Nadere regels Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2015Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bunschoten; gelet op de artikelen 2, 6, derde en vierde lid, artikel 7, tweede lid, artikel 12 en artikel 15, derde lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2015, BESLUIT de volgende nadere regels vast te stellen: Nadere regels Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2015 Hoofdstuk1.Begripsbepalingen Artikel1 algemene voorziening: als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet; cliëntondersteuning: als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet; college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bunschoten; gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; maatwerkvoorziening: als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet; melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Hoofdstuk2.Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Artikel2.Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld: in persoon via de balie van het gemeentehuis van de gemeente Bunschoten; telefonisch via nummer 14 033; schriftelijk via een brief; digitaal via een webformulier; bij de door de centrumgemeente Amersfoort aan te wijzen instellingen voor opvang indien het gaat om een hulpvraag op het gebied van opvang. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding digitaal of schriftelijk. 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de elding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel3.Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel4.Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. 5.Een persoonlijk plan omvat tenminste: Een beschrijving van de behoeften, persoonskenmerken en voorkeur van de cliënt; Een inventarisatie van de oplossingsmogelijkheden; Mogelijkheden om, indien van toepassing, de mantelzorger te ondersteunen; Mogelijkheden van lokaal en regionaal beschikbare algemene voorzieningen die bijdragen aan het oplossen van het probleem; Mogelijkheden die ontstaan door voorliggende voorzieningen vanuit diverse regelingen, zoals zorgverzekering, openbare gezondheidszorg, jeugdhulp, (passend) onderwijs, wonen, werk en inkomen; Toestemming om in het kader van de hulpvraag relevante persoonlijke gegevens uit te wisselen met personen betrokken bij de uitvoering van het plan. Artikel5Gesprek 1.Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze, en hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel6.Verslag 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2.Binnen zeven dagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3.De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen zeven dagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. 4.Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 5.Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Artikel7.Aanvraag 1.Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 2.Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven. Hoofdstuk3.Algemene voorzieningen Artikel8.Algemene vooziening voor Huidhoudelijke Hulp Van de Algemene Voorziening voor Huishoudelijke Hulp (AVHH1) kan gebruik gemaakt worden door inwoners van de gemeente Bunschoten die langdurige lichamelijke problemen hebben, waardoor zij (een deel van) de huishoudelijke klussen niet kunnen doen. Er zijn geen volwassen huisgenoten die in staat zijn om het huishouden te doen. De cliënt is in staat om zelf uit te leggen welke taken moeten worden uitgevoerd. Artikel9.Collectief vervoer (regionaal) Voor regionaal vervoer gericht op participatie kan gebruik worden gemaakt van het collectief vraagafhankelijk vervoer ‘Regiotaxi’. Hoofdstuk4.Maatwerkvoorzieningen Artikel10.Maatwerk als sluitsteen 1.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als er geen toereikende (voorliggende) voorzieningen zijn en de betreffende maatwerkvoorziening bijdraagt aan participatie van de aanvrager in de samenleving. 2.Mantelzorg en mogelijkheden uit het sociale netwerk van de aanvrager gelden niet als afdwingbare voorliggende voorziening. 3.Wanneer een wettelijke voorziening toereikend wordt geacht maar dit feitelijk niet is, kan een maatwerkvoorziening niet in de plaats van die voorliggende voorziening komen. 4.Voor de hoogte van de vergoedingen wordt verwezen naar de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. 5.Het college bepaalt jaarlijks de hoogte van de vergoedingen. Artikel11.Vervoersvoorzieningen 1.Het gebruik van openbaar en collectief vervoer heeft het primaat wanneer deze de cliënt in voldoende mate in staat stelt tot participatie. 2.Bij het bepalen van de vervoersbehoefte wordt rekening gehouden met een lagere behoefte vanwege: intramuraal verblijf in een instelling; een samenvallende vervoersbehoefte; een beperkte vervoersbehoefte; andere aanwezige vervoersvoorzieningen. Artikel12.Vervoersvoorzieningen (in en om de woning)/Rolstoelen 1.Voor het verplaatsen in en om de woning is verstrekking van een rolstoel mogelijk. 2.De rolstoel kan bestaan uit een handmatig voortbewogen rolstoel voor zowel binnen- als buitengebruik of een elektrisch voortbewogen rolstoel voor zowel binnen- als buitengebruik. 3.Voor vervoer op korte afstanden, in de directe omgeving van de woning is verstrekking van een scootmobiel of vergelijkbaar vervoermiddel mogelijk. 4.Voor sportactiviteiten is verstrekking van een sportvoorziening mogelijk. Artikel13.Vervoersvoorzieningen (lokaal) 1.Voor lokaal vervoer gericht op participatie zijn afhankelijk van de afstandsdoelen de volgende voorzieningen mogelijk:Voor lokaal vervoer gericht op participatie zijn afhankelijk van de afstandsdoelen de volgende voorzieningen mogelijk: taxi individueel rolstoeltaxi autokosten (eigen of bruikleen) 2.Voor lokaal vervoer op middellange afstanden is een driewielfiets mogelijk. 3.Voor alle andere vervoersdoelen, zoals woon-werkverkeer en zakelijk verkeer zijn vervoersvoorzieningen in het kader van de Wmo uitgesloten. 4.De individuele voorzieningen in lid 1 en lid 2 zijn alleen mogelijk voor zover collectief vervoer geen passende voorziening is. Artikel14.Combinatie van vervoersvoorzieningen Indien sprake is van vervoersbehoeften met diverse afstandsdoelen is een combinatie van vervoersvoorzieningen mogelijk. Artikel15.Hulp bij het huishouden (HH) 1.De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden kan worden verstrekt voor degenen voor wie een algemene voorziening niet passend is (passend betekend ook financieel passend). 2.De maatwerkvoorziening HH bestaat uit de volgende categorieën: Schoonmaakwerkzaamheden; Schoonmaakwerkzaamheden met andere lichte ondersteuning in de huishouding; Schoonmaakwerkzaamheden met ondersteuning binnen de ontregelde huishouding. 3.Voor beoordeling van aanvragen geldt de beleidsregel 'Tijdnormering huishoudelijke taken Bunschoten’, opgenomen in de bijlage. Artikel16.Woonvoorzieningen en woondiensten 1.Voor het opheffen van belemmeringen in het normaal gebruik van de door de cliënt bewoonde woning zijn de volgende voorzieningen mogelijk: niet bouwtechnische en woontechnische aanpassingen losse woonunits verhuiskostenvergoeding vergoeding voor huurderving aan verhuurder tijdelijke huisvesting, dubbele huur 2.Aanpassingen aan de woning zijn alleen mogelijk in gevallen waarin een verhuizing naar een passende woning niet mogelijk is of redelijkerwijs van aanvrager niet kan worden verwacht en ook anderszins geen goedkopere adequate oplossingen beschikbaar zijn; 3.Een aanvraag voor niet bouwtechnische en woontechnische aanpassingen die een jaarlijks door het college vast te stellen bedrag (zie bijlage) te boven gaat, gaat vergezeld van tenminste drie offertes; 4.Losse woonunits kunnen worden verstrekt voor noodzakelijke extra leefruimte; 5.In gevallen waarin vanwege nog uit te voeren aanpassing werkzaamheden en om medische redenen tijdelijke huisvesting (dubbele huur) noodzakelijk is, kan gedurende maximaal 6 maanden tot maximaal de bovengrens voor huurtoeslag een budget worden verleend. Artikel17.Respijtzorg/kortdurend verblijf De mantelzorger die vanwege dreigende overbelasting de ondersteuning niet kan voortzetten, of waarvan aannemelijk is dat men dit op korte termijn niet meer kan, kan aanspraak maken op respijtzorg. Artikel18.Persoonlijke verzorging [Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL)] Voor het behoud of het vergroten van de zelfredzaamheid is ADL-dienstverlening mogelijk. Artikel19.Begeleiding en Dagbesteding Voor het behoud of het vergroten van de zelfredzaamheid is begeleiding en/of dagbesteding mogelijk. Artikel20.Beschermd wonen Voor clienten die vanwege de ernst van hun psychische of psychosociale problematiek een woonvorm met voldoende toezicht en begeleiding nodig hebben is beschermd wonen mogelijk. Hoofdstuk5.Regels voor persoonsgebonden budget (pgb) Artikel21.Toetsing motivatie-eis 1.Een pgb wordt verstrekt als de cliënt motiveert dat de verstrekking van de maatwerkvoorziening in een pgb de voorkeur heeft. 2.Een pgb wordt ook verstrekt voor voorzieningen die vanwege hun aard niet in natura kunnen worden aangeboden. 3.Pgb kan alleen worden toegekend als conform artikel 2.3.6. van de wet de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger voldoende in staat is de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. En naar het oordeel van het college de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en clientgericht wordt verstrekt. Artikel22:Aanvragen van een pgb 1.Uit de aanvraag blijkt op welke wijze deze voorziening bijdraagt aan participatie en zelfredzaamheid. 2.Uit de aanvraag blijkt dat de voorziening voldoet aan het door het college vastgestelde programma van eisen. 3.Uit de aanvraag blijkt op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd. 4.Uit de aanvraag blijkt op welke wijze eventuele meerkosten van de voorziening worden bekostigd. 5.Bij de aanvraag voor een pgb verstrekt de cliënt de volgende informatie: welke voorziening wordt met het pgb ingekocht en door wie deze wordt geleverd. 6.Indien het pgb wordt ingezet voor het afnemen van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van iemand die behoort tot het sociale netwerk van de cliënt, dan wordt de meerwaarde daarvan aangetoond. Artikel23.Hoogte van het pgb 1.De hoogte van het pgb wordt bepaald aan de hand van de door de cliënt ingediende specificatie als onderdeel van het persoonlijk plan. 2.Het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. 3.De hoogte van een pgb voor: dienstverlening waaronder huishoudelijke hulp, individuele begeleiding en dagbesteding door: Professionals in dienst van een instelling wordt per uur of per resultaat bepaald op basis van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel. Professionals, werkzaam als zelfstandigen, wordt per uur of per resultaat bepaald op basis van 75% van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel. Niet-professionals wordt bepaald op basis van 50 % van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel. kortdurend verblijf- en respijtzorg: met laag intensieve ondersteuning uitgevoerd door vrijwilligers met ondersteuning van een beroepskracht, of met hoog intensieve ondersteuning uitgevoerd door daartoe opgeleide personen; wordt per dagdeel of per resultaat voor kortdurend verblijf- en respijtzorg bepaald op basis van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel; beschermd wonen De hoogte van het pgb tarief voor beschermd wonen wordt bepaald op basis van het door het college vastgestelde tarieven voor het betreffende onderdeel; overige maatwerkvoorzieningen Het college stelt het pgb voor overige maatwerkvoorzieningen vast op maximaal de kostprijs van de door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura, waarbij het college er zorg voor draagt dat de cliënt met het pgb in staat is kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. Het college kan het pgb in ieder geval lager vaststellen dan het bedrag zoals bedoeld in het vorige lid, als in dat bedrag salariskosten zijn begrepen en de cliënt gebruik maakt van ondersteuning in het informele circuit. Het college stelt het tarief voor de onderdelen genoemd onder a, b en c vast conform de Tarievenlijst Jeugd en Wmo Artikel24.Maximum pgb bij vergoeding van vervoerskosten Het college bepaalt de maximum budgetten per vervoermiddel (zie bijlage). Artikel25.Pgb Noodzakelijke aanpassingen eigen auto 1.Voor noodzakelijke aanpassingen aan een eigen auto, die niet ouder is dan 3 jaar en de afschrijvingstermijn van de voorziening is ten minste vijf jaar, wordt een budget beschikbaar gesteld. 2.Voor het overzetten van noodzakelijke voorzieningen in de eigen auto naar een andere auto wordt ongeacht de leeftijd van de auto waarin de voorziening wordt geplaatst een budget beschikbaar gesteld, tenzij de voorziening niet langer als adequaat kan worden aangemerkt. 3.Het budget wordt verhoogd met de noodzakelijke kosten voor rij- en gewenningslessen (zie bijlage). Artikel26.Pgb Vergoeding woonvoorziening (niet bouwkundige of woon technisch) Het budget voor een woonvoorziening is gelijk aan de door het college goedgekeurde offerte, eventueel verhoogd met instandhoudingkosten bedoeld voor reparatie en onderhoud van de desbetreffende voorziening. Artikel27.Pgb Bestedingstermijn 1.De cliënt kan schriftelijk en gemotiveerd vragen het pgb later te mogen aanwenden dan zes maanden na toekenning van de voorziening. 2.Dit verzoek wordt gehonoreerd indien latere aanwending van het budget onvermijdbaar is en de cliënt nog steeds is aangewezen op de voorziening. Artikel28.Pgb Beschermd wonen 1.De leveringsvorm pgb voor beschermd is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan: De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter.; De bewoners hebben een gemeenschappelijke ruimte hebben voor gezamenlijke activiteiten; De kleinschalige woonvorm voldoet aan dezelfde kwaliteitseisen als de gecontracteerde instellingen voor beschermd wonen. 2.Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm. 3.Bij toekenning van pgb beschermd wonen wordt getoetst of budgethouder in aanmerking komt voor wooninitiatieventoeslag De wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten gemaakt voor het organiseren van de zorg van pgb-houders en infrastructuur in het kader van doelmatige zorgverlening en voor zover het niet mogelijk is deze te financieren uit voorliggende voorzieningen waaronder pgb-beschermd wonen. Beschikkingen voor wooninitiatieventoeslag die voor 2016 zijn afgegeven worden in geval van herindicatie verlengd tot 31 december 2016 en bij doorlopende pgb’s tot afloop van het pgb. Hoofdstuk6.Bijdrage in de kosten/korting Artikel29.Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen 1.Voor het gebruik van de algemene voorziening huishoudelijke hulp (AVHH1) is de client een bijdrage in de kosten verschuldigd aan de aanbieder. 2.De hoogte van de eigen bijdrage aan de aanbieder is het verschil in kostprijs en de bijdrage van de gemeente. De gemeente draagt bij aan maximaal 2,5 uur huishoudelijke hulp. Voor de overige uren is de bijdrage van de client gelijk aan de kostprijs van de aanbieder. Artikel30.Eigen bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening 1.Voor een maatwerkvoorziening, dan wel pgb, wordt aan de cliënt een eigen bijdrage gevraagd, maar niet langer dan dat hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt; 2.Voor de bepaling van de hoogte van de eigen bijdragen en inkomensgrenzen wordt aangesloten bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; 3.Het aantal perioden van 4 weken waarover een eigen bijdrage wordt berekend, is afhankelijk van de kostprijs van de voorziening; 4.De eigen bijdrage wordt, bij afschrijving van voorzieningen, maximaal tot het moment dat de voorziening economisch is afgeschreven, opgelegd. Hoofdstuk6.Waardering mantelzorgers Artikel31.Waardering mantelzorgers Voor de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers in Bunschoten-Spakenburg wordt aangesloten bij de landelijke dag van de mantelzorg. Hoofdstuk7.Betrekken van ingezetenen bij het beleid Artikel32.Betrekken van ingezetenen bij beleid Op basis van artikel 15 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2015 zorgt het college ervoor dat ingezetenen van de gemeente, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers worden betrokken bij het voorbereiden van het beleid. Daarnaast stelt het college ingezetenen van de gemeente vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen. Artikel33.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van hetgeen in deze nadere regels is bepaald, indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Hoofdstuk8.Slotbepalingen Artikel34.Intrekking De Nadere regels verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2015, ingangsdatum 1 januari 2015, worden ingetrokken. Artikel35.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze regeling treedt in werking op 1 februari 2016. 2.De regeling wordt aangehaald als: Nadere regels Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2015. Bunschoten-Spakenburg, 1 februari 2016Burgemeester en wethouders,drs. J.F.H. JennekenssecretarisM.van de GroepburgemeesterTOELICHTING Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2016 Inleiding Doel van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is mensen die dat nodig hebben te ondersteunen in hun bijdrage aan de samenleving, hulp te bieden bij het herstellen van hun zelfredzaamheid en om mensen toe te rusten om maatschappelijk te participeren. Kortom: meedoen. Iedereen binnen de samenleving moet mee kunnen doen aan het maatschappelijk verkeer. Het college van B&W stelt nadere regels vast die gelden als richtlijn voor het uitvoeren van taken op het gebied van de Wet maatschappelijke ondersteuning, zoals deze door de gemeenteraad zijn vastgesteld in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2015. Deze regels zijn dus een nadere uitwerking voor de uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bunschoten 2015 en treden in werking per 1 februari 2016. 1. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Artikel 1. Melding hulpvraag In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Het kader hiervoor heeft het college vastgesteld in het Besluit Electronisch berichtenverkeer Bunschoten 2013. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Artikel 2. Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Artikel 3. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden. Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 4, tweede lid. De eigen verantwoordelijkheid en kracht van de cliënt om een oplossing te vinden voor het probleem dat wordt voorgelegd, wordt bevestigd door de mogelijkheid voor de cliënt een persoonlijk plan in te dienen. Het persoonlijk plan is een belangrijk document in de fase van vraagverheldering en onderzoek, omdat daarin de cliënt zelf een beeld geeft van de relevante feiten en omstandigheden, van te ondernemen acties en van resultaten die bijdragen aan zijn participatie in de samenleving. Door het opstellen van een persoonlijk plan geeft de cliënt blijk van eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. Het persoonlijk plan biedt de cliënt de mogelijkheid zelf optimaal vorm te geven aan het pakket van maatregelen en voorzieningen om het probleem op te lossen. Het geeft een goede uitgangspositie voor het inzetten van de juiste en passende acties. Het persoonlijk plan is nadrukkelijk aan de orde bij een aanvraag van een pgb en geeft inzicht in de keuze van een pgb boven verstrekking in natura. Op basis van de specificaties van het plan moet de hoogte van het budget op een zorgvuldige wijze kunnen worden vastgesteld. De Wmo 2015 gaat uit van een ‘aantoonplicht’ voor de aanvrager. Dit betekent dat het aan de cliënt is om alle relevante feiten naar voren te brengen. Vervolgens is het aan de medewerker(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.