per tafel) 0,8 1 1,5* 1,3 1,1 1,7 87% * korting op norm in gebieden III, IV en/of V (zie toelichting en figuur 1a) en in ** per bezoekersplaats Tabel 5: Parkeernormen voor sport, cultuur en ontspanning Toelichting: Bij voorzieningen die liggen in de gebieden III (binnen redelijke fietsafstand) en/of IV/V (met goede openbaar vervoerverbinding) wordt de parkeernorm verlaagd: De verlagingen zijn: - bioscoop, theater, filmhuis en sportveld: in III: verlagen met 1 pp; in IV/V: verlagen met 0,5 pp; - sportschool, dansstudio, zwembad, bowlingbaan: in III: verminderen met 0,5; in IV/V: verlagen met 0,1 pp; - overige: in III: verminderen met 0,2; in IV/V: verlagen met 0,1 pp; PARKEERNORMEN GEZONDHEID EN (SOCIALE VOORZIENINGEN Omschrijving Norm: per…… (bij omschrijving vermeld) Aandeel bezoek Stad Alphen aan den Rijn Overige plaatsen en buitengebied centrum schil rest biko biko centr. Bosk buko Huisarts(praktijk) (p bhk) 2 2,4 2,9* 3,2 2,5 3,2 57% Fysiotherapie (p bhk**) 1,2 1,4 1,7* 1,9 1,6 2,1 57% Tandarts(praktijk)(p bhk) 1,5 1,9 2,3* 2,5 1,9 2,7 47% Consultatiebur. (p bhk) 1,2 1,5 1,8* 2,0 1,7 2,2 50% Gezondheidscntr(p bhk) 1,5 1,8 2,1* 2,4 1,9 2,6 55% Apotheek (per 100m2) 2,2 2,7 3,1* 3,3 2,6 3,5 45% Ziekenhuis (per 100m2) 1,4 1,6 1,7* n.v.t n.v.t. n.v.t 29% Vrplg/vrz huis (/woning) 0,5 0,5 0,6 0,7 0,6 0,8 60% Cult ctr/wijkgb (/100m2) 2 2,5 3,0* 3,0 2, 7 3,5 90% Evenement,bijeenkomst 5 6 8 8 6 10 90% Religiegeb. (per zitplts) 0,1 0,1 0,2 0,2 0,1 0,3 99% Begraafplts/crematorium (per gelijkt.plechtigheid) n.v.t. n.v.t. 30 30 n.v.t. 33 97% * korting op norm in gebieden III, IV en/of V (zie toelichting en figuur 1a) ** per bhk = per behandelkamer Tabel 6: Parkeernormen voor gezondheid en (sociale) voorzieningen. Toelichting: Bij voorzieningen die liggen in de gebieden III (binnen redelijke fietsafstand) en/ of IV/V (goed openbaar vervoer) wordt de parkeernorm verlaagd. De verlagingen zijn: - in III: verminderen met 0,1 - in IV/V: verminderen met 0,1 PARKEERNORMEN ONDERWIJS Omschrijving Norm: per…… (bij omschrijving vermeld) Aandeel bezoek Stad Alphen aan den Rijn Overige plaatsen en buitengebied centrum schil rest biko biko centr. Bosk buko Kdgvrblf/crèche (p.100m2) (excl K+R, afz. berekenen) 0,8 1 1,1 1,4 1,1 1,5 0% Basisschool (per lokaal) (excl K+R, afz. berekenen) 0,5 0,7 0,8 0,9 0,7 1 0% Middelb sch (per 100 leerl) 3,3 4 4,3* 4,5 4,3 4,9 11% ROC per 100 stud 4,2 4,8 5,2* 5,9 5,2 6,5 7% HBO per 100 stud 8,3 8,9 9,5* 9,9 9,5 10,5 72% Avondond (per 10 stud) 4 5 6 6,8 6 9,5 95% * korting op norm in de gebieden III, IV en/of V (zie toelichting en figuur 1a) Tabel 7: Parkeernormen voor Hoofdgroep Onderwijs (sterk stedelijk gebied) Toelichting: Bij voorzieningen die liggen in de gebieden III, IVen/ofVwordt de parkeernorm verlaagd. De verlagingen zijn (zie fig. 1): - in III: verminderen met 0,1 - in IV/V: verminderen met 0,1 d. Parkeerbalans Als een inrichtingsplan wordt gemaakt waarbij voorzieningen worden aangelegd met verschillende functies (bijv. wonen, werken en winkelen), dan kan bij gezamenlijk gebruik van dezelfde parkeerplaatsen een parkeerbalans worden opgesteld omdat niet elke functie op hetzelfde moment de maximale parkeervraag heeft. Voor een gezamenlijk gebruik zijn de maximale loopafstanden tot een voorziening in tabel 9 (hfdst. 9) van toepassing. Aan de hand van tabel 8 kan de maximale parkeervraag voor de diverse functies worden bepaald. 2. Realisatie parkeerplaatsen auto’s a. gebruik en locatie parkeerplaatsen Openbaar toegankelijke parkeerplaatsen zijn vanwege de uitwisselbaarheid tussen parkerende gebruikers van dezelfde of van andere voorzieningen (dubbelgebruik) efficiënter te gebruiken dan privé parkeerplaatsen. In principe moeten parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd, maar daarbij wel (deels) openbaar toegankelijk te zijn voor gebruikers (bewoners of werknemers e.d. en bezoekers) waarvoor de parkeerplaatsen zijn aangelegd. Als nieuwe gebouwen en/of voorzieningen in gebieden worden aangelegd waar het parkeren niet gereguleerd is, dan mogen op de bij de gebouwen en/of voorzieningen behorende parkeerplaatsen geen parkeerregulerende maatregelen worden getroffen. Anders is de kans groot dat gebruikers van de nieuwe gebouwen en/of voorzieningen in die gebieden gaan parkeren. Indien parkeerplaatsen (voor een deel) niet op eigen terrein kunnen worden aangelegd, kan worden bekeken of deze elders in het openbaar gebied of op privé terrein kunnen worden aangelegd of al aanwezig zijn (zie 2b). Daarbij gelden de volgende maximale loopafstanden tot deze vervangende parkeerplaatsen, al dan niet binnen een bepaalde bandbreedte. Tabel 9: maximale loopafstanden tot parkeerlocaties t.b.v. gebouw en/of voorziening Functie Afstand tot vervangende p-plaatsen Wonen centrum 0 - 400 meter* Wonen schil 0 – 250 meter* Wonen overige gebieden 0 - 100 meter* Winkelen centrum 0 – 600 meter* Winkelcentra 0 – 300 meter* Winkels en supermarkten 0 – 150 meter* Werken 0 – 800 meter* Vrije tijd, sport, ontspanning 0 – 300 meter* Gezondheidszorg 0 – 100 meter* Onderwijs 0 – 150 meter* * afhankelijk van de afstand tot parkeerplaatsen die ongewenst als alternatief kunnen worden gebruikt (zie toelichting) Toelichting: Voor loopafstanden tot de vervangende parkeerplaatsen gelden de hoogste waarden binnen de gegeven bandbreedte, behalve als er dichterbij bruikbare alternatieve openbare parkeerplaatsen zijn waarvan gebruik tot parkeeroverlast zou kunnen gaan leiden. Dan wordt loopafstand tot de vervangende parkeerplaatsen 25% minder dan de afstand tot de alternatieve parkeerplaatsen. Als de vervangende parkeerplaatsen een betere ligging hebben voor gebruikers van nieuwe gebouwen en/of voorzieningen dan de alternatieve parkeerplaatsen, dan kan in overleg met de gemeente een uitzondering worden gemaakt en kan een gelijke loopafstand worden aangehouden. Aan te leggen parkeerplaatsen in openbaar gebied worden door de gemeente aangelegd op kosten van de aanvrager. b. gebruik bestaande parkeerplaatsen Bij het meetellen van reeds aanwezige parkeerplaatsen in de parkeereis, mag de parkeerbezetting niet hoger worden dan 80 tot 90%, Het percentage is afhankelijk van het aantal en de ligging van de parkeerplaatsen: klein aantal (10 à 20) en verspreide ligging: 80%; klein aantal (10 à 20) en geconcentreerde ligging: 85% groot aantal (50 à 100 en verspreide ligging: 85%; groot aantal (50 à 100) en geconcentreerde ligging: 90%. Ten aanzien van het meetellen van reeds aanwezige parkeerplaatsen is uiteraard tabel 9 van toepassing. Voor aanleg of gebruik van parkeerplaatsen op privé terrein moet een overeenkomst voor onbepaalde tijd worden afgesloten voor de periode waarin de voorziening waarvoor het parkeren bedoeld is, aanwezig is. c. waardering parkeerplaatsen bij woningen ten opzichte van het benodigd aantal Bij woningbouwprojecten kunnen parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd of op (toekomstige) voor het verkeer openstaande wegen. Voor parkeerplaatsen op eigen terrein gelden de volgende waarden: 1 garage met voldoende opstelruimte voor garage op eigen terrein = 1 parkeerplaats 1 garage zonder opstelruimte = 0,2 pp 1 vrijstaande garagebox = 0,4 pp 1 tuinparkeerplaats = 0,8 pp; Bij voorkeur wordt binnen de bebouwde kom maximaal 1 parkeerplaats per woning op privé terrein aangelegd. Het minimaal aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte is 0,3 pp per woning. Buiten de bebouwde kom moet bezoekersparkeerplaatsen op eigen terrein plaatsvinden. d. Eisen aan parkeervoorzieningen De maatvoering en het ontwerp van openbare parkeerplaatsen zal moeten voldoen aan de geldende eisen en richtlijnen hiervoor van de gemeente Alphen aan den Rijn. Zijn deze er niet dan zijn de richtlijnen van het CROW maatgevend. Voor parkeergarages en parkeerterreinen op eigen terrein is de laatste uitgave van de NEN 2443, Parkeergarages en parkeerterreinen, van toepassing. B. Parkeervoorzieningen fiets 1. parkeernormen fiets a. Toepassing parkeernormen fiets: parkeereis fiets De parkeernorm geeft het minimum aantal benodigde fietsparkeerplaatsen voor een nieuw gebouw of voorziening per bijbehorende eenheid (aantal parkeerplaatsen per type woning, per 100m2 bruto vloeroppervlak, per behandelkamer, per hectare of per zitplaats, etc,). De parkeernorm is afhankelijke van de functie van een gebouw of voorziening. De parkeernormen zijn van toepassing voor nieuwe gebouwen en voorzieningen waar een parkeervraag kan ontstaan. Uitzondering hierop vormen de locaties waarvoor in het bestemmingsplan aparte parkeernormen opgenomen zijn. Met de parkeernormen kan bij gebouwen en/of voorzieningen het minimum aantal benodigde fietsparkeerplaatsen worden bepaald: de parkeereis fiets. Bij een flexibele bestemming (meerdere functies mogelijk) in een bestemmingsplan moet de parkeereis worden afgestemd op de functie die de meeste parkeerplaatsen vraagt. Deze parkeereis moet aantoonbaar realiseerbaar zijn zolang deze maatgevende functie in het bestemmingsplan is opgenomen. Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen mag zijn afgestemd op de functie die op een bepaald moment wordt gerealiseerd. b. Stedelijke dichtheid en ligging. Binnen de stad Alphen aan den Rijn is een onderscheid (zie fig. 1a en 1b) in centrum, schil centrum en rest bebouwde kom. in Boskoop een onderscheid tussen centrum (zie fig. 2) en rest bebouwde kom. c. Tabellen met parkeernormen fiets In tabel 10 zijn de te hanteren parkeernormen voor fietsen opgenomen. Voor woningen geldt echter voor fietsparkeren door bewoners de plicht dat de woning een fietsenberging heeft waarvan de grootte afhankelijk is van de grootte van de woning. Voor appartementen zijn buiten ook parkeerplaatsen nodig voor bezoekers. Zeker bij grotere appartementen wordt het zonder deze voorzieningen erg rommelig. Tabel 10: fietsparkeernormen voorziening Parkeernorm centrum schil rest Appartementen, bezoekers (per app.) 0,3* 0,25* 0,2* Kantoor, personeel (per 100m2 bvo) 2,5 2 1,5 Kantoor, bezoekers (per 100m2 bvo) 2,5 2 1,5 Basisschool, leerlingen (per 10 leerl) 5,5 5 5 Middelb. onderw, leerlingen (per 10) 7,5 7,5 7,5 ROC, leerlingen (per 10 leerl) 6 6 6 Onderwijs, personeel (per 10 medew) 5 4,5 4 Winkels (per 100m2 bvo) 3,5 3 2,5 Winkelcentrum (per 100m2 bvo) -- -- 3,5 Weekmarkt (per m marktkraam) 0,2 0,18 0,15 Supermarkt (per 100m2 bvo) 3,5 3,5 3,5 Bouwmarkt (per 100m2 bvo) n.v.t. 0,5 0,4 Tuincentrum (per 100m2 bvo) n.v.t. 0,1 0,1 Café, bar, etc. (per 100m2 bvo) 10 9 8 Restaurant, luxe (per 100m2 bvo) 7 6 4 Restaurant, eenv, fastfood, pann.koek 10 9 8 Bibliotheek (per 100m2 bvo) 4 3,5 3 Museum (per 100m2 bvo) 2 1,5 1 Bioscoop (per 100m2 bvo) 8 7 4 Theater (per 100 zitplaatsen) 25 23 18 Sportschool (per 100m2 bvo) 6 5 4 Sporthal: sporters (per 100m2 bvo) 3,5 3 2,5 Sporthal: bezoekers (per 100 bez.cap) 40 35 30 Sportveld (per hectare) n.v.t. 75 65 Zwembad, open lucht (per 100m2 bad) n.v.t 30 25 Zwembad, overdekt (per 100m2 bad) 25 23 20 Kerk, Moskee (per 100 zitplaatsen) 50 45 40 Ziekenhuis, personeel (per 100m2 bvo) 0,6 0,5 0,3 Ziekenhuis, bezoekers (per 100m2 bvo) 0,7 0,6 0,5 Gezondhdscntrm, pers (per 100m2 bvo) 0,7 0,6 0,4 Gezondshdscntrm, bez. (per 100m2 bvo) 1,8 1,5 1,3 2. Realisatie parkeervoorzieningen fiets a. gebruik en locatie parkeervoorzieningen fiets Bij realisatie van fietsvoorzieningen geldt het volgende: bij appartementen: ligging en ontsluiting inpandige bergingen - inpandige fietsbergingen liggen bij voorkeur op de begane grond van een gebouw; - bij ligging in een kelder of op een verdieping moet een fietsvriendelijke toegang worden gemaakt met een helling van maximaal 10 graden (hellingbaan of trap met treden 9/50 of 10/60); - naast een trap minimaal 1 goot van (ongeveer) 10 cm breed en 4 cm diep; bij ontsluiting van meer dan 15fietsenbergingen aan beide zijden van de trap een goot met de voornoemde afmetingen; - gangpaden en hellingbanen of trappen zijn minimaal 1,20 meter breed, bij ontsluiting van meer dan 15 fietsenbergingen zijn deze minimaal 2 meter breed; - de toegang(
  5. en)vanaf buiten is (zijn) gelegen aan of nabij de zijde van de openbare weg waarop de toegangsroute is aangesloten. overige fietsparkeerplaatsen liggen in principe op eigen terrein. fietsparkeerplaatsen voor bezoekers en personeel zijn bij voorkeur van elkaar gescheiden. fietsparkeren voor personeel bij voorkeur inpandig, in ieder geval overdekt. De looproute van en naar de bestemming is kort. Bij meerdere ingangen dienen de fietsparkeerplaatsen te worden verdeeld over de ingangen naar verhouding van verwachte aantallen per ingang. Per 20 fietsparkeerplaatsen minimaal 1 parkeerplaats voor bromfietsen en afwijkende fietsen met een breedte van 1 meter zonder fietsrek of aanleunvoorziening, met een minimum van 1 bij 10 fpp en 2 bij 20 fpp. Per 10 fietsparkeerplaatsen voor personeel bij voorkeur minimaal 1 oplaadpunt voor een elektrische fiets aanbrengen met een minimum van 1. b. waardering parkeerplaatsen fiets bij woningen ten opzichte van het benodigd aantal Bij het toepassen van hoog-laag rekken geldt een maximale capaciteit van 0,75 x aantal plaatsen. c. Eisen aan parkeervoorzieningen fiets De fietsparkeervoorzieningen moeten voldoen aan de fietsparkeur. Fietsparkeur zijn normen die de kwaliteit van een fietsenrek garanderen. C. Afwijken van de parkeernormen Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de parkeernormen indien strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd. De dringende redenen/noodzaak om van deze hardheidsclausule gebruik te kunnen maken dient te zijn aangetoond. Toelichting Bouwverordening Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Bouwtoezicht De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet. Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als ‘bouwtoezicht’ worden aangemerkt. De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen ambtenaar zijn onterecht aangewezen. Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar. De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. Bouwwerk en gebouw De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet. Hoofdstuk II Omgevingsvergunning voor het bouwen Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden Vervallen Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek Inleiding De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Beide toelichtingen moeten in combinatie met elkaar worden gelezen. Lid 1 Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld. Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed. Lid 3 In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor. Lid 4 Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. Lid 5 De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Algemeen In het tweede lid van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord uitsluitend in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt: Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag zijn. Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht. De gezondheidsrisico’s voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo. Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat. Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven’ wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip ‘voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen’ valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning. Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist. Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn. Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit. Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet. Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV. Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: - de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht; - de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; - de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden. Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen Algemeen Op 29 november 2014 is de zogenaamde ‘Reparatiewet BZK 2014’ in werking getreden (Stb. 2014, 458). De Reparatiewet nam onder meer de wettelijke grondslag weg voor de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening (artikel 8 lid 5, 9 en 10 Woningwet en artikel 8.17 onder B IWro zijn komen te vervallen). De Reparatiewet BZK 2014 regelde verder dat gemeenten de stedenbouwkundige bepalingen uit hun bouwverordening voor 1 juli 2018 moeten hebben opgenomen in bestemmingsplannen of beheersverordeningen (artikel 133 Woningwet werd toegevoegd). Dit betekent dat de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening geleidelijk via overgangsrecht zullen ‘uitsterven’. Daarmee zal de bouwverordening als instrument op termijn verdwijnen. Overgangsregeling Er geldt een overgangstermijn die loopt tot 1 juli 2018. Dat is geregeld in artikel 133 Woningwet. Vanaf die datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening van rechtswege hun (aanvullende) werking voor bestaande bestemmingsplannen en beheersverordeningen, kunnen deze niet meer als vangnet dienen en moeten deze (en met name de parkeernormenbepaling) zijn ondergebracht in het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Het nieuwe recht treedt echter al eerder in werking wanneer voor 1 juli 2018 een (nieuw) bestemmingsplan (of beheersverordening) wordt vastgesteld. Stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening zijn namelijk (ook van rechtswege) niet meer van toepassing wanneer ontwerpbestemmingsplannen na 29 november 2014 (definitief) worden vastgesteld door de gemeenteraad. Artikel 133 Woningwet regelt ook dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, ingediend voor 29 november 2014, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een besluit over een dergelijke aanvraag, de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend, van toepassing blijven. Overigens Het laten vervallen van de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening is steeds de bedoeling van de wetgever geweest. Beoogd was om met de invoering van de Wet ruimtelijk ordening (Wro) in 2008 de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening, inclusief de regeling betreffende het parkeren, geleidelijk zijn werkingskracht te laten verliezen. Met de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (IWro) werd aanvankelijk de mogelijkheid om stedenbouwkundige bepalingen op te nemen in de bouwverordening geschrapt. Uiteindelijk werd hiervan afgezien omdat te veel vragen bestonden of en over de wijze waarop het parkeren in het bestemmingsplan zou kunnen worden geregeld. De betreffende bepaling is nooit inwerking getreden. De Reparatiewet 2014 regelde dit dus alsnog op een iets andere manier. Wat betekent dit voor de gemeente? - Er is een overgangstermijn voor bestaande bestemmingsplannen tot 1 juli 2018. Na die datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening van rechtswege hun (aanvullende) werking voor bestaande bestemmingsplannen, kunnen deze niet meer als vangnet dienen en moeten deze (en met name de parkeernormenbepaling) zijn ondergebracht in het bestemmingsplan. Dit kan bijvoorbeeld door een paraplu bestemmingsplan. - Wanneer de gemeenteraad een nieuw bestemmingsplan vaststelt, treedt de nieuwe regeling in werking. Op dat moment zijn de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening niet meer van toepassing. Dat kan dus al (ruim) eerder dan 1 juli 2018 het geval zijn. - Tussen 29 november 2014 en 1 juli 2018 kunnen er dus twee regimes naast elkaar bestaan: de regeling in de bouwverordening en (steeds meer) bestemmingsplanregelingen. Het is zaak daar bij de beoordeling van aanvragen omgevingsvergunningen goed rekening mee te houden. Dit blijkt immers niet uit de tekst van deze regelingen zelf. Het verdient verder aanbeveling hierover in de communicatie helderheid te geven. Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan Artikel 9 Woningwet is op 29 november 2014 komen te vervallen. De overgangsregeling uit artikel 133 Woningwet regelt dat deze bepaling tot 1 juli 2018 onder bepaalde condities van toepassing kan blijven. Daarom wordt daar hier kort op ingegaan. Artikel 9 van de Woningwet luidde tot 29 november 2014 als volgt: Artikel 9 1. Voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan blijven eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing. 2. De voorschriften van de bouwverordening blijven van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt. Deze paragraaf van de MBV geldt tot 1 juli 2018 en alleen dan als er na 29 november 2014 geen bestemmingsplan is vastgesteld en indien er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. De Woningwet geeft wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): ‘..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.’ Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan. Zie in dit kader ook de uitspraak ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4647 (Zandvoort). Hierin wordt bepaald dat de bouwverordening slechts een aanvullende werking heeft indien het bestemmingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen. Het is niet zo dat de voorschriften van de bouwverordening alleen buiten toepassing blijven indien het bestemmingsplan dat uitdrukkelijk bepaalt. Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd: a. bevat het bestemmingsplan voorschriften over een onderwerp dat ook in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld, b. of het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of, c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen. Wet ruimtelijke ordening De Wro en het Bro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop ingegaan. Hieronder wordt apart ingegaan op de verschillende stedenbouwkundige bepalingen. Zoals gezegd, gelden deze bepalingen in steeds minder gevallen. Ze vervallen namelijk van rechtswege wanneer een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld of (als dat niet gebeurt) per 1 juli 2018. Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben. Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen gedefinieerd wordt als ‘de lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden’, is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro. Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de ‘totaal-benadering’ zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtige bouwplan. Deze ‘totaal-benadering’ houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig. Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd: 1. uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ‘, te weten:’. Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of beheersverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is. Lid 1, ad b Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d. Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten. Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8. Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken Lid 4, onder a Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen. Lid 4, onder f Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende zolderverdiepingen e.d. Lid 4, onder g Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor gebouwen, die een ruim voorterrein vragen. Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage. Lid 1, onder a Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt. Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen wordt gedefinieerd als ‘de lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden’, is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen. Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn. Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l. Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7. Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten. Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven. Ad a en g Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing. Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de buitenruimte in de zin van het Bouwbesluit. Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht. Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel. Lid 3 b, onder 1 Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen. Lid 3 b, onder 2 Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende uitloop beschikt, zou kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven erfgrootte. Lid 3 b, onder 3 Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer. Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht. Lid 2, onder a en b Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere geval. Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is. Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d. Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk. Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding. Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen betekenis. In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan voor op de gemeentelijke bouwverordening. Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in overeenstemming is met dit besluit. Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9 Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf 5. Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi: http://www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld. Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.) Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage. Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16). Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20. Lid 2 De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt. De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18). Lid 4 Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het v

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.