Verordening maatschappelijke ondersteuning Utrecht 2016De raad van de gemeente Utrecht; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Utrecht 2016. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten in het kader van de Wmo dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat gericht is op het versterken van de zelfredzaamheid, zelfregie en eigen kracht. Aanbieder: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene of individuele voorziening te leveren. Arbeidsmatige activering: ondersteuning in groepsverband, in een omgeving met arbeidsmatige kenmerken, ter vervanging van reguliere arbeid. Gericht op het bereiken van enige vorm van zelfstandige (arbeidsmatige) participatie. Beleidsplan Wmo: het beleidsplan van de gemeente Utrecht in het kader van de Wmo. Bundeling; samenwerkingsverband van adviescommissies, cliëntraden en belangenorganisaties met als doel het gezamenlijk verbeteren van advisering, belangenbehartiging en het versterken en waarborgen van participatie van inwoners en cliënten. Regionale Toegang (RT): het loket waar een cliënt zich kan melden voor maatschappelijke opvang en begeleid wonen en die deze melding verder in behandeling neemt. Buurtteam: een team van professionals dat advies en ondersteuning biedt op het gebied van de Wmo, meldingen en aanvragen in ontvangst neemt en hulpvragen dan wel aanvragen kan behandelen. De buurtteamorganisatie is door het college gemandateerd om hulpvragen en aanvragen te behandelen. Collectief (openbaar) vervoer: vraagafhankelijk vervoer gericht op de regionale vervoersbehoefte primair bestemd voor personen met een beperking die geen gebruik kunnen maken van het regulier openbaar vervoer. College: college van burgemeester en wethouders. Dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een ingezetene, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen. Eigen bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 eerste lid van de wet. Informele begeleiding: ondersteuning en/of begeleiding van de Wmo-brede doelgroep die geboden wordt met behulp van vrijwillige inzet. International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF); de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) opgestelde classificatie voor het beschrijven van het menselijk functioneren en de problemen die daarin kunnen optreden. Deze internationale standaard vormt de basis voor het objectief vaststellen van beperkingen en participatieproblemen. Participatie: het op een aanvaardbaar niveau kunnen deelnemen aan de samenleving. Thuisbegeleiding: Structurele individuele ondersteuning aan zelfstandig wonende zorg mijdende cliënten. Gericht op het bieden van structuur waardoor de persoon zelf een huishouden kan voeren. Ter voorkomen van vervuiling, overlast en gedragsproblemen. Maatwerkvoorziening: een aanbod van diensten of activiteiten in het kader van de Wmo ten behoeve van de zelfredzaamheid dat afgestemd is op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon en dat op basis van een individuele beschikking kan worden toegekend. Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Medewerker: persoon die namens het college een melding of aanvraag behandelt. Melding: de mededeling aan het college, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. Ondersteuningsplan: het document met de uitkomst van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, indien van toepassing aangevuld met adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt. Periode voor de eigen bijdrage: vastgestelde periode van vier weken die het CAK hanteert voor de vaststelling van de door de cliënt te betalen bijdrage. Tenzij de wetgever deze CAK periode anders vaststelt. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet. Vakantie: aaneengesloten dagen waarop belanghebbende buiten de gemeente Utrecht verblijft, maar nog wel aangemerkt kan worden als ingezetene van de gemeente Utrecht. De maximale aaneengesloten vakantieduur bedraagt 6 weken. Binnen een kalenderjaar worden de verschillende vakantieperiodes bij elkaar opgeteld en kunnen samen nooit meer bedragen dan 13 weken per kalenderjaar. Ook in geval de vakantie opgenomen wordt over twee aansluitende kalenderjaren kan niet meer dan 6 weken aangesloten opgenomen worden Vergoeding: budget dat al dan niet als pgb wordt verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Vrijwillige inzet: de inzet die mensen onverplicht en onbetaald (buiten een eventuele vrijwilligersonkostenvergoeding) aan de samenleving leveren, al dan niet in georganiseerd verband. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Wmo-brede doelgroep: alle inwoners die verminderd zelfredzaam zijn vanwege lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen, chronische psychische en/of psychosociale problemen. En geen aanspraak kunnen doen op de Wlz of andere voorliggende voorzieningen. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Zelfredzaamheids-matrix: instrument om in de (openbare) gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en gerelateerde werkvelden, de mate van zelfredzaamheid van cliënten te kunnen beoordelen. Artikel1.2Reikwijdte verordening 1.Deze verordening heeft betrekking op de maatschappelijke ondersteuning in de zin van de wet, ten behoeve van ingezetenen van de gemeente Utrecht. 2.Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn woonplaats heeft in de gemeente Utrecht, blijkend uit het feit dat hij in de basisadministratie van de gemeente staat ingeschreven. 3.In afwijking van de voorgaande leden is deze verordening ook van toepassing op ingezetenen van gemeenten die vallen onder de werking van de centrumgemeente Utrecht ten aanzien van opvang en beschermd wonen, al dan niet in verband met risico’s voor veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Hoofdstuk2Maatschappelijke ondersteuning Paragraaf2.1Procedure melding, onderzoek en aanvraag Artikel2.1.1Melding en onderzoek 1.Een melding kan door of namens een persoon worden gedaan op een door het college vastgestelde wijze. Het college stelt hiertoe beleidsregels op. 2.De medewerker die de melding in behandeling neemt stelt vast: a. of het een melding in het kader van de wet is; b. verwijst, indien dat niet het geval is, de cliënt zo nodig direct door naar de plek waar de persoon zich wel kan vervoegen. 3.De medewerker bevestigt de melding en neemt deze, als het tweede lid sub b niet van toepassing is, verder in behandeling. 4.Als de medewerker heeft vastgesteld dat het een melding in de zin van de wet is en de in het derde lid genoemde situatie niet van toepassing is, stelt deze een onderzoek in conform artikel 2.3.2 van de wet. Dit tenzij de situatie bij de medewerker voldoende bekend is als gevolg van eerdere meldingen. 5.Indien de cliënt dit wenst, kan de cliënt zich bij het doen of afhandelen van de melding laten ondersteunen door iemand uit zijn eigen netwerk of een onafhankelijke derde. Het College wijst de cliënt tijdens de melding op de mogelijkheid een beroep te doen op de onafhankelijke cliëntondersteuning en waar die verkregen kan worden. 6.Indien de cliënt dit wenst kan hij binnen 7 werkdagen na de melding een persoonlijk plan indienen als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet. Het college wijst de cliënt tijdens de melding op deze mogelijkheid. Artikel2.1.2Verslag 1.De medewerker maakt van het onderzoek een verslag, waarin hij de bevindingen van zowel de medewerker als de cliënt weergeeft, alsmede het eventuele ondersteuningsplan. 2.De medewerker verstrekt het verslag na afronding van het onderzoek aan de cliënt. 3.Het college kan beleidsregels stellen over de methodiek en de procedure waarmee het verslag tot stand komt. Artikel2.1.3Aanvraag Voor de aanvraag voor een maatwerkvoorziening dient gebruik te worden gemaakt van het door het college vastgestelde aanvraagformulier. Het college kan hiervan afwijken. Het college stelt daartoe beleidsregels op. Paragraaf2.2Vormen van maatschappelijke ondersteuning Artikel2.2.1Inzet voorzieningen 1.Het college kan voor de maatschappelijke ondersteuning algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen beschikbaar stellen. 2.Het college kan bij het toekennen van een voorziening nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van algemene en maatwerkvoorzieningen. 3.De verstrekking van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen geschiedt binnen de kaders van de wet en het beleidsplan Wmo. Deze verstrekking is gericht op het behalen van één of meer door het college, in overleg met de cliënt vastgestelde resultaten. Artikel2.2.2Reikwijdte van de maatschappelijke ondersteuning 1.De door het college aangeboden maatschappelijke ondersteuning levert een substantiële bijdrage aan het realiseren van een, naar het oordeel van de raad, aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie, conform het beleidsplan Wmo. Artikel2.2.3Tegemoetkoming zorgkosten 1.Het college kan in een kalenderjaar, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.Het college kan beleidsregels opstellen over de wijze van aanvragen, voorwaarden om in aanmerking te komen, de wijze van beoordeling en de uitbetaling van de tegemoetkoming. Paragraaf2.3Criteria voor verstrekking van een maatwerkvoorziening Artikel2.3.1Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Een cliënt kan binnen de kaders van de wet, het door de raad vastgestelde beleidsplan Wmo en deze verordening in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening als: het college heeft vastgesteld dat er sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid of participatie als gevolg van een beperking, van chronisch psychische en/of psychosociale problemen, en de belemmeringen niet in voldoende mate kunnen worden opgelost door de versterking van de eigen kracht, de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers, door gebruik te maken van een oplossing die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd of van voorliggende of algemene voorzieningen. 2.Het college besluit, indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, tot de goedkoopste adequate maatwerkvoorziening. 3.Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken. 4.Het college kan beleidsregels stellen over de methodiek en de procedure waarmee de noodzaak tot het bieden van een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld. 5.Normbedragen voor de verstrekking van maatwerkvoorzieningen in de vorm van een vergoeding worden door het college vastgelegd in een Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Utrecht. Artikel2.3.2Weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening In aanvulling op artikel 2.3.1 van deze verordening kan het college een maatwerkvoorziening, gericht op het versterken of behoud van de zelfredzaamheid of participatie weigeren, als naar het oordeel van het college: deze, gezien de beperkingen van de persoon voor zichzelf of anderen, onveilig is en/of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt; sprake is van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening terwijl deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven; de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning niet meer kan plaatsvinden; de cliënt niet of onvoldoende wil meewerken aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het bereiken van de resultaten; de noodzaak tot het opnieuw verstrekken van een voorziening aan de cliënt te verwijten is; de noodzakelijke maatwerkvoorziening niet leidt tot meerkosten voor de cliënt ten opzichte van de situatie waarin een vergelijkbare persoon zonder dergelijke belemmeringen verkeert. Artikel2.3.3Aanvullende criteria beschermd wonen en opvang 1.In aanvulling op artikel 2.3.1 van deze verordening kan een cliënt binnen de kaders van de wet, het door de raad vastgestelde beleidsplan Wmo en deze verordening, in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in verband met beschermd wonen en opvang, anders dan in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, als: de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; er sprake is van een vermoeden van beperkte zelfredzaamheid als gevolg van een verslavings-, psychisch of psychosociaal probleem, dan wel een combinatie van deze problemen. 2.Het college verbindt aan de opvang voorwaarden die te maken hebben met het bereiken van als noodzakelijk vastgesteld resultaat. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op: de medewerking van de cliënt aan de verduidelijking van de ondersteunings-behoefte; de medewerking van de cliënt aan de uitvoering van het opgestelde ondersteuningsarrangement; het naleven van de cliënt van de leef- en gedragsregels binnen de opvang. 3.De raad kan beleidsregels stellen met betrekking tot het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van beschermd wonen en opvang. Artikel2.3.4Aanvullende criteria mantelzorgondersteuning met verblijf In aanvulling op artikel 2.3.1 van deze verordening gelden voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van mantelzorgondersteuning, gepaard gaand met verblijf, de volgende criteria: de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met permanent toezicht; ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert is noodzakelijk; de cliënt is tijdelijk op deze maatwerkvoorziening aangewezen. Artikel2.3.6Aanvullende criteria sociaal-recreatief vervoer 1.Het gebruik van het collectief (openbaar) vervoer heeft het primaat als het de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie. 2.Een persoon die naar het oordeel van het college bij het vervoer met het collectief (openbaar) vervoer is aangewezen op persoonlijke begeleiding, kan gratis een begeleider mee laten reizen. 3.Het college kan beleidsregels stellen voor de beoordeling van het recht op een vervoersvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer. Artikel2.3.7Aanvullende bepalingen woonvoorzieningen 1.Het college kan een woonvoorziening verstrekken voor de aanpassing van de woning. 2.De mogelijkheid van verhuizen naar een meer geschikte of volledig geschikte woning kan door het college bij de beoordeling van de goedkoopst adequate oplossing worden meegewogen. De kosten van verhuizen maken in dat geval deel uit van de te treffen voorziening. 3.Een woonvoorziening voor de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex hoeft niet te worden verstrekt als het wooncomplex specifiek is bestemd voor de huisvesting van ouderen of personen met een beperking. 4.Een woonvoorziening hoeft niet te worden verstrekt wanneer de woning conform het van toepassing zijnde bouwbesluit reeds aan deze specificatie moest voldoen; 5.Het college kan als onderdeel van een woonvoorziening de dubbele woonkosten in verband met tijdelijke huisvesting vergoeden, als een cliënt tijdelijk elders moet wonen totdat de woning van de cliënt is aangepast. 6.Het college kan een voorziening weigeren indien de belemmeringen te wijtenzijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van deomstandigheid dat de woning niet voldoet aan de daaromtrentgeldende wettelijke eisen. 7.In afwijking van het vorige lid kan het college een persoonsgebonden budget verstrekken als tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing, als: de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning. 8.Het college verstrekt geen woonvoorziening als de cliënt woont in of verhuist naar een hotel, pension, trekkerswoonwagen, vakantiewoning, tweede woning of intramurale opvang. 9.Het college verstrekt geen woonvoorziening indien deze redelijkerwijs regulier verkrijgbaar en voor de cliënt financieel bereikbaar is. De mogelijkheid om de kosten te verrekenen in de huur of hypotheek en/of als bijzondere kosten af te trekken van de Inkomstenbelasting, kan door het college bij de beoordeling van de financiële bereikbaarheid worden meegewogen. Hoofdstuk3Een Persoonsgebonden budget Artikel3.1De wijze van aanvragen van een pgb 1.Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de cliënt daartoe volgens een door het college ter beschikking gesteld format een gemotiveerde aanvraag in, gebaseerd op het ondersteuningsplan, waarbij de cliënt aangeeft: wat hij met het pgb wenst in te kopen; waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; hoe hij de voorziening wenst in te kopen; op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; een onderbouwde begroting. 2.Indien de cliënt ondersteuning, begeleiding of een hulpmiddel wenst te betrekken bij een persoon uit het sociaal netwerk, is dit alleen toegestaan wanneer de cliënt kan motiveren dat dit tot een gelijkwaardig of beter resultaat leidt dan de inzet van een professional. 3.Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden indien: de cliënt naar het oordeel van het college niet voldoet aan alle in het eerste lid van dit artikel en aan het in de wet gestelde artikel 2.3.6, tweede lid, genoemde voorwaarden; het pgb in de plaats komt van een maatwerkvoorziening die het college in collectieve vorm aanbiedt; de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college niet of niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het beoogde resultaat; de cliënt naar het oordeel van het college: de aanvraag niet kan motiveren en toelichten; geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; problematische schulden heeft of een schuldsaneringstraject doorloopt; verwijtbaar onder toezicht staat of een bewindvoerder heeft; onder verwijtbaar wordt verstaan dat de persoon handelingen heeft verricht of keuzes heeft gemaakt die ertoe hebben geleid dat toezicht of bewindvoering noodzakelijk is. redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het pgb te beheren of een daartoe gemachtigde niet beschikt over het keurmerk van het Keurmerkinstituut; een gemachtigde of beheerder van het pgb heeft aangewezen die tevens uitvoerder is van de met het PGB ingekochte ondersteuning; belangenbehartigers betaalt uit het pgb. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet; het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland; de ondersteuning die door één en dezelfde persoon geleverd wordt meer bedraagt dan 48 uur per week. Bij het vaststellen of deze 48 uur per week overschreden wordt kan ook betrokken worden de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden het pgb gebruikt wordt voor andere kosten dan het leveren van de ondersteuning. Onder andere kosten wordt ook verstaan reiskosten of begeleidings- of administratiekosten in verband met het beheren van een pgb. In afwijking van Artikel 3.1.3 onder f kan het college toestemming geven om de toegekende ondersteuning individuele begeleiding die met het pgb ingekocht wordt ook in te zetten tijdens een vakantie. Artikel3.2Hoogte van het pgb 1.De omvang van het pgb bedraagt nooit meer dan de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura. 2.Indien nodig kan het pgb voor een hulpmiddel aangevuld worden met een vergoeding voor instandhoudingkosten. 3.Indien het pgb is gebaseerd op een uurtarief of gemiddeld resultaattarief, wordt onderscheid gemaakt tussen ondersteuning geleverd door een instelling, een zelfstandig ondernemer en personen uit het sociaal netwerk: Het uurtarief voor een zelfstandig ondernemer is gebaseerd op het tarief van een erkende instelling minus 18% overheadkosten. Het tarief voor de persoon uit het sociaal netwerk is vastgelegd in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Utrecht. Artikel3.3Besteding en verantwoording van het pgb 1.De cliënt stemt in en handelt conform de bepalingen van de gemeente zoals opgenomen in deze verordening, beschikking en pgb plan. 2.De cliënt stemt in en handelt conform de (algemene) voorwaarden van de Sociale Verzekeringsbank en de voorwaarden zoals de gemeente die is overeengekomen met de SVB. 3.Het college kan de cliënt verplichten gebruikt te maken van standaarddocumenten ten behoeve van het aanleveren van gegevens voor het trekkingsrecht via de SVB. Hoofdstuk4Bijdragen voor het gebruik van voorzieningen Paragraaf4.1Eigen bijdrage voor voorzieningen Artikel4.1.1Bijdrage algemene voorzieningen Voor een algemene voorziening kan een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage worden gevraagd. Het college kan hiertoe beleidsregels opstellen. Artikel4.1.2Inkomensafhankelijke eigen bijdrage maatwerkvoorziening 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening (geleverd in natura of via een pgb), zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.. 2.Indien de maatwerkvoorziening is verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing van een minderjarig kind, is de eigen bijdrage verschuldigd door de in artikel 2.1.5, eerste lid, van de wet, bedoelde persoon of personen. 3.In afwijking van het eerste lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het gebruik van collectief (openbaar) vervoer voor zover deze als maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 4.Op grond van artikel 3.8, lid 2.a van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt het percentage zoals genoemd in artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld op 8 procent. 5.Het opleggen en innen van de eigen bijdrage voor ondersteuning in de vorm van opvang vindt plaats door de instelling, die de opvang verzorgt. Tenzij het college in de afspraken met de instelling of anderszins hiervan nadrukkelijk afwijkt. Artikel4.1.3Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening 1.De bijdrage voor een maatwerkvoorziening is nooit meer dan de maximale eigen bijdrage die mogelijk is op grond van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.Het college stelt beleidsregels vast ten aanzien van de wijze van berekening en inning van de eigen bijdrage voor opvang. Artikel4.1.4Vaststelling kostprijs pgb ten behoeve van berekening hoogte eigen bijdrage 1.De kostprijs van een eenmalig pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb dat is verstrekt. 2.De kostprijs van een periodiek verstrekt pgb is per periode gelijk aan de hoogte van het pgb dat over deze periode is verstrekt. Artikel4.1.5Vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening in natura ten behoeve van eigen bijdrage 1.De kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, opvang of beschermd wonen, wordt als volgt vastgesteld: als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt gehuurd, wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is gelijk aan de huur die de gemeente voor de voorziening over die periode verschuldigd is aan de verhuurder van de voorziening; als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt ingekocht, wordt de kostprijs vastgesteld op de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is aan de door de gemeente gecontracteerde leverancier van de voorziening. 2.De kostprijs van dienstverlening, opvang of beschermd wonen in natura wordt per periode vastgesteld en is gelijk aan de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening, opvang of beschermd wonen over die periode verschuldigd is. Artikel4.1.6Afwijkende vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening ten behoeve van eigen bijdrage In afwijking van hetgeen gesteld is in artikel 4.1.4 en artikel 4.1.5 wordt de kostprijs van de voorziening die onder de titel Arbeidsmatige activering of Thuisbegeleiding wordt aangeboden, vastgesteld op nihil. Paragraaf4.2Blijk van waardering mantelzorgers Artikel4.2.1Activiteit voor mantelzorgers Het college geeft de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten vorm in overleg met het Stedelijk Steunpunt Mantelzorg. Hoofdstuk5Kwaliteit, klachten en betrekken inwoners Artikel5.1Kwaliteitseisen 1.Instellingen borgen de volgende kwaliteit tijdens de door hen geleverde dienstverlening: Veiligheid van cliënten en personeel. Het gaat hierbij om veilige gebouwen, veilig aanbod en veilig voelen. Het college kan hiervoor beleidsregels opstellen. Kwaliteit van zorg. Het gaat hierbij om de inzet van effectieve methodieken; het inzetten van personeel dat in kennis, houding en vaardigheden deskundig is; het afstemmen van de ondersteuning op de behoeften van de klant en, indien meerdere aanbieders betrokken zijn bij het leveren van ondersteuning, het afstemmen van het geheel aan ondersteuning vanuit klantperspectief. Cliëntgerichtheid: de ondersteuning wordt opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd in samenspraak met de cliënt en zijn mantelzorger of vertegenwoordiger. Doeltreffendheid: de ondersteuning biedt zicht op resultaten. Doelmatigheid: De ondersteuner evalueert regelmatig zijn inzet in relatie tot het resultaat en stelt dit in het gesprek met de cliënt en zijn mantelzorger of vertegenwoordiger aan de orde. Deze uitkomst wordt betrokken bij de innovatie van de wijze waarop de ondersteuning wordt aangeboden. 2.De aanbieders moeten deze kwaliteitsborging vastleggen in een toetsbaar plan passend bij de aard van de ondersteuning. Op verzoek van de gemeenten overlegt de instelling dit plan. 3.Als een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, is de hoofdaanbieder er verantwoordelijk voor dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4.De aanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers voldoen aan de voor de functie vereiste kennis, houding, vaardigheden en wettelijke vereisen. 5.De aanbieder meet minimaal elke twee jaar de klanttevredenheid en betrekt deze resultaten bij de kwaliteitsborging. 6.De aanbieder heeft een procedure voor het indienen van klachten en informeert klanten hierover proactief. 7.Op verzoek van de gemeente geeft de aanbieder een overzicht van het aantal ingediende klachten. 8.De aanbieder betrekt cliënten en waar relevant mantelzorgers, bij het organiseren van de ondersteuning en is gehouden aan de Wmcz (Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen). 9.Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning 10.Het college wijst een toezichthouder aan welke toeziet op de naleving van de in deze verordening gestelde kwaliteitseisen. De toezichthouder is gerechtigd om namens het college handhavend op te treden en maatregelen te treffen. 11.Het college kan beleidsregels opstellen voor nadere invulling van dit artikel en de wijze waarop de invulling van de kwaliteitseisen wordt gewogen. Artikel5.2Budget voor aanbieders van dienstverlening 1.Indien de dienstverlening wordt uitgevoerd door een derde partij, dan stelt het college een redelijk budget ter beschikbaar voor de te leveren ondersteuning. Dit ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening. 2.Bij de vaststelling van het budget houdt het college tenminste rekening met de kosten verbonden aan: de inzet van voldoende geschoold en ervaren personeel; de ondersteuning van het personeel; de bij- en nascholing van het personeel. 3.Het college kan de uiteindelijk over een kalenderjaar te betalen vergoeding aan een aanbieder van dienstverlening korten als een niet of onvoldoende geleverde prestatie daar aanleiding toe geeft of vanwege het overschrijden van de normen zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.10 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). 2.Het college kan beleidsregels opstellen voor de nadere invulling van dit artikel en de wijze waarop deze worden gewogen. Artikel5.3Melding incidenten, calamiteiten en geweld 1.Onverlet de verplichting op grond van artikel 3.3 van de wet tot het melden van calamiteiten en geweld bij de toezichthoudende ambtenaar, is de aanbieder verplicht incidenten te registreren en te melden bij het college. 2.Op verzoek van de gemeente overhandigt de aanbieder de onder lid 12 genoemde registratie binnen 48 uur. 3.De aanbieder van dienstverlening verstrekt periodiek, doch ten minste één maal per jaar, een overzicht van de meldingen met betrekking tot incidenten, calamiteiten en geweld aan de cliëntenraad van de aanbieder. 4.Het college kan beleidsregels stellen met betrekking tot de wijze waarop met meldingen van incidenten, calamiteiten en geweld wordt omgegaan. Artikel5.4Betrekken ingezetenen bij de uitvoering van de wet 1.Het college stelt, volgens de Utrechtse “Participatie Standaard”, inwoners, cliënten en de bij de bundeling betrokken cliëntenorganisatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.