Uitvoeringsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Littenseradiel 2016Het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel; gelet op de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht; besluit: vast te stellen Uitvoeringsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Littenseradiel 2016 HOOFDSTUK1ALGEMEEN Artikel1Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze uitvoeringsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkeloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze uitvoeringsregels wordt verstaan onder: de Participatiewet: de Participatiewet zoals van kracht vanaf 1 januari 2015; de IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkeloze werknemers; de IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; de Awb: de Algemene wet bestuursrecht; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Littenseradiel; uitkering: de door het college betaalde kosten van bijstand als bedoeld in de Participatiewet en de inkomensvoorziening als bedoeld in de IOAW en IOAZ, verhoogd met de afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen, behoudens de in artikel 7, tweede lid, van deze uitvoeringsregels genoemde uitzonderingen; beslagvrije voet: dat deel van de uitkering nodig voor de basale kosten van levensonderhoud als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en met toepassing van het besluit van 19 juni 2015 (Staatsblad 2015 241); inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 17, eerste en tweede lid, Participatiewet en artikel 13, eerste lid, IOAW en IOAZ. Artikel2Gebruik maken van diverse bevoegdheden 1.Het college maakt gebruik van: de bevoegdheid ingevolge het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de Participatiewet tot herzien of intrekken van een besluit tot toekenning van bijstand; de bevoegdheid ingevolge het bepaalde in artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAW tot herzien of intrekken van een besluit tot toekenning van uitkering; de bevoegdheid ingevolge het bepaalde in artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAZ tot herzien of intrekken van een besluit tot toekenning van uitkering; de bevoegdheden tot terugvordering op grond van het bepaalde in de artikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet; de bevoegdheden tot terugvordering op grond van het bepaalde in de artikelen 25, 26 en 28 van de IOAW en de IOAZ; de bevoegdheden tot invordering via verrekening zoals bedoeld in artikel 48, vierde lid, artikel 60, derde lid en artikel 60a van de Participatiewet en de artikelen 28, tweede en derde lid, van de IOAW en IOAZ; de bevoegdheden tot invordering bij dwangbevel zoals bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Participatiewet en de artikelen 28, eerste lid, van de IOAW en IOAZ. 2.Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheden tot verhaal op grond van de Participatiewet. 3.De bevoegdheden zoals beschreven in het eerste en tweede lid gelden voor het college als algemene verplichtingen, behoudens de in deze uitvoeringsregels beschreven uitzonderingen, behoudens dringende redenen en behoudens de situatie waarin terugvordering van respectievelijk de kosten van bijstand en de kosten van inkomensvoorziening dan wel het opleggen van een verhaalsverplichting in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. HOOFDSTUK2GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN (VERDERE) TERUGVORDERING Artikel3Afzien van terugvordering 1.In afwijking van de bevoegdheid tot terugvordering, en in afwijking van het bepaalde in artikel 2 van deze uitvoeringsregels, beperkt het college de terug te vorderen uitkering tot een periode van zes maanden, indien bij het college gegevens bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de uitkering, gerekend vanaf de datum waarop bij het college gegevens bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de uitkering. 2.Het college kan bepalen een bedrag tot maximaal € 150,00 netto niet terug te vorderen (kruimelbedragen). 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing indien de uitkering ten onrechte is verstrekt omdat de belanghebbende de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen. Artikel4Bij schuldsituaties 1.In afwijking van de bevoegdheden tot terugvordering en van het bepaalde in artikel 2 van deze uitvoeringsregels, besluit het college om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en; de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2.Het eerste lid is in beginsel niet van toepassing indien: de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende of het terugvorderen van uitkering betreft die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, b, en c, van de Participatiewet; de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. 3.Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en belanghebbende een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen. 4.Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekend gemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid; de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel5Na voldoen aan de betalingsverplichting 1.In afwijking van de bevoegdheden tot terugvordering en van het bepaalde in artikel 2 van deze uitvoeringsregels, besluit het college om af te zien van terugvordering indien de belanghebbende: gedurende drie jaar vrijwillig en volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan, of; gedurende drie jaar vrijwillig, maar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan, of; gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of; een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost. 2.In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid ambtshalve genomen. 3.Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van: de terugvordering van uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht; de terugvordering van uitkering die is verstrekt in de vorm van een geldlening; vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden; terugvordering van uitkering wegens het naderhand beschikbaar komen van middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, onder f, van de Participatiewet en er door verwijtbaar handelen van de belanghebbende een betalingsregeling moet worden overeengekomen. HOOFDSTUK3INVORDERING PARAGRAAF1DE BETALINGSVERPLICHTING Artikel6Bruto of netto 1.In de terugvorderingsbeschikking wordt in beginsel de gehele vordering, berekend naar de uitkering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder f, van deze uitvoeringsregels meegedeeld aan belanghebbende. De vaststelling van deze vordering geldt dan voor belanghebbende als de opgelegde betalingsverplichting. 2.Belanghebbende kan volstaan met een netto betaling van de vordering wanneer: de vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar, en belanghebbende de vordering voldoet voor het einde van het boekjaar, of; de vordering niet is voldaan voor het einde van het boekjaar waarop deze betrekking heeft, maar belanghebbende niet kan worden verweten dat een vordering is ontstaan en evenmin kan worden verweten dat de vordering niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Artikel7De minnelijke betalingsregeling 1.Een belanghebbende kan binnen de betalingstermijn van zes weken als bedoeld in artikel 4:87 Awb een gemotiveerd verzoek indienen, onder overlegging van bewijsstukken, om een betalingsregeling te treffen. 2.Binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, stelt het college de maandelijkse aflossingscapaciteit vast. De door het college vastgestelde aflossingscapaciteit geldt dan voor belanghebbende als de gedeeltelijke aflossingsverplichting. Het besluit van het college als bedoeld in dit artikellid geldt tevens als besluit tot uitstel als bedoeld in artikel 4:94 van de Awb en wordt ingetrokken als belanghebbende de nader vastgestelde aflossing niet nakomt. Indien het besluit als bedoeld in dit artikellid wordt ingetrokken, geldt het bepaalde in artikel 6, eerste lid, laatste volzin, van deze uitvoeringsregels onverkort. 3.In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het tweede deel van het tweede lid ambtshalve genomen. Artikel8Vaststelling hoogte aflossingscapaciteit bij uitkeringsgerechtigden 1.Indien de belanghebbende een uitkering ontvangt, bedraagt de aflossingsverplichting 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wel van de norm inkomensvoorziening. 2.Bij de berekening van de aflossingsverplichting wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet zoals omschreven in artikel 1, tweede lid, onder g, van deze uitvoeringsregels. 3.In afwijking van het gestelde onder het eerste lid wordt met een betalingsvoorstel van de belanghebbende ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en waarbij het betalingsvoorstel van de debiteur ten minste € 25,00 per maand bedraagt en niet strijdig is met het bepaalde in het tweede lid. Artikel9Vaststelling duur en hoogte aflossingscapaciteit bij uitstroom en bij niet uitkeringsgerechtigden 1.De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit wordt bij beëindiging of intrekking van de uitkering gedurende zes maanden, gerekend vanaf de datum beëindiging of intrekking, gesteld op: het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de uitkeringsperiode; het bedrag dat belanghebbende op grond van het gestelde in artikel 8 van deze uitvoeringsregels diende af te lossen. 2.Na afloop van de termijn van zes maanden als bedoeld in het eerste lid wordt bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze uitvoeringsregels vermeerderd met 25% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de uitkering met toepassing van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van deze uitvoeringsregels. 3.Indien tijdens het nemen van een invorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering wordt bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze uitvoeringsregels vermeerderd met 25% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de vergelijkbare uitkering met toepassing van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van deze uitvoeringsregels. 4.In afwijking van het gestelde onder het tweede en derde lid wordt met een betalingsvoorstel van de belanghebbende ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en waarbij het betalingsvoorstel van de debiteur ten minste € 25,00 per maand bedraagt en niet strijdig is met het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van deze uitvoeringsregels. 5.De termijn van zes maanden als bedoeld in het eerste lid kan ambtshalve dan wel op verzoek belanghebbende eenmalig worden verlengd met nogmaals zes maanden indien deze verlenging noodzakelijk is voor en ter bevordering is van een duurzame uitstroom uit de uitkering. PARAGRAAF2GEVOLGEN BIJ NIET OF NIET MEER VOLDOEN VAN DEBETALINGSVERPLICHTING Artikel10Niet of niet meer voldoen 1.Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt dan maakt het college gebruik van zijn bevoegdheden tot verrekening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van deze uitvoeringsregels. 2.Bij het ontbreken van deze mogelijkheden wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van: een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479d tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of; beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 Awb, of; een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 3.Voor zover het college gebruik kan maken van de uitvaardiging van een dwangbevel geschiedt dat door middel van toezending per aangetekende post. Artikel11Rente en kosten Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 10 van deze uitvoeringsregels dan wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, indien de invordering is overgedragen aan een deurwaarder. HOOFDSTUK4VERHAAL Artikel12Instellen onderzoek, verhaal 1.Verhaal is slechts mogelijk op basis van de limitatief in de Participatiewet genoemde gronden. 2.Er wordt ongeacht de draagkracht van belanghebbende een verplichting tot verhaal opgelegd. 3.Er wordt elke 36 maanden een heronderzoek ingepland dan wel eerder bij gewijzigde omstandigheden. 4.De verhaalsbijdrage wordt niet gewijzigd als na een heronderzoek het verschil niet groter is dan € 25,00. 5.Het college besluit indien nodig tot verhaal in rechte. 6.Bij het bestaan van dringende redenen kan worden afgezien van verhaal. HOOFDSTUK5SLOTBEPALINGEN Artikel13Bevoegdheid tot afwijken Slechts op ambtshalve voorstel kan het college besluiten tot het toepassen van artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Artikel14Citeertitel Deze uitvoeringsregels kunnen worden aangehaald als “Uitvoeringsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Littenseradiel 2016”. Artikel15Inwerkingtreding 1.Deze uitvoeringsregels treden in werking op de dag na die van bekendmaking ervan en werken terug tot en met 1 januari 2016. 2.De Beleidsregels terugvordering WWB, WIJ, IOAW en IOAZ gemeente Littenseradiel 2011 en de Beleidsregels verhaal Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren gemeente Littenseradiel 2011 worden ingetrokken. Wommels, 19 januari 2016 Het college voornoemd, , burgemeester. , secretaris. Toelichting Uitvoeringsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Littenseradiel 2016 Artikel 1 Begripsbepalingen Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 2 Gebruik maken van diverse bevoegdheden In de Participatiewet, die per 1 januari 2015 in werking is getreden, is het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand, alsmede het herzien en intrekken van het recht op bijstand dat hier in de meeste gevallen aan vooraf gaat, een algehele bevoegdheid van het college. Daarnaast gelden dezelfde bevoegdheden sinds 1 januari 2010, als gevolg van de Wet bundeling inkomensvoorzieningen gemeenten (Wet buig), ook voor ten onrechte verstrekte uitkeringen op grond van de IOAW en de IOAZ. De bepalingen in deze wetten over opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en verhaal vormen op zichzelf dus geen sluitende grondslag voor de gemeentelijke terugvorderings- en verhaalspraktijk. Met onderhavige uitvoeringsregels wordt een nieuwe “wettelijke” basis gecreëerd. Het college maakt gebruik van de hierboven bedoelde bevoegdheden tot herziening, intrekking, terugvordering en verhaal in de gevallen en op grond van de bepalingen in deze uitvoeringsregels. Er kunnen in de individuele situatie dringende redenen zijn op grond waarvan van een herzienings-, intrekkings-, terugvorderings- of verhaalsbesluit kan worden afgezien. Indien een dergelijk besluit te ernstige gevolgen voor de belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.